Nogmaals welkom

Welkom in Idiocraty, the sequel. Twee weken geleden probeerde ik op mijn ter ziele gaande plukdenacht.weblog een verhuisbericht te plaatsen, om mijn ouwe trouwe lezers op de hoogte te stellen van de nieuwe locatie.

Dat leek op mijn eigen computer te zijn gelukt. Op die van een paar andere trouwe volgers eveneens, getuige de bezoekersaantallen op deze nieuwe site.
Echter. Uit het dagelijkse en werkelijke leven kwam een heel ander beeld tevoorschijn.

Met de woorden “Waarom schrijf je niet meer?” schoot een dichter mij afgelopen woensdag aan op het Dichtersbal in de Stadsschouwburg.
“Ik schrijf me gek, hoezo?”, repliceerde ik.
“Ik zag afgelopen maandag geen nieuw stukje op je site”, zei de conversatie-initiator.
“Heb je mijn verhuisbericht niet gelezen dan?”, vroeg ik, “met de nieuwe locatie?”
“Welke verhuisbericht?”
“Nou deze”, zei ik. Ik googlede het ouwe trouwe plukdenacht.weblog tevoorschijn en hield mijn smartphone voor zijn snufferd.

De desbetreffende dichter tuurde op mijn schermpje en trok een wenkbrouw op.
“Wat is er?”, zei ik.
“Ik zie geen verhuisbericht.”
“Nou ja”, zei ik, “Kun je niet lezen? Dat lijkt me sterk aangezien je toch zelf gedichten..”
De dichter keek nog eens goed, maar bleef me vervolgens vreemd aankoekeloeren.
Waarop ik besloot zelf maar eens op mijn schermpje te kijken.
“Verrek”, concludeerde ik verbaasd, “er staat geen verhuisbericht, laat staan een nieuwe locatie.”
“Pff, gelukkig”, zei de dichter, “ik dacht even dat ik een diepere laag over het hoofd had gezien, ja zelfs hield ik rekening met de mogelijkheid dat ik op slag volslagen krankzinnig was geworden, wat trouwens op zich zeer welkom zou wezen, want ik zit met een deadline voor een nieuwe bundel en..”
“Maak je geen zorgen”, zei ik, “of wel, maar krankzinnig ben je geenszins. De krankzinnigen, dat zijn de anderen.”
“Slechte Sartre-grap”, glimlachte de dichter.
“Da is”, zei ik op z’n Tiels.

Maar het is wel waar. Weblog.nl heeft het weer eens voor elkaar. Elk nieuw bericht dat je tegenwoordig nog probeert te plaatsen wordt wel op je eigen computer getoond, maar niet aan de rest van de wereld. Tenzij die lezer via een ingewikkelde omweg op archieven gaat klikken (danwel iets met een archieven-link in zijn/haar computergeheugen heeft zitten; de wegen van de ICT zijn ondoorgrondelijk).
“Op archieven klikken om iets nieuws te zien, het is de wereld op zijn kop”, zou een populistische politicus zeggen. Of een politicus tout court.
Zelf zit ik er vooral mee dat ik twee weken om de tuin ben geleid. Dat ik in de veronderstelling verkeerde dat het verhuisbericht goed was doorgekomen, maar dat dit dus in feite compleet niet het geval was.

Enfin.
Nieuwe berichten plaatsen danwel wijzigen is op het oude weblog.nl officieel nog steeds onmogelijk. Maar via wat hackwerk (17 jaar hands-on-ervaring) heb ik nu hopelijk toch het oorspronkelijke verhuisbericht voor alle lezers zichtbaar gemaakt.
Dus nogmaals welkom lieve lezers.(Vergeet het maar, blijkt intussen; het werkte voor een moment, maar er loopt een automatische serverrun die alles wat het laatste uur veranderd is, zelfs in de metadata, rucksichtslos terugdraait, dus fuck. Truc mislukt (‘Troek misloek’ in TurkTiels). Uiteindelijk. Anyway.)

Voor de allertrouwste lezers die deze nieuwe locatie al wel hadden ontdekt: Ik hou van jullie!
Speciaal voor jullie een foto uit Tiel van vandaag:

hoog water Tiel

Over hoe het niet meevalt het hoofd boven water, etc.
En dan heb ik het niet per se over dit weblog. Er komen spannende tijden aan.

Wordt vervolgd.

Advertisements

Cowboy

Gisteren stond ik rond een uurtje of 13.30 op de tramhalte voor de revalidatiekliniek aan de Overtoom. Ik was nerveus, want de tram kwam maar niet opdagen, en ik wilde echt om 14.07 de trein halen naar Groningen. Dus ik stak een shagje op. Sowieso een slim plan, want zodadelijk zou ik ruim 2 uur achter elkaar niet kunnen roken.
Naast me kwam een man staan. Een lange man. Met laarzen van slangenleer, een spijkerbroek met wijduitlopende pijpen, een lange suede jas en een JR-hoed op zijn kop. Door zijn jas kon ik niet goed zien of hij holsters rond zijn heupen droeg, maar het was ontegenzeggelijk een cowboy.
De cowboy draaide een zware Brandaris, zette hem met een Zippo in de hens en keek vervolgens uitermate geconcentreerd naar niets, zoals cowboys dat zo goed kunnen.

Toen we ons shaggie bijna ophadden draaiden we er nog 1. En staken die in de brand met het uiteinde van de vorige.
Dat zie ik niet vaak, mensen die net als ik, letterlijk kettingroken.
‘Misschien moet hij ook naar Noorderslag’, bedacht ik, ‘en staat hij ook alvast voor te roken omdat ie zo 2 uur in de trein moet zitten’, maar verwierp deze onzinnige breinflits direct daarna. Met de zelfcorrectie ‘Dat iemand, net zoals jij, heel veel rookt, hoeft niet per se te betekenen dat hij dan ook maar meteen de rest van je hobbies er op na houdt’, bracht ik mijn hersens weer in gezonde balans.

En daar kwam dan toch eindelijk de tram. We stapten in. Een kleinhalf uurtje later rende ik met een lekkende Koffie Verkeerd naar de rookpaal op spoor 10. Althans, dat was het plan. Maar er was geen rookpaal. Wel stond er een cowboy. Mijn cowboy. Hij rookte.
Ik besloot dat een rokende cowboy ook een rookpaal is, stak op, en kon nog net 3 trekjes nemen voordat ik tussen de sluitende deuren de trein in sprong.
Terwijl we oostwaarts reden keek ik achterom naar het perron waar ik de cowboy nog net een verse Brandaris zag rollen.

