Oom Jan

De allereerste herinering uit mijn leven die ik heb dateert uit de zomer van 1971. Ik was toen net 2. Sommigen van jullie zullen nu denken: Maar Pluk, dat kan helemaal niet, herinneringen ontstaan pas veel later in je leven, dat is wetenschappelijk aangetoond.
En dan moet ik toegeven: het grootste gedeelte van mijn leven tot nu toe, was dat inderdaad wetenschappelijk zo. Dat je je pas dingen zou kunnen herinneren van na pakweg je 4e levensjaar.

Maar sinds een jaar of 6 kan het in 1 keer wel (http://www.nu.nl/wetenschap/2512310/eerste-herinnering-ontstaat-tweede-levensjaar.html), zoals dat wel vaker gaat in de wetenschap, en kunnen zowel jullie als ikzelf dus met gerust hart geloven dat ik mijn eerste herinnering niet uit mijn duim heb gezogen.

Mijn eerste herinnering gaat als volgt:
Het is mistig, neveldampen trekken over het grasveld waarop ik wankele stapjes zet. Ik ben zojuist in de Zwitserse Alpen uit een klamme verzameling linnendoeken gevlucht die mijn ouders een ‘bungalow’-tent noemen. Ik ben op een missie naar warmte, en ik weet intuitief waar die te vinden. Nee, niet bij mijn moeder, want die is zwanger van mijn zusje en die mag ik niet lastig vallen, en ook niet bij mijn jonge tantes, want die hebben gisteren nog flessen water over mijn enkels gekegeld (dat noemden ze een ‘spel’; ‘flesje boem’, ik vond het leuk, maar nu even niet), ik moest het hogerop zoeken, bij de oudere mensen. Want die hadden verstand van warmte, wist ik. Mijn Oma bijvoorbeeld, die had het altijd koud, maar die sliep ook in een tent, de sukkelares, dus daar had ik niets aan, nee, ik moest bij haar broer wezen: Oom Jan.

Oom Jan was een slimme vogel, wist ik, Oom Jan sliep niet in een tent, maar in een soort bolle auto, een witte met een fornuis en een echt bed erin.
En hij had een dikke vrouw die aan de lopende band warme chocolademelk maakte op dat fornuis. Ja, Oom Jan vond ik voorwaar een slimme vogel.
In mijn eerste herinnering zie ik mezelf op het ijzeren opstaprekje staan, de deur openmaken, en mijn blik werpen op het vlagele fornuis waaraan Tante Hanny in een pan stond te roeren.Oom Jan zat binnen op een bankje met echte kussens in zijn onderbroek de krant te lezen. Het AD waarschijnlijk, maar dat kon ik niet zien, want ik kon nog niet lezen.
“Sven!” riep ie, “jij komt vast voor een lekkere mok chocolademelk! Met slagroom?”
“Oom Jan!”, zei ik, “Ja, chocolademelk inderdaad, en slagroom, waarom niet? Maar vooral wil ik later ook een caravan.”

Ik was een materialistisch ventje in mijn jonge jaren.
Een beroemde anekdote binnen onze familie gaat als volgt (ik herinner me die overigens niet): Oom Jan, neemt een foto.
Ik, nog altijd 2 jaar oud, zeg: “dat is een mooi fototoestel”
“Ja, een echte Olympus”, zegt Oom Jan, met telelens, en..”
Ik knikte volgens de overlevering en onderbrak ‘m: “Wanneer gaat u dood?”

Vonden ze geweldig binnen mijn familie. Oom Jan op kop. Heel mijn jeugd heeft mijn familie tegen elkaar gezegd: “Die Sven, die wordt later waarschijnlijk heel rijk.”
Toen ik hoge cijfers haalde op school wisten ze het zeker: “rijk genoeg om een huis met een zwembad te kopen, en dan kunnen wij daar met de familie op vakantie.”
Heel mijn jeugd moeten horen.
Op mijn 16e hing ik verkiezingsposters voor mijn jongerskamerramen met CPN erop (Communistische Partij Nederland).
Toen begonnen ze te twijfelen.
Daarna werd ik muzikant, en nog iets later dichter.
Over het huis met het zwembad hebben ze nooit meer gerept.

Dat ik op mijn 18e naar Amsterdam verhuisde vond Oom Jan als ras-Rotterdammer maar niks.
“Wat moet je daar de hele dag doen?” vroeg hij, “lanterfanten zeker, net als al die andere Amsterdammers?”
“Dat valt wel mee”, zei ik.
“Ach, maak me toch niets wijs”, zei Oom Jan, “als ik voor mijn werk naar Amsterdam moet, en het is mooi weer, dan zitten alle parken en terrassen daar al halverwege de middag stampvol. En dan kom ik ‘s avonds terug in Rotterdam, en dan is daar iedereen nog gewoon aan het werk.”
“Ja, met mooi weer”, stamelde ik.
“En met slecht weer ook”, zei Oom Jan, “alleen zitten jullie Amsterdammers dan allemaal in die coffeeshops van jullie, die hasjholen, en lurken jullie uitgeteld aan van die dingen, hoe noemen jullie dat, jointjes.”
“Ja, met slecht weer”, mompelde ik.
“Dus jullie werken nooit!”
“Jawel”, verdedigde ik onze Hoofdstad, “met normaal weer.”
“Maar het is nooit normaal weer!” riep Oom Jan.
“Ga je Amsterdam nu ook al de schuld geven van het weer?” zei ik.

