Welkom

Heel fijn, trouwe plukdenachtlezers, dat jullie met me mee zijn verhuisd. Dank daarvoor!

Wat kunnen jullie hier verwachten?
Nou eigenlijk gewoon hetzelfde als voorheen op plukdenacht.weblog.nl. Oftewel, zoals dichter/zanger Boris de Jong het noemt: “Taoistisch, in alcohol gedrenkt, tegen ons aller burgermans-lot schoppend, uitstekend geschreven gemijmer”.
Of, zoals ik het zelf zeg: Elke zondagnacht een stukje.

Deze week heb ik overigens weinig te melden. Ik ben kapot. De hele dag ben ik bezig geweest om deze nieuwe site er zoveel mogelijk uit te laten zien als de vorige. Plus dat ik op de koop toe de hele historie (blogjes 2005 t/m 2012, inclusief reacties) heb weten te importeren.

Was dit een werkgerelateerde opdracht geweest, dan had men mij nu op de schouders gehesen, en vervolgens de afdelingssecretaresse opdracht gegeven de betere sushi-traiteur en champagne-cateraar te bellen, en de kantoortuin met feestelijke vaantjes te decoreren, want zo vaak lukt het niet in deze sector, om de schade van een major ICT-fuckup (lees dat van weblog.nl) middels een eenmansactie binnen 1 dag te neutraliseren.

Over werk gesproken. Er zijn spannende ontwikkelingen gaande. Afgelopen vrijdag (mijn officiele vrije dag, waar ik maandelijks 1196 euro voor betaal, maar dat terzijde) met 5 van de 8 van mijn diverse managers lange telefoongesprekken gevoerd. In het kort komt het erop neer dat mijn contractmanager en de relatiemanager van mijn detacheringsbedrijf het voor de zoveelste keer hadden verkloot tijdens de onderhandelingen met mijn afdelingsmanager van de ABNAMRO, waarna ik met mijn unitmanager en mijn center of excellence-manager heb geprobeerd te doen aan damagecontrol, om vervolgens, of nou ja, laat ik het jullie allemaal ook maar besparen.

Wat ik wil zeggen: Ik word daar zo moe van. 8 managers die ooit in het leven zijn geroepen om mij, als functioneel werkende, het leven makkelijker te maken, zodat ik mijn werk beter kan doen. Maar in de praktijk ben ik de helft van mijn werktijd kwijt om ze van gewenste managementinfo te voorzien, en moet ik vervolgens ook nog eens in mijn vrije tijd hun werk opknappen.

Fuck that, zou ik graag zeggen, maar het beroerde is, dat als ik het niet doe, ik zelf de lul ben.

Vandaag las ik, door eerder genoemde omstandigheden, wat oude stukjes door. Uit 2005, toen ik dit weblog begon.
En zo te lezen was het toen allemaal niet veel beter.
Dus het adagium dat vroeger alles etc, doet geen opgeld, wellicht.
Grappig om dat in retrospect door jezelf ingepeperd te krijgen, als die-hard nostalgicus.

Hoewel, als ik mijn schriftelijke dagboeken uit de tachtigerjaren van de vorige eeuw..

Enfin. In 2005 troostte ik mezelf voor de hele kutzooi met de in bloei staande narcissen op mijn dakterras.
Vanmiddag, in 2013, terwijl ik dus bezig was met het redden van dit weblog, het peinzen over mijn werk, en het prakizeren over de zorgelijke mondiale ontwikkelingen in het algemeen, smolt op het dakterras de sneeuw voor mijn ogen.
Boven de zich openbarende aarde, staken groene kopjes uit. Narcissen.
Ik trok een pils open, en proostte naar ze.

Nee, er is niets veranderd.

Nogmaals welkom.

