The Amsterdam Experience 2017

In 1987 kwam ik in Amsterdam wonen om econometrie te studeren. Dat was een compromis, gesloten tussen mij en mijn ouders. Die laatsten wilden per se dat ik de allermoeilijkste studie ging doen die er te vinden was. En dat was econometrie.
“Prima”, zei ik, “maar alleen als ik dat kan doen in Amsterdam.”
“Niks ervan”, zei mijn vader die naast zijn baan als leraar Nederlands ook decaan op een middelbare school was, “Jij gaat naar Rotterdam, de Erasmusuniversiteit staat veel beter aangeschreven als het gaat om economie-vakken.”
“Rotterdam is de allerlelijkste stad op aarde”, snoof ik, “en de ongezelligste!”
“Omdat ze er hard werken en geen drugs gebruiken?” vroeg mijn vader.
“Nee”, zei ik, “omdat het in de oorlog totaal is platgebombardeerd, met ziel en al. Heb je weleens over de Lijnbaan gelopen?” vroeg ik, “dat is nog erger dan Tiel. En Feijenoord komt trouwens uit Rotterdam.”
“Tsja”, zei mijn vader, overtuigd Ajacied, “daar heb je een punt.”
“Mooi”, zei ik, “dan wordt het dus econometrie aan de UvA!”
“Niks ervan”, zei mijn vader, “het wordt econometrie aan de VU.”

Ik vond het wel best. UvA, VU, whatever, als het maar Amsterdam was.
Het ging niet om de studie, het ging om de stad.

Ik begon zoals gezegd in 1987. Het eerste jaar haalde ik zo ongeveer nul tentamens. Dat mocht toen nog. Elke maand kreeg ik gratis ruim 600 gulden op mijn rekening gestort van de Overheid, en die gaf ik uit bij de MacDonalds (die had je toen nog niet in Tiel) op de Ferdinand Bol, in studentencafe de Gieter in de Lange Leidse Dwarsstraat, en de rest verbraste ik (sorry, dat vond mijn ex-vrouw altijd een grappige grap).
Mooie tijden.

En als al het geld op was, geen probleem:
Ik woonde op het Roelof Hartplein, op 100 meter lopen van het Concertgebouw. Daar kon je iedere woensdagochtend gratis gaan kijken naar de repetitie van het Concertgebouworkest. En dan kreeg je op vertoon van je collegekaart gratis koffie.
Mooie tijden.

Tijdens een van die Concertgebouw-uitjes, kwam studievriend W. uit ons buitenbeentjesclubje van 6 met het voorstel om de Heineken Brouwerij eens van een bezoekje te voorzien.
“Ik heb gehoord van Ralf uit mijn beleggingsclubje dat die gratis rondleidingen geven, en dat je na afloop zoveel mag drinken als je wilt”, zei hij met sprankelende ogen.
Die sprankelende ogen kregen we op slag alle zes.
Dus wij nog diezelfde middag naar de Stadhouderskade.

We belden aan. En werden binnengelaten door een aardige mevrouw.
“Klopt het dat jullie rondleidingen geven” vroeg W.
“Jazeker”, zei de mevrouw, “wat leuk dat jullie jongeren interesse willen tonen in ons metier! Koffie?”
“Nou”, zei ik, “als het niet uitmaakt, dan zou ik wel een b…” W. stootte me aan en onderbrak me, “Koffie! Heerlijk, mevrouw!”
We kregen er een Pennywafel bij.
Daarna leidde een kale vent met een bril ons langs de lopende banden met (toen nog) bruine flesjes.
En we kregen een aantal grote ketels te zien.
“Interessant!”, zeiden we, “verdomde interessant!”
Ten slotte werden we geplant in een soort kantine, aan een rechthoekige tafel met zes stoelen.
“Zouden de heren misschien een echte vers gebrouwen Heineken willen savoureren?” vroeg de kale knakker.
“Ach, waarom ook niet?” zei W., die ik verdomde goed het woord vond doen.
“En blieven de heren daar wellicht een bitterballetje bij?”
“Op die vraagstelling zouden wij graag positief willen responderen, vermoed ik”, zei W., terwijl hij glunderend onze gezichten monsterde.
Toen de kale wegliep om een zilveren schaal bitterballen te halen, zei W.: “Zei ik het niet, zei ik het niet!?”

