Geld

Vorige week wilde ik bij de Albert Heijn een pizza Hawai (2,36 euro) afrekenen met mijn pinpas. Hetgeen mislukte. En dat was niet omdat ik nog onbekend was met het nieuwe pinnen oftewel het ding in de verkeerde gleuf probeerde te pierken (om jullie maar eens een flauwe ‘dat zei mijn vrouw vannacht ook’-grap op de tong te leggen), en ook niet omdat mijn chip inmiddels dusdanig was beschadigd dat er melding werd gemaakt van een ‘onbruikbare pas’. Nee, het was erger. Mijn saldo bleek ontoereikend.

Nu was dit niet de eerste keer in mijn leven dat ik zulks ervaarde. Sterker nog, tijdens mijn 6 jaar lang durende studententijd, en daaropvolgende periode in het leger plus de aansluitende bivakkering in een uitkeringssituatie was mijn saldo eigenlijk chronisch ontoereikend voor welke uitgave dan ook. Het waren de jaren van buitengewone financiele creativiteit. Liften naar mijn ouders om bij te eten. Of in het leger met behulp van 1 ontbijtbon (a 0,90 gulden) vluchtig 25 bruine boterhammen met groenuitgeslagen casselerib in alle mogelijke zakken van je parka proppen, en quasi-onschuldig fluitend de manschappenkantine uitwandelen. Of, en dat vond ik destijds toen ik een uitkering had, een meesterzet: gewoon helemaal niets meer eten, want dan hoef je minder te drinken om toch dronken te worden.

Maar hoe briljant die strategie ook was, op een gegeven ogenblik werd me door mijn omgeving duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling was van het leven.
“Hoezo niet?” vroeg ik.
“Het is ongezond. Zo word je niet oud.”
“Ik voel me er anders kiplekker bij. Jij nog een pilz?”
“Nee, doe maar even een cola. Maar serieus, je hebt geloof ik geen idee van wat je..”
“Wacht, sorry dat ik je onderbreek, maar ik heb geen cola.”
“Sven, daar gaat het niet om, luister je wel?”
“Als ik ergens goed in ben, dan is het luisteren. Ik ben dol op luisteren.”
“Sven, ik vind het verschrikkelijk om je zo te zien. Je bent een wrak. Als je zo doorgaat ben je over een paar jaar dood.”
“Dood? Moi? Man! Ik heb een maand geleden nog de Alpe D’Huez beklommen binnen de 90 minuten. Ik verkeer in topconditie, geloof me.”
“Ik geloof je niet.”
“O nee? Kijk naar de schouw, daar staat een bewijs, een dipl..”
“Daar gaat het niet om. Ik geloof best dat je een berg kan beklimmen, maar ik geloof niet dat je gezond bezig bent.”
“Ja hallo, dat snap ik ook wel, ik ben geen debiel. Maar ik ben wel gelukkig.”
“Is dat wel echt zo?”
“Ja, dat is echt zo.”
“Okay, misschien gaat het nu nog goed. Maar ben je niet bang om later seniel te raken?”
“Jawel.”
“Dan ben je nu wat dat betreft op een snelweg in die richting aan het rijden. Afgelopen zaterdag stond er in de Volkskrant een artikel over alcoholisme en hers..”
“Hersenen, ik heb het gelezen inderdaad, en dat eten zorgt voor een beschermend vetlaagje, en dat als je niet eet, je hersenen verdomd snel de lul zijn, vooral als je ondertussen veel drinkt.
“Dat bedoel ik. Eten dus.”
“Ik heb er het geld niet voor.”
“Dan moet je een baan nemen.”
“Er zijn geen banen.”
“Jawel. Wel als je je haar afknipt. En een pak koopt. Als je wilt kan ik je wel wat geld lenen om.., maar dan ga ik wel mee om..”
“Dat is toch triest? Dat dat moet? Ik vertik het om daaraan mee te doen. Ik ben trouwens bezig met een roman. Over het leger. Hij is bijna af, en begint nu echt goed te worden.”
“Een roman kan altijd nog. He, verdomme Sven, je bent zo intelligent, hebt zo veel mogelijkheden, weet je wat ik pas echt triest vind?”
“Ik heb wel een idee, ja.”
“Lul! Ik zit hier niet slap te ouwehoeren!
“Je meent het.”
“Ach sodeflikker toch op, met je zelfingenomen houding. Zo van.., enfin. Laat ook maar. Zoek het maar uit. Sorry hoor. Ik ga naar huis.”

De volgende dag knipte ik mijn haar af. Schreef een sollicitatiebrief. Kocht een pak op afbetaling. En ik kreeg een baan.
Inmiddels werk ik bij een bank, ben verantwoordelijk voor een systeem waarin jaarlijks zo’n 70 miljoen euro omgaat en verdien een behoorlijk salaris. Van laten we zeggen: zo’n 2 x modaal.

