Telkens weer

Afgelopen woensdagmiddag: fietste ik met een vrolijk gevoel van mijn werk terug naar de Amsterdamse binnenstad. De directe toekomst zag er goed uit. Die avond zou ik met enkele van mijn beste vrienden in een kroeg bij mij om de hoek gaan kijken hoe Ajax de Europa League binnen zou slepen, en zaterdag maakte ik een goede en vooral gratis kans om de Staatsloterij te winnen, en bovendien was ik maar liefst 4 dagen achter elkaar vrij van werk. Mocht ik inderdaad de Staatsloterij winnen, waar ik vanuit ging, dan zou ik zelfs voorgoed vrij zijn van werk. Op de fiets maakte ik een overwinningsgebaar richting de hemel, waarmee ik tegen, zoals B.W. zou schrijven: ‘de grote gelijktrekker’ zoiets wou zeggen als ‘Goed geregeld, vriend!’

Woensdagavond: Ajax verloor. Maar dat was geen ramp. Ik had een geweldige avond gehad met mijn vrienden, en na afloop hadden we bij mij thuis nog plaatjes gedraaid. Toen ik de volgende ochtend het stapeltje LP-hoezen bekeek van de platen die ik had gedraaid, zag ik dat ik had afgesloten met John Denver. Een dubbel-LP zelfs, van John Denver. Ik concludeerde dat ik me erg gelukkig moest hebben gevoeld.

Donderdagochtend: Dit ging ondanks de Ajax-nederlaag alsnog een fantastisch weekend worden, voelde ik, temeer daar het KNMI een continue 30 graden voorspelde voor de komende 4 vrije dagen. Ik wist wel wat ik ging doen: ik liep naar de meterkast en viste mijn elektrische pomp tussen de kampeerspullen vandaan en blies mijn zwembadje op:

Zomerhuis met zwembad in Amsterdam.jpg

Met de recentste novelle van 1 van mijn favoriete schrijvers, B.W., nestelde ik me aan de rand van mijn poeltje. Zomerhuis met zwembad, in Amsterdam, eat that Herman Koch! verkneukelde ik mezelf, trok een halve liter open en begon te lezen.
Het bleek niet B.W.’s beste boek. O, zeker, stilistisch bewees hij zich weer de beste van zijn generatie, maar in het verhalende vond ik hem tekort schieten. Het ging over een schaduwweduwe, die van de protagonist zijn vader. De roadtrip die de schaduwweduwe en de protagonist samen maken, in Frankrijk, vond ik fenomenaal, ik kreeg meteen zin in de film, sterker nog, ik voelde een enorme urgentie opkomen op zelf zo’n roadtrip te gaan maken. Een paar steekwoorden: Jaguar, lunches met tafelwijn en sex. Kortom, alles wat belangrijk is in het leven.
Ik had het boek binnen notime uit. Het slotgedeelte vond ik niet best. En het einde van het begin eigenlijk ook niet. Maar die roadtrip was goed. Jammer dat de andere verhaallijntjes erbij zaten. Maar Roadtrip, Jaguar, tafelwijn.
Nog 2 nachtjes slapen, dan zou ik de Staatsloterij winnen, en dan kon ik dat ook allemaal.

