Telkens weer

Afgelopen woensdagmiddag: fietste ik met een vrolijk gevoel van mijn werk terug naar de Amsterdamse binnenstad. De directe toekomst zag er goed uit. Die avond zou ik met enkele van mijn beste vrienden in een kroeg bij mij om de hoek gaan kijken hoe Ajax de Europa League binnen zou slepen, en zaterdag maakte ik een goede en vooral gratis kans om de Staatsloterij te winnen, en bovendien was ik maar liefst 4 dagen achter elkaar vrij van werk. Mocht ik inderdaad de Staatsloterij winnen, waar ik vanuit ging, dan zou ik zelfs voorgoed vrij zijn van werk. Op de fiets maakte ik een overwinningsgebaar richting de hemel, waarmee ik tegen, zoals B.W. zou schrijven: ‘de grote gelijktrekker’ zoiets wou zeggen als ‘Goed geregeld, vriend!’

Woensdagavond: Ajax verloor. Maar dat was geen ramp. Ik had een geweldige avond gehad met mijn vrienden, en na afloop hadden we bij mij thuis nog plaatjes gedraaid. Toen ik de volgende ochtend het stapeltje LP-hoezen bekeek van de platen die ik had gedraaid, zag ik dat ik had afgesloten met John Denver. Een dubbel-LP zelfs, van John Denver. Ik concludeerde dat ik me erg gelukkig moest hebben gevoeld.

Donderdagochtend: Dit ging ondanks de Ajax-nederlaag alsnog een fantastisch weekend worden, voelde ik, temeer daar het KNMI een continue 30 graden voorspelde voor de komende 4 vrije dagen. Ik wist wel wat ik ging doen: ik liep naar de meterkast en viste mijn elektrische pomp tussen de kampeerspullen vandaan en blies mijn zwembadje op:

Zomerhuis met zwembad in Amsterdam.jpg

Met de recentste novelle van 1 van mijn favoriete schrijvers, B.W., nestelde ik me aan de rand van mijn poeltje. Zomerhuis met zwembad, in Amsterdam, eat that Herman Koch! verkneukelde ik mezelf, trok een halve liter open en begon te lezen.
Het bleek niet B.W.’s beste boek. O, zeker, stilistisch bewees hij zich weer de beste van zijn generatie, maar in het verhalende vond ik hem tekort schieten. Het ging over een schaduwweduwe, die van de protagonist zijn vader. De roadtrip die de schaduwweduwe en de protagonist samen maken, in Frankrijk, vond ik fenomenaal, ik kreeg meteen zin in de film, sterker nog, ik voelde een enorme urgentie opkomen op zelf zo’n roadtrip te gaan maken. Een paar steekwoorden: Jaguar, lunches met tafelwijn en sex. Kortom, alles wat belangrijk is in het leven.
Ik had het boek binnen notime uit. Het slotgedeelte vond ik niet best. En het einde van het begin eigenlijk ook niet. Maar die roadtrip was goed. Jammer dat de andere verhaallijntjes erbij zaten. Maar Roadtrip, Jaguar, tafelwijn.
Nog 2 nachtjes slapen, dan zou ik de Staatsloterij winnen, en dan kon ik dat ook allemaal.

Ik dompelde mezelf onder in mijn zwembadje. Droogde op onder mijn parasol en dronk er nog maar eens een halve liter bij.
Jammer dat ik maandag misschien alweer moest werken.
Ik dacht aan het terras waar ik die ochtend had gezeten. Dat van het cafe aan de Jan Pieter Heijestraat dat L. en ik altijd ‘De Meisjes’ noemen, omdat het gerund wordt door 2 vrouwen.
Naast ons zaten 2 Surinamers. Allebei met teenslippers aan, een bermuda om de beentjes, en een roodgekleurd drankje in de hand dat er zo zoet uitzag, dat waarschijnlijk je kiezen al ontstoken als je er aan sniffelde. Ze zagen een vriend lopen aan de overkant.
“Hey, Clarence man, hey! HAHAHAAHAAAA!”
De vriend was een grote zwarte man in een dikke legerjas en met een zwarte dikke broek aan. Tussen zijn lippen bundelde een joint van 20 centimeter en in zijn hand had hij een hondenriem waarin een bulldog zat gekneld, met een rood strikje om zijn halsband.
Clarence stak de straat over en kwam zijn vrienden begroeten.
Wat zoals verwacht gepaard ging met een uiteraard zorgvuldig gechoreografeerd, maar schijnbaar achteloos handballet.
“Koud he?” bromde Clarence.
“HAHAHAAHAA Clarence man! Waar is je vriendin man!” lachten de andere Surinamers.
“Die is werken, man!” zei Clarence.
“HAHAHHAAAHAA Werken?”
“Ja man, ik werk, zij werkt, wij werken man”, zei Clarence.
De Surinaamse vrienden zwegen even. Daarna zei er eentje: “Ja, jij bent altijd al een vreemde vogel geweest.”

