Er is een Tielenaar doodgegaan

Ik heb nooit geweten dat de schrijvende kracht achter het nummer “Er is een Amsterdammer doodgegaan”, Wim Kersten was. De carnavalsman uit Den Bosch, vooral bekend van”Bloemetjesgordijn”.

Ik las het gisteren in het Volkskrantmagazine. Verrassend. Ik zou daar graag een stukje over schrijven, maar dat zit er nu niet in, want ik ben zo dronken als een tor. En dat komt dat dan weer doordat er een Tielenaar is doodgegaan. Deze: http://www.gelderlander.nl/tiel/markante-tielenaar-wil-snijders-67-overleden~af136658/

Over Wil Snijders, en de herdenkingsbijeenomst die er vanmiddag was in Tiel, zou ik ook graag een stukje schrijven, maar laat ik dat in deze staat niet doen. Gelukkig doet mijn zusje dat op dit moment wel, in de regionale krant, de Gelderlander. Waarvan morgen plaatselijk acte.

Er was trouwens gisteren bijna nog een Tielenaar doodgegaan, in de vorm van ikzelve. Maar ik heb het overleefd:

klapband-a10

Waarover binnenkort meer.

Advertisements

Oom Jan

De allereerste herinering uit mijn leven die ik heb dateert uit de zomer van 1971. Ik was toen net 2. Sommigen van jullie zullen nu denken: Maar Pluk, dat kan helemaal niet, herinneringen ontstaan pas veel later in je leven, dat is wetenschappelijk aangetoond.
En dan moet ik toegeven: het grootste gedeelte van mijn leven tot nu toe, was dat inderdaad wetenschappelijk zo. Dat je je pas dingen zou kunnen herinneren van na pakweg je 4e levensjaar.

Maar sinds een jaar of 6 kan het in 1 keer wel (http://www.nu.nl/wetenschap/2512310/eerste-herinnering-ontstaat-tweede-levensjaar.html), zoals dat wel vaker gaat in de wetenschap, en kunnen zowel jullie als ikzelf dus met gerust hart geloven dat ik mijn eerste herinnering niet uit mijn duim heb gezogen.

Mijn eerste herinnering gaat als volgt:
Het is mistig, neveldampen trekken over het grasveld waarop ik wankele stapjes zet. Ik ben zojuist in de Zwitserse Alpen uit een klamme verzameling linnendoeken gevlucht die mijn ouders een ‘bungalow’-tent noemen. Ik ben op een missie naar warmte, en ik weet intuitief waar die te vinden. Nee, niet bij mijn moeder, want die is zwanger van mijn zusje en die mag ik niet lastig vallen, en ook niet bij mijn jonge tantes, want die hebben gisteren nog flessen water over mijn enkels gekegeld (dat noemden ze een ‘spel’; ‘flesje boem’, ik vond het leuk, maar nu even niet), ik moest het hogerop zoeken, bij de oudere mensen. Want die hadden verstand van warmte, wist ik. Mijn Oma bijvoorbeeld, die had het altijd koud, maar die sliep ook in een tent, de sukkelares, dus daar had ik niets aan, nee, ik moest bij haar broer wezen: Oom Jan.

Oom Jan was een slimme vogel, wist ik, Oom Jan sliep niet in een tent, maar in een soort bolle auto, een witte met een fornuis en een echt bed erin.
En hij had een dikke vrouw die aan de lopende band warme chocolademelk maakte op dat fornuis. Ja, Oom Jan vond ik voorwaar een slimme vogel.
In mijn eerste herinnering zie ik mezelf op het ijzeren opstaprekje staan, de deur openmaken, en mijn blik werpen op het vlagele fornuis waaraan Tante Hanny in een pan stond te roeren.Oom Jan zat binnen op een bankje met echte kussens in zijn onderbroek de krant te lezen. Het AD waarschijnlijk, maar dat kon ik niet zien, want ik kon nog niet lezen.
“Sven!” riep ie, “jij komt vast voor een lekkere mok chocolademelk! Met slagroom?”
“Oom Jan!”, zei ik, “Ja, chocolademelk inderdaad, en slagroom, waarom niet? Maar vooral wil ik later ook een caravan.”

