Kater

Eigenlijk had ik vandaag een stukje over de Nacht van de Poezie willen schrijven. Daar ben ik namelijk gisteren geweest. Maar het lukt me niet om er iets zinnigs over te zeggen. Dat komt vooral doordat ik een behoorlijke kater heb, die helaas blijkt te zijn opgewassen tegen alle 4 de paracetamoltabletten die ik nog in huis had, maar ook doordat ik van de Nacht tijdens mijn bijna 7 uur durend bezoek tamelijk weinig heb meegekregen. Van de pakweg 30 dichters heb ik er maar 2 zien optreden (Tonnus Oosterhof en Elly de Waard, waarbij ik ook nog eens halverwege ben weggelopen), en qua entre-acts ben ik alleen aanwezig geweest bij illusionist Ramana.
Wat ik dan de rest van de tijd wel heb gedaan? Ik schaam me er bijna voor om het te moeten bekennen, maar goed, de rookruimte dus.

Een beetje zonde van je ticket zul je misschien denken, ik bedoel: wie betaalt er nou 25 euro om bijna 7 uur lang in een kale en onverwarmde, TL-verlichte ruimte te staan, die veel weg heeft van een garagebox uit het voormalige Oostblok?
Nou ja, ik dus. En ik moet zeggen dat ik er, op die kater na, geen spijt van heb. Het was, zoals bij wel meer evenementen, de gezelligste plek van het festival en op het laatst stonden er dan ook meer mensen in de rookruimte dan dat er nog in de zaal zaten. Meer ga ik er niet over vertellen want what happens in de rookruimte stays in de rookruimte.

Enfin, ondertussen zit ik dus nog wel mooi met die kater. Het probleem is dat ik door het strenge doordeweekse regime dusdanig ben afgekickt van alcohol, dat ik te schaften krijg met koppijn nadat ik me een keertje heb laten gaan. Net als normale mensen, zul je misschien denken, maar voor mij is het nieuw. Of althans behoorlijk lang geleden. Anyway, ik begin nu eindelijk een beetje te snappen waarom er mensen bestaan die niet drinken.

Katerhoofdpijn is geen lolletje. Je kunt niks. Tenminste, je hebt nergens zin in. Ja, hamburgers, pizza of andere vette dingen, dat wel, maar verder ben je volstrekt apatisch.
“Zullen we vandaag iets leuks gaan doen?” vroeg L. vanmorgen.
“Bleh”, zei ik, “hebben we trouwens nog worstebroodjes?”
“Voor in de oven?” vroeg L.
“Yes!” riep ik.
“Nee”, zei L., “die zijn op.”
“Pizza?”
“Ook op”.
“…”, zei ik.
“Wou je echt niet iets leuks gaan doen?”
“We kunnen een tochtje gaan maken”, zei ik, “met de auto, en dan ergens bitterballen eten.”

Kijk, dat was nou nog eens een goed plan. Weinig is lekkerder dan met guur weer in een heerlijk verwarmde auto langs de Amstel te rijden, terwijl je ondertussen amateurwielrenners ziet vechten tegen de wind en joggers ziet blauwbekken van de kou.
En dan als beloning bitterballen te eten in dat cafeetje aan het water, vlak voorbij het Amstelpark, in de richting van Ouderkerk aan de Amstel. Waar ze ook nog eens een geweldige rookruimte hebben, met open haard, en luxe fauteuils.

Dus dat hebben we toen maar gedaan.

O ja, onderweg zijn we nog wel een keertje uitgestapt. Er was namelijk sprake van een vreemd natuurverschijnsel. Zo vreemd dat we het er voor over hadden om kort de elementen te trotseren voor een fotomomentje. Komt ie:

Ijsstalagmieten Amstel eind maart 2013

(klik op foto voor groter formaat)

Inderdaad, ijsstalagmieten aan de oever van de Amstel. In eind maart. Mooi wah?

Advertisements

Doorwaken

Ik hou het kort vanavond. De eerste week Rabobank zit er op. Veel ga ik er (nog) niet over zeggen. Behalve dat ik tegenwoordig om 7.00 am de deur uit moet, en dat ik zoals altijd bij een nieuwe opdracht, mijn kop er even goed bij moet kunnen houden.
Dus voorlopig schrijf ik geen stukjes meer op zondagnacht. Wel op een andere (waarschijnlijk op een donder- vrij- op zaterdag), maar dat merken jullie binnenkort vanzelf.

