Uiterlijk

Ik ben iemand die niet erg lief is voor zijn uiterlijk. Zo heb ik bijvoorbeeld een belachelijk kapsel, voor zover je het uberhaupt een kapsel kunt noemen. Op een veelgelezen whitetrash (mag ik dat zo zeggen? misschien niet) gedichtensite, is het door een onbelezen wannebe dichter met een grote bek eens beeldend getroffen middels de woordschets: “zijn nekharen over zijn schedel gekamd”.
Geef toe, dat klinkt als een next level comb over 8.0.

Mijn beste vrienden proberen me dan ook geregeld tegen mezelf te beschermen door me dronken te voeren en me daarna aan mijn nekharen richting een kapper te sleuren met de woorden: “laat het toch afscheren, man, je loopt voor lul!”
Waarop ik dan altijd iets mompel van : “Ali B. heeft ooit eens gezegd van: “als artiest maakt niet uit wat voor kapsel je hebt, als het maar bijzonder is, en in ieder geval niet normaal.”
“Je bent geen artiest, Sven.”
“Ik ben een dichter”
“Je bent geen dichter, je werkt bij een bank, sukkel, een bank! Je loopt voor lul!”
“L. wil niet hebben dat ik het afscheer, dan vindt ze me een nazi”, piep ik dan meestal als uiterste verweer.
Waarop zij dan zeggen: “Je laat je leven toch niet bepalen door een wijf, homo!”
En daarna laten ze me los, lopen we terug naar de kroeg, trek ik mijn nekharen weer over mijn schedel en drinken we een pils.
Het zijn fijne vrienden. Met een diep ontzag voor vrouwen.

Nee, ik ben niet lief voor mijn uiterlijk. Mijn lievelingskleur qua kleding is gebroken wit. Maak daar smoezelig wit van. Beige met hier en daar een uitgewreven as- of koffievlek. Of een uitgelopen wijnvlek, of mijn lievelings: opgedroogd bloed. Dan voel ik me een beetje Jezus. Een van mijn grootste hobbies is sowieso al mezelf mijmerend verliezen in zelfmedelijden, en een gebroken wit gewaad met bloedvlekken voelt dan als een uitstekende kledingkeuze.
Ik heb zes truien. Een blauwe, een grijze (allebei voor mijn werk), en 4 gebroken witte. Allevier met gaten. Allevier met vlekken. Ik was ze zelden tot nooit.
Maar ik durf ze ook nooit aan te trekken. Niet in het openbaar althans. Alleen als ik thuis ben. Of ergens naartoe ga waar niemand me kent. Een beetje zoals de kennis van mijn moeder, een boom van een vent, die het liefst een vrouw zou zijn. Hij kleedt zich thuis om in KLM-blauwe uniforms van stewardessen en soms in roze petticoats met hakken eronder.
Niemand mag het weten.
En ik heb mijn lompen.

Ik kan het wel, er goed uitzien.
Soms, als ik een intake-gesprek heb voor een nieuwe opdracht bij weer een nieuwe bank, dan laat ik L. mijn haren in een yuppenkapsel knippen. En dan trek ik een pak aan. En dan poets ik mijn Brogues. En dan laat ik de mondhygieniste mijn tanden blinkend wit polijsten.
Wat me dan altijd opvalt is hoe aardig iedereen in een keer tegen me doet.
De cassieres bij de Albert Heijn. Ze glimlachen opeens. Ze kijken niet meer strak langs me heen.
Op straat krijg ik voorrang als ik daar recht op heb, mensen stoppen plotseling voor een zebrapad.
En in de ijzerwinkel waar ik wekelijks openhaardhout haal, dringt niemand meer voor.
En ik word altijd aangenomen voor die nieuwe opdracht.

Het leven is mooi (met Jade – zong ik automatisch, reclame gaat toch in je hoofd zitten) met een verzorgd uiterlijk.
Toch handig om te weten.

Ik doe er verder niks mee, over het algemeen, met die wetenschap. Voornamelijk omdat ik het niet wil accepteren dat de wereld zo oppervlakkig is. Ik ontken het gewoon. Ik doe er niet aan mee. It’s fake, it’s true.