Ik dompelde mezelf onder in mijn zwembadje. Droogde op onder mijn parasol en dronk er nog maar eens een halve liter bij.
Jammer dat ik maandag misschien alweer moest werken.
Ik dacht aan het terras waar ik die ochtend had gezeten. Dat van het cafe aan de Jan Pieter Heijestraat dat L. en ik altijd ‘De Meisjes’ noemen, omdat het gerund wordt door 2 vrouwen.
Naast ons zaten 2 Surinamers. Allebei met teenslippers aan, een bermuda om de beentjes, en een roodgekleurd drankje in de hand dat er zo zoet uitzag, dat waarschijnlijk je kiezen al ontstoken als je er aan sniffelde. Ze zagen een vriend lopen aan de overkant.
“Hey, Clarence man, hey! HAHAHAAHAAAA!”
De vriend was een grote zwarte man in een dikke legerjas en met een zwarte dikke broek aan. Tussen zijn lippen bundelde een joint van 20 centimeter en in zijn hand had hij een hondenriem waarin een bulldog zat gekneld, met een rood strikje om zijn halsband.
Clarence stak de straat over en kwam zijn vrienden begroeten.
Wat zoals verwacht gepaard ging met een uiteraard zorgvuldig gechoreografeerd, maar schijnbaar achteloos handballet.
“Koud he?” bromde Clarence.
“HAHAHAAHAA Clarence man! Waar is je vriendin man!” lachten de andere Surinamers.
“Die is werken, man!” zei Clarence.
“HAHAHHAAAHAA Werken?”
“Ja man, ik werk, zij werkt, wij werken man”, zei Clarence.
De Surinaamse vrienden zwegen even. Daarna zei er eentje: “Ja, jij bent altijd al een vreemde vogel geweest.”

Vrijdag: nu was het echt warm. Ik weer blij met mijn badje. En zo blij dat ik niet hoefde te werken.
‘s Avonds zaten we op het terras bij de Meisjes. Het was druk. Zo druk dat een toerist aan R., een stamgast, kwam vragen of het krukje dat tegenover zijn tafel stond, vrij was, want dan konden ze het meenemen naar hun tafeltje, omdat ze zitplaatsen tekort kwamen.
R. keerde het krukje om. De 4 pootjes staken olijk in de lucht.
“Op die manier kunnen er 4 opzitten”, zei R. tegen de toerist, “4 homo’s.”
De toerist vatte de grap niet. Of hij was geintimideerd, wat niet onwaarschijnlijk is bij R., een nogal woeste verschijning, die deze avond zijn diner had betrokken bij de AH tegenover De Meisjes, in de vorm van een glazen pot rolmopsen. Hij vingerde de vislappen er 1 voor 1 uit, liet ze een fractie van een seconde boven zijn opengesperde muil hangen en slikte ze vervolgens zonder kauwen naar binnen.
Toen de pot leeg was dronk hij het zure vocht erachteraan.
R. liet een boer, en vroeg aan de toerist: “Vous voulez la chaisse ou quoi?”
R. spreekt niet onaardig Frans. Als hij goed dronken is spreekt hij zelfs alleen nog maar Frans. Om zijn goede komaf te etaleren.
“I’m fine, thank you”, zei de toerist.
Het werd later.
Iedereen was goed dronken.
“Doucement!” riep R. op een gegeven moment naar een stel jonge ventjes naast ons. L. en ik keken. De jonge ventjes waren aan het knokken op het terras. Ongezellig. Een Turkje en een Marokkaantje. Niet dat dat er iets toe doet, maar het maakt het iets geloofwaardiger als ik zeg dat het er nogal fanatiek aan toe ging.
Alle alcoholisten op het terras van de Meisjes, en dat zijn er nogal wat, stonden op om de situatie te sussen. Waaronder, het is waar, ook ik. Een kluwen van lamme witte veertigers en vijftigers, stond wankelend op hun poten te murmelen dat vechten nergens voor nodig was, of zoiets. Een enkeling probeerde voorzichtig maar tevergeefs een van de ventjes aan zijn kraag uit de worsteling te rukken, om eigenlijk direct daarna zijn schouders op te halen met het idee van: dit lost zich vanzelf wel op.
Dat denken dronken mensen vaak. Inclusief mijzelve. En het klopt ook vaak.
Maar het loste zich niet vanzelf op.
Een van de Meisjes kwam naar buiten stuiven.
Ze rukte kordaat het Turkje van de Marokkaan af, en sprak hem toe.
Het Marokkaantje ondertussen droop af, en riep dat hij zijn brrroerrs ging bellen en dat die de boel wel even zouden komen neermaaien. Om zijn dreigement kracht bij te zetten, kwam hij nog drie keer vervaarlijk langsfietsen in zijn Barcelonashirt.
Waarbij het Turkje telkens weer door zijn andere Turkse vrienden als een bulldog aan de lijn/zijn armen moest worden (vast)gehouden.
“Ja, kut”, zei ik tegen L, “zodadelijk komt er een bataljon Marokkanen ons neermaaien.”
“Met Kalashnikovs zeker”, spotte L.
“Maak je niet druk”, zei R.
“Ja, maar dat kan toch?” zei ik.
“Nee, natuurlijk niet”, zei L.
“Maar bij ons in Tiel”, begon ik, “in muziekcafe Nikita”. Ik voelde me net Woody Harrelson uit Cheers, die ook altijd ongeloofwaardige anekdotes vertelde uit het dorp waar ie vandaan kwam.
“En dat noemden ze daarna cafe Niet Schiet-as”, murmelde ik.
Het was waar
“Stel je niet aan!”zei R.
Maar ik had er geen zin in. Net nu ik morgen de Staatsloterij zou gaan winnen. En het goede leven voor het oprapen lag. En dan net daarvoor de pijp uitgaan? Ik dacht het niet!
Ik taaide af en ging pitten.

