Kettingzaag

“Na een storm heb ik een keer een omgevallen boom in mootjes moeten hakken. Aan het eind van de dag voelde ik me nuttiger dan na drie maanden in de studio” – Henny Vrienten, in de rubriek ‘Eindelijk weekend’ van het Volkskrantmagazine, gisteren.

Het is waar, hakken is leuk. En zinvol, zeker als je een houtkachel hebt, zoals ik sinds dit jaar. Omdat L. en ik ieder weekend gaan wandelen in het bos, ik daarnaast regelmatig hardloop in het Vondelpark en Rembrandtpark, en een batterij Poolse bouwvakkers bovendien de panden verderop in de straat aan het verbouwen is, heb ik in de afgelopen maanden een hoop losliggend (sloop)hout kunnen verzamelen. Genoeg om de gehele volgende winter ‘mijn wijf warm te stoken’ – voor de bron van die laatste quote (uit Man bijt Hond), (must see, kost je maar 1 minuut en 28 seconden) zie:

Voor de uitgebreide versie hiervan, waarin Eduard zelfs filosofen citeert: https://www.youtube.com/watch?v=s2JCmw4xsCs

Maar goed, genoeg hout dus om mijn wijf warm te stoken, alleen moest die voorraad stammen, takken en balken nog tot brandbare kacheleenheden worden verwerkt. En nu heb ik inderdaad een kloofbijltje. Een goeie zelfs, van het beste merk dat er is, Fiskars, maar je zit in de automatisering of je zit het niet, en ik dacht: dat moet makkelijker kunnen.

Dus kocht ik via internet een kettingzaag.

Via datzelfde internet deed ik wat vooronderzoek omtrent hoe dat kettingzagen nou eigenlijk in zijn werk ging.
“Koop een zaagbok”, ontdekte ik.
“Draag gehoor- en gezichtsbescherming” – eh, okay.
“Draag een zaagbroek” – pardon, een watte?
“En doe vooraf een degelijke cursus” – daar heb ik geen tijd voor gek, hoe moeilijk kan het zijn?

Ik heb een zaagbok gekocht. Geen idee wat het was, ik opteerde voor de goedkoopste. En rekende mijn winkelmandje af. Na 24 uur werd er aangebeld door een koerier van de internetfirma in kwestie, en die overhandigde me een pakket ter lengte van een lineaal, en ook ter dikte van een lineaal.
Het was een bouwpakket.
Een bouwpakket van 0,027 kubieke meter dat uiteindelijk ongeveer een kubieke meter moest gaan vullen. Inclusief ca 500 schroeven. Leuk hoor.
Het kostte me ongeveer een weekend om het geheel in elkaar te schroeven.
En erg stabiel was het resultaat niet bepaald, daar er 3 cruciale schroeven ontbraken. Die hiaten vulde ik voorlopig op met IKEA-houtjes. Universeel en altijd handig. Ik had een zaagbok!

Een week later kwam de kettingzaag. Ik nam aan dat dit geen bouwpakket zou zijn. En dat was het ook niet, maar toch weer wel. Zo was het zaagblad los geleverd, en de zaagketting ook.
Hoe nu?
Ik pakte de bijgeleverde handleiding tevoorschijn. 800 pagina’s dik. Ik zocht naar de rubriek ‘Nederlands’, goed voor zo’n 70 bladzijden.
Erg veel wijzer werd ik er niet van. De tekst bestond voornamelijk uit indekwaarschuwingen voor de leverancier in kwestie en bevatte meldingen uit de categorie “De magnetron is niet bedoeld om uw natte hondje in te drogen.”
“Ja, maar hoe zet ik nu dat zaagblad erop? En belangrijker: hoe krijg ik de ketting erom? En trouwens, de ketting zit in de knoop! Hoe krijg ik die uit de knoop!?”
Dat stond er allemaal niet in.
Er stond alleen: “Leg de ketting om het zaagblad”.
Ja maar, hoe dan?

Internet maar weer. Ons allerbeste vriend Google.
“Kettingzaag ketting uit de knoop halen”, typte ik in.

Maar dat heeft geen zin. Dat wist ik al van auto-vragen. Bij iets simpels als ‘band verwisselen’ kom je dan als eerste terecht op allerlei commerciele sites die banden verkopen, en zoom je in op de daaropvolgende particuliere fora, dan word je eerst wijsgemaakt dat je “betere spullen had moeten kopen”, en vervolgens lopen ze leeg op dusdanig ingewikkelde technische details dat ieder normaal mens afhaakt. Mensen met verstand van zaken op fora zitten er niet om mensen te helpen, maar enkel om hun eigen expertise zo detaillistisch mogelijk te etaleren, waarbij hun eigen bestaan het liefst onmisbaar wordt gemaakt, en je geacht wordt smekend verder te informeren naar hun oneindige wijsheid.
Zo ook bij deze kettingzaagvraag.

