De Donkere Dagen voor Kerst

Vanmiddag was ik op een High Tea, en wel in het Glazen Huis. Nee, niet dat ding in Enschede waar DJ’s Giel Beelen en Gerard Ekdom 7 dagen niet eten om babysterfte tegen te gaan of zoiets, maar het Glazen Huis in het Amstelpark, waar regelmatig exposities worden georganiseerd van en door beeldend kunstenaars. Wij kregen wel te eten:

[FOTO toevoegen kan dus tijdelijk niet; bij weblog.nl. Mooi kut. Enfin doe maar net of hier een foto staat van een geweldige High Tea-tafel met veel geglazuurde taartjes]

Als je naar bovenstaande foto kijkt dan zul je in eerste instantie wellicht denken: “die vieze vuile kunstenaars hebben het weer goed voor elkaar voor zichzelf, die flikkers.”
En dat is natuurlijk ook zo.
Aan de andere kant, als je met een Hans Aarsman (die fotoforensisch onderzoeker van de Volkskrant)-blik naar het plaatje kijkt, dan vallen er misschien heel andere dingen op (geen kapstok, geen schoteltjes, amper stoelen – alles voor het oog, nul voor comfort; oftewel kunst).
Al te diep wil er niet op ingaan, maar de aanleiding voor de High Tea was niet al te vrolijk. Het was een afscheidsfeestje. Stadsdeel Amsterdam Zuid (maar dat had je al geraden; kind met half lang haar – Hans Aarsman: check) had besloten dat de Stichting van kunstenaars die het de afgelopen 4 jaar met succes had georganiseerd, toe was aan vervanging door een echt bedrijf, omdat het stadsdeel “een ambitieuzere invulling” voor ogen had, “om stadsdeel Zuid internationaal op de kaart te zetten”.

Dat ambitieuze bedrijf werd gevonden in de vorm van ICY2 (“I see you too”), en daar is het stadsdeel een contract mee aangegaan. Maar vooralsnog wil het niet zo vlotten met de uitwerking van de kek gepresenteerde, maar in de praktijk toch best vage plannen van ICU2, en staan de expositie-ruimtes in het Amstelpark het komende half jaar leeg.
En waarschijnlijk zullen ze dat ook daarna blijven.
Doodzonde.

Het deed me denken aan mijn eigen baantje/detacheringsopdracht bij de ABNAMRO. Daar zijn ze een half jaar geleden een project gestart om de applicatie die ik beheer te vervangen. Een applicatie die precies doet wat ie moet doen, en die ze niks kost, behalve het betalen van mij via een detacheringsbedrijf.
“Die applicatie is niet meer van deze tijd”, zeiden ze.
“Waarom niet?” vroeg ik.
“Omdat ie al 8 jaar oud is.”
“Maar hij doet wat hij moet doen, toch? En ik heb hem in de loop van de tijd aangepast aan de veranderingen in het werkproces.”
“Zeker”.
“Wat is dan het probleem?”
“Een applicatie van 8 jaar oud moeten we niet meer willen met zijn allen.”
“Waarom niet?”
“Omdat dat oud is.”
“En oud is slecht?”
“Oud is slecht.”
“Waarom?”
“Daarom, en nu moet ik naar een andere meeting, doei.”

Oud.
Voor de vervanging van mijn applicatie hebben ze een budget van 4 miljoen euro vrijgemaakt.
Best cool.
Zoveel zijn ik en mijn applicatie blijkbaar waard.
Jammer alleen dat ik daar zelf geen fuck van terugzie, maar dat terzijde.

Enfin, vooralsnog hebben ze mijn contract voor de zekerheid toch nog maar met een jaar verlengd. Zij het met een dagje minder in de week. Ik betwijfel of mijn detacheringsbedrijf daarmee akkoord gaat, maar los daarvan: voorlopig ben ik dus nog even onder de pannen. Zal ik in ieder geval niet ontslagen worden, zo lijkt het.