Zaterdag: nog veel warmer. En de Staatsloterij-uitslag. Niks gewonnen. Nada, noppes, nul. Geen 1.000.0000. Geen 250.000. Zelfs geen tientje.
Nog een keertje keek ik op internet naar mijn droomhuis in Frankrijk. Nog een keertje keek ik naar de Jaguar

jaguar

(7K, slechts!), die ik inmiddels als betere optie zag dan de te dure Rolls Royce.
Kut, maandag weer werken.

Zondagmiddag: wandeldag. Dit keer in Bakkum/Castricum. Ook een van onze vaste plekken. En dan drinken we steevast iets bij Johannashof. Goeie horeca. Mooi terras, middenin de bossen gelegen en voorzien van kinderboerderij met 4 soorten kippen/hanen, de ene nog wolliger en kleurrijker dan de ander, waarbij ik altijd twijfel welke soort ik nu zal gaan nemen om te houden in een kippenren op mijn dakterras.
Of op het erf van mijn droomhuis in Frankrijk, maar verdomme, dat gaat dus niet door.
Aan een tafeltje bij het hek van de kinderboerderij zag ik een gelukkig gezinnetje zitten. Mooie man, knappe vrouw, dochtertje, zoontje. De man had een rood T-shirt aan en rookte. Dat laatste vond ik voor hem pleiten.
“Is dat nou T.M.? vroeg ik aan L. Ikzelf zie niet goed op afstand zonder bril.
L. keek ook. “Nee”, zei ze.
Ik zag hoe de man in het rode T-shirt bewoog in zijn stoel. Mensen herken je niet direct aan hun gezicht, niet per se aan hun kapsel, maar vooral aan hun motoriek.
“Weet je zeker dat het niet T.M. is?” vroeg ik.
L. keek nog eens goed, “Verrek”, zei ze, “dat is ‘m, dat lachje!”
T.M. zelve had ons blijkbaar allang gezien en liep op ons af. “Sven!” zei ie, “hoe gaat het!”
Hij schudde me de hand.
“Sorry”, zei ik,”ik herkende je niet direct, ik wist niet zeker of je het was.”
“Dat kan ik me voorstellen”, zei T.M.
Dat was geloofwaardig, want T.M. had dus momenteel spierballen als pompoenen, terwijl dichters dat vroeger nooit hadden. Hij althans niet.
“Maar ik wist wel dat je tegenwoordig in Castricum woonde”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M.
“Mooie omgeving”, zei ik.
“Ach ja”, zei T.M., terwijl hij zijn dochtertje als troffee omhoog hield. En daarna zijn zoontje. En verder gewoon zijn spierballen.
Kut, dacht ik, wat heb ik gedaan met mijn leven? Hij is dichter, woont aan het strand en in het bos, en ik, ik moet morgen werken.

