Tjalk

Dit weekend ben ik wezen zeilen. Mijn tante was namelijk 12,5 jaar getrouwd en dat vierde ze op een tjalk. Samen met haar man uiteraard, maar ook met nog pakweg 50 andere mensen, waaronder ikzelve.

Vooraf had ik gemengde gevoelens. Dat kwam door het volgende: De laatste keer dat ik op een tjalk had gezeten was zo’n 25 jaar geleden, tijdens het introductieweek van de Vrije Universiteit. Het was destijds 30 graden en er was op de hele tjalk geen schaduw te bekennen. Ook niet achter de zeilen, want die waren niet gehesen. Er stond namelijk geen wind. Voorts was er geen toilet aan boord, en ook geen eten en drinken, en over boord springen om een duikje te nemen in het Ij was ten strengste verboden.
Het was een hel.
Ik en mijn introductie-genoten werden levend gefrituurd op het dek, we verrekten van de honger, en de dorst vooral, en de schipper vertikte het 4 uur lang om onderweg ergens aan te meren.
Toen we terug in Amsterdam eindelijk van boord mochten was het programmatechnisch de bedoeling dat we direct door zouden gaan naar het Anne Frank huis, maar dat hebben we geskipt. Ten eerste omdat de Prinsengracht veel langer bleek dan onze mentor had bevroed, maar vooral omdat we het nabij gelegen pannenkoekenhuis urgenter vonden. Onze mentor zei bovendien iets in de trant van dat Anne het ons niet kwalijk zou nemen, omdat die heel goed wist wat honger was of zoiets.

Maar goed, dit weekend opnieuw een tjalk dus. De ‘Selene’, heette de boot en hij zou zaterdagochtend om klokslag 11.00 vertrekken vanuit Monnickendam.
Het was nog even spannend geweest of er die dag wel gevaren kon worden, want vorige week lag de haven nog dicht vanwege kruiend ijs, maar uiteindelijk kon de zeiltocht van zaterdag gewoon doorgang vinden had mijn tante op de valreep rondgemaild.
Dus daar gingen we, met 50 man het schip in, op weg naar het ruime sop van de Gouwzee en het Ijsselmeer. Wat volgde was een compleet tegenovergestelde beleving van die van 25 jaar geleden.

Er was een grote kajuit, waar iedereen inpaste. Er stonden tafels, stoelen, gezellige bankjes met kussens, een bar(!), een open haard, er waren toiletten en toen we binnenkwamen stond er een uitgebreid koffiebuffet uitgestald inclusief diverse taarten.
Wow, dacht ik, op deze manier wil ik ook wel zeeman worden.

Het werd daarna alleen nog maar beter. Buiten op het dek kon je prima in de zon zitten (het was circa 10 graden en er stond een matige wind) en al snel kregen we het eerste dorpje in zicht:

Volendam

Herken je het? Precies. Het dorp van het meisje waar ik een bescheiden deel van mijn jeugd verliefd op ben geweest (Annie Schilder). In Volendam werd net toevallig een wedstrijd skûtsje silen gehouden.
Geinig.
Niet lang daarna gingen op het dek de eerste schotels met verse haring rond en mijn tante zei tegen mijn zusje en mij dat we gerust iets te drinken konden bestellen, want “de bar is zojuist geopend”.
Dat waren nog eens goede berichten. Binnen notime stonden mijn zusje en ik in de grotendeels verlaten kajuit en bestelden de eerste pilzen van de dag.

Ik had ‘m nodig want niet lang daarna zou ik samen met mijn oom en mijn nicht ‘zeemansliederen’ moeten spelen en zingen voor het voltallige publiek.

Wat zal ik er verder over vertellen? Dat ik in Marken voor het eerst in 2013 op een terras heb kunnen zitten zonder jas? Of dat ik voor het eerst van mijn leven “al die willen te kaap’ren varen” heb gezongen met gitaar?
Of zal ik maar gewoon volstaan met te zeggen dat het een mooie dag was.

Ja, laat ik dat doen.

Advertisements

Dilemma

Ik zit met een dilemma. En wel het volgende: De vader van een oude studievriend is overleden, dinsdag is de begrafenis en de vraag is: Wel of niet gaan?
De omstandigheden zijn lastig, want ik zit net in een nieuwe detacheringsopdracht bij Rabobank International, en dinsdag is het de eerste werkdag van de maand, en laat dat nou net de allerdrukste werkdag wezen (vanwege de maandafsluitingen). Ik ga kortom geen punten scoren als ik juist op die dag verstek laat gaan. Aan de andere kant: Een begrafenis is een begrafenis, en die kun je nu eenmaal niet weken vantevoren inplannen.

De begrafenis van de vader (82) van een oude studievriend. Is het een goede vriend? zul je waarschijnlijk willen weten, om meer inzicht te krijgen in het dilemma.
Welnu, ik heb hem al een paar jaar niet meer gesproken, laat staan gezien.
Ik hoor jullie nu op het rode knopje drukken om een zoemer te laten weerklinken: “Phèèp”: Niet gaan.