En dat is goed nieuws, zo tijdens de donkere dagen voor kerst. Maar knagen doet het wel. Gebrek aan waardering. Mij hoor je er doorgaans niet over. Ik drink thuis een pils en het doet me vervolgens geen zak meer. Voor de aangename dingen in het leven heb ik genoeg andere bezigheden dan werk.

Zoals bijvoorbeeld het bijwonen van High Teas in de culturele sector.
Maar ook: KERST! Ik ben in tegenstelling tot veel van jullie dol op Kerst. Familie, ik kan er geen genoeg van krijgen. Ik heb bij mijn moeder bijkans gebedeld of ze dit jaar weer bij haar thuis 1e kerstdag een diner kon doen waarbij iedereen zou komen. Tantes, ooms, de hele mikmak. En met een echte boom, want mijn broertje, waar we de 2e kerstdag zitten, heeft doorgaans geen- of een kunst-boom, en dat trek ik dus niet.
Een echte boom wil ik. Net als vroeger. Toen alles beter was. En iedereen lief, en zorgzaam en oprecht en naief, en met een goed verzorgd pensioen enzo, en dat ik toen dacht: Het is niet erg om later oud te worden.
Dat gevoel, dat wil ik eindeloos herbeleven. En dat krijg ik als ik met de oudere familie ben.
Paar drankjes erin bij mijn ooms en tantes, en hoppakee, de jaren 70 zijn weer terug. Heerlijk. Aangenaam. Zorgeloos.

Mijn moeder heeft het geregeld.
Hulde en dank.
Ik heb een goede kerst voor de boeg.

Maar ik ben de beroerdse niet. Ik denk ook aan jullie. Voor wie er iets minder zin in heeft, die hele toestand, en voor wie het allemaal maar een hypocriet gedoe vindt, heb ik een liedje van mijn favoriete singer/songwriter allertijden in de aanbieding. Het betreft een nummer van de ex-zanger van ‘s Neerlands beste band ooit, de Fatal Flowers. Het gaat kortom om niemand minder dan Richard Janssen.

Ik heb het nummer ooit live mogen zien in Paradiso, pakweg 15 jaar geleden. Destijds had ie een koortje van ca 25 kinderen mee, en trad ie inmiddels solo op onder de artiestennaam Rex. Altijd zijn tijd ver vooruit geweest, en nu dus eigenlijk best actueel. Aanschouw de clip.
Hit it Richard:

Fijne dagen comrads.
En tot binnenkort, als dat kutweblog.nl tenminste weer normaal functioneert.

Advertisements

NK Poetryslam 2012

Eigenlijk deed ik elk jaar wel verslag van het NK Poetryslam. Zoals ik dat ook altijd deed van de maandelijkse Festina Lente Poezieslag. En dan begon ik doorgaans netjes met een inleidende sfeerbeschrijving inzake locatie, pluimage van de bezoekers en eventuele uitzonderlijke omstandigheden (denk aan: -20, Nederland-Brazilie, de moord op van Gogh, dat soort dingen) somde vervolgens de juryleden op inclusief relevante wetenswaardigheden, en ging daarna inhoudelijk in op de gedichten die de diverse kandidaten te berde hadden gebracht. Aansluitend gaf ik dan een overkoepelende analyse ten beste, waarin ik verklaarde waarom die en die al dan niet terecht gewonnen had, danwel verloren.

Das war einmahl. Ik moet met mijn tijd meegaan. Het moet sneller en korter. Analyses die moeten we niet meer willen met zijn allen. Winnaars, daar gaat het om.
Welnu: Laura van der Haar.

Klaar!

Goed verhaal nietwaar? Lekker kort. En het rijmt nog op de koop toe.
Ik ga niet meer naar Chez Nous.