Advertisements

Cowboy

Gisteren stond ik rond een uurtje of 13.30 op de tramhalte voor de revalidatiekliniek aan de Overtoom. Ik was nerveus, want de tram kwam maar niet opdagen, en ik wilde echt om 14.07 de trein halen naar Groningen. Dus ik stak een shagje op. Sowieso een slim plan, want zodadelijk zou ik ruim 2 uur achter elkaar niet kunnen roken.
Naast me kwam een man staan. Een lange man. Met laarzen van slangenleer, een spijkerbroek met wijduitlopende pijpen, een lange suede jas en een JR-hoed op zijn kop. Door zijn jas kon ik niet goed zien of hij holsters rond zijn heupen droeg, maar het was ontegenzeggelijk een cowboy.
De cowboy draaide een zware Brandaris, zette hem met een Zippo in de hens en keek vervolgens uitermate geconcentreerd naar niets, zoals cowboys dat zo goed kunnen.

Toen we ons shaggie bijna ophadden draaiden we er nog 1. En staken die in de brand met het uiteinde van de vorige.
Dat zie ik niet vaak, mensen die net als ik, letterlijk kettingroken.
‘Misschien moet hij ook naar Noorderslag’, bedacht ik, ‘en staat hij ook alvast voor te roken omdat ie zo 2 uur in de trein moet zitten’, maar verwierp deze onzinnige breinflits direct daarna. Met de zelfcorrectie ‘Dat iemand, net zoals jij, heel veel rookt, hoeft niet per se te betekenen dat hij dan ook maar meteen de rest van je hobbies er op na houdt’, bracht ik mijn hersens weer in gezonde balans.

En daar kwam dan toch eindelijk de tram. We stapten in. Een kleinhalf uurtje later rende ik met een lekkende Koffie Verkeerd naar de rookpaal op spoor 10. Althans, dat was het plan. Maar er was geen rookpaal. Wel stond er een cowboy. Mijn cowboy. Hij rookte.
Ik besloot dat een rokende cowboy ook een rookpaal is, stak op, en kon nog net 3 trekjes nemen voordat ik tussen de sluitende deuren de trein in sprong.
Terwijl we oostwaarts reden keek ik achterom naar het perron waar ik de cowboy nog net een verse Brandaris zag rollen.

In Groningen dropte ik mijn rugzak in hotel Friesland (het sjofelste hotel in het centrum – ik ben gek op sjofel, en ook op het centrum, dus voila), en liep naar grand cafe de 3 Gezusters (die wij in Tiel altijd ‘de 3 tieten’ noemen, wat vrij inconsequent is, want het zijn er dus 6, maar als je zegt ‘de 6 tieten’, weet niemand in Groningen welk cafe je bedoelt, en hoe je er ook alweer naartoe moest lopen) op de Grote Markt, waar ik om 17.00 een stuk of 15 van mijn Appelpopvrienden zou treffen.
Mijn Appelpopvrienden waren al wat langer in Groningen, want die hadden vanaf woensdagavond ook festival Eurosonic meegepikt.
Dat was te merken trouwens, viel me op, terwijl ik ze begroette. Ze zaten in het ‘sport’-gedeelte van de 3 tieten, dat is de plek waar elke vierkante centimeter muur wordt bezet door een stuk of 4 megagrote flatscreens, waarop je tegelijkertijd het schaatsen, voetbal, darten en weetikveel, cricket, kunt volgen. Mijn vrienden staarden met afwezige glazige oogjes naar het cricket. Of eigenlijk keken ze naar niets. Een beetje zoals de cowboy, maar dan minder op hun qui vive.
Zombies.
Dus die moeten het gezellig hebben gehad, de dagen ervoor, realiseerde ik me. Ze lustten ook bijna geen bier meer. Daar waar we normaal op de dag van Noorderslag tussen 17.00 en 18.00 een stuk of 6 halve liters de man wegtikken, bleef het nu bij een beschaafd en enkel glaasje.

Pas toen we gingen eten kwam er weer een beetje leven in de mannen. En vrouwen niet te vergeten. Tegenwoordig gaan er namelijk ook Appelpopmeisjes mee naar Groningen. Of nou ja, meisjes. Meskes, zoals wij in Tiel zeggen. Het verschil tussen een meisje en een meske laat zich goed illustreren door de volgende restaurantscene van gisteren, bij de Italiaan.