Ja, ho, wacht even. Tijd zegt niets over vriendschap. Althans niet de hoeveelheid, of hoe lang het geleden is. Wel de inhoud. Wàt je met elkaar heb meegemaakt. Dat is in dit geval best veel. Zoals dat gaat in een studietijd, de vormendste periode uit een gemiddeld hoger opgeleid leven. Vriend W., die zo rechts was als de pokken, lid van het Amsterdams Studenten Corps, jongste zoontje van een neuroloog met tweede, derde en vierde huizen in heel Europa, bezorgde mij mijn eerste baantje in Amsterdam. Bij de Albert Heijn Overtoom, waar ie zelf ook op dinsdag- en donderdagavond vakken vulde. We stonden beiden in pad 1, het visitekaartje van de supermartk. Hij deed graag de koffie, want die was datumgevoelig en moest je ‘op code’ zetten (de nieuwe achter de oude). Verantwoordelijk werk. “Begin jij maar met de blikgroenten” (die had je toen nog), zei ie, “daar kun je weinig verkeerd aan doen.”
Nadat ik die had gedaan monsterde hij de schappen en zei: “Puik werk, volgens mij ben jij toe aan een stapje hoger”, en hij schoof de dolly (karretje vol kartonnen dozen) met Inex (gepasteuriseerde, zeer smerige, maar behoorlijk lang houdbare melk) naar me door.
Een week later was ik zover dat ik van hem het banket mocht vullen. Gevulde koeken, Gangmakers en chocoladecake. “Zorg dat je er per ongeluk eentje open scheurt”, zei ie met een knipoog, “verloren goederen mogen we namelijk in de pauze bij de koffie.”
Hij was een van de pakweg 100 fatherfigures uit die periode in mijn leven, vriend W. Ik was een domme Tielse boer, die weliswaar niet schroomde om af en toe zijn bek open te trekken, maar die ondertussen verdomd weinig kennis van zaken had.
Vriend W. had overal verstand van. Politiek, klassieke muziek en, heel imponerend, Amsterdamse geografie. In de weken nadat W. zijn kamer in het door zijn ouders gesponsorde pand in Oud-Zuid had betrokken, was hij met een plattegrond op zijn fiets gestapt en had alle straten verkend en, belangrijker nog, uit zijn hoofd geleerd. Met de tram- en buslijnen plus postcodes erbij.
Inderdaad, een autist. Maar niettemin verdomd handig, in die tijd van voor ov9292.nl. En opgelicht worden in een taxi was er ook niet bij als vriend W. voorin zat. Eigenlijk was dat zijn droomberoep, taxichauffeur. Maar dat kon niet. Het was in zijn familie traditie om voor je 25e minimaal 1 ton per jaar te verdienen. Dus is hij de verzekeringswereld ingegaan. Waar dat hem met zijn cum laude econometrie en wiskunde is gelukt.
En daar zit hij nog steeds.

3 kinderen, een huisarts als vrouw, zijn leven is geslaagd.
Maar nu is zijn vader dood.
Dat is heftig. Of althans een belangrijk punt in het leven van een man. Zo voelde het tenminste voor mij.
Want okay, je hoeft in 1 keer niet meer aan allerlei verwachtingen te voldoen, maar aan wat dan wel?
Lastig.
Als je vader dood is voel je je pas echt aan je eigen pootjes overgeleverd. Dan is er niemand meer om de schuld aan te geven. Dan ben je het zelf. Je eigen vader. Dat is niet altijd prettig. En soms is het ronduit kut.

Maar laat ik niet te diep ingaan op mijn eigen issues.
Vriend W., daar gaat het om. Hij was er wel, op de begrafenis van mijn vader. En daar was ik blij mee. Nou is het sowieso een traditie binnen ons oude studentenvriendenclubje om zulks te doen. Al was het maar omdat je elkaar dan tenminste weer eens ziet. Ik bedoel, veel meer kansen zijn er niet. Het stadium van die andere verplichtende aanwezigheid, bruiloften, hebben we inmiddels wel zo’n beetje achter de rug.
Etentjes, hoor ik je denken. Ja, etentjes. Het is een optie. En natuurlijk zullen we elkaar dinsdag weer vertellen dat we dat binnenkort moeten doen.
Maar we doen het niet.
Begrafenissen. Van onze vaders. Dat is ons ding.
Geloof ik.

Vlak na de rouwkaart kreeg ik een mailtje van een andere oude studievriend. J.
Ook al jaren niet gezien, laat staan gesproken. Na 3 jaar stilzwijgen, schreef ie:
“Ha, hoe is het? Ga jij dinsdag? Ik ben van plan te gaan.”

Vriend J. Over vriend J. kan ik een boek, wat zeg ik? een trilogie schrijven.
Maar daarover een andere keer misschien meer.

Ondertussen zit ik nog steeds met dat dilemma. Ik heb die hele vader van W. misschien 1 keer in mijn leven gesproken, maar hoe meer ik drink, en dat mag ik nu, want het is Pasen, hoe meer ik denk: Ja. Ik ga.