The good times I have wasted

De lente is vandaag begonnen. Het was nog geen rokjesdag, maar het was de dag waarop mensen voor het eerst weer uit hun winterholen kropen en op hun bordessen plaatsnamen.
Althans in Amsterdam.
Een daverende zonne, zou Guido Gezelle zeggen, of gewoon een magistraal stralende zon (Johnny van Doorn) maakte zijn meters in het babyblauwe hemelgewelf en toornde voor het eerst dit jaar overtuigend boven de 4-verdiepingswoningen uit en wierp met strelende handen zijn warmte uit over de eerste voorzichtig ontblote hoofdstedelijke ledematen op de balkons.
Althans over de mijne.

16 graden juichte de thermometer in de schaduw van mijn Sering. Ik wist wel wat ik ging doen. “Trek je slippers aan”, zei ik tegen L., “we gaan er op uit!”
Terwijl we onze portiek uitliepen kregen we een klets water in onze nek.
“Sorry”, klonk het van boven.
Het was de moeder van de buurvrouw van 1 hoog. Ze was het Franse balkonnetje van haar dochter aan het schrobben.
“Geen punt”, zei ik.
“Wat een weer, he?” zei ze, “echt prachtig, tijd voor een voorjaarsschoonmaakje. Wat gaan jullie doen? Zeker naar de bossen?”
“En een beetje in de schaduw lopen zeker, dikke lul, wij gaan naar het strand!” wilde ik terugroepen, maar dat deed ik niet. Ik antwoordde: “Ja, wij gaan naar de bossen.”
Als ik 1 ding heb geleerd in het leven, dan is het wel dat je maar het beste verwachtingen van mensen kunt beamen, zo beantwoord ik tegenwoordig ook steevast de vraag van buren “Feestje?” als ik met een treetje van 24 halve liters Basic-pils de portiek inloop met “ja, inderdaad”, in plaats van eerlijk te zeggen: “Nee, dat is voor mezelf, en in de auto staan nog 3 treetjes voor mezelf.”

Het was druk aan de kust. Er was amper een parkeerplaats te krijgen. Na een korte wandeling ter plekke, en een Chouffe N’ice (winterbier-waarschijnlijk mijn laatste kans dit jaar) in de zon keerden we weer huiswaarts.

Het was pas 14.00. Ik had nog alle tijd. Weet je wat ik ga doen, dacht ik, ik ga mijn planten verpotten en onkruid wieden. En het grof vuil buiten zetten. Want dat is kutwerk als het slecht weer is. Maar leuk werk als het mooi weer is, vooral als je er af en toe tussendoor als beloning een pils bij kunt drinken op je balkon in de zon.

Nadat ik ongeveer 20 plantenbakken onkruidvrij had gewied en 6 zakken tuinafval had afgestort in de ondergrondse vuilcontainers in mijn straat, ging ik met de eerste beloning (een halve liter Basic-pils, 0,45 cent, niks mis mee) zitten op mijn balkon op het zuiden. Welk een weldaad. Ik droeg een joggingbroek en een grijs hemdje, en dat was genoeg. De kat nestelde zich tevreden op de rieten stoel naast me, en rekte zich uit. Niet om bruin te worden, neem ik aan, maar wel om zo veel mogelijk warmte te vangen.

Ik keek om me heen wat er zo al gebeurde in de buurt. Aan de overkant zat het Engels/Nederlandse stelletje dat vorig jaar hun achtergevel babyblauw had geschilderd, met hun pasgeboren dochtertje op hun dakterrasje op het Noorden. Ze hadden een zonnebundel van een meter breed. De man zat in de zon, zijn vrouw in de schaduw. De man zat iets te doen met zijn telefoon. Toen ie op een gegeven ogenblik opstond om binnen iets te doen, wellicht zijn telefoon opladen, ging de vrouw op zijn plek zitten. Ze las een tijdschrift. Toen de man weer terugkwam, bleef ze zitten, en ging de man weer naar binnen.
Ik was benieuwd hoe het verder zou gaan.
Dus ik bleef zitten.
Ondertussen was ik ook erg benieuwd naar hoe het verder ging met de Franse onderbuurvrouw van de overkant, die nu al een half uur bezig was met het zemen van 1 raam. Het was fascinerend om te zien. Ze stond op een trap, behandelde de boel voor met een fles glassex, wreef er daarna eindeloos over met een sponsje, en nam daarna het geheel af met een wisser, die ze om de veeg binnen ging afwassen. Ze had in het totaal 3 ramen, dus dat kon nog wel even gaan duren.
Ik vermaakte me prima, ik dronk mijn pils, rookte mijn elektronische sigaretten, en hoefde verder weinig te doen, behalve in de zon zitten en af en toe mijn Kamergotchi voeren op mijn telefoon.