http://www.youtube.com/watch?v=oOz4HYSmWBc

Het bovenstaande, overigens erg goeie/herkenbare cabaretliedje, is van Katinka Polderman. Een van de 3 juryleden, afgelopen vrijdag. Heel veel heeft ze niet gezegd tijdens haar jurycommentaren. Ik verdacht haar er een beetje van dat ze de avond ervoor in Chez Nous had gezeten. Of die middag zelf nog. Ze was in ieder geval niet erg bij de pinken, en raakte al tijdens het liedje dat ze zong ter introductie van zichzelf als jurylid (over kunst: http://www.youtube.com/watch?v=aHEC7TWKK1I – ook een aanrader – eerdere opname) de tekst kwijt.
Ze was nerveus, dat zag je. Ik vond dat sympathiek. Ik hou er niet van als mensen volledig at ease op een podium staan. Dat is niet natuurlijk. Eerder eng. Of totaal gedesinteresseerd. Geef mij maar papiertjes in trillende handjes, licht overslaande stemmen, een bijna verborgen per ongelukke snik. Niet te dik erbovenop natuurlijk, vooral niet te dik.

Als je bijvoorbeeld Hazes neemt, wilde ik zeggen, maar dan dwaal ik te ver af. Anyway. Bij Katinka zul je nooit een snik horen, expres noch per ongeluk, daar is ze te Zeeuws voor. Maar ze was aan het eind van de avond wel de enige van de 3 juryleden die na de finale mijns inziens gevoelsmatig de juiste winnaar aanwees. De Brusselse slammer Jee Kast had in een achtminuten durende battle zojuist de vloer aangeveegd met onze Festina-kandidate Laura van der Haar. Althans tijdens de eerste 7 minuten daarvan. Elk gedicht van Jee Kast was raak, werd door het publiek beantwoord met daverend applaus en gejuich, Laura moest het doen met lauwe reacties en lag bij wijze van spreken als een murw geslagen bokser in de touwen van de hoek van de ring. Als verzorger zou ik allang de handdoek hebben geworpen om haar uit haar lijden te verlossen.
Maar ik was haar verzorger niet. Gelukkig maar. Ik was slechts een ordinaire bookmaker die goddomme vlak voor het evenement nog een weddenschap was aangegaan met de 1 of andere slimmerik die vernam dat ik Jee Kast 20 tegen 1 had genoteerd. Dit laatste had ik gedaan op grond van Jee’s optredens uit een ver verleden en zijn huidige facebookpagina waarop ie nogal flauwe woordspelingen pleegt te debiteren.

But the boy had grown, zoveel werd me wel duidelijk op het NK. Hij was in bloedvorm, kwam met indrukwekkende vormen van effectbejag op de proppen (niet de enige, maar toch wel een van de belangrijkste tools uit de gereedschapskist van een slammer – niks mis mee overigens), en ik stond op het punt om serieuze pieken/pegels/pietermannen te verliezen.
“Kom op Laura, godverdomme”, prevelde ik, niet direct tot God ofzo, maar eigenlijk dus wel.
Hoe dan ook, ik werd zowaar gehoord door de Almachtige.
Laura pareerde voor de verandering Jee Kast eens met een speelse opmerking (iets met ruiken en gebruiken, maar dat doet er verder niet toe), en zette haar laatste gedicht in. Ze oogstte haar eerste lach bij het publiek. Ze oogstte in die allerlaatste minuut van de battle voor het eerst sympathie.

Gaan we het hebben over geheugen? Ja, we gaan het hebben over geheugen. Het geheugen van een massapubliek is kort. Heel kort. En het is dol op wendingen. Dat het anders moet. Change!
Vooral als het bevestigd wordt door autoriteiten. De juryleden mochten een stemadvies uitbrengen. De eerste twee drukten het publiek op het hart om voor Laura te kiezen. Jurylid Mustafa Stitou sprak zelfs over “een zeer sterke voorkeur.” En hij voorzag het van verantwoord literair commentaar.
Ik kon hem wel zoenen. Er gloorde hoop voor mijn centjes.

Daarna was het de beurt aan 3e jurylid Katinka om iets te zeggen.
“Euh watte?”, vroeg Katinka, “Oh! Haha! Stemadvies, ja, nee, euh, wat zeiden zij? Oh, nou, dan doe ik die ene. Die andere.”
“En waarom?” vroegen de presentatoren.
Katinka herpakte zich.
“Dat was toch die jongen?” vroeg ze.
“Ja”, zeiden de presentatorten.
“Precies”, zei Katinka, “die vond ik wel goed.”

