Intakegesprek

Anderhalve week geleden werd ik gebeld door een van mijn 9 managers, de relatiemanager in dit geval. Die overigens niets met mijn prive-relatie te maken heeft, maar wel met die tussen mij en onze klanten.
“Goed nieuws”, zei mijn relatiemanager, “de Rabobank wil je op basis van je CV graag uitnodigen voor een intakegesprek. Het gaat om de functie van General Ledger Controller.”
“General watte?” wilde ik zeggen, maar dat zei ik niet, ik zei: “Prima. Welke datum hebben ze in gedachten voor dat intakegesprek?”
“Aanstaande maandag- of dinsdag-ochtend”, zei mijn relatiemanager, “aan jou de keus.”

Ik moest snel schakelen in mijn gedachten. Maandag leek me niet handig, want op zondagnacht schrijf ik stukjes, en daar drink ik een aardige pils bij.
“Doe maar dinsdag”, zei ik dus.
“Perfect”, zei mijn relatiemanager, “staat genoteerd.”
Ik stopte mijn telefoon weer in mijn broekzak en snorde op mijn PC mijn digitale agenda op om de afspraak te noteren. Pas toen viel mijn oog op mijn activiteit van maandagavond: Festina Lente Poezieslag.
“Kut!” riep ik.
Mijn collega’s keken met vragende gezichten op van hun computers.
“Nee, niks”, zei ik, en verliet het bureaueiland om buiten een sigaretje te gaan roken.

Een intakegesprek op de ochtend na een Festina-avond. Ik zal nu niet op de details van een gemiddelde Festina-avond ingaan, maar ik kan je verzekeren dat hier bepaald geen sprake was van een handige planning.
Enfin.
Afgelopen dinsdagochtend stapte ik uit bad, poetste net zolang mijn tanden tot de batterij van de elektrische borstel leeg was en trok mijn 18 jaar oude, maar zelden gedragen, antraciete pak aan. Plus mijn zwarte gaatjesschoenen van Bally’s die ik afgelopen Koninginnedag voor 3 euro op de kop had getikt.
Daarna liep ik de 4 trappen af, naar mijn 17 jaar oude Volvo 460 die, je zal het altijd zien, deze ochtend volledig was ondergescheten door de een of andere vogelkolonie uit de boom erboven.
Gelukkig hoefde niet mijn auto maar slechts ikzelve te solliciteren, dus ik maakte me er niet te druk om. Ik startte de motor, zette de verwarming op standje jungle, draaide een raam open en rookte onderweg naar Utrecht zoveel mogelijk sigaretten tegen de zenuwen.
Daar aangekomen drukte ik op een verlaten parkeerterreintje van een vage groothandel een halve strip Stimorol uit, en propte het handje kauwgomtabletten in mijn snavel. Ik maalde 5 minuten lang mijn gebit bijkans uit zijn voegen, tot het tijd was om me te melden bij de parkeergarage van de Rabobank.
Ik drukte op het knopje van de intercom bij de slagboom.
“Goedemorgen?” klonk het.
“Goedemorgen”, zei ik, en noemde mijn naam.
“Euh huh, dat kan best, maar weet u zeker dat u hier moet zijn?”
Mijn oog viel op de camera die op de slagboom gericht stond. Waarschijnlijk zaten de portiers zich nu te vergapen aan mijn van vogelpoep doordrenkte carrosserie.
“Absoluut”, zei ik, “ik heb een sollicitatie-afspraak met de heer GV en mevrouw IZ.”
Er volgde onverstaanbaar murmelend overleg aan de andere kant van de lijn. Maar na een halve minuut ging dan toch de slagboom open.
De eerste horde was genomen.

De tweede horde was een gesprek met de eerdergenoemde GV en IZ. Leden van het team waarin ik terecht zou gaan komen. Dat gesprek verliep perfect. Het uur dat voor het gesprek was ingepland vloog om. Ik toonde me een volleerde en uitermate ervaren General Ledger Controller en voor ik het in de smiezen had zaten we te praten over Appelpop. En poetryslam.
“Ja, we hadden je vast even gegoogled”, zei IZ.
“O, haha, ja!” riep ik.