Ik was een materialistisch ventje in mijn jonge jaren.
Een beroemde anekdote binnen onze familie gaat als volgt (ik herinner me die overigens niet): Oom Jan, neemt een foto.
Ik, nog altijd 2 jaar oud, zeg: “dat is een mooi fototoestel”
“Ja, een echte Olympus”, zegt Oom Jan, met telelens, en..”
Ik knikte volgens de overlevering en onderbrak ‘m: “Wanneer gaat u dood?”

Vonden ze geweldig binnen mijn familie. Oom Jan op kop. Heel mijn jeugd heeft mijn familie tegen elkaar gezegd: “Die Sven, die wordt later waarschijnlijk heel rijk.”
Toen ik hoge cijfers haalde op school wisten ze het zeker: “rijk genoeg om een huis met een zwembad te kopen, en dan kunnen wij daar met de familie op vakantie.”
Heel mijn jeugd moeten horen.
Op mijn 16e hing ik verkiezingsposters voor mijn jongerskamerramen met CPN erop (Communistische Partij Nederland).
Toen begonnen ze te twijfelen.
Daarna werd ik muzikant, en nog iets later dichter.
Over het huis met het zwembad hebben ze nooit meer gerept.

Dat ik op mijn 18e naar Amsterdam verhuisde vond Oom Jan als ras-Rotterdammer maar niks.
“Wat moet je daar de hele dag doen?” vroeg hij, “lanterfanten zeker, net als al die andere Amsterdammers?”
“Dat valt wel mee”, zei ik.
“Ach, maak me toch niets wijs”, zei Oom Jan, “als ik voor mijn werk naar Amsterdam moet, en het is mooi weer, dan zitten alle parken en terrassen daar al halverwege de middag stampvol. En dan kom ik ‘s avonds terug in Rotterdam, en dan is daar iedereen nog gewoon aan het werk.”
“Ja, met mooi weer”, stamelde ik.
“En met slecht weer ook”, zei Oom Jan, “alleen zitten jullie Amsterdammers dan allemaal in die coffeeshops van jullie, die hasjholen, en lurken jullie uitgeteld aan van die dingen, hoe noemen jullie dat, jointjes.”
“Ja, met slecht weer”, mompelde ik.
“Dus jullie werken nooit!”
“Jawel”, verdedigde ik onze Hoofdstad, “met normaal weer.”
“Maar het is nooit normaal weer!” riep Oom Jan.
“Ga je Amsterdam nu ook al de schuld geven van het weer?” zei ik.

“Wanneer gaat u dood?”
In 2017 dus. Vrij recent. Ik was graag bij de begrafenis geweest. Maar ik kon niet. Ik kon echt niet. Mijn Amterdamse studievrienden zouden langskomen voor een reuni bij mij thuis. In november 2016 hadden we na eindeloos agenda’s vergelijken eindelijk een beschikbare datum gevonden.
De ironie wil dat we elkaar na onze studie alleen nog maar zagen bij begrafenissen van onze ouders. “Dat moeten we anders doen”, hadden we tijdens de laatste begrafenis besloten; “we moeten een datum prikken zodat we elkaar eens tijdens een vrolijker moment kunnen spreken.”
Ik durfde mijn studievrienden niet op het allerlaatst af te appen met de mededeling: “Sorry jongens, het gaat niet door, ik heb een begrafenis.”

Maar jammer vond ik het wel. Ik laat niet graag een begrafenis schieten. Ik ben een van de zeldzame mensen die begrafenissen geweldig vindt. Niet de aanleiding uiteraard, maar wel de gebeurtenis. Of om precies te zijn: de plechtigheid vooraf; de kerk/herdenkings-dienst waarop de allerdierbaarsten van de overledene hun herinneringen ophalen.