Ze had gelijk, Katinka. Waar het slam betrof. Maar ze werd door het publiek gepasseerd, dat massaal voor Laura stemde.
Ik rende met een gebalde vuist richting podium. Festina had ‘t ‘m weer geflikt. Voor de 3e keer op rij een Nederlandse Poetryslamkampioen afgeleverd. Bovendien had ik mijn geld weten te behouden.

En de literatuur had gewonnen en alles. Wellicht. Met Laura. Maar toch. Toch miste ik iets. Ik vroeg me af. Het zat vrijdag bomvol in Rasa (“Muziek en Dans”-centrum in hartje Utrecht) met publiek. En datzelfde publiek gaf de hoogste score van de hele avond aan Josse Kok. Josse Kok sneuvelde in de tweede ronde dankzij de jury. Net als overigens Daniel Vis en Arnoud Rigter.
Ik dacht: Misschien zou het totaal achterwege laten van een jury geeneens kwaad kunnen. Misschien is het poetryslampubliek inmiddels wel groot en volwassen genoeg om het helemaal zelf te bepalen.

Ik zeg maar wat. Allicht omdat ik er dit jaar voor het eerst vet naast zat. Met mijn quotes. Zo eerlijk moet ik wezen.
Maar toch, maar toch, maar toch.
Slam. Ik hoop van harte dat het meer is dan louter een kweekvijver voor dichters die zich in de kijker willen spelen van uitgeverijen.
Ik hoop nog altijd op een discipline an sich.

 

 

 

Quotes NK Poetryslam 2012

“Poetryslam is dood”. Er gaat geen jaar voorbij of het wordt wel weer eens ergens geroepen. Sterker nog, die mening werd al verkondigd in 1999, drie jaar voordat het allereerste NK Poetryslam werd georganiseerd. Cafe Festina Lente aan de Looiersgracht in Amsterdam had na een succesvol eerste seizoen, te schaften met tegenvallende bezoekersaantallen, en de toenmalige uitbater Felix stelde aan mij en Simon Vinkenoog halverwege het tweede seizoen voor om het bijltje erbij neer te gooien.
“Want Poetryslam is dood”, zei Felix.
“Nonsens”, zei Simon, “zolang iets bestaat, is er iets gaande, en zolang er iets gaande is, leeft het, en kan het gaan bruisen, knallen, exploderen in een orgasme van vreugde, voordat je er erg in hebt, ach jongen, ik heb zo vaak horen verkondigen dat de roman dood was, of de poezie, maar altijd komt er weer die wederopstanding, die onverwachte herrijzenis, die geweldige resurrectie, en dan is er weer hoop en dan zeggen de mensen weer “JA!” en dan is er weer LEVEN en dan is er weer POEZIE POEZIE POEZIE, driewerf POEZIE, EN DAN..”
“Okay, okay, vooruit dan maar”, zei Felix, “we proberen het nog even.”

Datzelfde jaar werd Erik Jan Harmens Festina Lentes jaarkamioen. Niet veel later maakte Tjitske Jansen haar podiumdebuut. Bij Festina. De komst van deze 2 zette het traditionele dichterslandschap op zijn kop. De eerste bundel van Tjitske, ‘het moest maar eens gaan sneeuwen’, verkocht meer dan 10.000 exemplaren. Ongekend voor een dichter, laat staan voor een debuut. Je kon bijna spreken van een literaire revolutie, maar daar had ik het niet over.
Wat ik wou zeggen: Poetryslam werd dus al doodverklaard, nog voordat het genre zich uberhaupt ontwikkeld had.

Bon. Het is nu ruim een decennium later. 2012. Bijna 2013 zelfs. Horen we nog iets van recente poetryslammers? Jazekers! Zowel de pers als het publiek en Remco Campert himself liepen weg met de debuutbundel van Kira Wuck (Festina-winnares 2011, en regerend Nederlands kampioene), ‘Finse meisjes’. En Ellen Deckwitz, poetryslampion van 2009, won dit jaar de Buddingh’-prijs voor het beste debuut (‘De steen vreest mij’) en was bovendien vaste deskundige tijdens het EK-voetbal in ‘Het oog op morgen’, waarbij ze de ‘Oog-EK-voetbalpool’ van de NOS won. Waarmee ik maar wil zeggen dat wij dichters, en slammers in het bijzonder, overal verstand van hebben en enorm met 5 voeten in de maatschappij staan, of zoiets.