In Groningen dropte ik mijn rugzak in hotel Friesland (het sjofelste hotel in het centrum – ik ben gek op sjofel, en ook op het centrum, dus voila), en liep naar grand cafe de 3 Gezusters (die wij in Tiel altijd ‘de 3 tieten’ noemen, wat vrij inconsequent is, want het zijn er dus 6, maar als je zegt ‘de 6 tieten’, weet niemand in Groningen welk cafe je bedoelt, en hoe je er ook alweer naartoe moest lopen) op de Grote Markt, waar ik om 17.00 een stuk of 15 van mijn Appelpopvrienden zou treffen.
Mijn Appelpopvrienden waren al wat langer in Groningen, want die hadden vanaf woensdagavond ook festival Eurosonic meegepikt.
Dat was te merken trouwens, viel me op, terwijl ik ze begroette. Ze zaten in het ‘sport’-gedeelte van de 3 tieten, dat is de plek waar elke vierkante centimeter muur wordt bezet door een stuk of 4 megagrote flatscreens, waarop je tegelijkertijd het schaatsen, voetbal, darten en weetikveel, cricket, kunt volgen. Mijn vrienden staarden met afwezige glazige oogjes naar het cricket. Of eigenlijk keken ze naar niets. Een beetje zoals de cowboy, maar dan minder op hun qui vive.
Zombies.
Dus die moeten het gezellig hebben gehad, de dagen ervoor, realiseerde ik me. Ze lustten ook bijna geen bier meer. Daar waar we normaal op de dag van Noorderslag tussen 17.00 en 18.00 een stuk of 6 halve liters de man wegtikken, bleef het nu bij een beschaafd en enkel glaasje.

Pas toen we gingen eten kwam er weer een beetje leven in de mannen. En vrouwen niet te vergeten. Tegenwoordig gaan er namelijk ook Appelpopmeisjes mee naar Groningen. Of nou ja, meisjes. Meskes, zoals wij in Tiel zeggen. Het verschil tussen een meisje en een meske laat zich goed illustreren door de volgende restaurantscene van gisteren, bij de Italiaan.

“En oe, wat wil oe drink’n”, vroeg de serveerster aan een van de meskes, die tijdens het eten tegenover mij zat.
“Doe de gai mai moar unnene Aistie”, zei het Appelpopmeske.
De serveerster fronstte even haar wenkbrauwen, maar slaagde er vervolgens toch in om zonder googletranslate te raadplegen te snappen wat er werd bedoeld.
“Heel goed, een Icetea veur oe, wilt oe die met of zonder bubbl’s?”, vroeg de serveerster.
“Mooooaaaah, da mak me nie so veul uit, wah, wittewah, doe moar zonder. A’k dan toch nog bubbels wil, dan loat ik er wel unnene scheet in.”

Meskes. Een volk apart.

Niet dat de mannen veel beter zijn. Vriend Johan moet hem elk jaar weer maken. Zijn grap.
“En wat wilt oe voor een hoofdgerecht, meneer?” vroeg de serveerster aan Johan.
“Ik wil groag een bord dôt dier.”
Let op, dat is nog niet de grap.
“?” vroeg de serveerster.
“Ik wil groag zo veul mogelijk dôde dieren ête”, verklaarde Johan zich nader.
De serveerster knikte nu begrijpend, “dan kan ik oe de mií grill aanrad’n”, zei ze.
“Da’s goe”, zei Johan.
Let op, nu komt ie.
“Wilt oe daar salade bij?”
“Zitten daar vitamines in?”
“Euh, ja?”, zei de serveerster.
“Nee, die mag ik niet van de dokter.”

Elk jaar.

Ik ben gek op Tiel. Maar je moet er wel wat bij drinken. Dus toen de serveerster bij mij kwam voor het voorgerecht, bestelde ik een karafje rode wijn.
“Voor de drankjes kom ik zo”, zei ze, “ik kom nu voor het voorgerecht.”
“Voor mij is dat een karafje rode wijn”, herhaalde ik.
“Dat is geen et’n.”
“Ik ben ook niet zo’n eter”, zei ik.
“Okay”, noteerde de serveerster schouderophalend, en legde zich definitief neer bij de loop der dingen.

Ik kreeg een liter. Een hele liter. Slechte wijn, maar daar ging het me niet om. Het ging om de procenten. En die deden het goed. In het hoofdgerecht dat ik vervolgens voorgeschoteld kreeg (Spagetti frutti de mare – wat kan je daar in godsnaam aan verknallen zou je denken, nou dit:) leek al het zout van de 7 wereldzeeen te zijn verzameld, dus dat heb ik laten staan, wel heb ik nog een Irish coffee gedronken.
En pas daarna was ik genoeg naar de vaantjes om weer normaal te kunnen functioneren.

Op en top in mijn festivalmodus t.i. Of in ieder geval enthousiast, nieuwsgierig, en overtuigd van de geruststellende gedachte dat iedereen lief is, en verrassend mooi, en dat mijn leven zin had, en meer van dat soort antwoorden op existentiele vragen.

Ik heb een hoop bandjes gezien. As ever. Veel weet ik er niet meer van, though. Behalve dat Navarone ‘Whole lotta love’ van Led Zeppelin coverde, en dat ze daar vet veel wahwah bij gebruikten.
Ik kwam bijkans klaar.
“Niet 1, niet 2, maar 3 crybabies” (wahwahpedaalmerk van Hendrix), twitterde ik, wat ik toen absoluut geloofde. Misschien zie ik dubbel, dacht ik nog, maar verwierp dat, want wie heeft er nu anderhalf wahwah-pedaal?
Ergo.
Nu ik de foto terugzie zijn er wel wahwah-pedalen, maar is er geen enkele originele Crybaby bij. Geloof ik.
Het doet er niet toe. Zo klonk het wel.

Navarone 

Er valt qua wahwah op youtube niet zo heel veel lekkers van Navarone terug te vinden. Ja, misschien de eerste minuut van deze:

http://www.youtube.com/watch?v=dDJApBFBBmw

Let ook op de gajatte solo verderop, van Tupelo Honey (zoek maar op; nee, niet als geboorteplaats van Elvis, en ook niet als LP van Van-the-man, maar gewoon bandje uit Helmond, begin negentiger jaren vorige eeuw, solo = intro van ‘Judy’)
 
Pfoe, genoeg Leo Blokhuis, terug naar Groningen. Het was 4.00 a.m. Ik had zojuist het duo van ‘Orgelvreten’ (100% Hammond, en dat is na wahwah mijn favoriete geluid) het festival zien afsluiten en stond buiten.
In de kou.
Alleen.
De rest van Tiel was al hotelwaarts gekeerd.
Hoe nu?
Mijn telefoon was leeg.
Geen vrienden, geen googlemaps.
Slechts me, myself and I, en mijn zwaar beschonken persoonlijkheid.