De donderdag na de begrafenis van Oom Jan belde ik, zoals iedere donderdag mijn moeder (nog steeds! zie het allereerste stukje op plukdenacht
(https://plukdenachtblog.wordpress.com/2005/03/11/telefoon/) voor de trouwe lezers).
“Hoe was het met de jongens?” vroeg mijn moeder.
“Ja goed”, zei ik, “hoe was de begrafenis van oom Jan?”
“Mooi”, zei mijn moeder.
“Ik vond het jammer dat ik er niet bij kon zijn”, zei ik.
“Ja, ik weet hoeveel je van begrafenissen houdt”, zei mijn moeder, “maar geen probleem, je hebt tegenwoordig kerkdienstgemist.nl”
“Echt?” vroeg ik hoopvol, “je houdt me niet voor de gek?”
“Wacht, ik stuur je de link door”, zei mijn moeder.
https://kerkdienstgemist.nl/assets/1384060-Rouwdienst#.WKogcW8rLIV”, zei mijn telefoon
“Geweldig!” riep ik, “niks verklappen! We bellen volgende week!”
“volgende week zit ik in Lapland”, zei mijn moeder.
“Verrek, da’s waar”, zei ik, “Goeie reis!”
“Dank je.”

Gisteren was het zo ver. In mijn glazen opbouw met uitzicht op de Oude Wester, copy-paste ik de link die mijn moeder had doorgestuurd op het scherm van mijn laptop.
Grote pils erbij, 3 volledig opgeladen elektronische sigaretten.
“Die Sven is een slimme vogel”, hoorde ik Oom Jan in de hemel denken.

1.32.45 duurt de uitzending. Ik heb hem van begin tot eind beluisterd. Elke seconde. Er is alleen geluid. In de eerste 10 minuten hoor je alleen maar ruis en gestommel van mensen die de kerk betreden. Daarna begint, verschrikkelijk vals, een kerkorgel spelen, en wordt waarschijnlijk de kist binnen gedragen.
Ik vond het geweldig.
Het was net alsof ik in de kerk zelve zat, maar dan comfortabeler. Oprechter. Meer mezelf. Ik kon nu echt luisteren, zonder me druk te maken over hoe lang het zou duren, wanneer ik zou kunnen roken, of het vol zou zijn na afloop bij de WC’s, en of er tijdens de condoleance wel drank zou worden geschonken.
Ik kon gefocussed luisteren naar wie Oom Jan in de ogen van zijn naasten was geweest.
Een fantastische vader, natuurlijk.
Een geweldige Opa, uiteraard.
Een Godsdienend mens, o ja joh?
Een elektricien die noest arbeidde, wist ik toch.
Een perfectionistische man, een eigenwijze man, een onrustige man. Allemaal waar.
Een goede man. Absoluut.
Na ca 3 kwartier komt Oom Jans weduwe, Bep aan het woord. Zijn 2e vrouw, nadat tante Hanny al tamelijk jong aan kanker was overleden.
Bep heeft live megemaakt hoe Oom Jan dood ging.
Dat vond ik wel bijzonder. Hoe ze dat moment in haar speech uitvergrootte.
Bijzonder is het goede woord niet. Want het was niets bijzonders, dat doodgaan. Niets onverwachts, eerder iets onafwendbaars.
Als een geboorte eigenlijk.
Mensen nemen dat op, filmen dat, geboortes. Niemand zal dat willen zien, behalve later het kind zelf misschien, en/of de (groot)ouders.

Toch vond ik het fascinerend. Bep nam de tijd om van seconde tot seconde te vertellen hoe Oom Jan was gestorven.
Misschien lag het aan de grote pils, misschien ligt het aan mijn preoccupatie met de dood, maar ik vond het mooi om de getuigenis van het verglijden van moment tot moment te mogen meebeleven.
Ik ben namelijk enorm nieuwsgierig wat er dan gebeurt.
Jules Deelder, om maar eens een andere Rotterdammer te noemen, vertelde laatst in een interview dat ie niet twijfelde aan een leven na de dood.
“Wie daaraan twijfelt heeft nog nooit een trip gehad, daarin zie je het meteen.”
George Harisson zag na zijn eerste trip God in elk grassprietje, naar eigen zeggen, maar dat vind ik op de een of ander manier minder overtuigend.
Anyhow, mijn nieuwsgierigheid blijft.
En hoop.
Hoop vooral.

Wat ik wel weet is, mocht er inderdaad een hemel zijn, dat ik dan linea recta naar Oom Jan ga.
Ik durf namelijk te wedden dat..
Ja nee, dat kan niet anders.
Wie zoek je?
Oom Jan!
Wie?
Die man met dat huis met dat zwembad.