Zondagavond: Whatsappje van mijn beste vriend. Net terwijl ik op het punt stond om met hem te vreugdedelen dat Tom Dumoulin de Giro had gewonnen, kwam hij met het slechte nieuws. Er is opnieuw dit jaar een Tielenaar doodgegaan. En opnieuw voor ons een belangrijke.
Dit is ‘m: http://stadtiel.nl/lokaal/pieter-van-den-burg-overleden-243487

Ik ben er behoorlijk kapot van. En ik had eigenlijk een stukje over hem willen schrijven. Maar heb het nu gedaan over mezelf.
En over hoe ik vergeet te leven soms, nu het nog kan.

Ik ga in de toekomst nog over je schrijven, jongen. Maar omdat je zo van doedelzakken houdt, en omdat je een strijder voor rechtvaardigheid bent, en graag,  meestal terecht, een lastpost,  – sorry flauwe woordgrap, maar daar hou je van, zo kut dat ik moet zeggen: was.

De Last Post, doedelzakversie:

[img]

 

Advertisements

Zwijn

Elke zondag gaan L. en ik wandelen. Dat is namelijk goed voor mijn bloeddruk, zegt de dokter: ontspanning.
L. en ik hebben in de loop der jaren zo’n 10 wandelroutes ontdekt die we allebei leuk vinden. Elke zondagochtend kiezen we er 1 van de 10.
“Waar zullen we vandaag eens naartoe gaan?” vroeg ik vanmorgen, “en let op, we kunnen niet naar het Noordwesten, want de Coentunnel is dicht.”
“Dus we kunnen niet naar Bakkum?” vroeg L.
Meestal gaan we naar het duingebied bij Bakkum, vooral vanwege de grandioze horeca ter plaatse.
“Nee”, zei ik, “geen Bakkum, deze week.”
“Ehm”, zei L., “De Waterleidingduinen?”
“Met dit mooie weer!?”riep ik, “onmogelijk, dan is het daar stampdruk. En is er geen plek op het terras. Dat is ongezellig. Laten we iets gezelligs kiezen.”
“Auschwitz?” opperde L.
“Goed idee!” zei ik, “doen we!”

Met Auschwitz bedoelen we overigens Austerlitz. Op de Utrechtse Heuvelrug. Dat is heel gezellig. Als je tenminste niet naar de horeca bij de Pyramide gaat, maar naar het Beauforthuis. Connie Palmen had het in IM over dat zij en Ischa Meijer zo hielden van vervallen badplaatsen aan de Amerikaanse kust. Zoiets is het Beauforthuis, maar dan in het bos in Nederland. Vergane glorie, die overeind wordt gehouden door cultureel welwillend oud geld. Bejaarde witte snobs.
Niet per se ons soort mensen, maar toch. Het Beauforthuis is kunst met appeltaart toe. Voorzichtige rafelrandjes met een veiligheidsgordel. Gezellig.

Vanuit het Beauforthuis kun je 100 miljoen wandelingen doen. Wij kiezen meestal voor de variant die ik de Schapenkuil noem. Daarbij kom je eerst langs allerlei barakken. Vol met kinderen ‘op kamp’. Judo/Yoga/Yatzee-kamp, whatever, altijd zijn er kinderen op kamp. Je ziet de slaapzalen, de stapelbedden, het zindert er van de ontloken en gefnuikte hormonen, je voelt dat het een plek is waar voor vele mensen het daadwerkelijke leven een aanvang heeft genomen.
Na de barakken komt een van mijn favoriete plekken van de wandeling: de poort die geen poort, het hek dat geen hek is:

Geen hek.jpg

Er lijkt een oude spoorlijn te liggen, maar dat is het niet. Desalniettemin prikkelt deze plek elke keer weer mijn fantasie enorm.
History, history, where did thou go, of zoiets. Watskeburt?
Als je door de poort heen loopt kom je in, wat L. noemt ‘de geheime tuin’, en daarna in een fluoriserend groene mosvlakte, en vervolgens bij de Schapenkuil, waar een kudde schapen ongeherderd z’n grasje graast.
Daar eten we altijd ons broodje dat we 2 uur daarvoor op de A12 bij het tankstation hebben gekocht.
Klinkt goed, he? Zie je hoe gelukkig wij zijn!
En ontspannen! Wat jammer dat ik mijn bloeddrukmeter nu niet bij heb, denk ik iedere keer weer.