Vrijdag: nu was het echt warm. Ik weer blij met mijn badje. En zo blij dat ik niet hoefde te werken.
‘s Avonds zaten we op het terras bij de Meisjes. Het was druk. Zo druk dat een toerist aan R., een stamgast, kwam vragen of het krukje dat tegenover zijn tafel stond, vrij was, want dan konden ze het meenemen naar hun tafeltje, omdat ze zitplaatsen tekort kwamen.
R. keerde het krukje om. De 4 pootjes staken olijk in de lucht.
“Op die manier kunnen er 4 opzitten”, zei R. tegen de toerist, “4 homo’s.”
De toerist vatte de grap niet. Of hij was geintimideerd, wat niet onwaarschijnlijk is bij R., een nogal woeste verschijning, die deze avond zijn diner had betrokken bij de AH tegenover De Meisjes, in de vorm van een glazen pot rolmopsen. Hij vingerde de vislappen er 1 voor 1 uit, liet ze een fractie van een seconde boven zijn opengesperde muil hangen en slikte ze vervolgens zonder kauwen naar binnen.
Toen de pot leeg was dronk hij het zure vocht erachteraan.
R. liet een boer, en vroeg aan de toerist: “Vous voulez la chaisse ou quoi?”
R. spreekt niet onaardig Frans. Als hij goed dronken is spreekt hij zelfs alleen nog maar Frans. Om zijn goede komaf te etaleren.
“I’m fine, thank you”, zei de toerist.
Het werd later.
Iedereen was goed dronken.
“Doucement!” riep R. op een gegeven moment naar een stel jonge ventjes naast ons. L. en ik keken. De jonge ventjes waren aan het knokken op het terras. Ongezellig. Een Turkje en een Marokkaantje. Niet dat dat er iets toe doet, maar het maakt het iets geloofwaardiger als ik zeg dat het er nogal fanatiek aan toe ging.
Alle alcoholisten op het terras van de Meisjes, en dat zijn er nogal wat, stonden op om de situatie te sussen. Waaronder, het is waar, ook ik. Een kluwen van lamme witte veertigers en vijftigers, stond wankelend op hun poten te murmelen dat vechten nergens voor nodig was, of zoiets. Een enkeling probeerde voorzichtig maar tevergeefs een van de ventjes aan zijn kraag uit de worsteling te rukken, om eigenlijk direct daarna zijn schouders op te halen met het idee van: dit lost zich vanzelf wel op.
Dat denken dronken mensen vaak. Inclusief mijzelve. En het klopt ook vaak.
Maar het loste zich niet vanzelf op.
Een van de Meisjes kwam naar buiten stuiven.
Ze rukte kordaat het Turkje van de Marokkaan af, en sprak hem toe.
Het Marokkaantje ondertussen droop af, en riep dat hij zijn brrroerrs ging bellen en dat die de boel wel even zouden komen neermaaien. Om zijn dreigement kracht bij te zetten, kwam hij nog drie keer vervaarlijk langsfietsen in zijn Barcelonashirt.
Waarbij het Turkje telkens weer door zijn andere Turkse vrienden als een bulldog aan de lijn/zijn armen moest worden (vast)gehouden.
“Ja, kut”, zei ik tegen L, “zodadelijk komt er een bataljon Marokkanen ons neermaaien.”
“Met Kalashnikovs zeker”, spotte L.
“Maak je niet druk”, zei R.
“Ja, maar dat kan toch?” zei ik.
“Nee, natuurlijk niet”, zei L.
“Maar bij ons in Tiel”, begon ik, “in muziekcafe Nikita”. Ik voelde me net Woody Harrelson uit Cheers, die ook altijd ongeloofwaardige anekdotes vertelde uit het dorp waar ie vandaan kwam.
“En dat noemden ze daarna cafe Niet Schiet-as”, murmelde ik.
Het was waar
“Stel je niet aan!”zei R.
Maar ik had er geen zin in. Net nu ik morgen de Staatsloterij zou gaan winnen. En het goede leven voor het oprapen lag. En dan net daarvoor de pijp uitgaan? Ik dacht het niet!
Ik taaide af en ging pitten.