“Kettingzaag kopen? Kom naar:” – En dan www. en bedrijfsnaam. Kutcommercie, next!
“Zo haal je sieraden en kettingen uit de knoop:” – Sorry Google, maar dat bedoelde ik niet.
“Zelf zaag ik met een Stihl 250. (45 cc). Eerst had ik een Stihl 210. (35 cc) hiermee heb ik 3 jaar gezaagd. Nu zaag ik met een Stihl 250; ook een leuke machine. Heb hem aangeschaft omdat hier de standaard de breedte van het zaagblad op zat welke ik op de 230 groter had laten maken. Deze stihl is zelfstartend en zaagd – ook na een seisoen zagen- nog prima.
Wel heb ik bij al dat zagen last van de vele spijkers die in het hout zitten. Ook al probeer je het te voorkomen; spijkers raak je altijd. Het slijpen van mijn zaagkettingen doe ik zelf. Ik heb het mij met een theoretische handleiding zelf aangeleerd. Zie ookhttp://www.nl.jonsered.com/node309.aspx. Ik doe het met een ronde passende vijl (rattenstaart) onder een bepaalde hoek. Na verloop van tijd (ik schat zo 5-8 keer scherp maken) komt de kop van de slijpkant gelijk met de nok die er achter zit. Deze slijp ik dan met een kleine slijpschijf weg zodat ik nogmaals een keer of 5-8 mijn ketting scherp kan vijlen.
In het begin heb ik mijn kettingen (Oregon) wel eens weggebracht om ze scherp te laten maken. Dit slijpen gebeurd automatisch en dit heeft als effect dat de machine ingesteld word op de korste tand. Dit heeft tot gevolg dat er van de overigen veel te veel afgeslepen wordt en een dergelijke ketting een keer of 5 geslepen kan worden op die manier. Veel te weinig dus is mijn ervaring.”

Ok.

Toen ik verder googlede, ontdekte ik op een forum een comment van een arts. “Kettingzagen, doe het niet! Of doe eerst een cursus! Ik heb een keer een geval gehad, waarbij een patient zijn eigen hoofd had afgezaagd…”

Ok.

Misschien moest ik toch maar gewoon weer met mijn kloofbijltje aan de slag. Aan de andere kant: die kettingzaag had me 89 euro gekost. Er niets mee doen zou toch zonde zijn.
Ik trok mijn werkhandschoenen uit (Draag altijd uw werkhandschoenen als u met de ketting bezig bent – handleiding). En met grof geweld frotte ik de ketting in het gareel. Mijn vingers bloedden. Maakte me niet uit.
Met nog meer geweld ramde ik het zaagblad in de daartoe meest logische opening.
Het lukte niet.
Ik rukte aan een hendeltje in de buurt.
Toen lukte het wel.
Blijkbaar de een of andere vergrendeling, daar stond niets over in de handleiding.

Enfin. Ik behandelde het ding als een plug-and-play-apparaat, want ik wilde nu eindelijk wel eens zagen. HIEEEUW HIIIEEEEEW!!! was wat ik wilde nu de ketting op zijn plaats zat.
Ik checkte het apparaat op alle mogelijke vergrendelingen en schoof ze los.
Daarna stopte ik de stekker van het ding in een verlengsnoer en drukte op de trekker.
HIEEEEUW HIEEEEEEEUW!!! zei ie.
“We gaan godverdomme zagen, vriend!” zei ik tegen het apparaat, een Makita.

Het was mooi weder buiten. Zon, 15 graden, geen wolkje aan de lucht.
Ik plaatste mijn zaagbok op het dakterras.
Legde er een grote boomstam in.
Liet de Makita loeien.
“Je gaat eraan!” riep ik tegen de boomstam.
Maar hij verstond me niet, door de herrie.
O ja, gehoorbescherming, bedacht ik. En gezichtsbescherming.
Uit een van de laatjes in mijn apothekerskast, die met de brillen, plukte ik mijn Appelpopzonnebril tevoorschijn. Uit een andere mijn Appelpopoordopjes.
Daarna liet ik de Makita, zoals John Lennon het zou zeggen, ‘janken en springen.’
Letterlijk springen, in sommige gevallen, want bij dunne takken die niet goed in de zaagbok geklemd zitten, knalt die kettingzaag dus met een rotgang richting je gezicht, met de tak erbij, ontdekte ik.
Ik snapte opeens de comment van de arts.
Ook snapte ik waarom een cursus verstandig zou wezen.

Maar toch. Het helemaal zelf doen. Autarkie. Daar was het allemaal om begonnen.
Niks cursus.
Ik en mijn kettingzaag.
En verder niets.

Hout

Henny Vrienten had gelijk.
Ik voelde me na een half uurtje zagen al nuttiger dan na een maand kantoorarbeid.

Advertisements

Hinderlaag

Anderhalve maand geleden kreeg ik een mail van het detacheringsbedrijf waar ik voor werk. Het was geen dwingende mail. Of eigenlijk toch wel. Er zou een weekend worden georganiseerd voor onze nieuwe businessunit, die bestond uit een fusie van 4 oude, waarin we werden uitgenodigd om handen en voeten te geven aan ons transformatieproces.
“Het wordt heel gaaf!” schreef ons opperhoofd, “De codenaam van deze bijeenkomst is ‘PUSUHIM’. Het zou me enorm teleurstellen als je er niet bij bent.”

“Ja, kut”, zei ik tegen L., “ik moet zonder vergoeding een vrij weekend opofferen om samen te zijn met collega’s, en we moeten nog werk gaan verrichten ook.”
“Denk je dat je gaat?” vroeg L.
“Alleen als het in een kasteel is”, zei ik.

Een week later kwam de vervolgmail van ons opperhoofd: “De PUSUHIM-bijeenkomst zal plaatsvinden in kasteel Spelderholt te Beekbergen.”
Ik klikte op ‘aanmelden’.
Daarna probeerde ik te googlen wat PUSUHIM betekende. Het was zoiets als ‘hinderlaag’ in het Japans.
“Ja, kut”, zei ik tegen L., “ik ben de lul.”
“Wat?”
“Ik moet volgende maand zonder vergoeding een vrij weekend opofferen om samen te zijn met collega’s, en we moeten nog werk gaan verrichten ook.”
“Dat wordt vast heel leuk”, zei L.
“Ongetwijfeld”, zei ik.