We kregen in totaal 4 gratis bier en 7 bitterballen per persoon. Dat weet ik nog, want het staat in mijn dagboek. In heel duidelijk handschrift opgeschreven heb ik het niet, want ik was toen nog geen 4 bier gewend, althans niet in de middag.
Wij alle zes trouwens niet. Terwijl we op de terugweg fietsten naar mijn kamer op het Roelof Hartplein om te gaan dineren met met stroopwafels en thee, remden de eerste twee voor een rood stoplicht, wat de rest niet had verwacht, waardoor we in een gezamenlijke kettingbotsing verzeild raakten en alle zes tegen het asfalt klapten.
Dat vonden we erg grappig.
“Ach ja, je weet wat ze zeggen”, zei iemand van ons zessen, terwijl we weer overeind probeerden te krabbelen, “alcohol haalt de remmingen weg.”
Moesten we nog harder lachen.
“Studententuig!” blafte een oudere man, die langs liep met zijn hond, ons toe, “stelletje lapzwansen, dronken torren! En daar betaal ik belasting voor!? Schaamt jullie!”
Het hielp allemaal niet om ons geluk te smoren.
‘Een van de mooiste dagen van mijn leven’, schreef ik later die avond in mijn dagboek.

Ik weet niet of er nou echt heel veel veranderd is in Amsterdam.
De Heineken Brouwerij geeft nog steeds rondleidingen. Ze hebben het een nieuwe naam gegeven, het heet nou de Heineken Experience. Gratis zal het wel niet meer zijn, en ik betwijfel of je er (7!) bitterballen (op een zilveren schaal!) bij krijgt. Spontaan aanbellen kan waarschijnlijk sowieso niet meer, het ziet er nu ter plekke zo uit:

Heineken Experience

Waanzin natuurlijk. Wat voor soort mensen is dat, die zichzelf dat aandoen?

Maar het kan nog veel gekker.
Ken je de Heisteeg? Dat is dat pietepeuterige straatje tussen het Spui en het Singel, naast cafe de Zwart. Ik loop of fiets daar regelmatig doorheen. Twee jaar geleden extra vaak, want toen had de een of andere koekjeswinkel het idee opgevat om aan de lopende band gratis koekjes uit te delen aan voorbijgangers.
Toen ik voor het eerst mijn snavel zette in een van hun chocoladekoekjes was ik verkocht. Krokante chocola van de buitenkant en warme gesmolten chocolade vanbinnen. Hemels.
“Lekker?” vroeg het bakkersmeisje waarvan ik het koekje had gekregen.
“Subliem”, antwoordde ik naar waarheid.
“Wilt u een zakje kopen?”
“Duur zeker?” vroeg ik.
Het meisje glimlachte verlegen.
Ik wist genoeg.

Is Amsterdam veranderd? Die koekjes in de Heisteeg zijn nog steeds enorm duur. Erg lekker, daar niet van, maar duur. En ze delen ze ook niet meer gratis uit. Integendeel. Daar ziet het er nu zo uit:

Wachttijd1

Een koekjesbakkerij met een wachtrijtijdbordje! Als ware het de Heineken Experience, het Rijksmuseum, of het Anne Frankhuis. En de wachtrij was bepaald een stuk langer dan dit point of no return van 45 minuten. Er stond voor minstens 3 uur in gelid aan volk te trappelen. Eat that Efteling!

Van Stapele heet de zaak. Je kunt hem googlen.
Ik heb een foto genomen van een meisje dat net aan de beurt was geweest. Ze kocht 1 koekje. En heeft er een foto van genomen. Die heeft ze op deze foto waarschijnlijk zojuist gedeeld op de een of andere social mediasite.

Van_Stapele1.jpg

Ik weet niet of Amsterdam veranderd is.
De tijden wel, denk ik.