Een uurtje vliedde voorbij. Ik haalde een nieuwe pils en zag hoe de Francaise niet tevreden was over haar gedane arbeid. Ze schudde met haar hoofd en deed het raam opnieuw.
Ik claimde 1620 punten (81% – de gezondheid van mijn Kamergotchi, maal 20 dagen – de leeftijd van mijn Kamergotchi) op mijn telefoon, en was verguld met mijn leven.

Een paar minuten later spitste de kat haar oren.
Ik volgde haar voorbeeld.
Ze had gelijk, er klonk het geluid van een krolse poes, ergens onder ons.
Mijn kat is ook een meisje, maar ook niet, ze is gesteriliseerd. Ze leek het geen fijn geluid te vinden. In ieder geval ging ze weg, naar binnen.
Ik nam nog een pils.
De vrouw aan de overkant had haar tijdschrift uit. Ze liep naar binnen. Haar man kwam 5 minuten later naar buiten. Met een pils.
Ze hadden inmiddels een bundel van 2 meter zon. De zon die iets meer naar het noorden was gedraaid.
Hij riep zijn vrouw: “Darling, your chair is also in the sun now!”
Ze kwam niet opdagen.
Hij haalde zijn schouders op en dronk zijn pils.

Ik keek weer naar beneden.
En zag hoe de Francaise moest niezen. Haar hele raam onder.
Ze kon weer opnieuw beginnen.

Kees van der Staaij meldde dat hij wel een snackje zou lusten.
Ik voerde hem.
Daarna verpotte ik de Thijm, en de Rozemarijn, maakte ik de bakken van de appelboompjes en het perzikboompje onkruidvrij, deed ik wat overleden Fuchsias in een vuilniszak, en liep ik maar weer eens met het tuinafval 4 trappen naar beneden.
Wat heb ik toch een goed leven dacht ik, toen ik weer terug was op het balkon, met mijn 4e halve liter.
De Francaise was met haar 2e raam bezig. Maar voortdurend liep ze terug naar haar eerste raam, om met haar nagel nog wat imaginaire korstjes weg te krabben.
Weer schudde ze met haar hoofd. En leek opnieuw haar eerste raam te willen gaan zemen. Het hele ritueel, zuchtend sleepte ze de trap er naartoe, waar een wankelende fles glassex vanaf flikkerde. De sluiting viel eraf, de glassex gulpte over haar tuintegels.
Ik spitste mijn oren om wat nieuw Fanse vloektermen te leren, maar die vielen niet.
Gelaten zeemde ze de Glassex over de tegels. Daarna pakte ze een bezem, en ging de tegels vegen.
Wat me niet handig leek, want die hele bezem waarschijnlijk onder de Glassex, terwijl ze daarvoor die wisser nog zo obsessief na elke wis had staan afwassen, maar wie ben ik, ik heb daar geen verstand van.

Ik besloot eens na te denken over het Leven. Dat doe ik altijd na 4 pils. Of na 1. Of na 20. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik best wel bang was voor de Dood. En vooral dat ik het ontzettend zonde zou vinden als ik dood zou gaan.
Want ik hou zo ontzettend veel van het leven, vond ik.
“Ja, maar”, zei dat andere stemmetje in me, dat er altijd is, dat kritische sceptische stemmetje.
En ik wist al wat hij wilde gaan zeggen: “Pils hijsen, kettingroken, Kamergotchi voeren, really?”
Er schoot me een songtekst te binnen. Of althans een zinsnede daaruit. Ik wist alleen niet meer hoe ie nu precies ging.
Ik riep L.
“Is het nou de time I have wasted having good times? Of is het…?”
“Het is ‘the good times I have wasted having good times'”, zei L., “van Eric Burdon”
“”Is dat een dichter?”
“Nee, eerder een muzikant.”
En zoals dat soms gaat, wist ik ook meteen van welke band: “Van de Animals!” riep ik.
“Ja, die.”
“Wat onlogisch eigenlijk”, zei ik, “ik vind ‘the time I have wasted having good times’, poetisch interessanter, want dat kan helemaal niet.”
“Juist wel”, zei L, “of niet, anyway, het gaat er om, dat die goeie tijden eigenlijk helemaal geen goeie tijden zijn.”

