Paruresis

Afgelopen donderdag was ik op mijn werk, had zojuist de zoveelste groene thee van de dag achterovergeslagen, en voelde niet lang daarna aandrang om een plasje te plegen op de daartoe bestemde locatie op onze eigen 11e verdieping.
Onze prachtige etage met 2 koffie-automaten, 8 vergaderzalen, en zo’n 15 kantoortuinen. En dus een WC. 1 WC.
Het is wel een eindje lopen van mijn bureau naar de WC, ik moet daarvoor de complete etage doorkruisen, maar dat vind ik prima. De hele dag zitten achter een bureau schijnt slecht te zijn voor van alles en nogwat, en vooral voor je core volgens de Yoga-liefhebbers onder jullie, dus ik prijs me gelukkig dat ik in plaats van aan Pilates te doen, gratis en voor niets tijdens werktijd enige beweging tot mij kan nemen in de vorm van een toiletbezoek.

Ik drink zoveel groene thee (dat schijnt goed voor je bloeddruk te zijn, maar daarover een andere keer meer), dat ik zulks ongeveer ieder uur doe. Gefeliciteerd Pluk, dat is precies wat de Arbo voorschrijft: ieder uur minimaal 5 minuten bewegen. Later in het bejaardenhuis kun en mag je dat niet meer. Zowel vanwege fysieke als om logistieke redenen, dus neem het ervan nu het nog kan.

Exactement. Dus ik vrolijk naar de toiletruimte voor de Heren, die 2 hokjes herbergt. Met mijn lege kartonnen bekertje in mijn hand, zodat ik op de terugweg mooi nog een verse groene thee kon scoren. Efficiency is my middlename.
Ik deed de deur van de toiletruimte open. Hokje 1 was bezet zag ik, ik liep door naar hokje 2. Ook bezet. Uit hokje 1 klonk een scheet en gekreun. Uit hokje 2 galmde ongeveer hetzelfde geluid.
Dat gaat nog wel even duren, concludeerde ik, en besloot de toiletruimte weer te verlaten. Hoe meer beweging hoe beter, was mijn redenatie, en ik dook het trappenhuis in en daalde af naar de 10e verdieping.
Alwaar zich een herhaling van zetten vertoonde.

Op, of beter gezegd, af naar de 9e.
Ik liep richting de toiletruimte.
“Collega”, zei onderweg een dikke vent vanachter zijn bureau, “mag ik u iets vragen?”
“Natuurlijk”, zei ik.
“Heeft u op uw eigen verdieping geen WC?”
“Jazeker”, zei ik.
“Waarom gaat u daar dan niet?”
“Die zijn allebei bezet”, zei ik.
“Dat vind ik vreemd”, zei de dikke man.
“Nou, zo raar is dat niet”, verklaarde ik, “we zitten met 150 man op 1 verdieping, 95% mannen, en dan maar 2 toiletten, dus dan…”
“Ik vind het vreemd, u kunt toch gewoon op uw eigen verdieping gaan?”
De 2 meisjes aan zijn kantooreiland keken niet op van hun toetsenbord, maar knikten instemmend. Dat heeft die dikke goed verwoord, zag je ze denken.
“Vind je het echt raar dat ik, als ik moet plassen, en allebei onze toiletten zijn bezet, dat ik dan een trap naar beneden loop om te kijken of er daar wel eentje vrij is?” vroeg ik.
De dikke vent gaf geen antwoord, maar boog zich weer over zijn toetsenbord en zei hardop tegen zijn beeldscherm: “Vreemd, heeeeel vreemd.”

Ik liep hoofdschuddend door naar de toiletruimte. De hokjes bij de mannen waren allebei vrij.
Ik hing ‘m eruit.
Maar ik kon niet.
Het lukte me niet om te plassen.

Zoals met alles is daar een naam voor: Paruresis. Google maar eens. Plasangst. Het is een soort sociale fobie. Veel onderzoek is er niet naar gedaan, maar ca 6% schijnt er last van te hebben.
Laat ik maar eens een taboe aansnijden: Volgens mij is het veel meer.

Een korte geschiedenis: de eerste keer dat ik ermee te maken kreeg, was toen ik 18 was en in Tiel, in cafe de Stoof om precies te zijn, stond te urineren naast een, tsja, hoe zeg je dat tegenwoordig, grote neger.
Ca 50 jaar oud.
In de metallic goot voor onze neuzen, waarin gele zeepjes dreven, klaterde het flink onder zijn, ik durfde niet te kijken, maar ik vermoed piemel.
Bij mij waterden er enkel wat laffe druppeltjes uit.
“Dat is niet goed”, zei de neger, terwijl hij naar mijn piemel keek, hij trok er een vaderlijke, bezorgde blik bij.
“Wat?” vroeg ik, “zo klein is ie niet, toch?”
“Zo jong en dan zo’n slappe straal, jij moet je prostaat in de gaten gaan houden. Heb ik ook gehad. Ze konden er iets aan doen. Maar jij bent nog zo jong! En dan nu al!”

Ik maakte me geen zorgen. Dunne straal, pff. Neuken, daar draaide het om. Een lange, dikke tampeloeris in erecte vorm. Die had ik zo’n beetje continu toen ik 18 was. En zoals eenieder weet: met een stijve kun je niet plassen. Dus waar hadden we het over.