“Weet u misschien de 3 tieten?”, vroeg ik aan een mevrouw van de beveiliging.
Ze gaf geen antwoord, en staarde strak voor zich uit.
Dat schoot niet op.

Uiteindelijk vond ik de FEBO, de snackbar op de hoek van de Grote Markt. De plek waar heel Noorderslag zich rond vijven verzamelt.
Voor de vorm trok ik ook iets. Een bamiblok geloof ik, of een nasischijf. De rest was op.
Ik liet hem me smaken.
Zo, dacht ik. Vanaf hier weet ik de weg wel.

Ik wist ‘m niet.
Ik wist m zo ontzettend niet.
Ja fuck, dacht ik, toen ik voor de zoveelste keer verdwaald was en in de een of andere buitenwijk terecht was gekomen, ik moet een slim plan maken.

Dus wat deed ik? Juist! En ik vind dus echt dat deze moet worden opgenomen in het woudlopersboek van de neefjes Duck: Ik liep terug naar de FEBO en maakte een cirkel!
Geniaal!
Ik wist tenslotte dat ik in het centrum moest zijn. Eerst een kleine cirkel. Daarna een iets grotere. Vervolgens een nog iets grotere.
Net zolang tot ik iets herkende.
En verdomd. Daar was de HEMA!
Vanaf de HEMA wist ik het. Eerste rechtsaf, en verder niks meer aan doen.

5 minuten later kwam ik aan bij hotel Friesland. Yes!
Met m’n zatte kop probeerde ik de voordeur open te krijgen met de speciale ‘nachtsleutel’.
Ik kreeg m er niet in.
“Heb jij een nachtsleutel?” vroeg iemand.
Ik keek achterom.
Het was de cowboy.
Serieus.
“Ik verzin dit niet”, om met Sylvia Witteman te spreken.
Ongelooflijk. Achter me stond de cowboy.
Ik herpakte me van de schrik en probeerde me de voorgaande seconden te herinneren. De conversatie adequaat voort te zetten, zogezegd. Dat lukte.
“Ik wel”, zei ik.
“Ik niet”, zei de cowboy, “maar ik heb wel een kamer.”
“Vertel me niks”, zei ik, “dat heb ik ook zo ontzettend vaak meegemaakt!”

Breek me alsjeblieft de bek niet open.
Visioenen. Iets met ochtendgloren. Iets met stoeptegels. Iets met wreed gewekte Tielse meskes en geworpen nachtsleutels uit ramen.
“Maak je geen zorgen!”, riep ik tegen de cowboy.
“Dat doe ik wel”, zei ie.
“Hoezo?”
“Je probeert de nachtsleutel er op z’n kop in te douwen.”
“Is dat zo?”
“Dat is zo.”

Het was zo. 

De cowboy opende de voordeur.
“Welterusten”, zei ie, “en bedankt.”
“Ja, welterusten”, zei ik.

Daarna liep ik naar mijn kamer, stak mijn telefoon in de oplader en trok een pils open. Rookte een sigaretje uit het raam.
Vervolgens smste ik nog wat vage dingen naar bekenden waarvan ik enorm hield.

Ik was gelukkig.

Eenmalige premiere

Ik ga het kort houden vannacht, lieve lezers. Dit weekend druk bezig geweest met het schrijven van een stadsgedicht dat ik morgen moet voordragen tijdens de publieke nieuwjaarsreceptie van de Gemeente Tiel.
Dat klinkt als een lullig gebeurtenisje, maar dat is het niet. Vorig jaar waren er 500 bezoekers. Inclusief mijn moeder. Met name dat laatste maakt het altijd eng. Niemand wil voor het oog van zijn moeder afgaan als een gieter, terwijl tout Tiel, waaronder een hoop procenten van haar sociale omgeving, gretige getuige is.

Om het nog erger te maken, is het dit jaar de bedoeling dat mijn stadsgedicht onderdeel uitmaakt van een geinig stukje cabaret dat wordt verzorgd door 2 gemeenteraadsleden.
“Het lijkt me leuk als je in het midden van ons cabaretgedeelte voor de receptie een rap doet”, mailde 1 van de gemeenteraadsleden. Die overigens een goede vriend is van mijn moeder.
“Geen probleem”, mailde ik terug.
Dat was half november.

Wat zal ik zeggen? Ik begin altijd te laat met dingen. Dat komt meestal doordat ik het te druk heb. Vooral met dingen die ik in een eerdere fase heb uitgesteld.
Ik was dit weekend kortom vies de lul.

Cabaret. Ik ben gek op cabaret. Om naar te kijken alleszins. Naar te luisteren desnoods. Maar maken is iets anders. Grappig zijn op het podium. En dat dan vantevoren uitschrijven.
Het lukte me niet.
“Godverdomme, wat is dit voor een kutvak!” schreeuwde ik naar de Almachtige, terwijl ik op het punt stond om in de glazen opbouw van mijn woning, mijn laptop door een van de ramen te keilen.
“Blijkbaar niet echt dat je zeg maar zegt, echt mijn ding”, zei ie terug.
“Bepaald niet, inderdaad!”, riep ik.
Daarna bleef het stil.

Ja, kut.

Bon. Naar rap luisteren dan maar. Ter inspiratie. Ik bleef hangen in “Open letter to NYC” van de Beastie Boys.

Dear New York
I know a lot has changed
Two towers down
But we’re still in the game

Kan ik hier iets mee voor Tiel? zat ik te peinzen.
Lastig.
Nu is Tiel vergelijken met New York City sowieso al een uitdaging, maar ik bedacht me bovendien dat ik dit vorig jaar al had gedaan. Als stadsdichter. Een verhaal over oorlogsverleden, wederopbouw en herpakt optimisme.
Best knap gevonden destijds, besloot ik gisteren.
Maar goed, daar had ik nu geen fuck aan, want dergelijke thematiek is weinig cabaratesk.

Ik moest iets nieuws.
Maar ik wist niets nieuws.
Want er is zoals gewoonlijk het afgelopen jaar geen klote gebeurd in Tiel.

Ik had het aan mijn moeder gevraagd, mijn zusje, mijn beste vriend, aan iedereen.
En iedereen haalde zijn schouders op.
“Poe, iets gebeurd in Tiel? Het afgelopen jaar, vroeg je? Euh, nee. Niet echt.”

Toch heb ik er uiteindelijk nog een tekst van 138 regels van weten te maken. Een rap die bij vlagen ook nog grappig is op de koop toe.
Maar die tegelijkertijd staat of valt bij de mate waarin ik ‘m uit mijn hoofd ken.

