When you’re alone

Dat is de titel van het nummer dat mijn pensioen moet gaan invullen. Het is een goed nummer. Zo goed dat ik de rest van de tekst niet durf vrij te geven, uit vrees voor plagiaat.

Ik geef toe dat het een vrij obligate tekst is.
Het enige wat ik dan zeg is: Dat is popmuziek. Hoe obligater, hoe beter. En de rest van de tekst is echt, wat zal ik zeggen, ongelooflijk. Nee, je krijgt hem niet. Ook niet verderop, ook niet morgen.

Vandaag was ik in Tiel. Ik had beloofd aan mijn meisje dat ik niet te dronken zou worden. Ook wel handig ivm werk morgen enzo, maar goed.
Naar Tiel.

Een van mijn beste vrienden moest tweemaal spelen op Woodstock. Aan de Waal. Dat is een hippiefestival in Tiel, voor oudere jongeren. Iets wat ik een verschrikkelijk goed idee vind, een hippiefestival voor oudere jongeren.
Dus ik naar Tiel.

Dat had wat voeten in de aarde.
“Je wordt altijd enorm dronken als je naar Tiel gaat”, zei mijn meisje, “En dat vind ik niet leuk.”
“Dat valt wel mee”, zei ik, “Het is minder erg dan als ze naar Amsterdam komen.”
Maar dat was geen argument.

Kortom, ik had aan mijn meisje beloofd dat ik relatief nuchter zou blijven. Op een popfestival. In Tiel.
Dus ik had een struinwandeling ingepland tijdens mijn bezoek.
Een watte?
Een struinwandeling.
Wa is da?

Dat is een wandeling door natuurgebied, zoals de Waal het heeft achtergelaten, en dan kom je een kudde koeien tegen, en die denkt: Potverdorie, dat is de boer! Maar ik ben de boer niet, maar ze komen toch op me af, en ze denken: die gaat ons melken, maar ik ga ze niet melken, en dan worden ze boos.
Ik rennen natuurlijk, want dat kan ik, en gehaald.
Doei koeien, dikke snikkel, ik sta aan de andere kant van het schrikdraad, sukkels, en nu?

Ik voelde een enorm ontzag. Voor de natuur.
Vanmiddag zat ik op mijn uppie op een strandje aan een dooie arm van de Waal. Hiero:

Struin

Ik vond het de mooiste plek van Tiel.
En misschien is het dat ook.

Afgelopen weken gingen er 3 mensen dood in de Waal.
Ik werd gebeld.
Door de krant.
De Gelderlander.
Of ik er als stadsdichter een gedicht over wilde maken.
Het zou op de voorpagina komen.
De volgende morgen.
Ik heb het niet gedaan.
Ik kan dat niet, dichten, op commando.

Ik heb een tekstbericht gestuurd naar de journalist in kwestie.
“Het spijt me. Ik hou zoveel van Tiel dat, hoe verscrhikkelijk ook, dat kind, die drie, dat mijn sympathie nu eenmaal onvoorwaardelijk uitgaat naar de Waal. Als ik al tijd zou hebben, dan levert het nog altijd niet het gedicht op dat jullie zoeken, vrees ik. De Waal verzwelgt weer een telg, etc.”

De Waal, ik hou zoveel van  de Waal, niet normaal, etc, Maar het is wat. Het is wat Waal. Als erover je wordt gesproken, dan is het niet goed. En daar moeten we iets aan doen.

Zo is, het zo zijn de mensen, Doe maar bescheiden, dat is altijd goed.

 

 

 

 

 

Advertisements

Dood

D’r is t’r weer 1 dood. Morgen opnieuw een begrafenis. Niks ernstigs, de man was 94. Dood door oud te worden. Ideaal.
Hoor je dan te denken, denk ik.
Ik voel dat niet. Met al die mensen in mijn directe omgeving die maar doodgaan word ik met de dag banger. Banger voor de dood. Bang voor het einde.