Dit weekend was het zover.
Vrijdagmiddag ging ik met de trein naar Apeldoorn, waarna ik bus 91 nam richting Beekbergen. Vanaf bushalte de Smittenberg moest ik volgens 9292.nl nog 19 minuten lopen.
Het miezerde. Er was in de verste verte geen kasteel te zien.
Ik twijfelde. Aan de overkant ging over 5 minuten een bus 91 terug naar Apeldoorn.
Er stopte een auto.
Het was een meisje in een rode Mitsubishi. Ik herkende haar vaag.
“wil je meerijden”, vroeg ze
Huh? dacht ik
“Ik herkende je van de fabriekssluiting toen we samen in Vianen zaten”, verduidelijkte ze.
Het was een collega.
“Moet je ook naar kasteel Spelderholt”?”
“Nee, ik ga vissen, wat denk je zelf?” overwoog ik als antwoord, maar liet die gedachte snel varen en stapte in.

Samen met Bianca/Sophie/Geraldine, geen flauw idee hoe ze ook alweer heette, liep ik kasteel Spelderholt binnen waar we werden ontvangen door een stelletje debielen.
Letterlijk.
Het was een project, “je kent ons misschien wel van ‘Down met Johnny’, vertelde de manager van het kasteel, “wij werken hier met geestelijk gehandicapten.”
“Wat goed”, zei ik, terwijl naast ons een down-meisje met mijn jas in een oneindige loop was beland, omdat de kapstok vol was, en hij er niet meer bijpaste. Ze bleef maar om de kapstok heen drentelen.
“Leg hem anders maar op de grond”, zei ik.
“Dat is zonde”, zei het down-meisje, “het is een mooie jas, wilt u hem niet liever aanhouden?”
“Goed idee”, zei ik, en trok mijn jas weer aan. Toen het down-meisje wegliep, moffelde ik hem weg op de grond onder de andere jassen.
Nadat ik daarmee klaar was en opkeek, staarde ik recht in de snufferd van datzelfde meisje.
“Champagne?” vroeg ze.
“Wat een ontzettend goed idee”, zei ik.

Het was een zwaar weekend.
Mijn IT-collega’s waren voorspelbaar als altijd, en enkel geinteresseerd in wat voor lease-auto je uit het aanbodpalet had gekozen, en wat er te eten zou zijn.
Een buffet. Het is altijd een buffet. En altijd met veel vlees, wat groente voor het idee, en verder friet.
Zo ook nu.
Tevreden schepten mijn collega’s tot 5 maal toe hun borden vol. Ze dronken er cola bij.
Ze wilden fris blijven, want straks kwam er nog een avondlezing van een bedrijfseconomist met guru-status.

Ikzelf zat inmiddels stevig aan de rode wijn, die niet slecht was, en het downmeisje vulde me telkens gretig bij. Ik stelde mijn collega’s diepe levensvragen. Die neiging heb ik als ik drink. Die neiging heb ik altijd.

“Vind jij je werk nou echt leuk?” vroeg ik aan mijn buurman.
Hij antwoordde niet. En ook weer wel. Op de geijkte manier. “Ik zit bij Tennet en doe business-analyse, en ze hebben daar de scrum-methodiek op correcte wijze geimplementeerd, en verder hebben ze een goeie kantine, vooral de broodjes kip zijn lekker, en ik rij een Audi (hoop getallen, letters en overige specificaties erachteraan), en wat rij jij?”
“Een grote gele met chauffeur”, zei ik.
“Geel? Geel is niet goed voor je inruil, hoor! Daar vind je niemand voor. Ik zeg altijd maar zo: grijs. Met grijs..”
“De trein”, zei ik, “ik ben met de trein.”
“Je hebt geen lease!? Je gaat met de trein!?”
Ik lachte om zijn verbouwereerde gezicht.
“Nee, ja”, zei ik. En lachte nogmaals. Daarna herhaalde ik mijn vraag.
Mijn buurman antwoordde niet. Hij stortte zich op zijn kipkluifjes. En zijn frieten die hij tot het laatst had bewaard.

De lezing van de guru was vrij obligaat. Met een hoop vergelijkingen die iedere guru-ganger al duizend keer heeft gehoord. Zo liet hij een filmpje van een jazz-orkest zien, en vertelde hoe iedereen kon excelleren in zijn eigen rol, als de rest de soldide basis vormde.
Het publiek gaapte. Een enkeling liet een cola-boertje vliegen.
Ikzelf verheugde me op een verse rode wijn van het downmeisje.
Op een gegeven ogenblik riep de guru op tot herkenning van creativiteit.
“Zoals ze bij Google zeggen”, begon hij, waarop iedereen zijn oren spitste, “creativiteit is een product.”
Hij liet hem even inzinken.
“en dan niet alleen een product in de zin van een verkoopbare eenheid, maar vooral in de zin van wiskunde. Het is een vermenigvuldiging. Om creatieve personen te herkennen moet je volgens Google letten op 2 zaken.
Hij liet weer een stilte vallen.
Ja wat dan, wat dan, smachtte het publiek.
“Ten eerste: Stelt iemand diepe vragen. En dan bedoel ik echt diep. Vragen die gaan over het Leven.”
Ok.
“En ten tweede: Lacht iemand veel.”