“Wanneer gaat u dood?”
In 2017 dus. Vrij recent. Ik was graag bij de begrafenis geweest. Maar ik kon niet. Ik kon echt niet. Mijn Amterdamse studievrienden zouden langskomen voor een reuni bij mij thuis. In november 2016 hadden we na eindeloos agenda’s vergelijken eindelijk een beschikbare datum gevonden.
De ironie wil dat we elkaar na onze studie alleen nog maar zagen bij begrafenissen van onze ouders. “Dat moeten we anders doen”, hadden we tijdens de laatste begrafenis besloten; “we moeten een datum prikken zodat we elkaar eens tijdens een vrolijker moment kunnen spreken.”
Ik durfde mijn studievrienden niet op het allerlaatst af te appen met de mededeling: “Sorry jongens, het gaat niet door, ik heb een begrafenis.”

Maar jammer vond ik het wel. Ik laat niet graag een begrafenis schieten. Ik ben een van de zeldzame mensen die begrafenissen geweldig vindt. Niet de aanleiding uiteraard, maar wel de gebeurtenis. Of om precies te zijn: de plechtigheid vooraf; de kerk/herdenkings-dienst waarop de allerdierbaarsten van de overledene hun herinneringen ophalen.

De donderdag na de begrafenis van Oom Jan belde ik, zoals iedere donderdag mijn moeder (nog steeds! zie het allereerste stukje op plukdenacht
(https://plukdenachtblog.wordpress.com/2005/03/11/telefoon/) voor de trouwe lezers).
“Hoe was het met de jongens?” vroeg mijn moeder.
“Ja goed”, zei ik, “hoe was de begrafenis van oom Jan?”
“Mooi”, zei mijn moeder.
“Ik vond het jammer dat ik er niet bij kon zijn”, zei ik.
“Ja, ik weet hoeveel je van begrafenissen houdt”, zei mijn moeder, “maar geen probleem, je hebt tegenwoordig kerkdienstgemist.nl”
“Echt?” vroeg ik hoopvol, “je houdt me niet voor de gek?”
“Wacht, ik stuur je de link door”, zei mijn moeder.
https://kerkdienstgemist.nl/assets/1384060-Rouwdienst#.WKogcW8rLIV”, zei mijn telefoon
“Geweldig!” riep ik, “niks verklappen! We bellen volgende week!”
“volgende week zit ik in Lapland”, zei mijn moeder.
“Verrek, da’s waar”, zei ik, “Goeie reis!”
“Dank je.”

Gisteren was het zo ver. In mijn glazen opbouw met uitzicht op de Oude Wester, copy-paste ik de link die mijn moeder had doorgestuurd op het scherm van mijn laptop.
Grote pils erbij, 3 volledig opgeladen elektronische sigaretten.
“Die Sven is een slimme vogel”, hoorde ik Oom Jan in de hemel denken.

1.32.45 duurt de uitzending. Ik heb hem van begin tot eind beluisterd. Elke seconde. Er is alleen geluid. In de eerste 10 minuten hoor je alleen maar ruis en gestommel van mensen die de kerk betreden. Daarna begint, verschrikkelijk vals, een kerkorgel spelen, en wordt waarschijnlijk de kist binnen gedragen.
Ik vond het geweldig.
Het was net alsof ik in de kerk zelve zat, maar dan comfortabeler. Oprechter. Meer mezelf. Ik kon nu echt luisteren, zonder me druk te maken over hoe lang het zou duren, wanneer ik zou kunnen roken, of het vol zou zijn na afloop bij de WC’s, en of er tijdens de condoleance wel drank zou worden geschonken.
Ik kon gefocussed luisteren naar wie Oom Jan in de ogen van zijn naasten was geweest.
Een fantastische vader, natuurlijk.
Een geweldige Opa, uiteraard.
Een Godsdienend mens, o ja joh?
Een elektricien die noest arbeidde, wist ik toch.
Een perfectionistische man, een eigenwijze man, een onrustige man. Allemaal waar.
Een goede man. Absoluut.
Na ca 3 kwartier komt Oom Jans weduwe, Bep aan het woord. Zijn 2e vrouw, nadat tante Hanny al tamelijk jong aan kanker was overleden.
Bep heeft live megemaakt hoe Oom Jan dood ging.
Dat vond ik wel bijzonder. Hoe ze dat moment in haar speech uitvergrootte.
Bijzonder is het goede woord niet. Want het was niets bijzonders, dat doodgaan. Niets onverwachts, eerder iets onafwendbaars.
Als een geboorte eigenlijk.
Mensen nemen dat op, filmen dat, geboortes. Niemand zal dat willen zien, behalve later het kind zelf misschien, en/of de (groot)ouders.

Toch vond ik het fascinerend. Bep nam de tijd om van seconde tot seconde te vertellen hoe Oom Jan was gestorven.
Misschien lag het aan de grote pils, misschien ligt het aan mijn preoccupatie met de dood, maar ik vond het mooi om de getuigenis van het verglijden van moment tot moment te mogen meebeleven.
Ik ben namelijk enorm nieuwsgierig wat er dan gebeurt.
Jules Deelder, om maar eens een andere Rotterdammer te noemen, vertelde laatst in een interview dat ie niet twijfelde aan een leven na de dood.
“Wie daaraan twijfelt heeft nog nooit een trip gehad, daarin zie je het meteen.”
George Harisson zag na zijn eerste trip God in elk grassprietje, naar eigen zeggen, maar dat vind ik op de een of ander manier minder overtuigend.
Anyhow, mijn nieuwsgierigheid blijft.
En hoop.
Hoop vooral.

Wat ik wel weet is, mocht er inderdaad een hemel zijn, dat ik dan linea recta naar Oom Jan ga.
Ik durf namelijk te wedden dat..
Ja nee, dat kan niet anders.
Wie zoek je?
Oom Jan!
Wie?
Die man met dat huis met dat zwembad.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s