Maar ik red het er blijkbaar niet meer mee. Saldo ontoereikend
Fuck. Daar was ik de hele poppenkast niet om begonnen. Het idee was: Je voorbestemde (weliswaar misschien wat korte) levensgeluk opofferen voor een kutbaan waardoor je nooit meer in de financiele problemen zou komen.

Maar nu is het dus toch zover. Ergo, vorige week heb ik verantwoordelijk als ik inmiddels ben, al mijn pinbetalingen + cashopnames + automatische overschrijvingen van 1 november 2011 t/m 31 oktober 2012 geexporteerd naar een Excelbestand. En ze vervolgens gecategoriseerd en daarna voorzien van subtotalen. Gewoon, om inzicht te krijgen in de situatie. Hoe komt het toch dat ik, die meer verdient dan Henk en Ingrid bij elkaar, plotseling geeneens zijn zondagse diepvriespizza kan betalen?

Welnu. De resultaten waren schokkend. Met details zal ik jullie verder niet vermoeien, maar ik heb me dus blijkbaar in het verleden voor 2000 euro netto per maand gecommitteerd aan vaste lasten. Denk hypotheek + verzekeringen, gas, water, licht. Da’s veel, en daar valt weinig aan te verhapstukken of te bezuinigen op korte termijn. Tenzij ik het zinkende schip dat mijn huis is, verlaat, maar dat is ook niet handig in deze recessie.

Daarnaast kwam ik erachter dat ik dit jaar 12.000 euro meer heb uitgegeven dan er structureel binnenkomt. Ik heb het niet eerder opgemerkt doordat ik verrast ben met enorme incidentele meevallers ter grootte van in het totaal 8.000 euro.
Bottomline was dat ik strucureel 546 euro per maand te veel uitgeef.
Dat valt niet op te lossen met het opzeggen van, ik noem maar iets, de Volkskrant. Dat scheelt slechts 28,50. Ik zal het groter moeten aanpakken. Veel groter. Zelfs als ik mijn totale horecabezoek opzeg, in het verleden een post van 800 euro per maand, tegenwoordig al terugbezuinigd tot 311, red ik het niet.

Fuck it man. Ik plant dit jaar minder bollen, ik skip een paar concerten, ik lees een krantje minder. Ik ben overgestapt op euroshopperpils voor thuis, ga uit eten bij de Italiaanse Turk (spaghetti) ipv bij de Iranier (hemelse kruiden), doe het gezellige licht uit op de trap op momenten dat het niet functioneel is, trap de Volvo wat rustiger op zijn staart, loop wat vaker langs bij Euroland (aanrader: 8 paar 100% katoen zwarte sokken voor slechts 7,50), etc, enz.

Het is niet genoeg. Het moet drastischer, ingrijpender, harder, en snel. Let op, ik ben niet zielig. Ik ben geen bijstandsmoeder. Ik kan mijn zondagse pizza desnoods ook betalen uit de mok met stuivers, die ik daar altijd achteloos inwerp, als zijnde waardeloos kleingeld.
Dus ik moet niet klagen. En los daarvan ben ik ook enorm voor nivelleren. Zonder maars. Want als voor iemand het leven met 50 euro minder kloteriger is, dan is het voor zij die al weinig hebben.

Maar goed. Ik zit dus ondertussen met die kutbaan. En waarom ik die eigenlijk ooit ben gaan doen. Ik ben er niet gelukkig in, en ben het ook nooit geweest.
Ik moet de laatste tijd vaak denken aan een opmerking die mijn goede, andere vriend B. een tijdje geleden maakte. Ik parafraseer nu: “Het enige wat ik echt nodig heb is een dak boven mijn hoofd, een bed, een douche, wat te vreten en te drinken en een internetverbinding + telefoon.”
Ik kon dat niet anders dan beamen.
Met de Excelsheet nog vers in mijn achterhoofd, en een verplichte ziektekostenverzekering in gedachten berekende ik: “okay, dat moet kunnen voor: 300+250+50+100 = 700 euro.”
 
Wat ik eigenlijk dacht was: Dit is het perfecte uitstapmoment. Want, inderdaad een roman kan altijd nog. Een kariger, maar vruchtbaarder, gelukkiger leven. Bijvoorbeeld nu.

Advertisements

Sexy Taxi

Het was vanmorgen. Ik had haast, moest absoluut de trein halen, en zocht mijn fiets. Ik zag: geen fiets. Althans niet mijn fiets. Wel een rek vol andere exemplaren, maar niet de mijne.
Fuck, dacht ik: gejat.
Want dat denk je. Ik ben al ruim 25 jaar Amsterdammer.
Ik pakte mijn telefoon uit mijn zak. Niet om de politie te bellen, maar om te kijken hoe laat het was, en schatte mijn kansen in om de trein te halen per tram. In de verte hoorde ik er eentje klingelen. Die was dus net weg. Oftewel: kans=nul.
Ja, fuck.