Ik geef cabaratesk af op de seniliteit en vooral de gedateerdheid van het gemeentebestuur.
Als ik morgen mijn tekst kwijtraak ben ik enorm de Sjaak.
Sta ik onnoemelijk voor lul.

Waarom doe ik mezelf dit in godsnaam aan? Ik weet het niet. Behalve dat het een feit is.
Ik tart blijkbaar graag het lot.
Dus ik ga nu met mijn dronken kop 138 regels uit mijn hoofd leren.
4000 woordjes. In de juiste volgorde.

Het lijkt kansloos. En dat is het waarschijnlijk ook.
Maar je weet nooit.
Misschien gebeurt er iets.

De Donkere Dagen voor Kerst

Vanmiddag was ik op een High Tea, en wel in het Glazen Huis. Nee, niet dat ding in Enschede waar DJ’s Giel Beelen en Gerard Ekdom 7 dagen niet eten om babysterfte tegen te gaan of zoiets, maar het Glazen Huis in het Amstelpark, waar regelmatig exposities worden georganiseerd van en door beeldend kunstenaars. Wij kregen wel te eten:

[FOTO toevoegen kan dus tijdelijk niet; bij weblog.nl. Mooi kut. Enfin doe maar net of hier een foto staat van een geweldige High Tea-tafel met veel geglazuurde taartjes]

Als je naar bovenstaande foto kijkt dan zul je in eerste instantie wellicht denken: “die vieze vuile kunstenaars hebben het weer goed voor elkaar voor zichzelf, die flikkers.”
En dat is natuurlijk ook zo.
Aan de andere kant, als je met een Hans Aarsman (die fotoforensisch onderzoeker van de Volkskrant)-blik naar het plaatje kijkt, dan vallen er misschien heel andere dingen op (geen kapstok, geen schoteltjes, amper stoelen – alles voor het oog, nul voor comfort; oftewel kunst).
Al te diep wil er niet op ingaan, maar de aanleiding voor de High Tea was niet al te vrolijk. Het was een afscheidsfeestje. Stadsdeel Amsterdam Zuid (maar dat had je al geraden; kind met half lang haar – Hans Aarsman: check) had besloten dat de Stichting van kunstenaars die het de afgelopen 4 jaar met succes had georganiseerd, toe was aan vervanging door een echt bedrijf, omdat het stadsdeel “een ambitieuzere invulling” voor ogen had, “om stadsdeel Zuid internationaal op de kaart te zetten”.

Dat ambitieuze bedrijf werd gevonden in de vorm van ICY2 (“I see you too”), en daar is het stadsdeel een contract mee aangegaan. Maar vooralsnog wil het niet zo vlotten met de uitwerking van de kek gepresenteerde, maar in de praktijk toch best vage plannen van ICU2, en staan de expositie-ruimtes in het Amstelpark het komende half jaar leeg.
En waarschijnlijk zullen ze dat ook daarna blijven.
Doodzonde.

Het deed me denken aan mijn eigen baantje/detacheringsopdracht bij de ABNAMRO. Daar zijn ze een half jaar geleden een project gestart om de applicatie die ik beheer te vervangen. Een applicatie die precies doet wat ie moet doen, en die ze niks kost, behalve het betalen van mij via een detacheringsbedrijf.
“Die applicatie is niet meer van deze tijd”, zeiden ze.
“Waarom niet?” vroeg ik.
“Omdat ie al 8 jaar oud is.”
“Maar hij doet wat hij moet doen, toch? En ik heb hem in de loop van de tijd aangepast aan de veranderingen in het werkproces.”
“Zeker”.
“Wat is dan het probleem?”
“Een applicatie van 8 jaar oud moeten we niet meer willen met zijn allen.”
“Waarom niet?”
“Omdat dat oud is.”
“En oud is slecht?”
“Oud is slecht.”
“Waarom?”
“Daarom, en nu moet ik naar een andere meeting, doei.”

Oud.
Voor de vervanging van mijn applicatie hebben ze een budget van 4 miljoen euro vrijgemaakt.
Best cool.
Zoveel zijn ik en mijn applicatie blijkbaar waard.
Jammer alleen dat ik daar zelf geen fuck van terugzie, maar dat terzijde.

Enfin, vooralsnog hebben ze mijn contract voor de zekerheid toch nog maar met een jaar verlengd. Zij het met een dagje minder in de week. Ik betwijfel of mijn detacheringsbedrijf daarmee akkoord gaat, maar los daarvan: voorlopig ben ik dus nog even onder de pannen. Zal ik in ieder geval niet ontslagen worden, zo lijkt het.

En dat is goed nieuws, zo tijdens de donkere dagen voor kerst. Maar knagen doet het wel. Gebrek aan waardering. Mij hoor je er doorgaans niet over. Ik drink thuis een pils en het doet me vervolgens geen zak meer. Voor de aangename dingen in het leven heb ik genoeg andere bezigheden dan werk.

Zoals bijvoorbeeld het bijwonen van High Teas in de culturele sector.
Maar ook: KERST! Ik ben in tegenstelling tot veel van jullie dol op Kerst. Familie, ik kan er geen genoeg van krijgen. Ik heb bij mijn moeder bijkans gebedeld of ze dit jaar weer bij haar thuis 1e kerstdag een diner kon doen waarbij iedereen zou komen. Tantes, ooms, de hele mikmak. En met een echte boom, want mijn broertje, waar we de 2e kerstdag zitten, heeft doorgaans geen- of een kunst-boom, en dat trek ik dus niet.
Een echte boom wil ik. Net als vroeger. Toen alles beter was. En iedereen lief, en zorgzaam en oprecht en naief, en met een goed verzorgd pensioen enzo, en dat ik toen dacht: Het is niet erg om later oud te worden.
Dat gevoel, dat wil ik eindeloos herbeleven. En dat krijg ik als ik met de oudere familie ben.
Paar drankjes erin bij mijn ooms en tantes, en hoppakee, de jaren 70 zijn weer terug. Heerlijk. Aangenaam. Zorgeloos.

Mijn moeder heeft het geregeld.
Hulde en dank.
Ik heb een goede kerst voor de boeg.

Maar ik ben de beroerdse niet. Ik denk ook aan jullie. Voor wie er iets minder zin in heeft, die hele toestand, en voor wie het allemaal maar een hypocriet gedoe vindt, heb ik een liedje van mijn favoriete singer/songwriter allertijden in de aanbieding. Het betreft een nummer van de ex-zanger van ‘s Neerlands beste band ooit, de Fatal Flowers. Het gaat kortom om niemand minder dan Richard Janssen.