Advertisements

Wat zou je doen met een miljoen?

1980 was een belangrijk jaar voor mij, wat betreft volwassen worden. Het was namelijk de eerste keer dat ik door mijn vader betrokken werd in een gewichtige financiele beslissing voor ons gezin.
Onze oude rode Renault 4 liep op zijn laatste beentjes, en mijn vader wilde graag een nieuwe auto kopen, zodat we veilig op zomervakantie konden naar Frankrijk.
“Frankrijk, dat halen we toch nog wel met deze oude auto?” had mijn moeder die week daarvoor geopperd, terwijl ze met een diepe frons het bankafschriftenmapje van de ABN doorbladerde.
“Niks ervan”, had mijn vader gezegd, “ik ga mijn gezin niet blootstellen aan het risico dat we midden op de Peage met bagage en al door een verroeste bodem heen zakken, wij kopen een nieuwe, en volgende week beslissen we wat voor een auto.”
“Sven”, zei mijn vader, “misschien kun jij volgende week ook een beetje met ons meedenken, want jij bent gek op auto’s, en weet er veel van.”

Dat laatste was waar. Ik was in mijn jeugd weg van auto’s, ik kende elk merk, en daarvan elk model, wat in die tijd een stuk makkelijker was dan in 2017, nu alle auto’s op elkaar lijken.

Een week later was het zover. Met mijn vader en moeder zat ik aan de eettafel (in ons geval een gemetselde bar tussen de woonkamer en de keuken, zoals in vele huizen begin jaren 80).
“Zeg het maar Sven”, begon mijn vader het gesprek, “wat vind jij de mooiste en beste auto.”
“Een Rols rols”, antwoordde ik naar waarheid, “Silvercloud”, voegde ik er volledigheidshalve aan toe.
Mijn vader sloeg zijn blik ten hemel, met zichtbare spijt in zijn ogen dat hij mij, kind, in dit gesprek betrokken had.
“Een Rolls Royce is natuurlijk geen optie”, zei hij, “zoals Joop den Uyl altijd zegt: 2 dingen. Punt 1: die zijn veel te duur in aanschaf, bijna een miljoen gulden, en punt 2: die zuipen veel te veel benzine, namelijk 1 op 1; 1 liter per kilometer.”

Ik wist natuurlijk dat hij dat zou gaan zeggen. Ik was een veelbelovend jeugdschaaktalent, en als ik iets had geleerd van schaken is dat je vooruit moest denken.
“Dus je wilt een auto die goedkoop is in aanschaf, en die niet te veel benzine verbruikt?” vroeg ik quasi-naief.
“Precies”, zei mijn vader, “zoals een Renault 4 dus”, voegde hij eraan toe. Mijn vader had zijn hele leven nooit andere auto’s gekocht dan Renaultjes 4, 3 stuks tot dan toe, 2 witte en een rode.
Ik schaamde me dood voor die Renaults 4. Mijn vriendjes lachten me erom uit. Hun vaders hadden allemaal grotere auto’s.
“Mag ie er ook een beetje mooi uitzien?” vroeg ik aan mijn vader.
“Waarom niet”, zei mijn vader.
“Een Citroen GSA”, zei ik kordaat. Ik wist waarover ik het had. Ik had in die week bij diverse automerkdealers foldertjes opgehaald met specificaties. “Die rijdt ook 1 op 18 bij 90 km/uur”, doceerde ik, “en hij is net zo goedkoop in aanschaf als een Renault 4. Alleen is ie wel een stuk groter! En mooier! Vooral een blauwe!”
Game, set en match, dacht ik, en leunde voldaan achterover. Wij zouden zo’n mooie langwerpige Citroen GSA krijgen, nog langer dan de Renault 16 van de vader van mijn buurjongens, hier zou mijn vader zich niet meer uit weten te lullen, ik had mijn ouwe op rationaliteit schaakmat gezet.

“Wacht”, zei mijn moeder, “over de kleur ga ik!”
Dat was waar. Mijn moeder mocht altijd beslissen over de kleur.