Ik dacht: ik kan naar huis, ik ben klaar. Ik wenkte het downmeisje voor nog een rode wijn.
Van de rest van de avond weet ik weinig meer. Behalve dat ik op een gegeven moment nog piano heb gespeeld, wat ik vrij slecht kan, maar goed genoeg om niet totaal voor lul te staan, en verder dat ik aan een grote ronde statafel allemaal vrienden heb gemaakt, die ik me de volgende dag niet herinnerde. En dat ik nog meer diepe vragen heb gesteld en enorm heb gelachen om de antwoorden van mijn collega’s.
Wat ben ik toch creatief, dacht ik vergenoegd toen ik als 1 van de allerlaatsten in het allerlaatste taxibusje naar ons hotel stapte.

In het hotel moest ik slapen op een kamer met ‘mijn slapie’, zoals mijn unitmanager het eufimistisch had genoemd.
In een tweepersoonsbed met een collega.
Een man.
Een man van 2 meter lang met rugharen die groter en langer waren dan tarantula’s.
Zo zei mijn unitmanager het niet, maar zo stelde ik het me wel voor.
Maar ik had gedronken, ik was dapper, wat kon mij het schelen. Vol goede moed stapte ik de hotelkamer binnen. Daar stond het tweepersoonsbed.
Boven het dekbed piepte een bril uit, waarachter twee doodangstige oogjes, die zichtbaar daarvoor net in slaap waren geweest.
“Jij bent Stefan?” vroeg ik, want zo heette mijn slapie, had ik van mijn unitmanager begrepen.
“En jij bent Sven?” vroeg ie.
“Ja joh”, zei ik, “geen zorgen, “ik pak een pils uit mijn rugzak en ga gewoon even in het trappenhuis zitten roken enzo.”
Ik gaf hem een joviale knipoog.
“o.. ok-k-kay”, stotterde Stefan.
Ik was blij dat ik niet had gezegd: “Maak je geen zorgen, ik ga je niet in je hol naaien ofzo.”
Totaal onder controle, deze situatie, besefte ik, dat kwam natuurlijk doordat ik zo creatief was.

De volgende ochtend werd ik wakker.
Maar daarover een andere keer.
Nog 1 vraagje. Een diepe levensvraag. Het gaat over zo’n ding dat in iedere betere hotelkamer staat. En het zal vast onmisbaar zijn om in het Leven te kunnen functioneren, maar ik weet tot op de dag van vandaag niet waar het toe dient.

Continue reading

The good times I have wasted

De lente is vandaag begonnen. Het was nog geen rokjesdag, maar het was de dag waarop mensen voor het eerst weer uit hun winterholen kropen en op hun bordessen plaatsnamen.
Althans in Amsterdam.
Een daverende zonne, zou Guido Gezelle zeggen, of gewoon een magistraal stralende zon (Johnny van Doorn) maakte zijn meters in het babyblauwe hemelgewelf en toornde voor het eerst dit jaar overtuigend boven de 4-verdiepingswoningen uit en wierp met strelende handen zijn warmte uit over de eerste voorzichtig ontblote hoofdstedelijke ledematen op de balkons.
Althans over de mijne.

16 graden juichte de thermometer in de schaduw van mijn Sering. Ik wist wel wat ik ging doen. “Trek je slippers aan”, zei ik tegen L., “we gaan er op uit!”
Terwijl we onze portiek uitliepen kregen we een klets water in onze nek.
“Sorry”, klonk het van boven.
Het was de moeder van de buurvrouw van 1 hoog. Ze was het Franse balkonnetje van haar dochter aan het schrobben.
“Geen punt”, zei ik.
“Wat een weer, he?” zei ze, “echt prachtig, tijd voor een voorjaarsschoonmaakje. Wat gaan jullie doen? Zeker naar de bossen?”
“En een beetje in de schaduw lopen zeker, dikke lul, wij gaan naar het strand!” wilde ik terugroepen, maar dat deed ik niet. Ik antwoordde: “Ja, wij gaan naar de bossen.”
Als ik 1 ding heb geleerd in het leven, dan is het wel dat je maar het beste verwachtingen van mensen kunt beamen, zo beantwoord ik tegenwoordig ook steevast de vraag van buren “Feestje?” als ik met een treetje van 24 halve liters Basic-pils de portiek inloop met “ja, inderdaad”, in plaats van eerlijk te zeggen: “Nee, dat is voor mezelf, en in de auto staan nog 3 treetjes voor mezelf.”

Het was druk aan de kust. Er was amper een parkeerplaats te krijgen. Na een korte wandeling ter plekke, en een Chouffe N’ice (winterbier-waarschijnlijk mijn laatste kans dit jaar) in de zon keerden we weer huiswaarts.

Het was pas 14.00. Ik had nog alle tijd. Weet je wat ik ga doen, dacht ik, ik ga mijn planten verpotten en onkruid wieden. En het grof vuil buiten zetten. Want dat is kutwerk als het slecht weer is. Maar leuk werk als het mooi weer is, vooral als je er af en toe tussendoor als beloning een pils bij kunt drinken op je balkon in de zon.

Nadat ik ongeveer 20 plantenbakken onkruidvrij had gewied en 6 zakken tuinafval had afgestort in de ondergrondse vuilcontainers in mijn straat, ging ik met de eerste beloning (een halve liter Basic-pils, 0,45 cent, niks mis mee) zitten op mijn balkon op het zuiden. Welk een weldaad. Ik droeg een joggingbroek en een grijs hemdje, en dat was genoeg. De kat nestelde zich tevreden op de rieten stoel naast me, en rekte zich uit. Niet om bruin te worden, neem ik aan, maar wel om zo veel mogelijk warmte te vangen.

