Stadsdichter 2

 

Ik moet nog steeds die 4 gedichten schrijven voor de nieuwe Tielse parkeergarage. Vorige week had ik geen tijd, want toen zat ik op Bospop.
Natuurlijk, ik had een schrift meegenomen, en een pen, want ik dacht: een festivalcamping is de uitgelezen plek om geinspireerde poezie te scheppen.
Toen ik na het festivalweekend terugkwam in Amsterdam bleek ik het complete schrift (80 pagina’s!) te hebben volgepend.
Hulde Sven, wat een inzet!

Juist. Toen ik het schrift thuis nuchter opensloeg had ik enigszins moeite de teksten te lezen. Om precies te zijn waren er, na grondig onderzoek, eigenlijk maar een stuk of 3 zinnen van de pakweg 3000 te ontcijferen.
Eentje,op pagina 16, luidde: “Mak je niet te druk goser, gewon de aanzetjes doen die je al had vorig week. Je kan het man, je ben best goed en die anzetjes ook!”
Ik moet bekennen dat ik een klein beetje vertederd was, toen ik het las. Wat ben ik toch een lieve jongen als ik dronken ben, dacht ik. Voor mezelf.
Maar ja. Veel had ik er niet aan. Want die anzetjes, een week eerder gemaakt, had ik meegenomen naar het festival, en was ze ter plekke blijkbaar verloren, want ik kon ze nergens meer vinden.
En me ook niet meer herinneren.

Met ontcijferbare zin 2, op pakweg pagina 40, schoot ik ook niet veel op: “Nu proberen nuchter te bliven tot avond, want strax Doe Maar, en dat wil ik ech zien! Met mijn vrienden! Ik hoop in ieder geval Johan en Coen, dat ze het halen!”

Dat is altijd wel een dingetje op Bospop. Dat je het einde van de avond haalt zonder voortijdig door je hoeven te gaan, op je kanonzatte wankele poten.
Het had er een uurtje voor Doe Maar nog goed uitgezien, herinnerde ik me. Ik stond met Johan en Coen bij het 2e podium te kijken naar de nieuwe band van de ex-Black Crowes, en we waren alledrie heel vrolijk.
Het was 22.00, we hadden al een liter of 10 achter de kiezen, autarkisch staan ging niet meer, maar leunen tegen een tentpaal nog wel, dus over een uurtje bij Doe Maar tegen de dranghekken hangen van Front of House (dat tentje waar het mengpaneel met de geluidsman in huizen) moest zeker gaan lukken!

Dat is het niet.
Het is niet gelukt.
Coen was, om met zijn eigen woorden te spreken, “compleet naar de kut”, en is verdwenen. Zijn tent heeft ie pas anderhalve dag later gevonden, waar ie in de tussentijd is geweest weet niemand, hijzelf ook niet meer.
Johan heeft netjes tegen de dranghekken bij FOH geleund, met een Jack&Coke in zijn klauwen, maar ik ben daar volgens de overlevering niet komen opdagen.
Dat klopt, besefte ik opeens.
Ik stond namelijk vooraan!
Bij Doe Maar!
Ik moet dat heel erg graag hebben gewild. Zo graag dat ik me door uren rijen wachtenden voor me heb heengewurmd.
Daar stond ie: Henny.
Net als 33 jaar geleden op de Waalkade in Tiel, tijdens een zeldzaam gratis concert in hun hoogtijdagen.
Ik zong luidkeels mee, deze keer, op Bospop.
Dat had ik beter niet kunnen doen.
Ik werd door de security uit het publiek gevist en verderop, bij de WC’s, tegen een bouwhek geplant.
“Misschien moet u even een Spa Blauw drinken”, zei de securityman.
Ik snapte er niets van. Voelde me zo nuchter als een konijn. En probeerde op te staan.
Dat lukte niet.
“Spa Blauw”, zei de man nog een keer.
“Is goed”, zei ik, “heb je een consumptiebon voor me, dan ga ik m voor je halen.”
Hij liet me hoofdschuddend achter.