Dieren beseffen niet dat ze sterfelijk zijn, schijnt. Ze zeggen dat dat het grootste verschil is tussen een mens en een dier.
Tot mijn zesde wist ik ook niet dat ik sterfelijk was. De dood was een concept dat ik nog niet bevatte.
Op een avond lag ik in bed, mijn moeder was naar haar wekelijkse zwemavondje, mijn vader zat beneden naar de babyfoon te luisteren of mijn zusje niet begon te janken.
Ik lag ik in bed en het was donker. Zo donker dat je niks meer kon zien. Er drong zich een gedachte aan me op: zou de wereld er zo uitzien als je dood bent?
Waarschijnlijk wel, besloot ik.
Ik keek nog eens goed naar het donker.
Zwart, niets dan zwart.
Gelukkig werd het morgen licht, bedacht ik.
Behalve als je dood bent.
Dan blijft het zwart, besefte ik opeens.
Wat een kutzooi! Dat kon toch niet waar zijn? Jawel, dacht ik, waarschijnlijk was dat echt waar!
Ik barstte in snikken uit. Of snikken, eerder een luid wenen.
Mijn kamer was ver van die van mijn zusje, maar desondanks had mijn vader me toch gehoord over de babyfoon, want hij kwam met een geschrokken gezicht mijn slaapkamer binnenstuiven.
“Wat is er aan de hand, lieve jongen?” vroeg hij, “heb je naar gedroomd?”
Ik twijfelde even, zou ik hem de waarheid vertellen? Hem zeggen dat de Dood misschien wel het einde van het Leven is? Maar nee, dat kon ik hem niet aandoen, besloot ik, en zei: “ik ben bang voor de tandarts.”
Dat leek me een goeie verklaring voor mijn huilbui, plausibel genoeg om hem met gerust hart mijn kamer te doen verlaten.
En zulks geschiedde.

Nu ben ik 48. Ik heb de Dood al een paar maal per ongeluk in de ogen gezien. Een keer toen ik op de kruising van de van Baerlestraat en de Laraissestraat bij het Concertgebouw door een rood stoplicht fietste en rechts een bus inhaalde. Toen ik de bus voorbij was, dook op enkele decimeters links van me tram 16 op, in volle vaart. Recht op me af.
Misschien herrinner je de kastjes nog in de trams van vroeger, vlak achter de bestuurder. Daar stond op: Remzand.
Die bestuurder van tram 16, in 1988, moet de volle lading hebben gelost, want binnen die enkele decimeters wist ie te vertragen van 50 km/uur naar plotselinge stilstand. De sta-passagiers in de tram lagen allemaal op hun muil in het gangpad. De bestuurder zat met een bloedneus tegen zijn eigen voorruit geplakt.Hij had geen tijd meer gehad om “godverdomme, mongool!” te roepen.
Ik, die in gedachten al afscheid van het aardse bestaan had genomen, groette hem met een peace-teken en fietste door naar de Albert Heijn op de Overtoom om te gaan vakkenvullen, mijn studentenbijbaantje.

Ik vond het een logische gang van zaken. Ik was 18. Ik was te jong om dood te gaan. Ik voelde me onsterfelijk.
Ik voelde me nog steeds onsterfelijk toen ik een half jaar later in een heftige storm opnieuw de dood in de ogen zag. Ik was aan de wandel, op weg naar studievriend W. die ook in Oud-Zuid woonde, bomen werden ontworteld, dakpannen stortten ter aarde, en eentje daarvan schampte mijn schedel en spatte op een milimeter van cowboylaarzen (die droeg ik in die tijd) uiteen. De scherven sloegen tegen mijn broekspijpen aan.
“Die had ik niet op mijn kop moeten krijgen”, zei ik tegen het meisje dat naast me liep en die later mijn vrouw zou worden.
“Ha ha, nee!” hinnikte ze, ze had de slappe lach.
Ze was ook 18.
Als je 18 bent, is de dood abstracter dan ooit. Onbestaand. Nog onbestaander dan voor je zesde, toen je er nog geen weet van had. Als je 18 bent, dan leef je alsof er geen morgen is, en al helemaal geen later, laat staan een dood.
Niet raar dat ik ‘m in dat jaar voor de 3e keer in de ogen zag toen ik kanonzat, na sluitingstijd van Meloe Melo (bluescafe op de Lijnbaansgracht), blind het kruispunt op de Marnixstraat overstak.
“Ik steek ‘m gewoon over”, zei ik, “zonder te kijken, blind!”
De Marnixstraat. Het kruispunt met de hoogste frequentie aan nachtbussen en taxis in heel Amsterdam. Om 4 uur ‘s nachts op een zaterdagavond. Slim bezig, Sven!
Dat gilden ook de meisjes uit onze groep.
De jongens keken benieuwd wat er zou gebeuren.
Nou, dat kan ik je nog vertellen.
Twee nachtbussen moesten vol in de ankers. Een taxi moest uitwijken en schuurde zijn carrosserie tegen de ophoging van de tramhalte van lijn 7, en een andere taxi had nog net de tijd om te toeteren en met een boog om me heen te manoevreren.
Kon mij het schelen, ik was aan de overkant! Zodadelijk neuken, dat was wel zeker, na deze heldendaad, vermoedde ik.