“Een Citroen GSA”, peinsde mijn vader hardop.
“Precies”, zei ik.
“Dat zal niet gaan”, zei mijn vader.
Wat gingen we nu beleven? “Maar… Waarom niet!” stamelde ik.
“Ik moet een Renault hebben”, zei mijn vader, “anders zit ik met mijn inruil. Bij de Citroendealer krijg ik veel minder inruil voor onze oude rode Renault 4, dan bij de Renaultdealer. Dus een Citroen is geen optie. Laat ik dan de knoop maar weer doorhakken: Het wordt een Renault 4! Lien, wat wordt de kleur?” vroeg ie aan mijn moeder.

“Donkerblauw?” opperde mijn moeder voorzichtig.
Wederom sloeg mijn vader zijn blik ten hemel, “donkerblauw!? Dat is levensgevaarlijk, die kleur ziet niemand in het donker, dus dan zit ie binnen de korste keren onder de deuken! We moeten een lichte kleur hebben, of desnoods een signaalkleur, wit of rood dus, of zoiets. Ik zat zelf te denken aan geel, voor de verandering.”

Een paar maanden later stond er een knalgele Renault 4 voor onze deur.

Daarin heeft mijn vader gereden tot ik op mijn 18e het huis uitging en vertrok naar Amsterdam. Renaults 4 werden toen niet meer gemaakt. Waardoor ie is overgestapt naar de Citroen Visa. En toen die niet meer werden gemaakt, naar de Citroen Picasso.

Ik rij nu zelf trouwens ook in een Citroen Picasso. Maar zou liever een tweede- of desnoods honderdste-hands Renault 4 hebben, alleen zijn die nu te duur.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over wat je zou doen met een miljoen.
Ik heb namelijk 2 gratis staatsloten. En hoewel het statistisch gezien nergens op slaat, is mijn fantasie wel aan het slaan. Op hol welteverstaan.

Vorige week heb ik het er al even over gehad. Ik heb een huis op het oog, in Zuid-Frankrijk. Het ligt in een verschrikkelijk saaie streek, er is werkelijk geen hol te beleven, maar dat is alleen maar goed, maak ik mezelf wijs. Dan kom ik eindelijk toe aan schrijven.

En het huis is mooi. Het is verschrikkelijk mooi. Dit is ‘m:

huis2

En dit is het zwembad met uitzicht:

zwembad

Er is een voetbalveld aan landbouwgrond, een honderdenmeterslange oprijlaan, 230 vierkante meter woonoppervlak, er ligt een schitterende houten vloer in (zeldzaam in Franse huizen), en het geheel is piekfijn afgewerkt.
Het huis kost evenveel als dat mijn etage van 50 vierkante meter op 4 hoog in Amsterdam Oud-West momenteel op de woningmarkt doet.

Ik weet wel wat ik met een miljoen zou doen. Ik heb er de laatste weken veel over nagedacht. Serieus een plan uitgewerkt.

– Ik zou mijn hypotheek op mijn Amsterdamse woning afbetalen, en de woning verhuren voor 1200 euro per maand aan expats.
– Ik zou dit huis in Zuid-Frankrijk erbij kopen, en er gaan wonen. In het hoogseizoen verhuur ik het voor 1000 euro per week aan toeristen en ga ik zelf op vakantie met een camperbusje dat ik koop.
– Ik zou nog een pand in Amsterdam erbij kopen van ca 250.000 euro, en dat verhuren voor 1000 euro per maand aan expats.

Dit alles levert genoeg inkomsten om te kunnen stoppen met werken. Genoeg om de vermogensbelasting te kunnen betalen en te kunnen leven op de voet die ik nu leef.

En dan hou ik nog 150.000 van dat miljoen over. Daarmee kan ik leuke dingen doen.

– 50.000 besteed ik aan zonnepanelen, een kas, geitjes, kippen, fruitbomen, en andere landbouwdingen om zelfvoorzienend te kunnen zijn.

En dan hou ik nog 100.000 over.