“Tuurlijk”, om met Boer Aad te spreken, “aan de koffie-automaat op je werk weet niemand wie je bent als je zegt dat je poetry slamt, maar wij verzorgen toch wel degelijk een stukje amusementswaarde naar de mensen toe waardoor je als het ware zeg maar toch net iets meer een poezie-ervaring beleeft als er een gedicht wordt voorgedragen.”

Wat Boer Aad bedoelt, en beter dan hij kan ik het niet zeggen, maar poetryslammers kunnen dus heel goed optreden. Niet dat we slecht schrijven, integendeel, maar zelfs een kuttekst kunnen wij laten klinken als de hemel. Wij zijn performers. Wij zijn de levende reclamezuilen voor de letteren, wij zijn de tolk tussen Henk en Ingrid en de grachtengordel, wij zijn het cement dat de stenen van de samenleving voegt.

‘Halleluja, dat klinkt hoogdravend!’, zul je misschien denken.
Denk dat gerust.
Maar als je nieuwsgierig bent geworden, en dat hoop ik, kom dan langs op aanstaande vrijdag. 14 december. In RASA, Pauwstraat 13a Utrecht. Voor het 11e Nederlandse Kampioenschap Poetryslam. Aanvang 20.00.

In de vakjury zitten Katinka Polderman (cabaretiere), Mustafa Stitou (dichter) en Toef Jaeger (literair critica). Maar het publiek is de belangrijkste scheidsrechter. Jullie dus.

Op het programma staat een achttal dichters dat zich heeft gekwalificeerd middels het winnen van een poetryslam in den lande, en vervolgens het overleven van de loodzware halve finales van het NK.

Kom met een open mind, maar voor wie gebruik wil maken van een beetje voorkennis om incrowd-terzakekundigheid te kunnen veinzen tegenover zijn meegenomen vrienden, hier alvast mijn traditionele bookmakerquotes. Ik heb er de afgelopen jaren bepaald niet naast gezeten. Doe er je voordeel mee.

Daarbij: Wedden mag. Gewoon middels en reactie op deze site. Zet je emailadres erbij en ik stuur je een mail terug ter bevestiging.
Waarbij geldt, als voorbeeld: Je zet 10 euro in op Coen Cornelis, en hij wint het NK. Dan krijg je (30×10)-10=300-10=290 euro terug.
Boekkantoor sluit donderdagnacht/vrijdagochtend om 00.00. Alle niet bevestigde weddenschappen komen na dat tijdstip te vervallen.

En dan nog een disclaimer: Deze quotes hebben niets te maken hebben met mijn persoonlijke smaak, maar zijn louter gebaseerd op mijn inschatting van de kansen.

Okay, hier zijn ze dan. De onvervalste plukdenachtquotes voor het NK poetryslam 2012:

Josse Kok  1:2
Daniel Vis  1:3
Arnoud Rigter  1:3
Frederike Kossmann 1:5
Laura van der Haar 1:7
Jan Ketelaar  1:10
Jee Kast  1:20
Coen Cornelis  1:30

Tot vrijdag!

Olst/Gouda

Gisteren vierde mijn tante (en tevens voormalige hospita) haar 65e verjaardag. Dit deed ze niet gewoon in Amsterdam, waar ze woont, maar in een pitoresque koetshuisje dat ze zo afentoe huurt van een vriendin. Dat huisje staat in Olst.
Olst. Als in Overijssel. Als in belachelijk ver weg.
Ze is niet zo erg als haar dochter, die voor haar bruiloft de complete familie liet afreizen naar Barcelona, maar toch.