Voor nu is het vooral zaak om mijn kortstondige weekendritme van nachtbraken en uitslapen weer drastisch om te gooien, en vannacht zo vroeg mogelijk te bedde te gaan.
Een vrij kansloze zaak uiteraard. Tenminste, dat vroeg in bed stappen gaat nog wel lukken, maar om vervolgens daadwerkelijk de slaap te vatten wordt een probleem. Zeker zonder drank.

Toch vind ik dat niet eens zo’n ramp. Het gaat me namelijk niet zozeer om de slaap. Het gaat me om de rust.
Ergens is het best lekker om een doorwaakt nachtje te beleven onder het dekbed. Vooral als je niet gaat piekeren, maar juist over mooie dingen gaat fantaseren. Dromen terwijl je wakker bent, met niets dan donkerte en stilte om je heen, ik kan het iedereen aanraden.

Het allergrootste voordeel bovendien, van een doorwaakte nacht, is dat je die avond daarop zo ontzettend naar de kloten bent, dat je op slag weer in het werkritme zit.
Voila, problem solved.

Tot snel!

PIA

Afgelopen woensdagochtend had ik een gesprek met mijn unitmanager. De conversatie vond plaats in de verder lege kantine van een bijkantoor van ons bedrijf in Diemen. De enige ziel aanwezig, behalve die van ons tweetjes, was die van een gekleurde medestedeling, of hoe zeg je dat tegenwoordig in Amsterdam, nou ja, een neger dus, die een enigszins exotische lunch voor 150 man aan ICT-werkvolk stond voor te bereiden.
“Jezus man, wat een lucht”, zei mijn unitmanager, terwijl hij met zijn handen wapperde.
Hij bedoelde het eten, nam ik aan, niet mij, of dat ie zelf net een scheet had gelaten ofzo.
“Knoflook”, beaamde ik.
“En godverdomme niet te zuinig ook”, zei mijn unitmanager, “enfin, waar waren we?”
“Dat de wereld niet meer zo is als vroeger”, zei ik.
“Precies”, zei mijn unitmanager.

In het uur daarvoor hadden we daar genant lang over gesproken, over vroeger, want wij zijn nostalgici, mijn unitmanager en ik.
Hij vertelde over de lange filosofische gesprekken die hij vroeger voerde met AvB, mijn voormalige unitmanager, die ikzelf vooral kende als sigarenroker die als hobby ‘wiskunderaadsels oplossen’ op zijn intranet smoelenboekpagina (way before facebook) had staan.
“Heeft ie die met die Chineze hoedjes wel eens bij jou gedaan?” vroeg mijn unitmanager.
“Uiteraard”, zei ik.
“En?”
“Ik wist ‘m.”
“Onmogelijk”, zei mijn unitmanager, “niemand kan die normaal gesproken oplossen.”
“Dat is waar”, zei ik, “maar ik kende ‘m al, dat raadsel.”
“En? Heb je dat toen eerlijk tegen hem gezegd?”
“Ben je bedonderd”, zei ik.
“Haha!”, zei mijn unitmanager.
Daarna keek hij voor een moment mijmerend uit het raam. “Roken mag tegenwoordig bijna nergens meer”, zei ie daarna, “en sigaren al helemaal niet. En misschien maar beter ook.”

“Dat ben ik niet met je eens”, wilde ik zeggen. Maar dat zei ik niet. Ik zei: “Ach ja.”

Ik wilde hem in dat verband eigenlijk het verhaal vertellen over Robeco. Mijn allereerste grote opdracht, waarin ik deel uitmaakte van een team van 40 man, dat destijds (bijna 20 jaar geleden) een allesoverkoepelende financiele applicatie heeft gebouwd die tot op heden nog steeds wordt gebruikt. Zelfs in collegemateriaal van hoe het wel moet. En terecht. De applicatie was geniaal van opzet (‘architectuur’ in vaktermen). Dynamischer kon het niet, flexibel in al z’n voegen en kieren, ‘modulair’ en vooral ‘object orientated’ (sorry, nogmaals vaktermen), tot op het religieuze af.
Het enige nadeel van de applicatie was dat je wel heel erg slimme mensen nodig had om hem uberhaupt te begrijpen, om over programmeren nog maar te zwijgen.