“En oe, wat wil oe drink’n”, vroeg de serveerster aan een van de meskes, die tijdens het eten tegenover mij zat.
“Doe de gai mai moar unnene Aistie”, zei het Appelpopmeske.
De serveerster fronstte even haar wenkbrauwen, maar slaagde er vervolgens toch in om zonder googletranslate te raadplegen te snappen wat er werd bedoeld.
“Heel goed, een Icetea veur oe, wilt oe die met of zonder bubbl’s?”, vroeg de serveerster.
“Mooooaaaah, da mak me nie so veul uit, wah, wittewah, doe moar zonder. A’k dan toch nog bubbels wil, dan loat ik er wel unnene scheet in.”

Meskes. Een volk apart.

Niet dat de mannen veel beter zijn. Vriend Johan moet hem elk jaar weer maken. Zijn grap.
“En wat wilt oe voor een hoofdgerecht, meneer?” vroeg de serveerster aan Johan.
“Ik wil groag een bord dôt dier.”
Let op, dat is nog niet de grap.
“?” vroeg de serveerster.
“Ik wil groag zo veul mogelijk dôde dieren ête”, verklaarde Johan zich nader.
De serveerster knikte nu begrijpend, “dan kan ik oe de mií grill aanrad’n”, zei ze.
“Da’s goe”, zei Johan.
Let op, nu komt ie.
“Wilt oe daar salade bij?”
“Zitten daar vitamines in?”
“Euh, ja?”, zei de serveerster.
“Nee, die mag ik niet van de dokter.”

Elk jaar.

Ik ben gek op Tiel. Maar je moet er wel wat bij drinken. Dus toen de serveerster bij mij kwam voor het voorgerecht, bestelde ik een karafje rode wijn.
“Voor de drankjes kom ik zo”, zei ze, “ik kom nu voor het voorgerecht.”
“Voor mij is dat een karafje rode wijn”, herhaalde ik.
“Dat is geen et’n.”
“Ik ben ook niet zo’n eter”, zei ik.
“Okay”, noteerde de serveerster schouderophalend, en legde zich definitief neer bij de loop der dingen.

Ik kreeg een liter. Een hele liter. Slechte wijn, maar daar ging het me niet om. Het ging om de procenten. En die deden het goed. In het hoofdgerecht dat ik vervolgens voorgeschoteld kreeg (Spagetti frutti de mare – wat kan je daar in godsnaam aan verknallen zou je denken, nou dit:) leek al het zout van de 7 wereldzeeen te zijn verzameld, dus dat heb ik laten staan, wel heb ik nog een Irish coffee gedronken.
En pas daarna was ik genoeg naar de vaantjes om weer normaal te kunnen functioneren.

Op en top in mijn festivalmodus t.i. Of in ieder geval enthousiast, nieuwsgierig, en overtuigd van de geruststellende gedachte dat iedereen lief is, en verrassend mooi, en dat mijn leven zin had, en meer van dat soort antwoorden op existentiele vragen.

Ik heb een hoop bandjes gezien. As ever. Veel weet ik er niet meer van, though. Behalve dat Navarone ‘Whole lotta love’ van Led Zeppelin coverde, en dat ze daar vet veel wahwah bij gebruikten.
Ik kwam bijkans klaar.
“Niet 1, niet 2, maar 3 crybabies” (wahwahpedaalmerk van Hendrix), twitterde ik, wat ik toen absoluut geloofde. Misschien zie ik dubbel, dacht ik nog, maar verwierp dat, want wie heeft er nu anderhalf wahwah-pedaal?
Ergo.
Nu ik de foto terugzie zijn er wel wahwah-pedalen, maar is er geen enkele originele Crybaby bij. Geloof ik.
Het doet er niet toe. Zo klonk het wel.