Na de Schapenkuil is het tijd om de terugtocht te aanvaarden.
“Weet je de weg?” vraagt L. altijd.
“Natuurlijk”, antwoord ik steevast.
Ik weet hem nooit.
Ik doe hem altijd op gevoel.
Dat gevoel brengt ons op verrassende plaatsen.
Zo stuitten we vanmiddag op een KNVB-complex aan de ene kant, en de Zeisterbegraafplaats aan de andere kant. Beiden afgesloten met hekken.
“Ja, kut!” zei ik, toen ik mijn telefoon inclusief Googlemaps erbij had gepakt, “we moeten eigenlijk rechtdoor, maar er staan hekken.”
“Nee he”, zei L., “daar gaan we weer, je weet dat ik moet plassen?”
Ja, godverdomme, ik kan daar ook niks aan doen! Er staan hekken! Moderne hekken, niet van die gezellige zoals vroeger, die geen hek zijn!”
Het was allemaal een stuk minder ontspannen aan het worden.
Tot overmaat van ramp hoorde ik een zwijn snuiven.
Ik verstarde, en mijn ogen zochten naar de eerste de beste boom om in te klimmen.

Dat zit zo: 2 jaar geleden maakte ik in mijn eentje een wandeling in de Franse bossen aan de voet van de Alpen. Natuurgebied waar in 20 jaar niemand was geweest. En daarvoor wellicht ook niet. Ik had een stok bij me die ik als een soort blindegeleideding gebruikte om de meters bladeren voor mijn voeten door elkaar te husselen, zodat eventuele slangen zich bijtijds uit de voeten konden maken. Het was een spannende onderneming.
Op een gegeven ogenblik zag ik in de verte wat vrolijke wezentjes dartelen.
“Wat leuk”, dacht ik, “jonge hertjes!”
Toen ik wat dichterbij kwam, dacht ik: of zijn het wilde katten?”
Toen ik nog dichterbij kwam zag ik wat het waren: Jonge zwijntjes! Wat schattig! Ik voelde me helemaal Freek Vonk, totaal 1 met de natuur. Ik kende geen angst, zag enkel schoonheid, en liep over van liefde.
Maar toen knalde de ratio erin. En die zei: “Sven, jonge zwijntjes, dat betekent dat er waarschijnlijk ook een moeder in de buurt is, en wildezwijnmoeders die zijn…”
Nog voor ik die gedachte af kon maken, begon de aarde te trillen. Echt te schudden op zijn grondvesten, om er nog maar een cliche in te gooien. Maar serieus, er kwam iets aangedaverd. Iets groots en loodzwaars, zoveel was duidelijk.
Nog voor ik “mama!” kon roepen, was ik al 100 meter gestegen. Onwaarschijnlijk hoe hard je kunt lopen als je bang bent. Ik althans wel. Zo heb ik ook ooit ongetwijfeld het wereldrecord sprint gelopen in Rome toen ik werd beschoten, maar dat is een ander verhaal.
Ik was binnen 10 seconden 100 meter gestegen, in de Franse Alpen, Tom Dumoulin doet het me niet na, en zag hoe 250 kilogram aangestoven moederzwijn, beneden me snuivend tot stilstand kwam.
Ze keek om zich heen. Snoof nog wat.
Ze zag me niet, rook me niet, en hield het goddank voor gezien.