Ik heb het nummer ooit live mogen zien in Paradiso, pakweg 15 jaar geleden. Destijds had ie een koortje van ca 25 kinderen mee, en trad ie inmiddels solo op onder de artiestennaam Rex. Altijd zijn tijd ver vooruit geweest, en nu dus eigenlijk best actueel. Aanschouw de clip.
Hit it Richard:

Fijne dagen comrads.
En tot binnenkort, als dat kutweblog.nl tenminste weer normaal functioneert.

NK Poetryslam 2012

Eigenlijk deed ik elk jaar wel verslag van het NK Poetryslam. Zoals ik dat ook altijd deed van de maandelijkse Festina Lente Poezieslag. En dan begon ik doorgaans netjes met een inleidende sfeerbeschrijving inzake locatie, pluimage van de bezoekers en eventuele uitzonderlijke omstandigheden (denk aan: -20, Nederland-Brazilie, de moord op van Gogh, dat soort dingen) somde vervolgens de juryleden op inclusief relevante wetenswaardigheden, en ging daarna inhoudelijk in op de gedichten die de diverse kandidaten te berde hadden gebracht. Aansluitend gaf ik dan een overkoepelende analyse ten beste, waarin ik verklaarde waarom die en die al dan niet terecht gewonnen had, danwel verloren.

Das war einmahl. Ik moet met mijn tijd meegaan. Het moet sneller en korter. Analyses die moeten we niet meer willen met zijn allen. Winnaars, daar gaat het om.
Welnu: Laura van der Haar.

Klaar!

Goed verhaal nietwaar? Lekker kort. En het rijmt nog op de koop toe.
Ik ga niet meer naar Chez Nous.

http://www.youtube.com/watch?v=oOz4HYSmWBc

Het bovenstaande, overigens erg goeie/herkenbare cabaretliedje, is van Katinka Polderman. Een van de 3 juryleden, afgelopen vrijdag. Heel veel heeft ze niet gezegd tijdens haar jurycommentaren. Ik verdacht haar er een beetje van dat ze de avond ervoor in Chez Nous had gezeten. Of die middag zelf nog. Ze was in ieder geval niet erg bij de pinken, en raakte al tijdens het liedje dat ze zong ter introductie van zichzelf als jurylid (over kunst: http://www.youtube.com/watch?v=aHEC7TWKK1I – ook een aanrader – eerdere opname) de tekst kwijt.
Ze was nerveus, dat zag je. Ik vond dat sympathiek. Ik hou er niet van als mensen volledig at ease op een podium staan. Dat is niet natuurlijk. Eerder eng. Of totaal gedesinteresseerd. Geef mij maar papiertjes in trillende handjes, licht overslaande stemmen, een bijna verborgen per ongelukke snik. Niet te dik erbovenop natuurlijk, vooral niet te dik.

Als je bijvoorbeeld Hazes neemt, wilde ik zeggen, maar dan dwaal ik te ver af. Anyway. Bij Katinka zul je nooit een snik horen, expres noch per ongeluk, daar is ze te Zeeuws voor. Maar ze was aan het eind van de avond wel de enige van de 3 juryleden die na de finale mijns inziens gevoelsmatig de juiste winnaar aanwees. De Brusselse slammer Jee Kast had in een achtminuten durende battle zojuist de vloer aangeveegd met onze Festina-kandidate Laura van der Haar. Althans tijdens de eerste 7 minuten daarvan. Elk gedicht van Jee Kast was raak, werd door het publiek beantwoord met daverend applaus en gejuich, Laura moest het doen met lauwe reacties en lag bij wijze van spreken als een murw geslagen bokser in de touwen van de hoek van de ring. Als verzorger zou ik allang de handdoek hebben geworpen om haar uit haar lijden te verlossen.
Maar ik was haar verzorger niet. Gelukkig maar. Ik was slechts een ordinaire bookmaker die goddomme vlak voor het evenement nog een weddenschap was aangegaan met de 1 of andere slimmerik die vernam dat ik Jee Kast 20 tegen 1 had genoteerd. Dit laatste had ik gedaan op grond van Jee’s optredens uit een ver verleden en zijn huidige facebookpagina waarop ie nogal flauwe woordspelingen pleegt te debiteren.

But the boy had grown, zoveel werd me wel duidelijk op het NK. Hij was in bloedvorm, kwam met indrukwekkende vormen van effectbejag op de proppen (niet de enige, maar toch wel een van de belangrijkste tools uit de gereedschapskist van een slammer – niks mis mee overigens), en ik stond op het punt om serieuze pieken/pegels/pietermannen te verliezen.
“Kom op Laura, godverdomme”, prevelde ik, niet direct tot God ofzo, maar eigenlijk dus wel.
Hoe dan ook, ik werd zowaar gehoord door de Almachtige.
Laura pareerde voor de verandering Jee Kast eens met een speelse opmerking (iets met ruiken en gebruiken, maar dat doet er verder niet toe), en zette haar laatste gedicht in. Ze oogstte haar eerste lach bij het publiek. Ze oogstte in die allerlaatste minuut van de battle voor het eerst sympathie.

Gaan we het hebben over geheugen? Ja, we gaan het hebben over geheugen. Het geheugen van een massapubliek is kort. Heel kort. En het is dol op wendingen. Dat het anders moet. Change!
Vooral als het bevestigd wordt door autoriteiten. De juryleden mochten een stemadvies uitbrengen. De eerste twee drukten het publiek op het hart om voor Laura te kiezen. Jurylid Mustafa Stitou sprak zelfs over “een zeer sterke voorkeur.” En hij voorzag het van verantwoord literair commentaar.
Ik kon hem wel zoenen. Er gloorde hoop voor mijn centjes.

Daarna was het de beurt aan 3e jurylid Katinka om iets te zeggen.
“Euh watte?”, vroeg Katinka, “Oh! Haha! Stemadvies, ja, nee, euh, wat zeiden zij? Oh, nou, dan doe ik die ene. Die andere.”
“En waarom?” vroegen de presentatoren.
Katinka herpakte zich.
“Dat was toch die jongen?” vroeg ze.
“Ja”, zeiden de presentatorten.
“Precies”, zei Katinka, “die vond ik wel goed.”

Ze had gelijk, Katinka. Waar het slam betrof. Maar ze werd door het publiek gepasseerd, dat massaal voor Laura stemde.
Ik rende met een gebalde vuist richting podium. Festina had ‘t ‘m weer geflikt. Voor de 3e keer op rij een Nederlandse Poetryslamkampioen afgeleverd. Bovendien had ik mijn geld weten te behouden.

