Zwijn

Elke zondag gaan L. en ik wandelen. Dat is namelijk goed voor mijn bloeddruk, zegt de dokter: ontspanning.
L. en ik hebben in de loop der jaren zo’n 10 wandelroutes ontdekt die we allebei leuk vinden. Elke zondagochtend kiezen we er 1 van de 10.
“Waar zullen we vandaag eens naartoe gaan?” vroeg ik vanmorgen, “en let op, we kunnen niet naar het Noordwesten, want de Coentunnel is dicht.”
“Dus we kunnen niet naar Bakkum?” vroeg L.
Meestal gaan we naar het duingebied bij Bakkum, vooral vanwege de grandioze horeca ter plaatse.
“Nee”, zei ik, “geen Bakkum, deze week.”
“Ehm”, zei L., “De Waterleidingduinen?”
“Met dit mooie weer!?”riep ik, “onmogelijk, dan is het daar stampdruk. En is er geen plek op het terras. Dat is ongezellig. Laten we iets gezelligs kiezen.”
“Auschwitz?” opperde L.
“Goed idee!” zei ik, “doen we!”

Met Auschwitz bedoelen we overigens Austerlitz. Op de Utrechtse Heuvelrug. Dat is heel gezellig. Als je tenminste niet naar de horeca bij de Pyramide gaat, maar naar het Beauforthuis. Connie Palmen had het in IM over dat zij en Ischa Meijer zo hielden van vervallen badplaatsen aan de Amerikaanse kust. Zoiets is het Beauforthuis, maar dan in het bos in Nederland. Vergane glorie, die overeind wordt gehouden door cultureel welwillend oud geld. Bejaarde witte snobs.
Niet per se ons soort mensen, maar toch. Het Beauforthuis is kunst met appeltaart toe. Voorzichtige rafelrandjes met een veiligheidsgordel. Gezellig.

Vanuit het Beauforthuis kun je 100 miljoen wandelingen doen. Wij kiezen meestal voor de variant die ik de Schapenkuil noem. Daarbij kom je eerst langs allerlei barakken. Vol met kinderen ‘op kamp’. Judo/Yoga/Yatzee-kamp, whatever, altijd zijn er kinderen op kamp. Je ziet de slaapzalen, de stapelbedden, het zindert er van de ontloken en gefnuikte hormonen, je voelt dat het een plek is waar voor vele mensen het daadwerkelijke leven een aanvang heeft genomen.
Na de barakken komt een van mijn favoriete plekken van de wandeling: de poort die geen poort, het hek dat geen hek is:

Geen hek.jpg

Er lijkt een oude spoorlijn te liggen, maar dat is het niet. Desalniettemin prikkelt deze plek elke keer weer mijn fantasie enorm.
History, history, where did thou go, of zoiets. Watskeburt?
Als je door de poort heen loopt kom je in, wat L. noemt ‘de geheime tuin’, en daarna in een fluoriserend groene mosvlakte, en vervolgens bij de Schapenkuil, waar een kudde schapen ongeherderd z’n grasje graast.
Daar eten we altijd ons broodje dat we 2 uur daarvoor op de A12 bij het tankstation hebben gekocht.
Klinkt goed, he? Zie je hoe gelukkig wij zijn!
En ontspannen! Wat jammer dat ik mijn bloeddrukmeter nu niet bij heb, denk ik iedere keer weer.

Na de Schapenkuil is het tijd om de terugtocht te aanvaarden.
“Weet je de weg?” vraagt L. altijd.
“Natuurlijk”, antwoord ik steevast.
Ik weet hem nooit.
Ik doe hem altijd op gevoel.
Dat gevoel brengt ons op verrassende plaatsen.
Zo stuitten we vanmiddag op een KNVB-complex aan de ene kant, en de Zeisterbegraafplaats aan de andere kant. Beiden afgesloten met hekken.
“Ja, kut!” zei ik, toen ik mijn telefoon inclusief Googlemaps erbij had gepakt, “we moeten eigenlijk rechtdoor, maar er staan hekken.”
“Nee he”, zei L., “daar gaan we weer, je weet dat ik moet plassen?”
Ja, godverdomme, ik kan daar ook niks aan doen! Er staan hekken! Moderne hekken, niet van die gezellige zoals vroeger, die geen hek zijn!”
Het was allemaal een stuk minder ontspannen aan het worden.
Tot overmaat van ramp hoorde ik een zwijn snuiven.
Ik verstarde, en mijn ogen zochten naar de eerste de beste boom om in te klimmen.