Navarone 

Er valt qua wahwah op youtube niet zo heel veel lekkers van Navarone terug te vinden. Ja, misschien de eerste minuut van deze:

http://www.youtube.com/watch?v=dDJApBFBBmw

Let ook op de gajatte solo verderop, van Tupelo Honey (zoek maar op; nee, niet als geboorteplaats van Elvis, en ook niet als LP van Van-the-man, maar gewoon bandje uit Helmond, begin negentiger jaren vorige eeuw, solo = intro van ‘Judy’)
 
Pfoe, genoeg Leo Blokhuis, terug naar Groningen. Het was 4.00 a.m. Ik had zojuist het duo van ‘Orgelvreten’ (100% Hammond, en dat is na wahwah mijn favoriete geluid) het festival zien afsluiten en stond buiten.
In de kou.
Alleen.
De rest van Tiel was al hotelwaarts gekeerd.
Hoe nu?
Mijn telefoon was leeg.
Geen vrienden, geen googlemaps.
Slechts me, myself and I, en mijn zwaar beschonken persoonlijkheid.

“Weet u misschien de 3 tieten?”, vroeg ik aan een mevrouw van de beveiliging.
Ze gaf geen antwoord, en staarde strak voor zich uit.
Dat schoot niet op.

Uiteindelijk vond ik de FEBO, de snackbar op de hoek van de Grote Markt. De plek waar heel Noorderslag zich rond vijven verzamelt.
Voor de vorm trok ik ook iets. Een bamiblok geloof ik, of een nasischijf. De rest was op.
Ik liet hem me smaken.
Zo, dacht ik. Vanaf hier weet ik de weg wel.

Ik wist ‘m niet.
Ik wist m zo ontzettend niet.
Ja fuck, dacht ik, toen ik voor de zoveelste keer verdwaald was en in de een of andere buitenwijk terecht was gekomen, ik moet een slim plan maken.

Dus wat deed ik? Juist! En ik vind dus echt dat deze moet worden opgenomen in het woudlopersboek van de neefjes Duck: Ik liep terug naar de FEBO en maakte een cirkel!
Geniaal!
Ik wist tenslotte dat ik in het centrum moest zijn. Eerst een kleine cirkel. Daarna een iets grotere. Vervolgens een nog iets grotere.
Net zolang tot ik iets herkende.
En verdomd. Daar was de HEMA!
Vanaf de HEMA wist ik het. Eerste rechtsaf, en verder niks meer aan doen.

5 minuten later kwam ik aan bij hotel Friesland. Yes!
Met m’n zatte kop probeerde ik de voordeur open te krijgen met de speciale ‘nachtsleutel’.
Ik kreeg m er niet in.
“Heb jij een nachtsleutel?” vroeg iemand.
Ik keek achterom.
Het was de cowboy.
Serieus.
“Ik verzin dit niet”, om met Sylvia Witteman te spreken.
Ongelooflijk. Achter me stond de cowboy.
Ik herpakte me van de schrik en probeerde me de voorgaande seconden te herinneren. De conversatie adequaat voort te zetten, zogezegd. Dat lukte.
“Ik wel”, zei ik.
“Ik niet”, zei de cowboy, “maar ik heb wel een kamer.”
“Vertel me niks”, zei ik, “dat heb ik ook zo ontzettend vaak meegemaakt!”

Breek me alsjeblieft de bek niet open.
Visioenen. Iets met ochtendgloren. Iets met stoeptegels. Iets met wreed gewekte Tielse meskes en geworpen nachtsleutels uit ramen.
“Maak je geen zorgen!”, riep ik tegen de cowboy.
“Dat doe ik wel”, zei ie.
“Hoezo?”
“Je probeert de nachtsleutel er op z’n kop in te douwen.”
“Is dat zo?”
“Dat is zo.”

Het was zo. 

De cowboy opende de voordeur.
“Welterusten”, zei ie, “en bedankt.”
“Ja, welterusten”, zei ik.

Daarna liep ik naar mijn kamer, stak mijn telefoon in de oplader en trok een pils open. Rookte een sigaretje uit het raam.
Vervolgens smste ik nog wat vage dingen naar bekenden waarvan ik enorm hield.

Ik was gelukkig.