En de literatuur had gewonnen en alles. Wellicht. Met Laura. Maar toch. Toch miste ik iets. Ik vroeg me af. Het zat vrijdag bomvol in Rasa (“Muziek en Dans”-centrum in hartje Utrecht) met publiek. En datzelfde publiek gaf de hoogste score van de hele avond aan Josse Kok. Josse Kok sneuvelde in de tweede ronde dankzij de jury. Net als overigens Daniel Vis en Arnoud Rigter.
Ik dacht: Misschien zou het totaal achterwege laten van een jury geeneens kwaad kunnen. Misschien is het poetryslampubliek inmiddels wel groot en volwassen genoeg om het helemaal zelf te bepalen.

Ik zeg maar wat. Allicht omdat ik er dit jaar voor het eerst vet naast zat. Met mijn quotes. Zo eerlijk moet ik wezen.
Maar toch, maar toch, maar toch.
Slam. Ik hoop van harte dat het meer is dan louter een kweekvijver voor dichters die zich in de kijker willen spelen van uitgeverijen.
Ik hoop nog altijd op een discipline an sich.

 

 

 

Quotes NK Poetryslam 2012

“Poetryslam is dood”. Er gaat geen jaar voorbij of het wordt wel weer eens ergens geroepen. Sterker nog, die mening werd al verkondigd in 1999, drie jaar voordat het allereerste NK Poetryslam werd georganiseerd. Cafe Festina Lente aan de Looiersgracht in Amsterdam had na een succesvol eerste seizoen, te schaften met tegenvallende bezoekersaantallen, en de toenmalige uitbater Felix stelde aan mij en Simon Vinkenoog halverwege het tweede seizoen voor om het bijltje erbij neer te gooien.
“Want Poetryslam is dood”, zei Felix.
“Nonsens”, zei Simon, “zolang iets bestaat, is er iets gaande, en zolang er iets gaande is, leeft het, en kan het gaan bruisen, knallen, exploderen in een orgasme van vreugde, voordat je er erg in hebt, ach jongen, ik heb zo vaak horen verkondigen dat de roman dood was, of de poezie, maar altijd komt er weer die wederopstanding, die onverwachte herrijzenis, die geweldige resurrectie, en dan is er weer hoop en dan zeggen de mensen weer “JA!” en dan is er weer LEVEN en dan is er weer POEZIE POEZIE POEZIE, driewerf POEZIE, EN DAN..”
“Okay, okay, vooruit dan maar”, zei Felix, “we proberen het nog even.”

Datzelfde jaar werd Erik Jan Harmens Festina Lentes jaarkamioen. Niet veel later maakte Tjitske Jansen haar podiumdebuut. Bij Festina. De komst van deze 2 zette het traditionele dichterslandschap op zijn kop. De eerste bundel van Tjitske, ‘het moest maar eens gaan sneeuwen’, verkocht meer dan 10.000 exemplaren. Ongekend voor een dichter, laat staan voor een debuut. Je kon bijna spreken van een literaire revolutie, maar daar had ik het niet over.
Wat ik wou zeggen: Poetryslam werd dus al doodverklaard, nog voordat het genre zich uberhaupt ontwikkeld had.

Bon. Het is nu ruim een decennium later. 2012. Bijna 2013 zelfs. Horen we nog iets van recente poetryslammers? Jazekers! Zowel de pers als het publiek en Remco Campert himself liepen weg met de debuutbundel van Kira Wuck (Festina-winnares 2011, en regerend Nederlands kampioene), ‘Finse meisjes’. En Ellen Deckwitz, poetryslampion van 2009, won dit jaar de Buddingh’-prijs voor het beste debuut (‘De steen vreest mij’) en was bovendien vaste deskundige tijdens het EK-voetbal in ‘Het oog op morgen’, waarbij ze de ‘Oog-EK-voetbalpool’ van de NOS won. Waarmee ik maar wil zeggen dat wij dichters, en slammers in het bijzonder, overal verstand van hebben en enorm met 5 voeten in de maatschappij staan, of zoiets.

“Tuurlijk”, om met Boer Aad te spreken, “aan de koffie-automaat op je werk weet niemand wie je bent als je zegt dat je poetry slamt, maar wij verzorgen toch wel degelijk een stukje amusementswaarde naar de mensen toe waardoor je als het ware zeg maar toch net iets meer een poezie-ervaring beleeft als er een gedicht wordt voorgedragen.”

Wat Boer Aad bedoelt, en beter dan hij kan ik het niet zeggen, maar poetryslammers kunnen dus heel goed optreden. Niet dat we slecht schrijven, integendeel, maar zelfs een kuttekst kunnen wij laten klinken als de hemel. Wij zijn performers. Wij zijn de levende reclamezuilen voor de letteren, wij zijn de tolk tussen Henk en Ingrid en de grachtengordel, wij zijn het cement dat de stenen van de samenleving voegt.

‘Halleluja, dat klinkt hoogdravend!’, zul je misschien denken.
Denk dat gerust.
Maar als je nieuwsgierig bent geworden, en dat hoop ik, kom dan langs op aanstaande vrijdag. 14 december. In RASA, Pauwstraat 13a Utrecht. Voor het 11e Nederlandse Kampioenschap Poetryslam. Aanvang 20.00.

In de vakjury zitten Katinka Polderman (cabaretiere), Mustafa Stitou (dichter) en Toef Jaeger (literair critica). Maar het publiek is de belangrijkste scheidsrechter. Jullie dus.

Op het programma staat een achttal dichters dat zich heeft gekwalificeerd middels het winnen van een poetryslam in den lande, en vervolgens het overleven van de loodzware halve finales van het NK.

Kom met een open mind, maar voor wie gebruik wil maken van een beetje voorkennis om incrowd-terzakekundigheid te kunnen veinzen tegenover zijn meegenomen vrienden, hier alvast mijn traditionele bookmakerquotes. Ik heb er de afgelopen jaren bepaald niet naast gezeten. Doe er je voordeel mee.

Daarbij: Wedden mag. Gewoon middels en reactie op deze site. Zet je emailadres erbij en ik stuur je een mail terug ter bevestiging.
Waarbij geldt, als voorbeeld: Je zet 10 euro in op Coen Cornelis, en hij wint het NK. Dan krijg je (30×10)-10=300-10=290 euro terug.
Boekkantoor sluit donderdagnacht/vrijdagochtend om 00.00. Alle niet bevestigde weddenschappen komen na dat tijdstip te vervallen.

En dan nog een disclaimer: Deze quotes hebben niets te maken hebben met mijn persoonlijke smaak, maar zijn louter gebaseerd op mijn inschatting van de kansen.