De projectleiders bij Robeco snapten dat maar al te goed. Dus wat gebeurde er: alle reprensentativiteire eisen werden overboord gezet, het enige wat telde was intelligentie. Het leverde het mooiste team op dat ik ooit in mijn leven heb gezien. Wij waren een bijeengeraapt zooitje van kettingrokende alcoholisten, met hier en daar serieuze psychische issues en aanverwante problemen, maar bovenal verschrikkelijk pienter. En we presteerden bovenmaats, mede dankzij ubergoeroe en bedenker van het hele geintje, de visionair Rene Bakker (al snel omgedoopt tot het respectvollere en lekkerder bekkende ‘Rene Boulanger’ – 130 kilo schoon aan de haak, en louter levend op Cola Light, paprikachips en gefrituurde octopusringen), die ons (met toch minimaal IQ 140+) a la El Salvador/Johan Cruijff even uitlegde hoe het licht weer te zien, als we het voor even kwijt waren.
Om kort te gaan: Wij vormden het Barcelona van de ICT.

Die successtory had overigens ook een keerzijde. Zoals dat gaat met succes. Het wordt vroeg of laat geclaimd door iemand die er geen recht op heeft, maar wel veel macht.
Hoger management.
Rene Boulanger werd op een dag, toen de boel eemaal goed op de rails stond, na een (achteraf misschien bewust uitgelokt) akkefietje, plotseling op straat gezet. Met de bekende kartonnen doos waarin hij zijn privespullen mocht meenemen.
Een andere goeroe uit het team reed zichzelf niet lang daarna dood.
Nog een ander kreeg een soortgelijk moterongeluk, overleefde het, maar was voor anderhalf jaar uit de running.
De sfeer veranderde.
De asbakken moesten van tafel.
Er mocht geen alcohol meer gedronken worden tijdens de lunchpauze.
En het was gedaan met de bacchanalen na afloop van het werk, op kosten van de zaak.

Met name dat laatste heeft de harde kern van het team genekt. Ons uitvoerend projectleider, TvdB, Amsterdammer, was er niet vies van om in de Rotterdamse Binnenstad tot 7 uur ‘s ochtends door te halen, om vervolgens onder zijn bureau bij Robeco aan de Coolsingel (waar ie standaard een slaapzak en elektrische Brown had liggen), nog twee uurtjes bij te tanken, voordat ie om 9.00 am weer met gepoetste tanden bij de koffie-automaat stond.
“Als er geen PIA-bacchanalen meer mogen zijn, dan kap ik ermee”, zei ie.
En voegde de daad bij het woord.
Het was rond carnavalstijd, en collega TP heeft nog geprobeerd om hem met de zelfgeschreven kraker (“Ik heb een druppel aan mijn knuppel” – in zijn woorden: een ‘subtiele verwijzing’ naar hun gezamenlijke hoerenbezoekjes) over te halen om te blijven, maar het mocht niet baten.

En toen zelfs TvdB ermee nokte hield de rest het ook snel voor gezien. We fladderden uit over het land. Ikzelf ging naar de AEX. En daarna naar de ABNAMRO.
Ik heb mijn oude Robeco-collega’s nog wel een keer gezien. Dat was tijdens de begrafenis van HK, een vrouw/eeuwig meisje waarover ik in het verleden al het een en ander heb geschreven. Ze was de muze van ons team. Ze was meer dan dat, maar een muze hadden wij nodig, want we waren meer nog dan met ICT, bezig geweest met kunst.
Zo voelde het althans.

TvdB kom ik nog wel eens tegen in cafees in de Amsterdamse binnenstad. 40 jaar ouder geworden in 15 jaar tijd. Het gaat niet goed met hem. Maar hij herkent me nog wel.
“PIA!”, zegt ie dan, met zijn dronken kop.
“PIA!”, zeg ik dan terug.
Dan steekt ie een duim op.
En dan voel ik me goed.

Bon.
Zoals gezegd zei ik “Ach ja”, tegen mijn unitmanager. En liet het Robecoverhaal achterwege.
Dat is het beste.
Want ik wist al wat ie ging zeggen.
“Precies”, zei mijn unitmanger, “de wereld is niet meer zoals vroeger. Het is zakelijker geworden.”
“Ik weet het”, zei ik.
“Kan ik op je rekenen?”
“Je kunt op me rekenen.”

We gaan het zien.