Wat doe je dan? Een taxi bellen? Ik had mijn telefoon toch al in mijn hand. Aan de andere kant: geen cash op zak. Lastig. Ik besloot het rek te monsteren op fietsen zonder slot. Die heb je soms. Zeker op zondagochtend. Er is altijd wel een mongool die op zaterdagnacht met zijn zatte harses is vergeten om een ketting door zijn wielen te rijgen. Of een zombie die het gewoon domweg niet meer voor elkaar kreeg. Vertel mij wat.
Bij het rekkencomplex bij mijn voordeur had ik echter geen geluk. Dus ik liep naar de overkant. Ik trok en sleurde wat aan de halve wrakken. Geen van allen gaven ze mee. Tot ik rukte aan een donkerblauwe gazelle. Mooie uitvoering, 21 versnellingen. En verrek, hij stond los!
Juichend nam ik plaats op het zadel. Dat stond precies goed afgesteld op mijn lengte. Zeldzaam. Ik peddelde een paar slagen, en dacht: deze fiets komt me bekend voor.
Ik keek eens goed naar z’n uiterlijk, en pas toen viel het kwartje.
Inderdaad. Mijn fiets.

Vroeger zou dit me nooit zijn overkomen. Niet dat ik toen nooit dronk, maar toen had ik een gele. Een taxi-gele fiets. Geheel zelf toegetakeld met spuitbussen van de Hema. Nooit moeite hoeven doen om ‘m te vinden. Of haar moet ik eigenlijk zeggen. Want het was een meisjesfiets. “Sexy Taxi”, heette ze. Bovendien zette ik Sexy Taxi nooit in een rek. Het idee. Dat vond ze beneden haar stand. Sexy Taxi stond altijd pontificaal voor de deur geparkeerd, hangend over een geveltuintje tegen de voorruiten van de benedenbuurvrouw. Op louter een Axa-ringslotje. Wel zo gemakkelijk.
Dat ging 3 jaar goed. 3 jaar lang heb ik vanuit mijn voordeur zonder al te ingewikkelde verhandelingen Sexy Taxi kunnen bestijgen en was ik binnen een splitsecond on my way to wherever I had to go. Het scheelde me pakweg 2 minuten gesjor en gehannes per verplaatsingsbeweging, om maar eens een ambtelijk pleonasme te gebruiken, wat op jaarbasis al snel optelt tot zo’n 24 uur. Oftewel 3 vrije vakantiedagen (nog een pleonasme), wat in mijn geval omgerekend neerkomt op zo’n 600 keiharde euro’s (het tegenovergestelde van een pleonasme).
Ik was kortom economisch gezien enorm goed bezig.

Maar na 3 jaar kwam daar abrupt een einde aan. En dat was allemaal door de Marokkanen Op een dag was Sexy Taxi weg. En dan niet weg in de zin van dat ik haar met mijn dronken kop aan de overkant had geparkeerd, of haar was vergeten mee te nemen uit, weetikveel, Osdorp, maar gewoon echt weg. Perduos, peperos, pleitos.
Gejat.
Ik kon er niet over uit. Ik had zo met ‘r te doen. Zouden ze haar wel goed verzorgen? Op waarde schatten? Weten om te gaan met haar nukken en grillen? Het was geen gemakkelijke vrouw, laat dat duidelijk zijn. Met zware botten bovendien (haar woorden), ze had moeite met bergop, maar ze was er altijd als ze er moest zijn, en stelde je nooit teleur.

Maar los daarvan: Wie steelt er nu een overduidelijk herkenbare taxigele fiets?
Junks? Turken? Criminele organisaties uit de Balkan?   
Welnee. Om met zangeres Roos Reebergen te spreken: “Het zijn de bouwvakkers”.
Want die waren het. Of althans, ze zullen haar niet gejat hebben. Maar wel gekocht. Ik weet dat Reve heeft gezegd dat waargebeurd geen excuus is, maar de volgende onwaarschijnlijke gebeurtenis wil ik desalniettemin graag met jullie delen.
Ruim een jaar nadat Sexy Taxi gejat was, stond ze plotseling weer hangend over het geveltuintje tegen de voorruiten van de onderbuurvrouw.
Ik kwam mijn voordeur uit en dacht dat ik droomde. Of dat ik ruim een jaar lang gedroomd had, wat nog frappanter zou wezen. Ik was in ieder geval in opperste staat van danige verwarring.
“Sexy Taxi!” riep ik.
Ze keek een beetje ongemakkelijk terug.
“Je bent het!” riep ik, want ik herkende overduidelijk het onhandige spuitbussenstreeppatroon waarmee ik haar als amateur graffiti-artiest had getatoeerd.
“Ssstt”, zei Sexy Taxi.
Ik hoorde het niet eens, want ik was al naar boven aan het rennen om de sleutel te zoeken in het Mont Ventoux-schoteltje, het bakje met sleutels van verloren fietsen (17).
Ik vond ‘m. Natuurlijk vond ik hem. Zo ben ik. Ik bewaar ze niet voor niets. Iedereen verklaart me altijd voor debiel maar deze keer ging het zowaar vruchten afwerpen. Zie je wel dat ik altijd gelijk heb gehad?
Ik stoof weer naar beneden om het sleuteltje te proberen. Ik kwam de voordeur uit. Denk vanaf hier beelden van een strand en twee geliefden die elkaar in slowmotion tegemoet huppelen.