In de 3 decennia daarna ben ik ook een paar keer bijna dood geweest. Maar veel minder vaak dan op mijn 18e.
Als ik statisticus zou zijn, he verdomd, dat ben ik! dan zou ik zeggen: de kans dat ik onsterfelijk ben, wordt empirisch gezien steeds groter.
Gelukkig maar.
Want dood zijn, daar zou ik niet goed mee om kunnen gaan.
Tenzij er een hemel is.
Maar die is er niet, zei Anna Enquist gisteren in het VK-magazine.
En dat zeggen heel veel wetenschappers.
En dat is ook logisch.
Net zo logisch als dat er daardoor een geloof is in een uitweg, die hemel.
Een geloof in onsterfelijkheid.
In jong zijn.
18.
Geloof.
Religie.
De wereld.
Oost en West.

Zolang je gelooft, klopt het, en wordt alles vanzelf waar.

Genova Nervi

Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Hij schrijft er heel aanstekelijk over en maakt er nog aanstekeligere mooie foto’s van. L. en ik dachten: Daar gaan we ook eens heen.

Afgelopen week zijn we geweest. 5 dagen. 2 dagen Genova centro storico, met de nauwe steegjes, 2 dagen Genova Nervi, alwaar we een appartement huurden, dat op Airbnb werd aangeprezen als ‘romantisch nest’, en dat klopte (direct aan de zee, inclusief uitzicht daarop, artistiekerig ingericht, nul IKEA-meubels en gezellig onklinisch, wat zeldzaam is op Airbnb, en niet te vergeten fantastische koffie in een groot blik waar je een jaar mee zou voortkunnen), en 1 dag naar het klooster van San Fruttuoso, een plek die enkel bereikbaar is per boot en die sinds afgelopen donderdag hoog staat in de top 5 van mooiste locaties waar ik ooit ben geweest.

Dit was mijn strandje voor de deur van ons huis:

mijn strandje

De Middellandse Zee is ruig in Nervi, dat daar beroemd om is. Zelfs bij de 25 graden die het afgelopen week was, en bij praktisch windstille onstandigheden, word je, als je de zee instapt, de branding hebt doorkruist, en lekker denkt te dobberen op de woelige baren, min of meer direct met bovenmenselijke kracht teruggeworpen op het keienstrand. Je bek vol grint, je knieen blauw, je borstkas beurs. Je voelt enorm dat je leeft, en bent daar verdomde blij om.

Dit is mijn strandje ‘s avonds, vanuit huis gezien (het strandje ligt daar achter die grote rots):

standje 's avonds

Ok, het was volle maan, dat helpt altijd om de zee spectaculair te maken, maar waaien deed het niet echt. Ik moest denken aan de Stratenmaker op Zee-show, een programma uit mijn jeugd. Aart Staartjes die op onze zwartwit-TV vertelt: “Ja, ik weet het nog goed, toen wij de Straat van Gibraltar aanlegden, het was toen windkracht 124, het ging danig tekeer..” etc.

Genova Nervi met storm, dat wil ik nog een keer meemaken. Wat ik ook nog weleens zou willen meemaken is zwemmen in de baai bij het klooster van San Fruttuoso. Het zijn cliche’s: azuurblauw water, blue lagoon (O, Brooke Shields!), like dolphins can swim (O, Bowie!), ik dobberde op mijn rug in het water, keek naar het imposante tegen de rotsen opgebouwde klooster, wist dat mijn meisje op het terras met het perfecte uitzicht op me zat te wachten met een koude halve liter en dacht: “Nee Sven, beter dan dit wordt het waarschijnlijk niet.” Ik verkeerde in het volle besef dat ik hier misschien het mooiste moment van mijn leven aan het meemaken was.

San Fruttusoso

Napels zien, en dan sterven? Dacht het niet. Ze hadden het verkeerd. Ze zaten ernaast. Het is een andere plek. Hiero:

SanFruttuoso boot.jpg