“Wat zou jij erbij willen hebben?” vroeg ik aan L.
“Dat huis is genoeg”, zei L., “als ik daarin een atelier krijg.”
“Zeker weten? Wil je echt niets anders erbij?”
“Jawel”, zei L.
“Wat?” vroeg ik.
“Dit”, zei L. :

Roze Vespa

Wat een ontzettend goed idee! dacht ik. Ik zag meteen een businesscase. Die roze Vespa kost 2100 euro. Kan goedkoper, maar doet er niet toe. Groot denken, Sven, als een miljonair. Je koopt 4 van die dingen, stalt ze in je garage van 44 vierkante meter, en hoppakee, je kunt ze aan je huurders meeverhuren in de zomer, waarin je toch al 1000 euro per week aan ze verdient.

Maar goed, dan hou ik dus ruim 90.000 euro over. Niet dat die ophoeven, maar potverdorie, ik zou het wel weten. Voor 89.500 is deze te koop:

https://www.autotrack.nl/tweedehands/rolls-royce/corniche/34645203

Een Rolls Royce. Ok, geen Silvercloud. Maar wel convertible. Cabriolet. Voor wie te moe was om op de link te klikken, even in your face:

Rolls cabrio

Rolls Royce Convertible

Die bied je ook te huur aan, aan je toeristen. Optioneel een geeltje per dag voor de auto. Volgens mij is dan dat huis geen dag onverhuurd in de zomer.
En het levert mij genoeg extra inkomsten op om er de rest van het jaar lekker zelf in te kunnen rondtoeren. Ook al zuipt ie een liter per kilometer.

Je hoort altijd van mensen die de lotto of de staatsloterij hebben gewonnen dat ze er een jaar later alleen maar ongelukkiger op zijn geworden.
Ik snap dat niet.
Ok, ik moet toegeven dat L.en ik ook wel enige discussies hadden over wat voor hond we zouden nemen om het geheel te bewaken.
“Een Huskie!”
“Ja, maar die kunnen niet blaffen.”
“Zo’n whiskyhondje, dan”
“Van Black and White, zo’n Boomer-achtig-iets?”
“Ja!”
“Daar lachen inbrekers om!”
“Ja, maar ik ben bang voor herdershonden.”
Uiteindelijk kwamen we uit op de onvermijdelijke Golden Retriever.

En ook de discussie over een Chesterfieldbank of Deens Design voor bij de houtkachel wisten we tot een goed einde te brengen.

Wij zijn er kortom klaar voor. Kom maar op met dat miljoen.

Wil ik

We hadden vandaag een familiedag. Het initiatief kwam van mijn oudste nicht, die eventjes een maandje over was vanuit het buitenland. Ze is een globetrotster, die momenteel woont in Myanmar (het voormalige Birma). Bij iedere stap die je daar zet trap je op een vogelspin, maar dat is ze gewend, ze woonde hiervoor in Bolivia.
“Even de tarantula’s uit mijn bed vegen”, dagelijkse routine, pas des problemes, “en even de schorpioenen uit mijn laarzen scheppen, dan gaan we daarna gezellig…”
Ik heb daar niets mee. In de zin van dat ik er totaal geen behoefte aan heb om op dat soort plekken te gaan wonen.
Of uberhaupt te verblijven.

Aan de andere kant: de familiedag werd vandaag gevierd bij mijn broertje, die woont in Oegstgeest, op een plek die is ingesloten tussen een spoorlijn waar ieder uur 15 treinen voorbij denderen, en aan de andere kant een batterijtje torenflats. Als je daar heel goed tussendoor koekeloert, dan kun je een stukje polder ontdekken, drassig weiland, dat volgens hem het mooiste stukje van Nederland behelst.

Daar was vanmiddag dus de familiewandeling.

En het was waar. Er waren mooie vogels. Allerlei soorten ganzen met nu al jonkies, pluizig en schattig in al hun voegen. Iedereen ging uit zijn bol.