Lieve lezers, ik weet dat het een tijdje een beproeving is geweest om mijn blog te vinden of uberhaupt te bereiken, maar achteraf mag ik de sukkels van web-log.nl op mijn blote knieen danken dat ze de zaak om zeep hebben geholpen, want sindsdien is plukdenacht goddank niet meer de 1e hit als je op mijn naam zoekt. Sterker nog, het is tijdelijk totaal verdwenen voor google.
Een betere samenloop van omstandigheden had ik me niet kunnen wensen.
Wie thans op mijn echte naam zoekt komt netjes terecht op wikipedia (cool!) en ziet verder voornamelijk links die prima door de beugel kunnen voor potentiele werkgevers.
Niet dat ik niet achter mijn plukdenacht weblog sta. Integendeel. Maar het is niet direct een site die geschikt is voor General Ledger Controllers.
Of misschien juist wel.
Sorry, ik dwaal af.

GV en IZ waren erg enthousiast over ons gesprek. “Hierna krijg je nog even een gesprek met onze leidinggevende”, zei IZ, “en met daar weer de leidinggevende van, en dat is een Canadees, dus dat gaat in het Engels, maar dat was je al verteld toch?”
“Sure”, zei ik.
“Het zal maar een kort gesprek zijn denk ik hoor”, zei IZ, “een formaliteit.”
“No problem”, grijnsde ik.
Ik dacht: De opdracht is binnen! Yes!

Dat was buiten die ‘formaliteit’ gerekend. De 3e en laatste horde.
Daar kwamen ze binnen in het zweetkamertje, mevrouw M en de Canadees.
Ik schudde ze de hand.
Mevrouw M lachte daarbij vriendelijk, de Canadees een stuk minder.
Hij keek me enigszins afkeurend aan.
Fuck, dacht ik, het is mijn kapsel. Hij vindt mijn kapsel kut. Ik bedoel, aan de rest kon het op dat moment nog niet liggen.
Voor de mensen die mij niet van uiterlijk kennen: mijn ‘kapsel’ is moeilijk te omschrijven maar laat zich misschien nog het beste schetsen middels de volgende woorden: een ondefinieerbare geplette graspol met weinig gras.
Er zijn dagen dat dat er best geinig uitziet (bijvoorbeeld bij weinig en vooral warm licht), maar meestentijds loop ik danig voor lul. Niet dat ik dat erg vind. Een echte persoonlijkheid heeft immers een apart kapsel, het hoeft niet per se mooi te zijn, als het maar uniek is (dixit Ali B).

Anyway, de Canadees leek er weinig zin in te hebben, het gesprek.
Mevrouw M daarentegen, deed erg haar best. Ze vroeg hoe ik bepaalde situaties zou aanpakken, en als ik vervolgens in hakkelend Engels antwoord gaf, zei ze: “Exactly!”
De Canadees las ondertussen mijn CV door, want dat had ie vantevoren nog niet gedaan.
“It’s in Dutch”, zei ie.
Foutje van mijn relatiemanager. Die had hem uiteraard mijn Engelstalige CV moeten mailen. But no problem, ik vertaalde uit mijn hoofd een korte samenvatting.
“It’s a lot of ICT” zei hij afkeurend.
“Yeah?” zei ik vragend, ik bedoel, ze vroegen toch een ICT-er of was ik nou gek?
“Little accountancy”, verduidelijkte de Canadees.
“I graduated in Econometrics”, zei ik.
Ik zei er nog net niet achteraan: “so there’s your accountancy, *peep* , can’t you read, you *peep* , didn’t you listen, you *peeping peep* !?”
Ik verbeet me en probeerde ondertussen enthousiasme te blijven uitstralen. Enthousiasme is het toverwoord tijdens een intake.

Mevrouw M voelde dat het niet lekker klikte tussen mij en de Canadees. “Econometrics is the most difficult study in the Netherlands”, fluisterde ze tegen ‘m.
De Canadees was not convinced.
Hij deed zijn armen over elkaar en keek me diep in mijn ogen.
“You’re from Amsterdam, I understand?” zei ie.
“Yeah”, zei ik.
“Okay”, zei ie: “How many hairdressers are there in Amsterdam?”