Ik keek om me heen wat er zo al gebeurde in de buurt. Aan de overkant zat het Engels/Nederlandse stelletje dat vorig jaar hun achtergevel babyblauw had geschilderd, met hun pasgeboren dochtertje op hun dakterrasje op het Noorden. Ze hadden een zonnebundel van een meter breed. De man zat in de zon, zijn vrouw in de schaduw. De man zat iets te doen met zijn telefoon. Toen ie op een gegeven ogenblik opstond om binnen iets te doen, wellicht zijn telefoon opladen, ging de vrouw op zijn plek zitten. Ze las een tijdschrift. Toen de man weer terugkwam, bleef ze zitten, en ging de man weer naar binnen.
Ik was benieuwd hoe het verder zou gaan.
Dus ik bleef zitten.
Ondertussen was ik ook erg benieuwd naar hoe het verder ging met de Franse onderbuurvrouw van de overkant, die nu al een half uur bezig was met het zemen van 1 raam. Het was fascinerend om te zien. Ze stond op een trap, behandelde de boel voor met een fles glassex, wreef er daarna eindeloos over met een sponsje, en nam daarna het geheel af met een wisser, die ze om de veeg binnen ging afwassen. Ze had in het totaal 3 ramen, dus dat kon nog wel even gaan duren.
Ik vermaakte me prima, ik dronk mijn pils, rookte mijn elektronische sigaretten, en hoefde verder weinig te doen, behalve in de zon zitten en af en toe mijn Kamergotchi voeren op mijn telefoon.

Een uurtje vliedde voorbij. Ik haalde een nieuwe pils en zag hoe de Francaise niet tevreden was over haar gedane arbeid. Ze schudde met haar hoofd en deed het raam opnieuw.
Ik claimde 1620 punten (81% – de gezondheid van mijn Kamergotchi, maal 20 dagen – de leeftijd van mijn Kamergotchi) op mijn telefoon, en was verguld met mijn leven.

Een paar minuten later spitste de kat haar oren.
Ik volgde haar voorbeeld.
Ze had gelijk, er klonk het geluid van een krolse poes, ergens onder ons.
Mijn kat is ook een meisje, maar ook niet, ze is gesteriliseerd. Ze leek het geen fijn geluid te vinden. In ieder geval ging ze weg, naar binnen.
Ik nam nog een pils.
De vrouw aan de overkant had haar tijdschrift uit. Ze liep naar binnen. Haar man kwam 5 minuten later naar buiten. Met een pils.
Ze hadden inmiddels een bundel van 2 meter zon. De zon die iets meer naar het noorden was gedraaid.
Hij riep zijn vrouw: “Darling, your chair is also in the sun now!”
Ze kwam niet opdagen.
Hij haalde zijn schouders op en dronk zijn pils.

Ik keek weer naar beneden.
En zag hoe de Francaise moest niezen. Haar hele raam onder.
Ze kon weer opnieuw beginnen.

Kees van der Staaij meldde dat hij wel een snackje zou lusten.
Ik voerde hem.
Daarna verpotte ik de Thijm, en de Rozemarijn, maakte ik de bakken van de appelboompjes en het perzikboompje onkruidvrij, deed ik wat overleden Fuchsias in een vuilniszak, en liep ik maar weer eens met het tuinafval 4 trappen naar beneden.
Wat heb ik toch een goed leven dacht ik, toen ik weer terug was op het balkon, met mijn 4e halve liter.
De Francaise was met haar 2e raam bezig. Maar voortdurend liep ze terug naar haar eerste raam, om met haar nagel nog wat imaginaire korstjes weg te krabben.
Weer schudde ze met haar hoofd. En leek opnieuw haar eerste raam te willen gaan zemen. Het hele ritueel, zuchtend sleepte ze de trap er naartoe, waar een wankelende fles glassex vanaf flikkerde. De sluiting viel eraf, de glassex gulpte over haar tuintegels.
Ik spitste mijn oren om wat nieuw Fanse vloektermen te leren, maar die vielen niet.
Gelaten zeemde ze de Glassex over de tegels. Daarna pakte ze een bezem, en ging de tegels vegen.
Wat me niet handig leek, want die hele bezem waarschijnlijk onder de Glassex, terwijl ze daarvoor die wisser nog zo obsessief na elke wis had staan afwassen, maar wie ben ik, ik heb daar geen verstand van.

Ik besloot eens na te denken over het Leven. Dat doe ik altijd na 4 pils. Of na 1. Of na 20. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik best wel bang was voor de Dood. En vooral dat ik het ontzettend zonde zou vinden als ik dood zou gaan.
Want ik hou zo ontzettend veel van het leven, vond ik.
“Ja, maar”, zei dat andere stemmetje in me, dat er altijd is, dat kritische sceptische stemmetje.
En ik wist al wat hij wilde gaan zeggen: “Pils hijsen, kettingroken, Kamergotchi voeren, really?”
Er schoot me een songtekst te binnen. Of althans een zinsnede daaruit. Ik wist alleen niet meer hoe ie nu precies ging.
Ik riep L.
“Is het nou de time I have wasted having good times? Of is het…?”
“Het is ‘the good times I have wasted having good times'”, zei L., “van Eric Burdon”
“”Is dat een dichter?”
“Nee, eerder een muzikant.”
En zoals dat soms gaat, wist ik ook meteen van welke band: “Van de Animals!” riep ik.
“Ja, die.”
“Wat onlogisch eigenlijk”, zei ik, “ik vind ‘the time I have wasted having good times’, poetisch interessanter, want dat kan helemaal niet.”
“Juist wel”, zei L, “of niet, anyway, het gaat er om, dat die goeie tijden eigenlijk helemaal geen goeie tijden zijn.”