En Grutto’s.
“Kijk! Een Grutto!”, zei mijn tante.
“Een sfeerverhogende vogel”, zei mijn broertje.
Wenkbrouwen fronstten zich.
“Dat vond ik een mooie uitspraak van Chris Geel”, verklaarde mijn broertje, “de Grutto is een sfeerverhogende vogel, hoe heette die film ook alweer?”
“Simon”, zei mijn zusje, redactrice van de cultuurpagina van de Gelderlander.

Ik keek naar de Grutto, ik keek naar de polder, en ik keek naar de spoorlijn.
Ik dacht aan de mooiste dag die ik ooit met mijn broertje had meegemaakt, in Schijndel, ook tijdens Pasen. Op Paaspop, ergens halverwege de negentiger jaren.
Greenday, The Offspring, good old Richard Janssen (van de Fatal Flowers) als Rex, en als hoogtepunt Skik, waarbij Daniel Lohues hun greatest hit standaardesk inleidde met een verhaaltje over een ijsbeer die rondliep in de Sahara.
Het nummer heette: “Tomme, tomme, wat doe ik hier!”

Aan het eind van de wandeling liep ik even samen met mijn broertje en mijn schoonzus. Ik mag ze allebei erg graag.
“Jij blijft zeker voorlopig nog in Amsterdam”, zei mijn schoonzus.
“Ik wel”, zei ik, “maar zoals ieder zijn verslaving heeft..”
“Ja, jij..”, voelde ik ze denken, “drank en sigaretten..”
‘Een fijne comfortzoneverhogende status quo, en vooral geen gedonder’, dacht ik inwendig, “ben ik verslaafd aan Funda”, vervolgde ik hardop.

Ik vertelde over Assen, waar ik vorig jaar heb getwijfeld over een kapitale vrijstaande villa in het groen, op 5 minuten wandelen van het station. Middagenlang heb ik er verliefd naar gekeken vanachter het computerscherm op mijn kantoorbureau.
Tomme, tomme, wat doe ik hier.
Tot ik op het terras van ons buurtcafe op de Jan Pieter Heijestraat, een vrouw/meisje aansprak dat zich er op liet voorstaan dat ze uit Assen kwam.
“Assen”, vroeg ik, “is dat nou iets?”
Er klonk een enorm langgerekte nee. Nog langer dan de Overtoom.
Nadat de vrouw bijkans haar laatste adem had verspild aan het nog langer uitrekken van de neeeeeeee, voegde ze er aan toe: “ik noem het altijd: ‘In Zak en Assen’.”
Ok.
Geen Assen dus.

Funda. En ik ben niet de enige. En ik beperk me niet tot Nederland.

Ik zag een oud-lezeres met deze suggestie, niet speciaal voor mij, maar in het algemeen en voor zichzelf in het bijzonder, voorbij komen:

http://www.immoweb.be/nl/buy.estate.cfm?metrics=CLIBIENA&idmetrics=6940097&IDbien=6940097

Een station!

Wil ik!

Mijn financieel adviseur kwam met deze suggestie: http://www.funda.nl/koop/amsterdam/appartement-49178830-prinsengracht-1079-g/

“Wil ik!”, schreef ie.

“Mongool!”, schreef ik terug, “dat is 10.000 per m2”.  Hij deed er betweterig het stilzwijgen toe, en heeft waarschijnlijk rationeel gelijk. Zo zijn financieel adviseurs. De verstedelijking zet waarschijnlijk voort, dingen in de stad worden meer waard. De rest, ergo het platteland, minder waard.

Mijn woning in Amsterdam is mijn pensioen. En hoewel het nu al zou kunnen, qua inruil, qua geld, maar qua werkafstand nog niet, zou ik zo graag dit willen kopen. En geitjes. En koeien. En varkens. En kippen. En heel veel groenten en graan. Zonnepanelen en helemaal zelfvoorzienend willen zijn:

http://www.green-acres.com/en/properties/7872a-293.htm?utm_campaign=Criteo+France+EN&utm_source=criteo&utm_medium=banner

Op staatsloterij.nl kun je gratis loten krijgen.

Die heb ik gescoord.