Zie je wel, dacht ik, het is mijn kapsel!
Maar ik ga hier niet de Janlul zitten wezen, ik bewaar mijn cool. Dan maar geen opdracht.
“Ain’t got a clue”, zei ik.
“Yeah, okay”, zei de Canadees, “but let’s say you wanna find out. How would you do that?”
“I’d google it”, zei ik.
“I admit, that’s the best answer”, zei de beste man, hij leek nu zowaar iets enthousiaster te worden, “But let’s say that there ain’t no internet. I’m just curious. What would be your approach?”
Ik vertelde hem dat ik zou beginnen met te achterhalen hoeveel mensen er in Amsterdam wonen. En dat ik vervolgens middels een steekproef zou uitzoeken hoe vaak mensen gemiddeld per jaar naar de kapper gaan.
“And then?”
“Als je dan weet hoeveel knipbeurten een kapper per werkdag aankan, dan kun je het uitrekenen”, zei ik, “aangenomen dat er sprake is van een perfecte marktsituatie.”
Dat laatste is een economendingetje. Economen gaan altijd uit van een perfecte marktsituatie. Die er uiteraard in de realiteit nooit is, maar dat voert te ver voor een sollicitatiegesprek.
In een sollicitatiegesprek gaat het erom dat je vertelt wat ze willen horen. En vooral dat je laat merken dat je snapt wat ze willen horen.
“No further questions”, zei de Canadees.

Afgelopen donderdag werd ik opnieuw gebeld door mijn relatiemanager.
“Goed nieuws!” zei ie, “je hebt blijkbaar een geweldige intake gedaan, want ik ben zojuist gebeld door de Rabobank en je hebt de opdracht!”

Dus vanaf volgende week zit ik daar.
Spannend.

Advertisements

Weeseilandje

Afgelopen maandag zat ik in een verscholen uithoekje van het overvolle ABNAMRO-kantoor aan de Foppingadreef twee werkstations gebruikersklaar te maken, met het plan om daar vervolgens mijn opvolger te gaan inwerken. Het is mijn favoriete plek in het gebouw: een onverlicht, weesachtig kantooreilandje dat op de 1 of andere manier nooit aan een specifieke afdeling is toegewezen.
Het ontbeert een werkende printer, het ontbeert een nabij gelegen toiletunit, maar het biedt daarentegen een functionerende koffieautomaat en bovenal een oase van rust.

Ik heb in het verleden twee jaar lang op het weeseilandje gebivakkeerd. Het was ideaal. Ik had 5 computers tot mijn beschikking. Ik werkte er op 2 tegelijk (terwijl op de ene bijvoorbeeld een conversiescript werd uitgevoerd, programmeerde ik op de andere alweer het volgende), en op een derde draaide ik afentoe een youtube filmpje en/of muziek. King of the world, was ik. En nuttig op de koop toe. Ik runde inmiddels in mijn eentje een applicatie voor 400 medewerkers, waar jaarlijks 70 miljoen euro in om ging. Nooit zijn er problemen mee geweest, wat een wonder is in de ICT. Alles ging al 6 jaar lang alleen maar goed, totdat mijn toenmalige toegewezen leidinggevende op een slechte dag ontdekte waar ik uithing, en me sommeerde om per direct te verkassen naar de kantoortuin van zijn eigen afdeling.
“Maar daar is geen plaats!” wierp ik tegen.
“Wel als je vroeger begint”, zei mijn leidinggevende, “als je er voor half 9 bent, is er meestal nog wel een flexplek”.

Die was er inderdaad, pal naast de continu ratelende afdelingsprinter en midden tussen de nonstop kwekkende campagnemanagesters die, als ze niet praatten over hun babybesognes, wel klaagden over hun werkrooster. Uren waren ze kwijt met het aan elkaar vertellen hoe druk ze het wel niet hadden.
Dat is niet prettig als je zelf wel echt wil/moet werken.
“Volgens mij werk ik efficienter op mijn oude plek”, zei ik na een paar dagen tegen mijn toegewezen leidinggevende.
“Dat kan ik me voorstellen”, zei hij.
“Mooi”, zei ik, “dus..”
“Dus jij blijft gewoon hier op de afdeling zitten.”
“?”
“En ik wil dat je voortaan exact opschrijft wat je nu allemaal precies uitvoert, en dat wekelijks aan mij rapporteert.”
“Maar..”
“Niks maar.”

Een autoritaire man. Okay. Ik ben de beroerdste niet. Ik bleef op de kutste flexplek van die afdeling zitten en maakte wekelijks een activiteitenrapport.
In mijn werk zelf had ik niet al te gek veel zin meer, en ik deed nog slechts het hoogst noodzakelijke. Wat overigens nog steeds ruim voldoende was om over te rapporteren.
“En?” vroeg ik na een paar weken, “ben je tevreden over de activiteitenrapporten?”
Mijn leidinggevende keek me wazig aan.
“Die ik je wekelijks mail”, verduidelijkte ik.
“Euh, ja, Sem, of hoe heet je ook alweer, ja, daar ben ik inderdaad zeer tevreden over, ga zo door, maar nu moet ik naar een vergadering.”