Ik voelde een discussie aankomen die ik 30 jaar geleden al had verloren van 2 vrouwen.
Mijn ex-vrouw en haar moeder.
Ik was nog in mijn tienerjaren. En erg in de ban van de vragen des Levens. Bijvoorbeeld wat het voor zin had.
Behoorlijk belangrijke vraag, dunkte mij. En ik wist het antwoord al, vond ik.
“O ja”, zei mijn schoonmoeder, “waar draait het om, in het Leven dan?”
“Om geluk, natuurlijk”, zei ik. Ik zei er nog net geen ‘duh’, achteraan, want dat bestond toen nog niet.
Mijn toenmalige vriendin, en huidige ex-vrouw rolde met haar ogen.
Haar moeder rolde harder.
Allebei slaakten ze een diepe zucht.
“Mannen”, zei mijn vriendin.
“Geluk bestaat niet eens”, zei haar moeder, “hooguit voor een moment, maar nooit permanent.”
‘Ja dames en heren, dat kon je toen nog allemaal gewoon zeggen, in die negatieve 20e eeuw’, zou ik nu bijna willen roepen, maar omdat ik er zo blij mee ben dat er toen tenminste nog uberhaupt zoiets realistisch als negativisme bestond, doe ik het niet.
Wel weet ik dat ik toen het idee heb opgevat dat het misschien weliswaar waar was dat puur en onversneden geluk een moment is, maar dat er ook zoiets bestaat als tevredenheid, en ook ongeluk, en ontevredenheid, en dat je zulks kunt uitzetten op een tijdsas, en dat je dan een geluksintegraal kunt berekenen. Voor de niet wiskundigen: de integraal is niets anders dan de oppervlakte onder de grafiek (en boven de nullijn). Hoe groter die oppervlakte, hoe beter. Mijn doel in het leven is het optimaliseren van die oppervlakte. Omdat te bereiken kun je bijvoorbeeld heel lang proberen te leven in relatieve tevredenheid, maar bereik je dezelfde oppervlakte door wat korter heel intens te leven.
“Het geeft niet hoor, maar je moet nog veel leren”, zei mijn schoonmoeder in spe.

Ik heb mijn idee over de gelukstintergraal al aan veel mensen proberen uit te leggen, maar het is me nog nooit gelukt.
Het hoeft ook niet.
Ik praktizeer het gewoon lekker zelf.
Heeft niemand last van.

De Francaise van de ramen heeft een kat. Een mannetje. Een kater. Hij hoorde ook het krolse gemauw. Hij ging op onderzoek uit. Onderweg kwam ie een duif tegen. Die heeft ie proberen te vangen. Niet gelukt.
Hij had de duif bijna. Maar net toen ie zijn klauwen in d’r vleugels wilde haken sprong ze een takje hoger.
En toen hij een takje omhoog klom, sprong de duif nog een takje hoger.
“Ja, kut”, zag ik hem denken, “ik kap ermee, waar is die krolse poes?”
Die krolse poes zat een tuin verder, om een schuurdak, en zag het allemaal aan.
“Total loser”, dacht ze, “daar ga ik mijn genen niet mee mengen.”

De kater liep terug naar huis. Naar de Francaise, die alle schoonmaakspullen aan het opruimen was. De ramen had ze niet afgekregen. Eigenlijk hoefde dat ook niet, het waren de schoonste ramen uit de buurt.
“Ja, kut”, zag ik de krolse poes denken, “daar gaat de enige vent hier uit de buurt, tijd voor plan B.”

En de krolse poes besloot zich te etaleren. Ze ging in het laatste streepje zon op het schuurdak tegenover de tuin van de Francaise liggen. En nam diverse verleidelijke poses aan. De kater zag het en keek ‘r aan. Er ontvouwde zich een staarwedstrijd. Ik heb er een foto van genomen:

Katten2
Uiteindelijk is de kater naar de poes toe gegaan. Niet in directe richting uiteraard, onderweg deed ie nog net een paar keer alsof ie achter een duif aanzat.
Maar ze hebben geneukt.

De Francaise schudde nog eens met haar hoofd voor de ramen
Maar haar kater keerde tevreden huiswaarts.
Samen liepen ze hun woning binnen.
“Ik zou wel een snackje lusten”, zal de kater waarschijnlijk hebben gezegd.
Met zijn geluksintegraal zit het wel goed, vermoed ik. Daar zorgen katten wel voor. Zo zijn ze.

Ik pikte de laatste zonnestraal mee, keek naar de kater, dronk de laatste teug uit mijn blik.
Yes, Lente.

ANWB

Op een vrijdagochtend reden L. en ik de Wilhelminastraat in Amsterdam uit, met het plan om zoals iedere week boodschappen te doen bij onze favoriete Albert Heijn in Zaandam, omdat ze daar altijd van die lekkere hapjes hebben.
Er kokkerelt daar bijvoorbeeld een Surinaamse vrouw die laffe bloemkoolsoep kan laten smaken als een handgranaat van kaviaar die in je mond explodeert.
“Ik ben benieuwd wat ze vandaag heeft gemaakt”, zei ik.
“Ik ook”, zei L., “maar wat is dat voor raar geluid?”
Ze doelde op het knarsende aanloopgeluid van het rechtervoorwiel van onze turquoise Citroen Picasso (die we Roanne noemen, naar ons favoriete gelijkkleurige riviertje in Frankrijk).
“Geen idee”, zei ik.
“Kan dat geen kwaad?” vroeg L.
“Weetikveel”, zei ik, “doe voor de zekerheid je gordel maar even om.”
En ik reed door.
In de Albert Heijn had de Surinaamse vrouw iets vegetarisch met rijst gebakken dat smaakte naar een varken aan het spit met een appel in zijn bek. Subliem.