Dat huis in Frankrijk?
Wil ik.

Ruwe Teckel

Dakterras Zuidas

Wat mezelf betreft laat ik het bij deze foto. Het was mooi weer. En ik heb een leven.
Maar ja, om nou wederom een iglootje te doen.

Aan de andere kant: waar zou ik over moeten schrijven?
Over de buurvrouw van 2 dakterrassen verderop wellicht? Een yuppenmeisje, dat haar vader uit de Achterhoek had laten overkomen om haar dakterras schoon te maken met een hogedrukspuit?
Ik weet het niet. De vader van het meisje was een kopie van Bennie Jolink, van Normaal. Met dezelfde bril, dezelfde hoed, dezelfde snor. Terwijl ik in een pauze van het houtklieven een kopje koffie dronk op mijn dakterras, verscheen hij 5 meter verderop ten tonele en frutselde wat met zijn apparaat (hogedrukspuit, bedoel ik daarmee, en verder geen grappen).
“Goedemorn”, zei Bennie, “Lekker aan ‘t koffie drink’n? Lekker in het zonnetje?”
De man verstond zijn smalltalk.
“Ja”, zei ik, “lekker aan het euh.. spuiten?”
Ik versta de kunst iets minder.
“Ja, ‘t mos mot eraf he, da kun je zo’n keind nooi nie genoeg up ‘t hert drukk’n”, zei Bennie.
“Juist”, zei ik.
Ik keek naar mijn eigen dakterrasflonderplanken. Die zaten behoorlijk onder het mos. Persoonlijk ben ik blij met mijn mos. Ik zie het als gratis gras. Ideaal. Lekker zacht, en je hoeft het niet te maaien op de koop toe.
Maar daar dacht Bennie blijkbaar anders over.
En hij kon het weten waarschijnlijk, hij was een boer. Verdomme, nu zat ik me zorgen te maken over mijn mos, terwijl ik er juist zo blij mee was.
Tijd voor het door elkaar schudden van de situatie.
“U lijkt op Bennie Jolink”, zei ik.
Ik schrok van mezelf. Zoiets zeg ik normaal alleen na een stevige pils.
“Dat heur ik wel vaker”, zei de vader met een grijns.
“Deurdender’n!” zong ik. Ik ken mijn klassiekers.
“Krek!” zei Bennie, en liet het dakterras van zijn dochter sidderen onder een paar hectoPascal aan watergeweld.
Dat was om 10 uur ‘s ochtends.

Ik potte die ochtend mijn Gerania, Vlijtige Liesjes en Spaanse Margrieten. In de middag deed ik mijn moestuin; de Sugarsnaps mochten erin, en de omhooggeschoten peultjes hadden dringend behoefte aan klimmogelijkheden, die ik faciliteerde middels een doorgezaagd houten afwasrekje van IKEA. Af en toe keek ik opzij naar Bennie. Hij was nog steeds aan het spuiten op de schamele 12 vierkante meters van zijn dochters terras.

Om 19.00 ‘s avonds was ie er nog steeds mee bezig. En toen kwam zijn dochter een kijkje nemen.
“Ben je nu nog steeds bezig, pa?”
“Ja meis, ik bin bijna fert, dan hoeft ‘t daarna alleen nog maar te dreug’n”
“O, dat is fijn.”
“Joa, dan bin al ‘t mos weg! Ziet oe het?”
Bennie keek verwachtingsvol naar zijn dochter. Dit was het moment. Dit was waarvoor ie het allemaal had gedaan. De hele reis had ondernomen, en de hele zondag in de weer was geweest. Nu kwam het.

“Tsja”, zei de dochter, “ja, nee, inderdaad, euh.. Je ziet echt een verschil…”

Dat kun je niet maken! dacht ik, zeg iets liefs tegen je vader!
Maar dat deed ze niet. Ze zei: “als je eindelijk klaar bent, dan kun je komen eten. Wij zijn alvast begonnen.”
Bennie ondertussen, ach Bennie. Zijn blik. Als Bennie een hond was geweest had ie gejankt.