Okay, hier zijn ze dan. De onvervalste plukdenachtquotes voor het NK poetryslam 2012:

Josse Kok  1:2
Daniel Vis  1:3
Arnoud Rigter  1:3
Frederike Kossmann 1:5
Laura van der Haar 1:7
Jan Ketelaar  1:10
Jee Kast  1:20
Coen Cornelis  1:30

Tot vrijdag!

Olst/Gouda

Gisteren vierde mijn tante (en tevens voormalige hospita) haar 65e verjaardag. Dit deed ze niet gewoon in Amsterdam, waar ze woont, maar in een pitoresque koetshuisje dat ze zo afentoe huurt van een vriendin. Dat huisje staat in Olst.
Olst. Als in Overijssel. Als in belachelijk ver weg.
Ze is niet zo erg als haar dochter, die voor haar bruiloft de complete familie liet afreizen naar Barcelona, maar toch.

In haar uitnodiging stond bovendien vermeld dat we werden verwacht om 11.00. A.m. Ik haalde op mijn laptop de NS-reisplanner erbij, en ontdekte dat de snelste verbinding bestond uit een reis waarin we vanaf Amsterdam 3 maal moesten overstappen om uiteindelijk vanaf Olst Centraal nog 25 minuten te moeten lopen om onze eindbestemming te bereiken. 
Ik greep naar mijn telefoon, swipete de foto van mijn tante tevoorschijn, en drukte op ‘bellen’.
“Met W.” zei mijn tante.
“Ja, met Sven”, zei ik, “zeg, even over morgen, hoe hard is dat tijdstip van 11.00?”
“Hoe hard?”
“Ja, ik bedoel: weet je al hoe het programma eruit ziet voor morgen?”
“Nou eh”, zei mijn tante, “om 11.00 taart natuurlijk, en koffie uiteraard, en daarna misschien een broodje eten, vervolgens vanaf een uurtje of half 2 een wandeling, aansluitend de borrel, en dan dan vanaf 18.00 uit eten in het Veerhuis.”
“Aha”, zei ik, “is het een heel groot probleem als…”
“Jij bent niet zo’n vroege vogel”, onderbrak mijn tante. Ze kent me.
“Nee, ik ben niet zo’n vroege vogel.”
“Dan kom je toch gewoon lekker met de borrel”, zei mijn tante, “tenminste, je mag natuurlijk ook pas bij het eten komen, maar ik zou het persoonlijk wel leuk vinden als je toch in ieder geval met de borrel.. ik bedoel, een borrel laat jij niet schieten toch?” Zoals ik al zei: ze kent me. Ze kent me heel erg goed.
“Ik zou niet durven”, zei ik, “sterker nog, ik zorg gewoon dat we er zijn als de wandeling begint.”
“Om half 2 dus?”
“Om half 2.”
“Fijn.”
Ik klikte mijn telefoon uit en zei tegen L.: “Gepiept.”

Half 2. Dat moest lukken. Volgens de NS reisplanner was het tevens mogelijk om de reis te maken met slechts 1 overstap (via Arnhem), maar dan deed je er een kwartiertje langer over dan de snelste verbinding (overstappen in achtereenvolgens Utrecht, Amersfoort en Deventer). “Zeg het maar”, zei ik tegen L.
“We gaan het lot niet tarten”, besloot L., “we gaan zo min mogelijk overstappen. Dus via Arnhem.”
“Uitstekende keuze”, beaamde ik, en zette de wekker alvast.
Intens tevreden over onze volwassen en verantwoordelijke manier van handelen, vleidden we onze hoofden later die nacht, rond een uurtje of 5, op onze kussens.

Om 9.00 a.m. ging het alarm af.
“Jezus, wat vroeg!” riep L. die stijf van de schrik rechtop in bed zat, “weet je zeker dat je het goed hebt uitgerekend?”
“Volgens mij wel”, mompelde ik, drukte op snooze, en draaide me nog eens om.
“We hoefden er toch pas om half 2 te zijn? Dan hoeven we toch niet al om 9…”
“Hmm hmmm. Jawel, geloof me. Zet jij alvast koffie? – zzzzzzzzz”

Om kwart over 10 stonden we op de tramhalte. Het was er druk.
“Dat is een goed teken”, zei ik, “dat betekent dat ie er waarschijnlijk zo aan komt.”
Het bleek geen goed teken.
10 minuten later nog altijd geen lijn 1.
20 minuten later ook niet.
“Misschien staat de brug bij het Surinameplein open”, zei iemand.
De mensen op de halte knikten.
Maar na een half uur: nog steeds niets. Geen tram te zien. Ook niet in de verre verte.
Mensen begonnen de halte te verlaten. Om dan desnoods maar te lopen naar het CS, zo’n 45 minuten wandelen verderop. Wel zo snel.
Ik ondertussen, liep op de halte ijsberend de ene na de andere sigaret op te steken, en te vloeken. Ik haalde er naast het gangbare aanroepen van belangrijke Bijbelse figuren, luidkeels van allerlei andere zaken bij, zoals economische theorieen die stellen dat het altijd een slecht idee is om publieke goederen privaat te financieren, alsmede breeduitgemeten voorbeelden uit het buitenland van hoe het ook kon (Parijs, Londen, Berlijn), en voor de rest een hoop geslachtsdelen in adjectieve vorm qua Amsterdam.
Ik ben niet goed in wachten. Ook niet sinds ik er helaas gewend aan ben geraakt.

Uiteindelijk kwam het toch nog goed en stonden we op tijd klaar bij de rookpaal op spoor 5 van het Centraal Station voor de trein van 11.23 richting Arnhem. Niks aan het handje. Als vanaf nu alles goed zou gaan (slechts 1 overstap), dan zouden we nog netjes om half 2 in Olst zijn.
Er werd omgeroepen dat de trein naar Arnhem vandaag vanaf spoor 7 zou gaan.
Geen probleem. Wij met dampende bekertjes koffie van de Broodzaak trapje af, trapje op, nieuwe rookpaal.
Het werd 11.23. Geen trein. Wel een overvol perron. 11.27. Geen trein. 11.31. Geen trein. Ook geen omroepen. Geen idee wat er aan de hand was. Veel mensen liepen net als ik te ijsberen en hun apps te checken voor nadere informatie.
“Ja, fuck”, zei ik, “straks missen we onze overstap in Arnhem, want daar hebben we maar 9 minuten.”
“Rustig nou maar”, zei L., “er zijn ergere dingen in het leven.”
Dat laatste is natuurlijk waar. Maar zo voelt het voor mij op zo’n moment niet. Vooral niet toen de borden begonnen te klapperen. Ik liep er naartoe om ze goed te kunnen lezen.
Trein naar Arnhem 40 minuten vertraging.
Right.
Ik rende terug naar L. “Het is tijd voor plan B.”, riep ik, “we gaan via Utrecht, Amersfoort en Deventer met de driedubbele overstap, dan kunnen we een kwartier besparen, en zijn we alsnog op tijd! Maar dan moeten we nu als een gek terug naar spoor 5 voor de trein naar Den Bosch, want die komt als eerste in Utrecht.”
“Dat lijkt me een slecht plan”, zei L.
“Welnee”, zei ik, “we hebben dan in Utrecht een kwartier overstaptijd, dus dan kunnen we zelfs nog nieuwe koffie halen!”
Dat trok L. over de streep, want de oude, die nog steeds met de dekseltjes erop bij de rookpaal stonden, om straks gezellig samen op te drinken in de trein, was inmiddels koud geworden.

