Dood

D’r is t’r weer 1 dood. Morgen opnieuw een begrafenis. Niks ernstigs, de man was 94. Dood door oud te worden. Ideaal.
Hoor je dan te denken, denk ik.
Ik voel dat niet. Met al die mensen in mijn directe omgeving die maar doodgaan word ik met de dag banger. Banger voor de dood. Bang voor het einde.

Dieren beseffen niet dat ze sterfelijk zijn, schijnt. Ze zeggen dat dat het grootste verschil is tussen een mens en een dier.
Tot mijn zesde wist ik ook niet dat ik sterfelijk was. De dood was een concept dat ik nog niet bevatte.
Op een avond lag ik in bed, mijn moeder was naar haar wekelijkse zwemavondje, mijn vader zat beneden naar de babyfoon te luisteren of mijn zusje niet begon te janken.
Ik lag ik in bed en het was donker. Zo donker dat je niks meer kon zien. Er drong zich een gedachte aan me op: zou de wereld er zo uitzien als je dood bent?
Waarschijnlijk wel, besloot ik.
Ik keek nog eens goed naar het donker.
Zwart, niets dan zwart.
Gelukkig werd het morgen licht, bedacht ik.
Behalve als je dood bent.
Dan blijft het zwart, besefte ik opeens.
Wat een kutzooi! Dat kon toch niet waar zijn? Jawel, dacht ik, waarschijnlijk was dat echt waar!
Ik barstte in snikken uit. Of snikken, eerder een luid wenen.
Mijn kamer was ver van die van mijn zusje, maar desondanks had mijn vader me toch gehoord over de babyfoon, want hij kwam met een geschrokken gezicht mijn slaapkamer binnenstuiven.
“Wat is er aan de hand, lieve jongen?” vroeg hij, “heb je naar gedroomd?”
Ik twijfelde even, zou ik hem de waarheid vertellen? Hem zeggen dat de Dood misschien wel het einde van het Leven is? Maar nee, dat kon ik hem niet aandoen, besloot ik, en zei: “ik ben bang voor de tandarts.”
Dat leek me een goeie verklaring voor mijn huilbui, plausibel genoeg om hem met gerust hart mijn kamer te doen verlaten.
En zulks geschiedde.

Nu ben ik 48. Ik heb de Dood al een paar maal per ongeluk in de ogen gezien. Een keer toen ik op de kruising van de van Baerlestraat en de Laraissestraat bij het Concertgebouw door een rood stoplicht fietste en rechts een bus inhaalde. Toen ik de bus voorbij was, dook op enkele decimeters links van me tram 16 op, in volle vaart. Recht op me af.
Misschien herrinner je de kastjes nog in de trams van vroeger, vlak achter de bestuurder. Daar stond op: Remzand.
Die bestuurder van tram 16, in 1988, moet de volle lading hebben gelost, want binnen die enkele decimeters wist ie te vertragen van 50 km/uur naar plotselinge stilstand. De sta-passagiers in de tram lagen allemaal op hun muil in het gangpad. De bestuurder zat met een bloedneus tegen zijn eigen voorruit geplakt.Hij had geen tijd meer gehad om “godverdomme, mongool!” te roepen.
Ik, die in gedachten al afscheid van het aardse bestaan had genomen, groette hem met een peace-teken en fietste door naar de Albert Heijn op de Overtoom om te gaan vakkenvullen, mijn studentenbijbaantje.

Ik vond het een logische gang van zaken. Ik was 18. Ik was te jong om dood te gaan. Ik voelde me onsterfelijk.
Ik voelde me nog steeds onsterfelijk toen ik een half jaar later in een heftige storm opnieuw de dood in de ogen zag. Ik was aan de wandel, op weg naar studievriend W. die ook in Oud-Zuid woonde, bomen werden ontworteld, dakpannen stortten ter aarde, en eentje daarvan schampte mijn schedel en spatte op een milimeter van cowboylaarzen (die droeg ik in die tijd) uiteen. De scherven sloegen tegen mijn broekspijpen aan.
“Die had ik niet op mijn kop moeten krijgen”, zei ik tegen het meisje dat naast me liep en die later mijn vrouw zou worden.
“Ha ha, nee!” hinnikte ze, ze had de slappe lach.
Ze was ook 18.
Als je 18 bent, is de dood abstracter dan ooit. Onbestaand. Nog onbestaander dan voor je zesde, toen je er nog geen weet van had. Als je 18 bent, dan leef je alsof er geen morgen is, en al helemaal geen later, laat staan een dood.
Niet raar dat ik ‘m in dat jaar voor de 3e keer in de ogen zag toen ik kanonzat, na sluitingstijd van Meloe Melo (bluescafe op de Lijnbaansgracht), blind het kruispunt op de Marnixstraat overstak.
“Ik steek ‘m gewoon over”, zei ik, “zonder te kijken, blind!”
De Marnixstraat. Het kruispunt met de hoogste frequentie aan nachtbussen en taxis in heel Amsterdam. Om 4 uur ‘s nachts op een zaterdagavond. Slim bezig, Sven!
Dat gilden ook de meisjes uit onze groep.
De jongens keken benieuwd wat er zou gebeuren.
Nou, dat kan ik je nog vertellen.
Twee nachtbussen moesten vol in de ankers. Een taxi moest uitwijken en schuurde zijn carrosserie tegen de ophoging van de tramhalte van lijn 7, en een andere taxi had nog net de tijd om te toeteren en met een boog om me heen te manoevreren.
Kon mij het schelen, ik was aan de overkant! Zodadelijk neuken, dat was wel zeker, na deze heldendaad, vermoedde ik.

In de 3 decennia daarna ben ik ook een paar keer bijna dood geweest. Maar veel minder vaak dan op mijn 18e.
Als ik statisticus zou zijn, he verdomd, dat ben ik! dan zou ik zeggen: de kans dat ik onsterfelijk ben, wordt empirisch gezien steeds groter.
Gelukkig maar.
Want dood zijn, daar zou ik niet goed mee om kunnen gaan.
Tenzij er een hemel is.
Maar die is er niet, zei Anna Enquist gisteren in het VK-magazine.
En dat zeggen heel veel wetenschappers.
En dat is ook logisch.
Net zo logisch als dat er daardoor een geloof is in een uitweg, die hemel.
Een geloof in onsterfelijkheid.
In jong zijn.
18.
Geloof.
Religie.
De wereld.
Oost en West.

Zolang je gelooft, klopt het, en wordt alles vanzelf waar.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s