Mijn whatsapp-signaaltje ging af. Ik had een nieuw berichtje. Waarschijnlijk als reactie op bovenstaande foto die ik met mijn beste vrienden had gedeeld inclusief de tekst: “Lekker een Herfstbokje in de Lentezon”.
De reactie van een van mijn beste vrienden was:
“Sven, man!”
“Ja?” vroeg ik.
“Je moet een Ruwe Teckel drinken.
Of een Saison, of een Porter.
Maar geen Bok.”
“Ik moet niks”, repliede ik, “maar een Ruwe Teckel klinkt goed.”

Ik keek naar Bennie, die stug de laatste paar vierkante milimeters waterboardde.
Wat een ruwe teckel, dacht ik, wat een ruwe teckel.

 

Iglootje

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik doe vandaag een Iglootje.

Ik zal iets meer toelichting geven dan 12 jaar geleden

Aan het eind van de vorige eeuw had ik een emailvriendin. Een watte? Ja, het zal maar een heel korte periode in de geschiedenis zijn geweest dat je een emailvriend(in) kon hebben. Ik ken tenminste haast niemand meer die nog actief mailt. De penvriend(in) was in de eeuwen daarvoor wat dat betreft een langer leven beschoren.
Maar goed, een emailvriendin dus. We waren ex-collega’s bij Robeco, en we mailden elkaar iedere nacht. Vele A4tjes lang, besloegen die emails. Onze totale ziel en zaligheid zat erin. Ik denk niet dat er in 1999 iemand meer wist van mij dan zij, en vice versa.

Stiekem was ik natuurlijk een beetje verliefd op haar. Ze was pakweg 10 jaar ouder dan ik, ik was 29, en ik bewonderde de vrouw van de wereld, de bloedmooie vrouw die alles al had meegemaakt, van een ellendige jeugd in pleeggezinnen in Australie, haar annorexiaperiode in een tijd dat ze samenwoonde met een rijke vent in Amsterdam toen ze 14 was, en haar toenmalige huidige geluk dat ze vond in tassen van Yves Saint Laurent, parfum van Coco Channel en het spelen van de game Civilization II.
Ze schreef hoe ze weleens alleenstaande mannen verrastte door louter gekleed in een lakrode regenjas met niets eronder, bij zo’n man aan te bellen.
“Maar jij hebt een vrouw toch?” schreef ze er dan achteraan.
Godverdomme, ja, inderdaad.
En ik ben een trouw type. Dus ik deed niets. Ik mailde. Ik mailde braaf het verloop van mijn eigen leven.

Hele nachten lang, tot 5 uur ‘s ochtends, waarbij ik dan een liter vodka dronk, want daarover had ik gelezen dat ze het de volgende dag op je werk niet konden ruiken.
“Maak je geen illusies, snoes”, schreef de femme fatale, “jij rook altijd naar drank. Geeft niet hoor. Ik hou daar wel van.”

Anyway, om een lang verhaal kort te maken: op een dag schreef de Femme Fatale dat ze vandaag even ‘een Iglootje’ deed. Zonder verdere toelichting.
Dat was haar mail, die normaal nog een paar honderd zinnen doorging.

Nu niet dus.
Iglo was in die tijd nog een groot merk in diepvriesprodukten. Onbetwiste marktleider. Zei je diepvriesprodukt, dan zei je Iglo. Pizza? Iglo. Spinazie? Iglo. Geen tijd, en iets snels? Iglo.

Ik snapte ‘m.

Ze had het druk. Waarschijnlijk met alleenstaande mannen verrassen. Haar eigen echtgenoot sloeg haar, dus wie was ik om te oordelen.
Ik moest eigenlijk blij voor haar zijn, besefte ik, met haar Iglootje. Ze was aan het leven.
Ik zal destijds waarschijnlijk nog een teug van mijn vodka hebben genomen, en gemompeld hebben: ‘snol’.
Erg blij was ik in ieder geval niet met de Iglootjes, destijds, dat weet ik nog.

Sorry dus.