Wat ook eenieder weet is dat, hoe meer je drinkt, hoe meer je moet plassen. Wat misschien niet eenieder weet is dat, wanneer je dat drinken doet in de vorm van alcohol, je steeds angstiger wordt. Niet per se om te plassen, maar angstig in het algemeen.
Bang voor mensen.
Die angst kun je op 2 manieren oplossen: 1. Nog meer drinken. 2. Mensen mijden.

Ik pak de zaken graag grondig aan, en heb daarom de neiging tot allebei, maar op je werk is dat lastig. Zowel qua drinken als qua mensen mijden. Behalve als je heel veel groene thee drinkt, en met een rationeel excuus het halve kantoorpand kunt afdalen op zoek naar een vrije WC.

Dat het een taboe is, om terug te komen op Paruresis, merkte ik 2 opdrachten geleden, bij de Rabobank. Ik was net begonnen met elektrisch roken, en dacht: handig, dat kan ik gewoon stiekem op de WC doen! Maar omdat die dingen toch een bepaald slurpend geluid maken, probeerde ik altijd een WC-ruimte op te zoeken waar niemand iets kan horen, cq niemand aanwezig was. Ik dacht die te vinden in de WC’s op de 2e, de vergaderverdieping. Enkel overleglokalen. Mijn redenatie was: vergaderingen beginnen altijd op het hele of halve uur, dus als ik om .15 of .45 ga, dan kom ik niemand tegen.
Vergeet het maar.
Topdrukte.
Allemaal schuwe types; spionnen uit de jaren 50 met lange regenjassen en hoeden op, niet dat uiterlijk, maar wel die blik. Allemaal op zoek naar een verlaten WC.
Als je er eentje vond, dan zat je gebeiteld, want dan durfde niemand anders op een naastgelegen toilet plaats te nemen. Dat was het voordeel. Dan hoorde je ze voor de vorm even hun handen wassen, een ruk aan de handdoekrolautomaat geven, en dan waren ze weer pleite, op zoek naar de volgende afgelegen toiletruimte.

Er is een hoop verborgen leed.

Ik denk niet dat die dikke man op de 9e dat wist. Die was gewoon zijn territoriumpje aan het verdedigen voor hemzelf en zijn kantoormeisjes. Het maakte mij niet uit. Ik daalde nog twee trappen af, naar de 7e. Die etage stond leeg, wist ik.

Maar.
Je raadt het al. Spionnen all over the place.

Advertisements

Terug

Zoals ruim 3 eneenhalf jaar geleden beloofd: Ik ben terug.
Stel je er niet te veel van voor. De wereld is veranderd. Ik ook.
Wat er in de wereld is veranderd, weten jullie. Of kunnen jullie googlen.
Hoe het mij is vergaan kun je minder goed googlen. En dat was nodig. Ik moest even onder de radar.
Ik werk in de detachering. Ik moet van onbesproken gedrag zijn, van zuiver blazoen, om maar eens een vergeten woord te gebruiken. En dan is dit weblog niet altijd even handig. Vooral niet als het googlebaar is.

Waarom ik nu toch weer begin, weliswaar bescheiden, maar toch, is omdat ik er wel weer zin in heb. En bovendien omdat ik het niet erg zou vinden als ik morgen zou worden ontslagen uit mijn huidige opdracht. Ik zou het zelfs niet erg vinden als ik mijn bovenliggende baan verlies bij het detacheringsbedrijf.
Ik wilde zeggen: “Dat bedoel ik niet bitter, want los van dat het tegenwoordig niet handig is om dat te zijn, ben ik van mening…” etc.
Maar dat is oneerlijk.
Want ik bedoel het wel bitter. Ik was, zoals jullie jaren hebben kunnen lezen, altijd al een beetje teleurgesteld in het bedrijfsleven in het algemeen en het bankwezen in het bijzonder, maar de afgelopen 3 eneenhalf jaar bij respectievelijk de Rabobank en heden ten dage bij de ING, hebben dat er niet beter op gemaakt. Als het meezit ga ik jullie daar de komende maanden over vertellen.

Ook ga ik waarschijnlijk vertellen over de ontsnappingroute die ik eind 2014 heb gekozen: een leven als daytrader.
Dat is een goed verhaal, met vooralsnog een treurige afloop. Ik denk zelfs wel dat er een roman in zit.
Maar nu loop ik te ver op de zaken vooruit.

Eerst maar weer eens leren schrijven.
Ik zou kunnen schrijven over de reuni die ik gisteren had met mijn 5 oude studievrienden van econometrie.
En dat had ik zojuist gedaan.
Maar ik heb het allemaal weer geschrapt.
Hoewel het een leuk stukje was, vond ik het iets te veel gepats met de belangrijkheid van hun functies, en vond ik het bovenal iets te veel achter hun ruggen omgaan. Te makkelijk scoren.

Ik ga de komende maanden proberen om het voornamelijk over mezelf te hebben, niet uit narcisme, maar uit mededogen. Als ik het over anderen ga hebben, dan zal dat voornamelijk liefdevol wezen, en zoniet, dan is het hoogstwaarschijnlijk verdiend.

Het klinkt allemaal niet heel aanlokkelijk, ik geef het toe, maar dat hoeft ook niet.
Niemand hoeft dit te lezen.
En voor wie wel: troost je met de gedachte dat mijn manager bij de ING een behoorlijke eikel is.
Waarvan toekomstig akte.