Twee weken later begon het geluid steeds harder te klinken. Het klonk allang niet meer als een LP waarin met een koevoet een dwarse groef was gebeiteld, maar eerder als een snipverkouden stoomlocomotief, die zich kuchend en rochelend voortsleepte over een hobbelig railstelsel.
“Moet je er niet mee naar de garage?” vroeg L.
“Ik denk het wel”, zei ik, “ik ga binnenkort, denk ik, ben je ook benieuwd naar wat ze nu weer heeft gekookt?”

De zaterdag daarna was ik op weg naar de Wognummerstraat om 8 zakken Makkelijke Moestuinmix (waarover later ooit meer) op te halen bij een dealer in Amsterdam Noord.
L. was niet mee.
Her rechtervoorwiel roerde zich nog altijd behoorlijk. Maar ik was er inmiddels aan gewend geraakt. Ik maakte me niet te sappel.
Met ruim 100 kilomter per uur snelde ik over de A10.
En toen, opeens, ging het ritmische knarsen over in een heftig ratelen.
‘Dit klinkt niet goed’, dacht ik, en zette me schrap.
2 seconden later klonk er een enorme knal en werd mijn auto met een ferme ruk naar rechts getrokken.
‘Klapband’, besefte ik.
“Qu’ est-ce que tu fait, Roanne!” riep ik.
Zo goed en zo kwaad als het ging manoevreerde ik de auto naar de vluchtstrook.
Het regende.
Ik wist dat het nu het veiligst was om uit de auto te stappen en over de vangrail heen te klimmen.
Maar het regende.
In de auto belde ik Rene, de dealer van de Makkelijke Moestuinmix, waarmee ik om half 11 had afgesproken.
“Het wordt iets later”, zei ik, “ik sta met een klapband op de A10 Noord. Ik ga zo de ANWB bellen.”
“Dat heeft geen zin”, zei Rene, “je moet 112 bellen als je op de snelweg staat, die halen je er gratis vanaf.”

Rene had gelijk.

Ruim een half uur later werd ik met Roanne en al door een takelwagen afgezet bij de Total Kadoelen in Landsmeer/Kadoelen.
Aldaar belde ik de ANWB.
Keuzemenu, ik meteen bang, want ik weet precies hoe dat gaat met keuzemenu’s, dan moet je eerst van allerlei nummers intypen; kenteken, lidmaatschap, geboortedatum, etc, je kent het wel, zodat ze je beter van dienst kunnen zijn, en als je dan daadwerkelijk iemand aan de lijn krijgt, moet je alsnog je lidmaatschapnummer en de hele rataplan opnieuw opratelen.
Maar nee, ik kreeg na een zeer kort keuzemenu, bijna nog korter dan dat van 112 (want die hebben er ook 1, serieus) direct iemand aan de lijn!
De ANWB was nu al mijn beste vriend, vond ik.
De vrouw aan de lijn was nog empatisch op de koop toe.
“Heeft u zelf een reservewiel?” vroeg ze na me gecondoleerd te hebben met het overlijden van mijn band.
“Geen idee”, zei ik.
“Kunt u misschien even kijken?”
“Het regent”, zei ik.
“Wat vervelend voor u, hier is het nog droog, maar kunt u toch even kijken?”
“Momentje”, zei ik, en liep de auto uit.
Ik keek onder de auto: niets.
Ik opende de achterbak: die zat barstensvol met allerlei soorten goederen, ik schoof ze zoveel mogelijk opzij, op zoek naar een of ander geheim luik. Ik zag enkel een schroef. Het was echter een grote schroef en die zag er veelbelovend uit.
“Momentje nog”, zei ik tegen de ANWB-vrouw, “ik pak even het instructieboekje.”
In het instructieboekje ontdekte ik dat ik de schroef inderdaad leidde naar het reservewiel. Maar om de schroef los te draaien diende ik de achterkant van een sleutel te gebruiken die opgeborgen zat in een geheim luik achter de passagiersstoel.
Wat ontzettend handig toch weer, dacht ik, wat enorm praktisch, welk 1 prachtig staaltje Frans vernuft, en ik ging op zoek naar het geheime luik achter de passagiersstoel, waarvan ik vermoedde dat het er niet zou zijn.
Maar het was er wel!
Nadat ik al mijn verzamelde hout uit het bos (voor mijn houtkacheltje) en alle lege koffiebekers uit de auto had gehaald kon ik het openen.
En tot mijn grote verbazing zat er nog een sleutel in ook.
“Momentje nog”, herhaalde ik tegen de ANWB-vrouw.
“Neem uw tijd”, gaapte ze.
Na veel wrikken met de achterkant van de sleutel in de schroef, donderde er eindelijk iets onder de auto vandaan. Het was een stellage. Een stellage waarin perfect een reservewiel zou passen.
Deze stellage echter, was leeg.
“Neen”, zei ik tegen de ANWB-vrouw, “geen reservewiel.”
“Dan gaat het iets langer duren”, zei de vrouw, “want dan moet ik de monteur eerst langs een steunpunt sturen om een wiel op te halen.”
“Geen probleem”, zei ik.