Ik vertelde het verhaal later aan mijn Oom. Ex-Olympier, en Alpenveteraan. “je hebt geluk gehad”, zei ie, “je had eigenlijk dood moeten zijn.”
Dus heel ontspannen reageerde ik vanmiddag niet, toen ik op de Utrechtse Heuvelrug een zwijn hoorde snuiven. Dit was ‘m:

Zwijn1

Het was een klein exemplaar, maar geen jonkie, dus geen paniek.
Ik kalmeerde.
Naast het zwijn stond een man met een fiets.
“Loop nou eens door lul, godverdomme!” riep de man tegen het zwijn.
“Is dat een wild zwijn?” vroeg ik aan de man.
“Nee, natuurlijk niet. Er zitten hier geen wilde zwijnen.”
Het beest draaide een drol tegen een beuk.
“Is ie van u?” vroeg ik, “dat beest?”
“Wat denk je zelf, godverdomme, ja, het is een zwijn trouwens. Maar geen wild zwijn.”
“Wat leuk!” kraaide ik.
L. stond op het punt om het beest over zijn kop te krabbelen.
“Leuk!?”schreeuwde de man, “het IS.. NIET.. LEUK..!!! Ik probeer dat beest godverdomme al anderhalf uur mee naar huis te krijgen, maar..”
“Hij vindt het hier natuurlijk fijn”, verklaarde L,, “dit is toch zijn natuurlijke habitat, in het bos, en dan lekker…”
“Het is GEEN WILD ZWIJN!!! HET IS EEN HUISVARKEN!!! GODVERDOMME!!!!!”

Ik gebaarde L. om door te lopen.
De geschiedenis hierachter, om daarover te fantaseren, daarvoor leek het terras van het Beauforthuis me de perfecte locatie.

Gebrouwen door Vrouwen

Een van mijn beste vrienden is metaalarbeider. En een goeie. Hij verdient met zijn LTS-opleiding meer dan ik met mijn universitaire. Toch vindt hij zijn werk niet meer leuk.
Niet dat ik dagelijks van de daken schreeuw hoe geweldig ik het vind om nutteloze financiele rapportages te faciliteren voor het bancaire grootkapitaal middels een van spagethicode inelkaar geklont ICT-gedrocht, maar mijn goede vriend gaat echt met de pest in zijn lijf naar zijn arbeid.
“Sven”, zei ie, “Sven, ik moet ander werk doen, anders trek ik het niet meer.”
“Dat hebben we allemaal wel eens”, antwoordde ik met al mijn wijsheid, “hier, neem nog een pils, dan gaat het vanzelf weer over.”
“Ik meen het, Sven.”
“Wat wou je gaan doen, dan?” vroeg ik.
“Iets leuks”, zei mijn vriend.
“Dat zouden we allemaal wel willen”, zei ik, “maar dat zit er niet in, kan ik je verzekeren. Drink die pils nou eens op, man!”
Hij nam eindelijk een slok. En vroeg: “Vind jij je werk leuk?”
“Nee, natuurlijk niet!”
“Waarom doe je daar dan niks aan? Jij kan alles, met jouw opleiding!”
“Behalve metaal frasen”, zei ik, “maar dat kun jij dan weer heel erg goed, en daarom verdien je ook zo veel geld!”
“Even serieus Sven”, zei mijn vriend, en dronk in 1 teug de rest van zijn pils leeg: “het leven is te kort. We moeten iets doen wat we leuk vinden. Anders heeft het geen zin.”

Kijk, nu zitten we weer op niveau, constateerde ik tevreden. Grote woorden, weinig andere daden dan troostdrinken, en morgen weer over tot de orde van de dag.
Toch kon ik het niet laten om even te vragen: “Wat zou jij nou echt leuk vinden, dan? Behalve drinken en neuken?”
Om niet aan totale zelfprojectie te doen voegde ik er snel aan toe: “en pizza eten?”
“Weetikveel”, zei mijn vriend.
“Drummen?” vroeg ik, mijn vriend is een goeie drummer. Een van de besten van Tiel.
“Bierbrouwen”, zei mijn vriend.