Het was wreed. Aangekomen bij Sexy Taxi zag ik dat het oorspronkelijke Axa-ringslotje was doorgezaagd. Er zat een nieuwe omheen. Plus een kettingslot.
“What the fuck!” riep ik.
Sexy taxi wendde haar hoofd af.
Tegen beter weten in probeerde ik mijn sleuteltje. Het originele.
Sexy Taxi wendde haar hoofd zo mogelijk nog verder af.
“Schat”, zei ze, “moet je nu echt… je snapt toch wel dat…*zucht*”

De daaropvolgende weken stond Sexy Taxi er elke dag. Op haar oude vertrouwde plek. Het zal een dinsdag zijn geweest toen ik haar nieuwe geliefde ontmoette. Het was een vrolijke zwarte jongen. Een bouwvakker, lid van het team dat het pand naast mijn woning nu al 3 maandenlang aan het opknappen was. Hij smeet om ca 8.00 ‘s ochtends Sexy Taxi tegen de muur van mijn onderbuurvrouw, en riep: “Goeiemorgen!”
Ik knikte vriendelijk terug.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik ben erg verlegen als ik nuchter ben.
Moest ik zeggen dat ze van mij was? Ik denk niet dat Sexy Taxi dat zou trekken. Ik bedoel, die leest natuurlijk ook 50 shades, en heeft zoiets van, like, wat een slappe lul. Geen woorden sukkel, sla ‘m gewoon voor zijn bek als je echt van me houdt, moron!

Ik durfde het niet. Later die week zag ik ‘m na gedane arbeid Sexy Taxi bestijgen en huiswaarts keren. “Doei”, zei ie.
“Doei”, zei ik terug.
Ik keek ‘m na. Daar ging ie. Op mijn fiets. Die vriendelijke vrolijke arbeider.
Ik deed de achterklep van mijn Volvo open. Haalde er een treetje euroshopperpils uit. En een zak haardhout.
Boven dacht ik: ik heb best een goed leven, vergeet het.

Sexy Taxi. Eigenlijk heette ze Mademoiselle 6. Ik heb mijn fietsen altijd genummerd sinds ik meisjes/Opoe-fietsen rijd. Maar ik heb ze ook steevast van een charmante roepnaam voorzien.
Tegenwoordig heb ik weer een mannenfiets. 2 zelfs. Mijn racefiets heet Mike (the bike, die de hoek om rijdt – handig mantra op Alpe D’Huez; de vorige heette overigens Pruit, van let’s do it Pru-it, sorry, klinkt misschien allemaal zielig maar geloof me dat het helpt om de top te halen), de Gazelle heeft nog geen naam. Misschien moet ik ‘m FZN noemen. Net zoals ik ooit een later uit te besteden kitten tijdelijk KZN heb genoemd.
Mannennamen vind ik moeilijk. Voor mijn mademoiselles was het een stuk gemakkelijker. En mijn allerliefste is nog altijd in mijn bezit. Mademoiselle the 4th. Mad da fourth. Metafoor. Weetikveel. Ze begrijpt me in ieder geval. Met haar heb ik het meeste meegemaakt. Ze heeft ook wel eens in verhalen op dit weblog gefigureerd.
Madda4. Ze staat nog altijd in het rek voor mijn voordeur. Platte banden, verroestte ketting. Ze krijgt regelmatig het etiket ‘wrak’ opgeplakt. En dat ze dan binnen 2 weken verwijderd zal worden.
Ik red haar elke maand. Sexy Taxi, a la, die moest duidelijk verder, maar van Madda4 kan ik geen afscheid nemen. En ze is ruimdenkend. Als ik de Gazelle, zeg maar FZN, niet kwijt kan in het rek, dan mag ik ‘m altijd aan haar vastkoppelen.
Safe, veilig, niks meer aan doen.

En dan kom ik weer terug waarmee het vandaag allemaal begon: dat ik me nog steeds afvraag waarom ik dat gisteren niet heb gedaan.

Maar het zijn maar kleine dingen, in verhouding tot JA FUCKING WAT?