Ik keek vanaf het bouwhek naar de videoschermen waarop ik Doe Maar de set zag afspelen.
Daarna liep ik met de meute mee het festivalterrein af, op zoek naar de festivalcamping.
Ik moet die hebben gemist.
In ieder geval stond ik opeens in een weiland.
Alleen.
In het donker.
Ik dacht: dit is niet het weiland waar de festivalcamping was, denk ik.
Ik dacht: waar is het licht?
Ergens in verte zag ik licht.
Ik dacht: daar ga ik naartoe.
Dus ik daar naartoe.
Uurtje lopen.
En toen ik daar aankwam zag ik: Dit is ‘m! Ik herkende de camping, ik zag zelfs mijn tentje!
Er was 1 nadeel.
Er stond een hoog hek tussen mij en de festivalcamping.
Godverdomme, mijn tentje stond op twee meter afstand!
Ik dacht: ik weet bij god niet meer waar de ingang van de camping is.
Vast een heel eind, dacht ik.
Ik dacht: ik klim over dat hek heen.
Het lukte.
Ik wist op het hek te klimmen.
Toen ik er bovenop was geraakt zag ik druppels op mijn broek.
Kut, regen, dacht ik.
Ik keek naar de lucht: sterren.
Ik keek naar mijn handen.
Daar kwam vocht uit.
Het was donker, de kleur kon ik niet ontwaren.
Ik proefde.
Bloed, merkte ik.
Ok.
Misschien kon ik beter niet over het hek heengaan, bedacht ik.
Misschien kon ik me beter gewoon laten terugzakken en langs de hekken blijven lopen, dan zou ik vanzelf een keer de ingang tegenkomen.

En zoiets moet ik hebben gedaan.
Uiteindelijk moet ik mijn tentje hebben gevonden.
En mijn pen en schrift hebben gepakt.
Getuige de 3e leesbare zin die erin staat, op 1 van de laatste bladzijden.
Vol overgave geschreven, op mijn 48e.
Maar als ware ik 16 en vol in mijn pubertijd: “De wereld is nep.”

Goed.

Dat was weer een plukdenacht-kijk-eens-wat-ben-ik-toch-vaak-dronken-verhaaltje.
En-nog-echt-gebeurd-ook.

Ik ben daar echt niet zo trots op als ik hier soms doe lijken.
Maar schamen doe ik me er ook niet voor.
Ik besef dat het ergens best triest is dat ik drank nodig heb.
Maar het is om de dingen dieper te voelen, zal ik dan zeggen.
Van drank raak je juist afgestompt en voel je de dingen minder, zou je ook kunnen zeggen.
Die laatste heeft rationeel gelijk.

Maar drank is niet rationeel.
Voor mij is het een persoonlijk iets.
Ik heb het nodig om uit mijn rationaliteit te knallen.
Het heeft mij tot nu toe meer gegeven dan gekost.
Zonder drank zou ik een econometrist zijn geworden, met een gezin, in een Vinexwijk in Utrecht Leidsche Rijn, hoogstwaarschijnlijk met een net iets mooiere auto dan de buren, en ik zou vaak golfen, ook al vind ik er niets aan, en ik zou een hobby ontwikkelen, weetikveel, stamboomonderzoek of zoiets.

En dan had ik het leuk gevonden als ik in de verre achterfamilie een tante was tegengekomen die dichteres was geweest. In Tiel ofzo. En dat er dan een gedicht van haar op een oude stadsgevel had gestaan. Zo eentje bijvoorbeeld:

Gevelgedicht

Een heel braaf gedicht, in een heel brave tijd.
Maar toch leuk.
En dat er dan desondanks allerlei kritiek op was, destijds.
Dat kennissen van haar ouders zouden zeggen:
“Ja, heel leuk hoor, zo’n gedicht, maar ze kan niet eens schrijven! Ze heeft een kapitale spelfout gemaakt! Geeft verder niet hoor, we vinden het echt heel leuk voor je, dat je dochter dat gedicht op die gevel..”

Zakengids

Ik krijg dan toch zin in een drankje.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s