Ik liep de Totalshop in,naar de koffieautomaat. Latte Machiatto was 2.30 las ik op het display. Ik checkte mijn kleingeld. Ik had 2.30 gepast, en wierp het in de automaat.
‘Cash buiten werking’, meldde de automaat.
Ik drukte op ‘teruggeven’.
‘Gepast betalen’, antwoordde de automaat.
“Godverdomme”, zei ik.
“Met pin kan het wel”, zei de Totalshopmevrouw vanachter haar ruit.
“Ja, maar”, wilde ik zeggen, maar ik zag vanuit mijn ooghoeken een ANWB-auto het tankstationterrein oprijden, dus ik liep snel naar buiten.

Uit de ANWB-auto kwam een olijke vijftiger aangebeend.
“Johan”, stelde hij zichzelf voor.
“Sven”, zei ik.
Johan nam Roanne onder de loep.
“Ik zie het al”, zei hij, “een gebroken rechtervoorveer”.
“En een lekke band”, zei ik.
“Ja”, zei Johan, “de veer is recht door je band heengeschoten. Wat een pech. Maar dat heb je met Franse auto’s. Heb je een reservewiel?”
“Volgens mij niet”, zei ik.
“Heb je het geheime luik gecheckt?” vroeg Johan.
“Welke bedoel je, die achter de passagiersstoel?”
“Ik kijk zelf wel even”, zei Johan.
Johan liep naar mijn achterbak.

“Kijk aan! Wat hebben we hier! Wat is dat in godsnaam!?”
Johan wees naar mijn hoedenplank.
“Een A3 printer”, zei ik, “doet het nog prima. Een echte Brother. Interesse? 30 euro.”
“En wat is dit?”
Johan wees naar de 12 sixpacks Brand bockbier.
“Dat was in de aanbieding bij de Albert Heijn”, zei ik.
Johan gaf me een knipoog, “natuurlijk”, zei ie.
Hoofdschuddend keek ie vervolgens naar mijn picknickkleden, mijn regenjassen en fleecetruien, mijn vele paren bergschoenen, skates en schaatsen, het designstoeltje, de voorraad hout, de boeken, de..
“Ik woon in Amsterdam”, verklaarde ik, “ik heb weinig opslagruimte, mijn auto is..”
“Ik begrijp het”, zei ie, met een weinig begrijpende blik, “ik zie dat je de schroef al hebt losgekregen?”
“Ja”, zei ik, “met de sleutel uit het geheime luik.”
“Heel goed.”
Johan keek onder de auto.
“Maar er hangt niets in! Geen wiel!”
“Nee”, zei ik, “dat had ik ook al geconstateerd.”
“Dan ben je flink genaaid”, zei Johan.
“Hij was niet duur”, zei ik, “de auto”.
“Dat mag ik hopen voor je”, zei Johan, “enfin, ik moet nu eerst naar een steunpunt, om een wiel te halen.”
“Geen probleem”, zei ik opnieuw.

Dus daar stond ik, in de regen. Bij het Total-tankstation Kadoelen. Terwijl Johan naar Ilperdam of iets dergelijks reed, naar zijn steunpunt. Mijn auto stond op een krik. Zonder rechtervoorwiel. Zonder rechtervoorveer.
Ik dacht: ik ga even koffie halen. Met mijn pinpas.
Maar dat was buiten de boedelbakhuurders gerekend.
Terwijl ik aanstalten maakte om me wederom naar de Totalshop te begeven, werd ik aangehouden door een norse man met een snor en een bomberjack.
“Is die Pacasso van jou?”
“Die blauwe?” vroeg ik.
“Ja, welke anders, mongool! Je staat in de weg, maat. Ik moet mijn boedelbak daar kwijt.”
“Er zijn nog 4 plekken vrij, daarnaast!”
“Ja, maar ik heb dat nummertje.”
“Ik kan geen kant op, sorry, ik heb een lekke band.”
“Dat is niet mijn probleem.”
“Dat kan zijn, maar ik kan geen kant op. Ik wacht op de ANWB.”
“Dat kan me niet schelen, jij gaat nu gewoon die auto verplaatsen.”
“Je ziet toch dat dat niet kan! Hij staat op een krik! Hij heeft een lekke band en een gesprongen veer!”
“Dat is niet mijn probleem.”
“Sorry, ik kan je niet helpen. Ik moet echt wachten op de ANWB. Sorry van je nummertje.”
De man met de snor en het bomberjack liep naar zijn zoontje toe en zei: “We zullen moeten wachten topper, omdat die vervelende meneer daar zijn zaakjes niet op orde heeft. Door dat soort mensen gaat ons land naar de kloten. Kijk maar eens goed.”
Ik was blij dat ik geen Marokkaan was. Ik zwaaide naar het zoontje.
Hij zwaaide niet terug.
Ik haalde alsnog koffie.

Terwijl ik met mijn koffie in de auto zat kwam de volgende man aankloppen. Of ik mijn auto kon weghalen. Want ik stond op het nummertje van zijn boedelbak.
“Dat lijkt me sterk”, zei ik, “want die is van iemand anders die ‘m net op nr 2 heeft neergezet, en dit is nr 4.”
“Maar ik heb nr 4”, zei de man.
“Nr 1,3 en 5 zijn nog vrij”, zei ik, “zet ‘m gewoon daar neer. Ik denk niet dat iemand dat erg vindt.”
Hij aarzelde. En bleef staan wachten in de regen. Hij zag er Marokkaans uit.
We waren allebei blij toen Johan eindelijk arriveerde.