Ik accepteer daarbij ook dat mijn leven iets minder makkelijk verloopt dan het wellicht zou kunnen. Dat ik niet het succes heb, dat ik zou kunnen hebben, niet het geld, niet de villa, niet de Jaguar.
Wat ik wel heb is een bijna waterdichte regenjas, en dat kwam goed uit, want toen ik vorige week een aftandse printer moest afhalen in de Pijp (gratis meenemen! advertentie op Amsterdamyardsale), regende het, what’s in a name, pijpestelen.
Als een verzopen kat belde ik aan bij een etage op de Govert Flinckstraat.
Een yuppenmeisje deed open. Met een vies gezicht overhandigde ze me de tas met daarin de gratis printer.
Fluitend slingerde ik de tas in het kratje (soms ga ik best een beeje met mijn tijd mee) voor op mijn fiets, en aanvaardde de terugtocht naar Oud-West.
Al op de kruising bij het Concertgebouw gebeurde er iets vreemds. Door een mengeling van onverhoeds overstekende toeristen, gladde tramrails, en regenpaniek in het algemeen bij het fietsvolk, was ik gedwongen enigszins onbehouwen in te voegen in de stroom fietsers die van links kwam door het rode stoplicht vanaf de van Baerlestraat. Ik zag eruit als iemand die 30 jaar onder een steen had gelegen met mijn doorweekte regenjas, mijn
smoezelige jeans en mijn tot praktische kaalheid verregende schedel. Mijn oren verwachtten niks anders dan de volgende verwensingen:
“Eikel!”
“Kijk uit je doppen, pannekoek!”
“Soek je rusie ofso! Doe norrmal man!”
Maar niets van dat alles. Iedereen ging voor me aan de kant. Het leek wel alsof ik een pak aanhad. En L. me net had geknipt.
Ik haalde mijn schouders op, en fietste verder.
Bij het stoplicht voor het Stedelijk stond een flinke opstopping. Ik fietste eromheen, dwars over de rijbaan. De scooter die ik daarbij afsneed, hij toeterde niet.
Vreemd.
Ik sloeg linksaf de PC Hooftstraat in, richting het Vondelpark.
Het regende behoorlijk, ik herschikte de tas een beetje in het kratje, zodat de printer goed droog bleef. Het was een grote tas. Met een groot logo. Het kwam ver boven de kratrand uit. Terwijl ik al fietsend met de tas in de weer was, haalde ik een bloedmooi jong meisje in. 3 seconden later haalde ze mij in, en bleef de rest van de weg door het Vondelpark naast me fietsen. Een beetje ongemakkelijk. Dat doe je niet. Zo leek het net alsof ze bij me hoorde.
Ik was bang dat mensen zouden denken dat ik een oude man was die een jonge studente aan de haak had geslagen.
Die man wil ik niet zijn. En ook niet lijken.
Ik hield in, om haar een voorsprong te geven.
Ze hield ook in. Zodat ze precies naast me kon blijven rijden.
Ja, fuck.
Ik versnelde.
Zij versnelde.
Fuck, waar ben je mee bezig, troel!
Ik zei het niet, maar dacht het wel.
Gelukkig was daar het Kattenlaantje, ik moest en mocht het park uit, bijna thuis.

Ik liep de 4 trappen op naar mijn woning, de printer was nog droog, gelukkig.
Ik deed mijn doorweekte regenjas uit, droogde mezelf af met een handdoek in de badkamer, en keek meteen maar even in de spiegel. Ik was er toch.
“Waarom deed iedereen ineens zo aardig?” vroeg ik hardop aan mezelf.
In de spiegel zag ik dat ik het niet zelf kon zijn.
Die tas, dacht ik opeens, het is misschien die tas!
Ik keek naar het logo op de tas.
TOD’s stond erop.
Waarschijnlijk bedoelen ze daar Today’s mee, dacht ik, maar zo bijzonder vond ik dat niet. Niet bijzonder genoeg om zo aardig behandeld te worden.
Ik liep naar mijn laptop en typte TOD’s in op google.

Enter.

Doe het zelf maar eens.

En aanschouw onze tijdgeest.

–//–

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor wie 30 jaar onder een steen heeft gelegen en dit pas in 2047 leest, er stond:

Enter the world of Tod’s and discover the excellence of quality and craftsmanship Made in Italy, expressed in the unique style of shoes, bags
and accessories.

Advertisements

2 thoughts on “Uiterlijk

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s