In haar uitnodiging stond bovendien vermeld dat we werden verwacht om 11.00. A.m. Ik haalde op mijn laptop de NS-reisplanner erbij, en ontdekte dat de snelste verbinding bestond uit een reis waarin we vanaf Amsterdam 3 maal moesten overstappen om uiteindelijk vanaf Olst Centraal nog 25 minuten te moeten lopen om onze eindbestemming te bereiken. 
Ik greep naar mijn telefoon, swipete de foto van mijn tante tevoorschijn, en drukte op ‘bellen’.
“Met W.” zei mijn tante.
“Ja, met Sven”, zei ik, “zeg, even over morgen, hoe hard is dat tijdstip van 11.00?”
“Hoe hard?”
“Ja, ik bedoel: weet je al hoe het programma eruit ziet voor morgen?”
“Nou eh”, zei mijn tante, “om 11.00 taart natuurlijk, en koffie uiteraard, en daarna misschien een broodje eten, vervolgens vanaf een uurtje of half 2 een wandeling, aansluitend de borrel, en dan dan vanaf 18.00 uit eten in het Veerhuis.”
“Aha”, zei ik, “is het een heel groot probleem als…”
“Jij bent niet zo’n vroege vogel”, onderbrak mijn tante. Ze kent me.
“Nee, ik ben niet zo’n vroege vogel.”
“Dan kom je toch gewoon lekker met de borrel”, zei mijn tante, “tenminste, je mag natuurlijk ook pas bij het eten komen, maar ik zou het persoonlijk wel leuk vinden als je toch in ieder geval met de borrel.. ik bedoel, een borrel laat jij niet schieten toch?” Zoals ik al zei: ze kent me. Ze kent me heel erg goed.
“Ik zou niet durven”, zei ik, “sterker nog, ik zorg gewoon dat we er zijn als de wandeling begint.”
“Om half 2 dus?”
“Om half 2.”
“Fijn.”
Ik klikte mijn telefoon uit en zei tegen L.: “Gepiept.”

Half 2. Dat moest lukken. Volgens de NS reisplanner was het tevens mogelijk om de reis te maken met slechts 1 overstap (via Arnhem), maar dan deed je er een kwartiertje langer over dan de snelste verbinding (overstappen in achtereenvolgens Utrecht, Amersfoort en Deventer). “Zeg het maar”, zei ik tegen L.
“We gaan het lot niet tarten”, besloot L., “we gaan zo min mogelijk overstappen. Dus via Arnhem.”
“Uitstekende keuze”, beaamde ik, en zette de wekker alvast.
Intens tevreden over onze volwassen en verantwoordelijke manier van handelen, vleidden we onze hoofden later die nacht, rond een uurtje of 5, op onze kussens.

Om 9.00 a.m. ging het alarm af.
“Jezus, wat vroeg!” riep L. die stijf van de schrik rechtop in bed zat, “weet je zeker dat je het goed hebt uitgerekend?”
“Volgens mij wel”, mompelde ik, drukte op snooze, en draaide me nog eens om.
“We hoefden er toch pas om half 2 te zijn? Dan hoeven we toch niet al om 9…”
“Hmm hmmm. Jawel, geloof me. Zet jij alvast koffie? – zzzzzzzzz”

Om kwart over 10 stonden we op de tramhalte. Het was er druk.
“Dat is een goed teken”, zei ik, “dat betekent dat ie er waarschijnlijk zo aan komt.”
Het bleek geen goed teken.
10 minuten later nog altijd geen lijn 1.
20 minuten later ook niet.
“Misschien staat de brug bij het Surinameplein open”, zei iemand.
De mensen op de halte knikten.
Maar na een half uur: nog steeds niets. Geen tram te zien. Ook niet in de verre verte.
Mensen begonnen de halte te verlaten. Om dan desnoods maar te lopen naar het CS, zo’n 45 minuten wandelen verderop. Wel zo snel.
Ik ondertussen, liep op de halte ijsberend de ene na de andere sigaret op te steken, en te vloeken. Ik haalde er naast het gangbare aanroepen van belangrijke Bijbelse figuren, luidkeels van allerlei andere zaken bij, zoals economische theorieen die stellen dat het altijd een slecht idee is om publieke goederen privaat te financieren, alsmede breeduitgemeten voorbeelden uit het buitenland van hoe het ook kon (Parijs, Londen, Berlijn), en voor de rest een hoop geslachtsdelen in adjectieve vorm qua Amsterdam.
Ik ben niet goed in wachten. Ook niet sinds ik er helaas gewend aan ben geraakt.