Ik voelde een discussie aankomen die ik 30 jaar geleden al had verloren van 2 vrouwen.
Mijn ex-vrouw en haar moeder.
Ik was nog in mijn tienerjaren. En erg in de ban van de vragen des Levens. Bijvoorbeeld wat het voor zin had.
Behoorlijk belangrijke vraag, dunkte mij. En ik wist het antwoord al, vond ik.
“O ja”, zei mijn schoonmoeder, “waar draait het om, in het Leven dan?”
“Om geluk, natuurlijk”, zei ik. Ik zei er nog net geen ‘duh’, achteraan, want dat bestond toen nog niet.
Mijn toenmalige vriendin, en huidige ex-vrouw rolde met haar ogen.
Haar moeder rolde harder.
Allebei slaakten ze een diepe zucht.
“Mannen”, zei mijn vriendin.
“Geluk bestaat niet eens”, zei haar moeder, “hooguit voor een moment, maar nooit permanent.”
‘Ja dames en heren, dat kon je toen nog allemaal gewoon zeggen, in die negatieve 20e eeuw’, zou ik nu bijna willen roepen, maar omdat ik er zo blij mee ben dat er toen tenminste nog uberhaupt zoiets realistisch als negativisme bestond, doe ik het niet.
Wel weet ik dat ik toen het idee heb opgevat dat het misschien weliswaar waar was dat puur en onversneden geluk een moment is, maar dat er ook zoiets bestaat als tevredenheid, en ook ongeluk, en ontevredenheid, en dat je zulks kunt uitzetten op een tijdsas, en dat je dan een geluksintegraal kunt berekenen. Voor de niet wiskundigen: de integraal is niets anders dan de oppervlakte onder de grafiek (en boven de nullijn). Hoe groter die oppervlakte, hoe beter. Mijn doel in het leven is het optimaliseren van die oppervlakte. Omdat te bereiken kun je bijvoorbeeld heel lang proberen te leven in relatieve tevredenheid, maar bereik je dezelfde oppervlakte door wat korter heel intens te leven.
“Het geeft niet hoor, maar je moet nog veel leren”, zei mijn schoonmoeder in spe.

Ik heb mijn idee over de gelukstintergraal al aan veel mensen proberen uit te leggen, maar het is me nog nooit gelukt.
Het hoeft ook niet.
Ik praktizeer het gewoon lekker zelf.
Heeft niemand last van.

De Francaise van de ramen heeft een kat. Een mannetje. Een kater. Hij hoorde ook het krolse gemauw. Hij ging op onderzoek uit. Onderweg kwam ie een duif tegen. Die heeft ie proberen te vangen. Niet gelukt.
Hij had de duif bijna. Maar net toen ie zijn klauwen in d’r vleugels wilde haken sprong ze een takje hoger.
En toen hij een takje omhoog klom, sprong de duif nog een takje hoger.
“Ja, kut”, zag ik hem denken, “ik kap ermee, waar is die krolse poes?”
Die krolse poes zat een tuin verder, om een schuurdak, en zag het allemaal aan.
“Total loser”, dacht ze, “daar ga ik mijn genen niet mee mengen.”

De kater liep terug naar huis. Naar de Francaise, die alle schoonmaakspullen aan het opruimen was. De ramen had ze niet afgekregen. Eigenlijk hoefde dat ook niet, het waren de schoonste ramen uit de buurt.
“Ja, kut”, zag ik de krolse poes denken, “daar gaat de enige vent hier uit de buurt, tijd voor plan B.”

En de krolse poes besloot zich te etaleren. Ze ging in het laatste streepje zon op het schuurdak tegenover de tuin van de Francaise liggen. En nam diverse verleidelijke poses aan. De kater zag het en keek ‘r aan. Er ontvouwde zich een staarwedstrijd. Ik heb er een foto van genomen:

Katten2
Uiteindelijk is de kater naar de poes toe gegaan. Niet in directe richting uiteraard, onderweg deed ie nog net een paar keer alsof ie achter een duif aanzat.
Maar ze hebben geneukt.

De Francaise schudde nog eens met haar hoofd voor de ramen
Maar haar kater keerde tevreden huiswaarts.
Samen liepen ze hun woning binnen.
“Ik zou wel een snackje lusten”, zal de kater waarschijnlijk hebben gezegd.
Met zijn geluksintegraal zit het wel goed, vermoed ik. Daar zorgen katten wel voor. Zo zijn ze.

Ik pikte de laatste zonnestraal mee, keek naar de kater, dronk de laatste teug uit mijn blik.
Yes, Lente.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s