Sorry, ik vrees dat dit verhaal te veel een opsomming gaat worden. Een opsomming die iedereen wel kent. Want natuurlijk ging het mis in Utrecht. Of eigenlijk al voor Utrecht. Waar we eindeloos stilstonden in een weiland. Zodat we geen kwartier hadden om over te stappen, laat staan koffie te halen. We hadden om precies te zijn 30 seconden. Amersfoort Spoor 11, 12.21 stond er op het grote bord. Krek de info op mijn OV-app. Wij denderden de roltrap af, en drongen op de valreep de gereedstaande trein op spoor 11 binnen.
Na een kilometertje in de trein te hebben gezeten, die overigens wederom met zware vertraging vertrok, kreeg ik een ongemakkelijk gevoel. We moesten naar het noordoosten. Maar we reden naar het zuidwesten. Ik probeerde te plaatsnaamborden op een voorbijschietend stationnetje te lezen. Ik kon ze niet ontcijferen, zo snel. Een stationnetje later kon ik dat wel: Woerden.
“Fuck!”, riep ik.
“Wat?” vroeg L.
“Godverdegodverdegodver!”
“Wat?” vroeg L. opnieuw, iets paniekiger dit keer, aangestoken door de mijne. De twee bejaarde mensen die naast ons zaten wendden beleefd hun hoofd af.
“We zitten in de verkeerde trein, volgens mij”, zei ik, “volgens mij zitten we in de Intercity naar Den Haag.”
Ik ben een ervaren treinreiziger, ik ken praktisch alle lijnen uit mijn kop.
En ik wist dat het waar was. De Intercity naar Den Haag. Maar kon het ergens niet geloven. Niet geloven dat de borden zo hard hadden gelogen.
“Vraag het dan even!” zei L.
Ik vroeg het. Aan de bejaarde mensen naast ons. Die beaamden het schoorvoetend. De intercity naar Den Haag. Die was op het laatst van spoor gewisseld. De borden waren toen wij er al inzaten, nog omgeklapperd. Zij zaten oorspronkelijk in de trein van spoor 12, Den Haag, maar hadden er nog net op tijd uit kunnen stappen, omdat er plotseling, na 12.21. was omgeroepen dat ie vandaag naar Amersfoort ging.
“Jezus Christus, wat een godverdomde vieze vuile klotezooi weer met die kut-NS, het lijkt wel of die eikelbijtende luldebekonthangers het er om doen!”, wilde ik zeggen, maar ik hield me in, en liet het bij slechts de voornaam van de Heiland.
“Ach”, zei de bejaarde Indonesische man van het echtpaar, “je moet het maar zo bekijken: Stel je voor dat je in een ver land bent, en je bent op reis. Dan zou het je allemaal niet zo veel uitmaken. Dan zou je genieten van het uitzicht.”
Ik keek naar buiten. Daar lag Gouda.
“Gouda”, zei ik.
“Een mooie stad”, zei de man.
“Oh, daar ben ik nog nooit geweest!”, zei L.
“Ze hebben er goeie kaas”, zei de vrouw van het stel.
“En een mooi stadhuis”, zei ik. Ik ben er ooit eens op een bruiloft geweest van een collega.
“Een historisch plaatsje”, zei de man, “net als Tiel.”
“Daar komen wij vandaan”, vulde de vrouw aan.
“Tiel?”, vroeg ik.
“Tiel”, zei de man.
“Wat grappig”, zei L., “hij is er geboren.” Ze wees naar mij.
“In Tiel?” vroeg de vrouw.
“In Tiel”, zei ik.
“O, waar dan?” vroeg de man.
“De Wadenoyenlaan”.
“Die kennen we!” riep het echtpaar, “wij wonen zelf aan de Drumptse kant.”
“Ah, aan de goeie kant van de spoorlijn”, zei ik, “net als mijn moeder tegenwoordig.”
“Waar heeft u op school gezeten, als ik vragen mag?” vroeg de vrouw, “in Tiel?”.
“De Ireneschool”, zei ik.
“Oh, bij juffrouw Nel van Beers in de klas misschien?” vroeg ze.
“Jazeker”, zei ik, “toen ik in de 2e zat”
“Wat leuk!” riep de vrouw, “dat is een vriendin van me. Ik zat ook in het onderwijs. Maar wacht eens even…”
“?”
“Bent u dan niet toevallig de….”
“De wat?”
“Bent u niet de stadsdichter?”

Geen idee waaruit ze dat in 1 keer concludeerde. Maar het was waar.
“Ja”, zei ik, “dat ben ik.”

“Wat leuk! Ik had u niet herkend, maar u bent er dus eentje van Ari****! Uw zusje zie ik vaak staan, bij de krant, en uw vader…”
Veel meer tijd hadden we niet.
“We moeten er hier uit”, zei ik, “we moeten naar Olst. Als we nu in Gouda uitstappen dan kunnen we tenminste..”
“Ik begrijp het”, zei de vrouw, “Olst is inderdaad nog wel een eindje de andere kant op.”
 
Op Gouda Centraal kwamen we terecht op een leeg perron, alwaar een tiental minuten later een Intercity terug naar Utrecht zou komen. En mooier nog, eentje die zou doorrijden via Amersfoort naar Zwolle. Vanaf Zwolle zou het nog maar een kwartiertje zijn, 1 overstap slechts, met de stoptrein naar Olst.
Het was 12.50. Ik plukte de eerste pils van de dag uit mijn rugzak. En stak bij de rookpaal een sigaret op. De rust keerde terug in mijn aderen. De stress was verdwenen.

De wandeling zouden we niet meer halen. Maar dat bleek na een belletje geen probleem. Want mijn tante kent me. Ze weet: Ik ben geen vroege vogel. En voor de borrel was ik op tijd.