Uiterlijk

Ik ben iemand die niet erg lief is voor zijn uiterlijk. Zo heb ik bijvoorbeeld een belachelijk kapsel, voor zover je het uberhaupt een kapsel kunt noemen. Op een veelgelezen whitetrash (mag ik dat zo zeggen? misschien niet) gedichtensite, is het door een onbelezen wannebe dichter met een grote bek eens beeldend getroffen middels de woordschets: “zijn nekharen over zijn schedel gekamd”.
Geef toe, dat klinkt als een next level comb over 8.0.

Mijn beste vrienden proberen me dan ook geregeld tegen mezelf te beschermen door me dronken te voeren en me daarna aan mijn nekharen richting een kapper te sleuren met de woorden: “laat het toch afscheren, man, je loopt voor lul!”
Waarop ik dan altijd iets mompel van : “Ali B. heeft ooit eens gezegd van: “als artiest maakt niet uit wat voor kapsel je hebt, als het maar bijzonder is, en in ieder geval niet normaal.”
“Je bent geen artiest, Sven.”
“Ik ben een dichter”
“Je bent geen dichter, je werkt bij een bank, sukkel, een bank! Je loopt voor lul!”
“L. wil niet hebben dat ik het afscheer, dan vindt ze me een nazi”, piep ik dan meestal als uiterste verweer.
Waarop zij dan zeggen: “Je laat je leven toch niet bepalen door een wijf, homo!”
En daarna laten ze me los, lopen we terug naar de kroeg, trek ik mijn nekharen weer over mijn schedel en drinken we een pils.
Het zijn fijne vrienden. Met een diep ontzag voor vrouwen.

Nee, ik ben niet lief voor mijn uiterlijk. Mijn lievelingskleur qua kleding is gebroken wit. Maak daar smoezelig wit van. Beige met hier en daar een uitgewreven as- of koffievlek. Of een uitgelopen wijnvlek, of mijn lievelings: opgedroogd bloed. Dan voel ik me een beetje Jezus. Een van mijn grootste hobbies is sowieso al mezelf mijmerend verliezen in zelfmedelijden, en een gebroken wit gewaad met bloedvlekken voelt dan als een uitstekende kledingkeuze.
Ik heb zes truien. Een blauwe, een grijze (allebei voor mijn werk), en 4 gebroken witte. Allevier met gaten. Allevier met vlekken. Ik was ze zelden tot nooit.
Maar ik durf ze ook nooit aan te trekken. Niet in het openbaar althans. Alleen als ik thuis ben. Of ergens naartoe ga waar niemand me kent. Een beetje zoals de kennis van mijn moeder, een boom van een vent, die het liefst een vrouw zou zijn. Hij kleedt zich thuis om in KLM-blauwe uniforms van stewardessen en soms in roze petticoats met hakken eronder.
Niemand mag het weten.
En ik heb mijn lompen.

Ik kan het wel, er goed uitzien.
Soms, als ik een intake-gesprek heb voor een nieuwe opdracht bij weer een nieuwe bank, dan laat ik L. mijn haren in een yuppenkapsel knippen. En dan trek ik een pak aan. En dan poets ik mijn Brogues. En dan laat ik de mondhygieniste mijn tanden blinkend wit polijsten.
Wat me dan altijd opvalt is hoe aardig iedereen in een keer tegen me doet.
De cassieres bij de Albert Heijn. Ze glimlachen opeens. Ze kijken niet meer strak langs me heen.
Op straat krijg ik voorrang als ik daar recht op heb, mensen stoppen plotseling voor een zebrapad.
En in de ijzerwinkel waar ik wekelijks openhaardhout haal, dringt niemand meer voor.
En ik word altijd aangenomen voor die nieuwe opdracht.

Het leven is mooi (met Jade – zong ik automatisch, reclame gaat toch in je hoofd zitten) met een verzorgd uiterlijk.
Toch handig om te weten.

Ik doe er verder niks mee, over het algemeen, met die wetenschap. Voornamelijk omdat ik het niet wil accepteren dat de wereld zo oppervlakkig is. Ik ontken het gewoon. Ik doe er niet aan mee. It’s fake, it’s true.