Haha, dacht ik, we zijn weer thuis. Maar mijn vriend trok er een serieus gezicht bij. En als hij een serieus gezicht trekt, dan is ie serieus.
“Serieus?” vroeg ik.
“Serieus.”
“Dat is toch kansloos”, zei ik, “nog voordat jij een vat hebt gebrouwen, hebben I. en ik de helft al opgezopen. En jij de andere helft!”

We zijn nu een jaar verder. Mijn vriend heeft buiten zijn woning om, een pand gehuurd in Tiel, waar hij de verkoop doet. Hij komt om in de opdrachten, en staat op het punt om zijn metaalbaan op te kunnen zeggen.

En hier zit ik. Op een zondagavond. Een jongen die er altijd van heeft gedroomd om voor zijn levensonderhoud te kunnen schrijven. Of gitaar te kunnen spelen. Of te zingen.
Morgen moet ik weer werken. Dan ga ik dat ICT-gedrocht weer een zwengel geven, en er nog iets meer spagethicode aan toevoegen.
Ik vind het niet erg, maak ik mezelf wijs.
Ik maak lijstjes. Van positieve punten.
– Ik kan op de fiets naar mijn werk.
– Ik kan stiekem aan mijn e-sigaretten lurken op de WC.
– Aanstaande week is mijn leidinggevende op vakantie. Misschien kan ik op donderdag stiekem een kwartiertje eerder naar huis!

Ik maak ook lijstjes van negatieve punten.
– MIJN WERK IS ZINLOOS! Dat van onze hele afdeling trouwens. En het grootste gedeelte van de tijd van mijn collega’s gaat op aan het geestdriftig ontkennen daarvan, opdat we onze banen kunnen behouden.
– Mijn collega’s doen tijdens de lunchpauze niets anders dan vanaf hun mobieltjes Teletekst voorlezen. Vooral pagina 818, de voetbaluitslagen. Duiding en uitweiding is daarbij niet de bedoeling.
– Iedereen veinst smetvrees. Iedere ochtend gaan ze allemaal met keyboardspray over hun toetsenbord en swifferen ze hun bureau tot de schaafsels erbij hangen. Iedereen is als de dood om voor de viezerik versleten te worden. Doe het 1 keertje niet grondig genoeg, en je bent hem. De viezerik. Dat ben ik dus geworden. IEDEREEN VINDT ME EEN VIEZERIK!

Aan dat laatste lijstje kan ik nog een oneindige reeks punten toevoegen. Doe ik vanavond niet. Ik wil mezelf niet demotiveren. Ik moet morgen weer aan de arbeid.
Maar jaloers op mijn vriend was ik vanmiddag wel.
Bierbrouwen.
Dat zouden we allemaal wel willen.
Herdacht ik op een terras in Overveen.
Het was zo’n terras, niet ver van de kust, waar op een zonnige lentemiddag aan de lopende band cabriolet sportauto’s voorbij cruisen, met kale veertigers achter het stuur en een jonge blonde troffeevriendin ernaast geplant.
Ik ben ook veertiger. Ook kalend. Maar ik heb geen sportauto.
Die heb ik gelukkig niet, dacht ik, en bestelde een pils bij de serveerster.
“Wat voor pils?” vroeg de serveerster.
Ik stak mijn neus in de kaart.
“Doe maar een Gebrouwen door Vrouwen”, zei ik.
“Een Tricky Triple voor meneer”, zei de serveerster, “uitstekende keuze.”

Dit was ‘m:

Gebrouwen_door_vrouwen_crop

En hij was lekker. Meer dan.
“Hij smaakt een beetje naar perzik”, zei k tegen L., “slokje proeven?”
Ze nam een slok.
Een vloek volgde.
Een vloek van weldaad.

Ik las de tekst op het achterplat. Dit was ‘m:

Gebrouwen_door_vrouwen_uitleg.jpg

Mijn vader zei vroeger: “Waarom neem jij altijd de gemakkelijke weg?”
Ik concludeerde daaruit dat zulks niet de bedoeling was.
Misschien was dat een verkeerde interpretatie.