Ik geloof niet dat hij ze ooit daadwerkelijk heeft gelezen, mijn activiteitenrapporten. Ooit heb ik met de gedachte gespeeld om er ‘Blauwe M&M’s sorteren: 2 uur’ op te zetten, als knipoog naar de bekende anekdote uit de popfestivalwereld, gewoon als check. Maar ik heb het niet gedurfd.

We zijn nu een paar jaar verder. De toenmalige leidinggevende is inmiddels weggedegradeerd naar de kloterigste mini-afdeling die er binnen de hele bank bestaat.
Ikzelf koop daar niets voor.
De lol is er af voor mij, bij de ABNAMRO.
Al een tijdje.

Dus ik ga wat anders doen. Wat weet ik nog niet precies. Wel dat het spannende tijden zijn. Aanstaande dinsdag heb ik een intakegesprek bij de Rabo. De concurrent.
Heftig.
Ik bedoel, ik ben nog van de oude stempel. Uit de tijd van dat mensen nog hart hadden voor de zaak. Loyaal waren. Ik weet dat zulks tegenwoordig zwaar achterhaald is, maar desalniettemin voel ik me toch een beetje als Johan Cruijff in 1983.
Feijenoord.
Die gek pakte nog de dubbel ook, dat seizoen.
Terwijl zijn hart bij Ajax lag.
En daarom juist. Teleurstelling over gebrek aan waardering. Dus wat doe je dan, “als je dus in wezen in principe de kwaliteiten daarvoor heb?” Precies! Wraak!

Zelf geloof ik niet in wraak, hoe zoet die ook kan zijn.
Dus werk ik mijn vervanger bij de ABNAMRO zo goed mogelijk in. En waar kan dat beter dan op het weeseilandje.

Nadat ik afgelopen maandag eindelijk alle netwerkkabels in de juiste poortjes had geplugd, en muizen, toetsenborden, etc had aangesloten, kwam er een man het weeseilandje opgelopen.
Het was LV. LV zit ook wel eens op het weeseilandje. Net als sommige andere veteranen.
LV is een ras-Amsterdammer van bijna 65 die al bijna zijn hele leven bij de bank werkt. Daarnaast rommelt ie prive nog wat aan met tweedehands auto’s en vastgoed, maar bovenal is het een man die het klappen van de zweep kent. Hij is 1 van de weinigen die alle reorganisaties heeft overleefd. Voorwaar een prestatie op zijn leeftijd.

“Hey gozer, zit je weer eens hier?” vroeg LV, “Haha, ik dacht dat je voorgoed verbannen was naar de vleugel van die druiloor, hoe heet ie ook alweer?”
“*****”, zei ik.
“Ja, *****! Maar die hebben ze gedumpt, heb ik vernomen, dus jij dacht natuurlijk: Kaasie! Ik ga weer mooi naar mijn ouwe stekkie!”
“Nou…”, zei ik.
“Je heb groot gelijk gozer! As ik, persoonlijk dan he, met die *****..”
“Ik vertrek binnenkort” onderbrak ik LV
“Je watte?”
“Ik ga weg bij de bank.”
“Maar dat ken toch helegaar niet? Wie moet dan..”
“Een vervanger”, zei ik, “er komt een vervanger.”
“Niemand ken jou vervangen.”
“Niemand is onmisbaar”, zei ik, organisatietheorieboekjes oplepelend.
LV haalde zijn schouders op; “als je het niet erg vindt dat de hele zaak naar de klote gaat misschien niet, nee.”
Ik zweeg.
“Je hebt het evengoed nog lang volgehouden”, zei LV.
“Jij anders ook”, zei ik.
Nu was het de beurt aan LV om even te zwijgen.

“Rook je nog steeds?” vroeg LV, terwijl ie zijn pakje Marlboro uit zijn colbert viste.
Ik knikte en we liepen naar buiten.

Daar wisten we niets meer te zeggen.
Dat hoefde ook niet.
We wisten genoeg.

Toen ik mijn peuk uitdrukte en aanstalten maakte om weer naarbinnen te lopen zei LV: “Het is zonde dat je weggaat”.
“Ik weet het”, zei ik.

Even later ging mijn mobiele telefoon. Het was mijn vervanger.
Ik haalde hem op bij de receptie, nam hem mee naar het weeseilandje en werkte hem in.
“Mooie locatie”, zei ie.
Aardige jongen.