Uiteindelijk kwam het toch nog goed en stonden we op tijd klaar bij de rookpaal op spoor 5 van het Centraal Station voor de trein van 11.23 richting Arnhem. Niks aan het handje. Als vanaf nu alles goed zou gaan (slechts 1 overstap), dan zouden we nog netjes om half 2 in Olst zijn.
Er werd omgeroepen dat de trein naar Arnhem vandaag vanaf spoor 7 zou gaan.
Geen probleem. Wij met dampende bekertjes koffie van de Broodzaak trapje af, trapje op, nieuwe rookpaal.
Het werd 11.23. Geen trein. Wel een overvol perron. 11.27. Geen trein. 11.31. Geen trein. Ook geen omroepen. Geen idee wat er aan de hand was. Veel mensen liepen net als ik te ijsberen en hun apps te checken voor nadere informatie.
“Ja, fuck”, zei ik, “straks missen we onze overstap in Arnhem, want daar hebben we maar 9 minuten.”
“Rustig nou maar”, zei L., “er zijn ergere dingen in het leven.”
Dat laatste is natuurlijk waar. Maar zo voelt het voor mij op zo’n moment niet. Vooral niet toen de borden begonnen te klapperen. Ik liep er naartoe om ze goed te kunnen lezen.
Trein naar Arnhem 40 minuten vertraging.
Right.
Ik rende terug naar L. “Het is tijd voor plan B.”, riep ik, “we gaan via Utrecht, Amersfoort en Deventer met de driedubbele overstap, dan kunnen we een kwartier besparen, en zijn we alsnog op tijd! Maar dan moeten we nu als een gek terug naar spoor 5 voor de trein naar Den Bosch, want die komt als eerste in Utrecht.”
“Dat lijkt me een slecht plan”, zei L.
“Welnee”, zei ik, “we hebben dan in Utrecht een kwartier overstaptijd, dus dan kunnen we zelfs nog nieuwe koffie halen!”
Dat trok L. over de streep, want de oude, die nog steeds met de dekseltjes erop bij de rookpaal stonden, om straks gezellig samen op te drinken in de trein, was inmiddels koud geworden.