Ik accepteer daarbij ook dat mijn leven iets minder makkelijk verloopt dan het wellicht zou kunnen. Dat ik niet het succes heb, dat ik zou kunnen hebben, niet het geld, niet de villa, niet de Jaguar.
Wat ik wel heb is een bijna waterdichte regenjas, en dat kwam goed uit, want toen ik vorige week een aftandse printer moest afhalen in de Pijp (gratis meenemen! advertentie op Amsterdamyardsale), regende het, what’s in a name, pijpestelen.
Als een verzopen kat belde ik aan bij een etage op de Govert Flinckstraat.
Een yuppenmeisje deed open. Met een vies gezicht overhandigde ze me de tas met daarin de gratis printer.
Fluitend slingerde ik de tas in het kratje (soms ga ik best een beeje met mijn tijd mee) voor op mijn fiets, en aanvaardde de terugtocht naar Oud-West.
Al op de kruising bij het Concertgebouw gebeurde er iets vreemds. Door een mengeling van onverhoeds overstekende toeristen, gladde tramrails, en regenpaniek in het algemeen bij het fietsvolk, was ik gedwongen enigszins onbehouwen in te voegen in de stroom fietsers die van links kwam door het rode stoplicht vanaf de van Baerlestraat. Ik zag eruit als iemand die 30 jaar onder een steen had gelegen met mijn doorweekte regenjas, mijn
smoezelige jeans en mijn tot praktische kaalheid verregende schedel. Mijn oren verwachtten niks anders dan de volgende verwensingen:
“Eikel!”
“Kijk uit je doppen, pannekoek!”
“Soek je rusie ofso! Doe norrmal man!”
Maar niets van dat alles. Iedereen ging voor me aan de kant. Het leek wel alsof ik een pak aanhad. En L. me net had geknipt.
Ik haalde mijn schouders op, en fietste verder.
Bij het stoplicht voor het Stedelijk stond een flinke opstopping. Ik fietste eromheen, dwars over de rijbaan. De scooter die ik daarbij afsneed, hij toeterde niet.
Vreemd.
Ik sloeg linksaf de PC Hooftstraat in, richting het Vondelpark.
Het regende behoorlijk, ik herschikte de tas een beetje in het kratje, zodat de printer goed droog bleef. Het was een grote tas. Met een groot logo. Het kwam ver boven de kratrand uit. Terwijl ik al fietsend met de tas in de weer was, haalde ik een bloedmooi jong meisje in. 3 seconden later haalde ze mij in, en bleef de rest van de weg door het Vondelpark naast me fietsen. Een beetje ongemakkelijk. Dat doe je niet. Zo leek het net alsof ze bij me hoorde.
Ik was bang dat mensen zouden denken dat ik een oude man was die een jonge studente aan de haak had geslagen.
Die man wil ik niet zijn. En ook niet lijken.
Ik hield in, om haar een voorsprong te geven.
Ze hield ook in. Zodat ze precies naast me kon blijven rijden.
Ja, fuck.
Ik versnelde.
Zij versnelde.
Fuck, waar ben je mee bezig, troel!
Ik zei het niet, maar dacht het wel.
Gelukkig was daar het Kattenlaantje, ik moest en mocht het park uit, bijna thuis.

Ik liep de 4 trappen op naar mijn woning, de printer was nog droog, gelukkig.
Ik deed mijn doorweekte regenjas uit, droogde mezelf af met een handdoek in de badkamer, en keek meteen maar even in de spiegel. Ik was er toch.
“Waarom deed iedereen ineens zo aardig?” vroeg ik hardop aan mezelf.
In de spiegel zag ik dat ik het niet zelf kon zijn.
Die tas, dacht ik opeens, het is misschien die tas!
Ik keek naar het logo op de tas.
TOD’s stond erop.
Waarschijnlijk bedoelen ze daar Today’s mee, dacht ik, maar zo bijzonder vond ik dat niet. Niet bijzonder genoeg om zo aardig behandeld te worden.
Ik liep naar mijn laptop en typte TOD’s in op google.

Enter.

Doe het zelf maar eens.

En aanschouw onze tijdgeest.

–//–

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor wie 30 jaar onder een steen heeft gelegen en dit pas in 2047 leest, er stond:

Enter the world of Tod’s and discover the excellence of quality and craftsmanship Made in Italy, expressed in the unique style of shoes, bags
and accessories.