Nogmaals welkom

Welkom in Idiocraty, the sequel. Twee weken geleden probeerde ik op mijn ter ziele gaande plukdenacht.weblog een verhuisbericht te plaatsen, om mijn ouwe trouwe lezers op de hoogte te stellen van de nieuwe locatie.

Dat leek op mijn eigen computer te zijn gelukt. Op die van een paar andere trouwe volgers eveneens, getuige de bezoekersaantallen op deze nieuwe site.
Echter. Uit het dagelijkse en werkelijke leven kwam een heel ander beeld tevoorschijn.

Met de woorden “Waarom schrijf je niet meer?” schoot een dichter mij afgelopen woensdag aan op het Dichtersbal in de Stadsschouwburg.
“Ik schrijf me gek, hoezo?”, repliceerde ik.
“Ik zag afgelopen maandag geen nieuw stukje op je site”, zei de conversatie-initiator.
“Heb je mijn verhuisbericht niet gelezen dan?”, vroeg ik, “met de nieuwe locatie?”
“Welke verhuisbericht?”
“Nou deze”, zei ik. Ik googlede het ouwe trouwe plukdenacht.weblog tevoorschijn en hield mijn smartphone voor zijn snufferd.

De desbetreffende dichter tuurde op mijn schermpje en trok een wenkbrouw op.
“Wat is er?”, zei ik.
“Ik zie geen verhuisbericht.”
“Nou ja”, zei ik, “Kun je niet lezen? Dat lijkt me sterk aangezien je toch zelf gedichten..”
De dichter keek nog eens goed, maar bleef me vervolgens vreemd aankoekeloeren.
Waarop ik besloot zelf maar eens op mijn schermpje te kijken.
“Verrek”, concludeerde ik verbaasd, “er staat geen verhuisbericht, laat staan een nieuwe locatie.”
“Pff, gelukkig”, zei de dichter, “ik dacht even dat ik een diepere laag over het hoofd had gezien, ja zelfs hield ik rekening met de mogelijkheid dat ik op slag volslagen krankzinnig was geworden, wat trouwens op zich zeer welkom zou wezen, want ik zit met een deadline voor een nieuwe bundel en..”
“Maak je geen zorgen”, zei ik, “of wel, maar krankzinnig ben je geenszins. De krankzinnigen, dat zijn de anderen.”
“Slechte Sartre-grap”, glimlachte de dichter.
“Da is”, zei ik op z’n Tiels.

Maar het is wel waar. Weblog.nl heeft het weer eens voor elkaar. Elk nieuw bericht dat je tegenwoordig nog probeert te plaatsen wordt wel op je eigen computer getoond, maar niet aan de rest van de wereld. Tenzij die lezer via een ingewikkelde omweg op archieven gaat klikken (danwel iets met een archieven-link in zijn/haar computergeheugen heeft zitten; de wegen van de ICT zijn ondoorgrondelijk).
“Op archieven klikken om iets nieuws te zien, het is de wereld op zijn kop”, zou een populistische politicus zeggen. Of een politicus tout court.
Zelf zit ik er vooral mee dat ik twee weken om de tuin ben geleid. Dat ik in de veronderstelling verkeerde dat het verhuisbericht goed was doorgekomen, maar dat dit dus in feite compleet niet het geval was.

Enfin.
Nieuwe berichten plaatsen danwel wijzigen is op het oude weblog.nl officieel nog steeds onmogelijk. Maar via wat hackwerk (17 jaar hands-on-ervaring) heb ik nu hopelijk toch het oorspronkelijke verhuisbericht voor alle lezers zichtbaar gemaakt.
Dus nogmaals welkom lieve lezers.(Vergeet het maar, blijkt intussen; het werkte voor een moment, maar er loopt een automatische serverrun die alles wat het laatste uur veranderd is, zelfs in de metadata, rucksichtslos terugdraait, dus fuck. Truc mislukt (‘Troek misloek’ in TurkTiels). Uiteindelijk. Anyway.)

Voor de allertrouwste lezers die deze nieuwe locatie al wel hadden ontdekt: Ik hou van jullie!
Speciaal voor jullie een foto uit Tiel van vandaag:

hoog water Tiel

Over hoe het niet meevalt het hoofd boven water, etc.
En dan heb ik het niet per se over dit weblog. Er komen spannende tijden aan.

Wordt vervolgd.