Dat zit zo: 2 jaar geleden maakte ik in mijn eentje een wandeling in de Franse bossen aan de voet van de Alpen. Natuurgebied waar in 20 jaar niemand was geweest. En daarvoor wellicht ook niet. Ik had een stok bij me die ik als een soort blindegeleideding gebruikte om de meters bladeren voor mijn voeten door elkaar te husselen, zodat eventuele slangen zich bijtijds uit de voeten konden maken. Het was een spannende onderneming.
Op een gegeven ogenblik zag ik in de verte wat vrolijke wezentjes dartelen.
“Wat leuk”, dacht ik, “jonge hertjes!”
Toen ik wat dichterbij kwam, dacht ik: of zijn het wilde katten?”
Toen ik nog dichterbij kwam zag ik wat het waren: Jonge zwijntjes! Wat schattig! Ik voelde me helemaal Freek Vonk, totaal 1 met de natuur. Ik kende geen angst, zag enkel schoonheid, en liep over van liefde.
Maar toen knalde de ratio erin. En die zei: “Sven, jonge zwijntjes, dat betekent dat er waarschijnlijk ook een moeder in de buurt is, en wildezwijnmoeders die zijn…”
Nog voor ik die gedachte af kon maken, begon de aarde te trillen. Echt te schudden op zijn grondvesten, om er nog maar een cliche in te gooien. Maar serieus, er kwam iets aangedaverd. Iets groots en loodzwaars, zoveel was duidelijk.
Nog voor ik “mama!” kon roepen, was ik al 100 meter gestegen. Onwaarschijnlijk hoe hard je kunt lopen als je bang bent. Ik althans wel. Zo heb ik ook ooit ongetwijfeld het wereldrecord sprint gelopen in Rome toen ik werd beschoten, maar dat is een ander verhaal.
Ik was binnen 10 seconden 100 meter gestegen, in de Franse Alpen, Tom Dumoulin doet het me niet na, en zag hoe 250 kilogram aangestoven moederzwijn, beneden me snuivend tot stilstand kwam.
Ze keek om zich heen. Snoof nog wat.
Ze zag me niet, rook me niet, en hield het goddank voor gezien.

Ik vertelde het verhaal later aan mijn Oom. Ex-Olympier, en Alpenveteraan. “je hebt geluk gehad”, zei ie, “je had eigenlijk dood moeten zijn.”
Dus heel ontspannen reageerde ik vanmiddag niet, toen ik op de Utrechtse Heuvelrug een zwijn hoorde snuiven. Dit was ‘m:

Zwijn1

Het was een klein exemplaar, maar geen jonkie, dus geen paniek.
Ik kalmeerde.
Naast het zwijn stond een man met een fiets.
“Loop nou eens door lul, godverdomme!” riep de man tegen het zwijn.
“Is dat een wild zwijn?” vroeg ik aan de man.
“Nee, natuurlijk niet. Er zitten hier geen wilde zwijnen.”
Het beest draaide een drol tegen een beuk.
“Is ie van u?” vroeg ik, “dat beest?”
“Wat denk je zelf, godverdomme, ja, het is een zwijn trouwens. Maar geen wild zwijn.”
“Wat leuk!” kraaide ik.
L. stond op het punt om het beest over zijn kop te krabbelen.
“Leuk!?”schreeuwde de man, “het IS.. NIET.. LEUK..!!! Ik probeer dat beest godverdomme al anderhalf uur mee naar huis te krijgen, maar..”
“Hij vindt het hier natuurlijk fijn”, verklaarde L,, “dit is toch zijn natuurlijke habitat, in het bos, en dan lekker…”
“Het is GEEN WILD ZWIJN!!! HET IS EEN HUISVARKEN!!! GODVERDOMME!!!!!”

Ik gebaarde L. om door te lopen.
De geschiedenis hierachter, om daarover te fantaseren, daarvoor leek het terras van het Beauforthuis me de perfecte locatie.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s