Eenmalige premiere

Ik ga het kort houden vannacht, lieve lezers. Dit weekend druk bezig geweest met het schrijven van een stadsgedicht dat ik morgen moet voordragen tijdens de publieke nieuwjaarsreceptie van de Gemeente Tiel.
Dat klinkt als een lullig gebeurtenisje, maar dat is het niet. Vorig jaar waren er 500 bezoekers. Inclusief mijn moeder. Met name dat laatste maakt het altijd eng. Niemand wil voor het oog van zijn moeder afgaan als een gieter, terwijl tout Tiel, waaronder een hoop procenten van haar sociale omgeving, gretige getuige is.

Om het nog erger te maken, is het dit jaar de bedoeling dat mijn stadsgedicht onderdeel uitmaakt van een geinig stukje cabaret dat wordt verzorgd door 2 gemeenteraadsleden.
“Het lijkt me leuk als je in het midden van ons cabaretgedeelte voor de receptie een rap doet”, mailde 1 van de gemeenteraadsleden. Die overigens een goede vriend is van mijn moeder.
“Geen probleem”, mailde ik terug.
Dat was half november.

Wat zal ik zeggen? Ik begin altijd te laat met dingen. Dat komt meestal doordat ik het te druk heb. Vooral met dingen die ik in een eerdere fase heb uitgesteld.
Ik was dit weekend kortom vies de lul.

Cabaret. Ik ben gek op cabaret. Om naar te kijken alleszins. Naar te luisteren desnoods. Maar maken is iets anders. Grappig zijn op het podium. En dat dan vantevoren uitschrijven.
Het lukte me niet.
“Godverdomme, wat is dit voor een kutvak!” schreeuwde ik naar de Almachtige, terwijl ik op het punt stond om in de glazen opbouw van mijn woning, mijn laptop door een van de ramen te keilen.
“Blijkbaar niet echt dat je zeg maar zegt, echt mijn ding”, zei ie terug.
“Bepaald niet, inderdaad!”, riep ik.
Daarna bleef het stil.

Ja, kut.

Bon. Naar rap luisteren dan maar. Ter inspiratie. Ik bleef hangen in “Open letter to NYC” van de Beastie Boys.

Dear New York
I know a lot has changed
Two towers down
But we’re still in the game

Kan ik hier iets mee voor Tiel? zat ik te peinzen.
Lastig.
Nu is Tiel vergelijken met New York City sowieso al een uitdaging, maar ik bedacht me bovendien dat ik dit vorig jaar al had gedaan. Als stadsdichter. Een verhaal over oorlogsverleden, wederopbouw en herpakt optimisme.
Best knap gevonden destijds, besloot ik gisteren.
Maar goed, daar had ik nu geen fuck aan, want dergelijke thematiek is weinig cabaratesk.

Ik moest iets nieuws.
Maar ik wist niets nieuws.
Want er is zoals gewoonlijk het afgelopen jaar geen klote gebeurd in Tiel.

Ik had het aan mijn moeder gevraagd, mijn zusje, mijn beste vriend, aan iedereen.
En iedereen haalde zijn schouders op.
“Poe, iets gebeurd in Tiel? Het afgelopen jaar, vroeg je? Euh, nee. Niet echt.”

Toch heb ik er uiteindelijk nog een tekst van 138 regels van weten te maken. Een rap die bij vlagen ook nog grappig is op de koop toe.
Maar die tegelijkertijd staat of valt bij de mate waarin ik ‘m uit mijn hoofd ken.

Ik geef cabaratesk af op de seniliteit en vooral de gedateerdheid van het gemeentebestuur.
Als ik morgen mijn tekst kwijtraak ben ik enorm de Sjaak.
Sta ik onnoemelijk voor lul.

Waarom doe ik mezelf dit in godsnaam aan? Ik weet het niet. Behalve dat het een feit is.
Ik tart blijkbaar graag het lot.
Dus ik ga nu met mijn dronken kop 138 regels uit mijn hoofd leren.
4000 woordjes. In de juiste volgorde.

Het lijkt kansloos. En dat is het waarschijnlijk ook.
Maar je weet nooit.
Misschien gebeurt er iets.