Zaterdag: nog veel warmer. En de Staatsloterij-uitslag. Niks gewonnen. Nada, noppes, nul. Geen 1.000.0000. Geen 250.000. Zelfs geen tientje.
Nog een keertje keek ik op internet naar mijn droomhuis in Frankrijk. Nog een keertje keek ik naar de Jaguar

jaguar

(7K, slechts!), die ik inmiddels als betere optie zag dan de te dure Rolls Royce.
Kut, maandag weer werken.

Zondagmiddag: wandeldag. Dit keer in Bakkum/Castricum. Ook een van onze vaste plekken. En dan drinken we steevast iets bij Johannashof. Goeie horeca. Mooi terras, middenin de bossen gelegen en voorzien van kinderboerderij met 4 soorten kippen/hanen, de ene nog wolliger en kleurrijker dan de ander, waarbij ik altijd twijfel welke soort ik nu zal gaan nemen om te houden in een kippenren op mijn dakterras.
Of op het erf van mijn droomhuis in Frankrijk, maar verdomme, dat gaat dus niet door.
Aan een tafeltje bij het hek van de kinderboerderij zag ik een gelukkig gezinnetje zitten. Mooie man, knappe vrouw, dochtertje, zoontje. De man had een rood T-shirt aan en rookte. Dat laatste vond ik voor hem pleiten.
“Is dat nou T.M.? vroeg ik aan L. Ikzelf zie niet goed op afstand zonder bril.
L. keek ook. “Nee”, zei ze.
Ik zag hoe de man in het rode T-shirt bewoog in zijn stoel. Mensen herken je niet direct aan hun gezicht, niet per se aan hun kapsel, maar vooral aan hun motoriek.
“Weet je zeker dat het niet T.M. is?” vroeg ik.
L. keek nog eens goed, “Verrek”, zei ze, “dat is ‘m, dat lachje!”
T.M. zelve had ons blijkbaar allang gezien en liep op ons af. “Sven!” zei ie, “hoe gaat het!”
Hij schudde me de hand.
“Sorry”, zei ik,”ik herkende je niet direct, ik wist niet zeker of je het was.”
“Dat kan ik me voorstellen”, zei T.M.
Dat was geloofwaardig, want T.M. had dus momenteel spierballen als pompoenen, terwijl dichters dat vroeger nooit hadden. Hij althans niet.
“Maar ik wist wel dat je tegenwoordig in Castricum woonde”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M.
“Mooie omgeving”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M., terwijl hij zijn dochtertje als troffee omhoog hield. En daarna zijn zoontje. En verder gewoon zijn spierballen.
Kut, dacht ik, wat heb ik gedaan met mijn leven? Hij is dichter, woont aan het strand en in het bos, en ik, ik moet morgen werken.

Zondagavond: Whatsappje van mijn beste vriend. Net terwijl ik op het punt stond om met hem te vreugdedelen dat Tom Dumoulin de Giro had gewonnen, kwam hij met het slechte nieuws. Er is opnieuw dit jaar een Tielenaar doodgegaan. En opnieuw voor ons een belangrijke.
Dit is ‘m: http://stadtiel.nl/lokaal/pieter-van-den-burg-overleden-243487

Ik ben er behoorlijk kapot van. En ik had eigenlijk een stukje over hem willen schrijven. Maar heb het nu gedaan over mezelf.
En over hoe ik vergeet te leven soms, nu het nog kan.

Ik ga in de toekomst nog over je schrijven, jongen. Maar omdat je zo van doedelzakken houdt, en omdat je een strijder voor rechtvaardigheid bent, en graag,  meestal terecht, een lastpost,  – sorry flauwe woordgrap, maar daar hou je van, zo kut dat ik moet zeggen: was.

De Last Post, doedelzakversie:

[img]

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s