Sorry, ik vrees dat dit verhaal te veel een opsomming gaat worden. Een opsomming die iedereen wel kent. Want natuurlijk ging het mis in Utrecht. Of eigenlijk al voor Utrecht. Waar we eindeloos stilstonden in een weiland. Zodat we geen kwartier hadden om over te stappen, laat staan koffie te halen. We hadden om precies te zijn 30 seconden. Amersfoort Spoor 11, 12.21 stond er op het grote bord. Krek de info op mijn OV-app. Wij denderden de roltrap af, en drongen op de valreep de gereedstaande trein op spoor 11 binnen.
Na een kilometertje in de trein te hebben gezeten, die overigens wederom met zware vertraging vertrok, kreeg ik een ongemakkelijk gevoel. We moesten naar het noordoosten. Maar we reden naar het zuidwesten. Ik probeerde te plaatsnaamborden op een voorbijschietend stationnetje te lezen. Ik kon ze niet ontcijferen, zo snel. Een stationnetje later kon ik dat wel: Woerden.
“Fuck!”, riep ik.
“Wat?” vroeg L.
“Godverdegodverdegodver!”
“Wat?” vroeg L. opnieuw, iets paniekiger dit keer, aangestoken door de mijne. De twee bejaarde mensen die naast ons zaten wendden beleefd hun hoofd af.
“We zitten in de verkeerde trein, volgens mij”, zei ik, “volgens mij zitten we in de Intercity naar Den Haag.”
Ik ben een ervaren treinreiziger, ik ken praktisch alle lijnen uit mijn kop.
En ik wist dat het waar was. De Intercity naar Den Haag. Maar kon het ergens niet geloven. Niet geloven dat de borden zo hard hadden gelogen.
“Vraag het dan even!” zei L.
Ik vroeg het. Aan de bejaarde mensen naast ons. Die beaamden het schoorvoetend. De intercity naar Den Haag. Die was op het laatst van spoor gewisseld. De borden waren toen wij er al inzaten, nog omgeklapperd. Zij zaten oorspronkelijk in de trein van spoor 12, Den Haag, maar hadden er nog net op tijd uit kunnen stappen, omdat er plotseling, na 12.21. was omgeroepen dat ie vandaag naar Amersfoort ging.
“Jezus Christus, wat een godverdomde vieze vuile klotezooi weer met die kut-NS, het lijkt wel of die eikelbijtende luldebekonthangers het er om doen!”, wilde ik zeggen, maar ik hield me in, en liet het bij slechts de voornaam van de Heiland.
“Ach”, zei de bejaarde Indonesische man van het echtpaar, “je moet het maar zo bekijken: Stel je voor dat je in een ver land bent, en je bent op reis. Dan zou het je allemaal niet zo veel uitmaken. Dan zou je genieten van het uitzicht.”
Ik keek naar buiten. Daar lag Gouda.
“Gouda”, zei ik.
“Een mooie stad”, zei de man.
“Oh, daar ben ik nog nooit geweest!”, zei L.
“Ze hebben er goeie kaas”, zei de vrouw van het stel.
“En een mooi stadhuis”, zei ik. Ik ben er ooit eens op een bruiloft geweest van een collega.
“Een historisch plaatsje”, zei de man, “net als Tiel.”
“Daar komen wij vandaan”, vulde de vrouw aan.
“Tiel?”, vroeg ik.
“Tiel”, zei de man.
“Wat grappig”, zei L., “hij is er geboren.” Ze wees naar mij.
“In Tiel?” vroeg de vrouw.
“In Tiel”, zei ik.
“O, waar dan?” vroeg de man.
“De Wadenoyenlaan”.
“Die kennen we!” riep het echtpaar, “wij wonen zelf aan de Drumptse kant.”
“Ah, aan de goeie kant van de spoorlijn”, zei ik, “net als mijn moeder tegenwoordig.”
“Waar heeft u op school gezeten, als ik vragen mag?” vroeg de vrouw, “in Tiel?”.
“De Ireneschool”, zei ik.
“Oh, bij juffrouw Nel van Beers in de klas misschien?” vroeg ze.
“Jazeker”, zei ik, “toen ik in de 2e zat”
“Wat leuk!” riep de vrouw, “dat is een vriendin van me. Ik zat ook in het onderwijs. Maar wacht eens even…”
“?”
“Bent u dan niet toevallig de….”
“De wat?”
“Bent u niet de stadsdichter?”

Geen idee waaruit ze dat in 1 keer concludeerde. Maar het was waar.
“Ja”, zei ik, “dat ben ik.”

“Wat leuk! Ik had u niet herkend, maar u bent er dus eentje van Ari****! Uw zusje zie ik vaak staan, bij de krant, en uw vader…”
Veel meer tijd hadden we niet.
“We moeten er hier uit”, zei ik, “we moeten naar Olst. Als we nu in Gouda uitstappen dan kunnen we tenminste..”
“Ik begrijp het”, zei de vrouw, “Olst is inderdaad nog wel een eindje de andere kant op.”
 
Op Gouda Centraal kwamen we terecht op een leeg perron, alwaar een tiental minuten later een Intercity terug naar Utrecht zou komen. En mooier nog, eentje die zou doorrijden via Amersfoort naar Zwolle. Vanaf Zwolle zou het nog maar een kwartiertje zijn, 1 overstap slechts, met de stoptrein naar Olst.
Het was 12.50. Ik plukte de eerste pils van de dag uit mijn rugzak. En stak bij de rookpaal een sigaret op. De rust keerde terug in mijn aderen. De stress was verdwenen.

De wandeling zouden we niet meer halen. Maar dat bleek na een belletje geen probleem. Want mijn tante kent me. Ze weet: Ik ben geen vroege vogel. En voor de borrel was ik op tijd.