CH

Vandaag is mijn 25e werkdag op een rij. Was het niet bij de ABNAMRO, dan was ik wel aan de arbeid bij popfestivals en exposities. Echt niet normaal. Daar waar Tour de France-renners nog afentoe een rustdag krijgen, zat zulks er voor mij niet in. Dus aanstaande week is welkomer dan ooit. Want dan zit ik hier:

In Kandersteg. Morgen vertrek ik met 3 treetjes pils en evenzoveel zakken CO2-neutraal haardhout in de kofferbak naar CH.

Jodela-ietieieieieieie en latorz! (verslag volgt)

 

 

 

Advertisements

Expositie (Fubar 2)

Daar waar ik gisteren mijn naam nog wist, ben ik die thans bijkans vergeten. Voor wie nog wil ik heten, zodalijk in mijn kist.
Ik ben nog algeheler naar de gallemiezen dan 7 dagen terug, toen ik de recordomzet van Appelpop handmatig had nageteld. En ik kan je verzekeren dat zulks geen lolletje was. Het ging om een bedrag van 7 cijfers, of eigenlijk 9 cijfers, want ook alle dubbeltjes en stuivers zijn door mijn vingers gegaan. Een vrachtwagen vol geld, als ware het een weekloon van een Duitse arbeider tijdens de hyperinflatie van de jaren ’30. Ik voelde me na afloop als Donald Duck die zojuist de volledige inhoud van Oom Dagoberts geldpakhuis muntje voor muntje had opgepoetst.

Maar goed, vandaag ben ik er dus nog erger aan toe. De reden: het helpen inrichten van een expositie. Want L. heeft namelijk een expositie. Leuk! zul je misschien denken, een expositie! En dat is het ook. Als het eenmaal gelukt is. Om hem in te richten, bedoel ik.
Ik heb geen puf meer om te beschrijven wat er allemaal precies mis kan gaan. Maar het is meer dan de allercynischte aartspessimist kan verzinnen, sterker nog: zelfs meer dan ik zelf had kunnen bevroeden.

Ik bedoel, natuurlijk regent het pijpenstelen tijdens die 2 schamele uurtjes dat je met de auto voor de ingang van het museum mag staan om de boel uit te laden, en uiteraard ligt die ingang net ver genoeg van het asfalt af om diverse acrylschilderijen van een ander, ietwat uitgelopener uiterlijk te voorzien.
En dat de bij Ikea ingeslagen lijstjes in eerste instantie niet precies pasten dat snapt iedereen, en ook dat het glas van die lijstjes geen glas bleek, maar hard plastic, dat zo statisch was, dat het alle stof binnen een kubieke meter als een zwart gat naar zich toetrok, inclusief het gras dat blijkbaar uit het versgemaaide park voor de deur, naar binnen was gelopen.
Peanuts. Daar draaiden L. en ik onze handen niet voor om. Zij herstelde de schilderijen, legde ze te drogen, terwijl ik ondertussen het plexiglas een beurt gaf met kut! op dit vaatdoekje zit nog, wat is het? Appelstroop? en lijstte vervolgens de droge exemplaren in.
Natuurlijk stonden alle schotten scheef waaraan we de schilderijen mochten hangen, en waren de haakjes  al te krom vervormd, waardoor de lijstjes naar links danwel rechts kantelden, en het geheel eruit zag als zo’n esoterische winddinges. Bepaald niet de uitstraling die we voor ogen hadden.
Bovendien bleek het plexiglas in combinatie met de aanwezige overvloed aan licht te zorgen voor een macaber spiegeleffect. Dat viel te verwachten, dat was iets waar we eventueel rekening mee hadden kunnen houden. Dat hadden we niet. Maar ook weer wel, want zoals gezegd: wij waren op het ergste voorbereid, ook al wisten we niet precies wat dat ergste dan in zou houden.

Hoe om te gaan met ‘het ergste’? De simpelste oplossing in voorkomende gevallen is vaak de beste. Namelijk ‘het ergste’ domweg elimineren. Ergo: het plexiglas in de kliko flikkeren, en de haakjes van het museum terugleggen in het rommelhok.

Hoewel dat nog niet de gehele oplossing was, maar wel de oplossing van het ergste probleem. Resteert echter nog wel de vraag hoe het wegvallen van de bedoelde functionaliteit van de probleemveroorzaker gecompenseerd kan worden.
“Maar hoe hangen we ze dan op?” vroeg ik aan L., wijzend naar de ontbrekende haakjes.
“Met kneedlijmdingetjes.”
“Kneedlijmdingetjes?”
“Kneedlijmdingetjes.”
“Wat zijn kneedlijmdingetjes?”
“Die kun je kopen bij de Blokker.”

Dus wij naar de Blokker. Daar hadden ze inderdaad kneedlijmdingetjes. En die werkten perfect.
Naar wij dachten.
Tevreden sloten we met de ons toebedeelde sleutels de expositieruimte af en keerden huiswaarts. We hadden ‘t ‘m weer gelapt.

De volgende ochtend kwamen we terug in de expositieruimte. De kneedlijmdingetjes bleken perfect te hebben gewerkt. Dat wil zeggen: bij ongeveer de helft van de schilderijen. De andere helft was van de schotten gepleurd, waarbij het een en ander aan lijstjes was gesneefd. Virginia Woolf waaide op toen we de deur open deden, Leonard Cohen lag dubbelgevouwen op de vloer tussen vier geknakte latten; het was een ravage.

De rest van het relaas ga ik jullie besparen. Het is een verhaal waarin naast bloed, zweet en tranen vooral dubbelzijdig fototape, lichte paspartouts en stevig ijzerdraad op de aftiteling staan.

Om kort te gaan: het is goed gekomen. Het is een geweldige expositie geworden. Of zoals een Japans stelletje het vanmiddag in het gastenboek schreef: “Fantastic! Congratulations! You kept the soul in the people you painted. Great exposition!”

 

Appelpop 2012 (1)

Fubar. Voor de legervrienden onder ons een bekende term. Voor de anderen: google. Maar om kort te gaan: Ik ben het. Letterlijk en figuurlijk. Geestelijk en lichamelijk, mentaal en fysiek. Totaal naar de vaantjes, compleet naar de kloten, toegetakeld tot onherleidbare herkenbaarheid.

Het was het waard.

 (binnenkort misschien meer)

Beroepskeuze

Ik ben als kind van de jaren 70 (of eigenlijk nog net 60) opgevoed met de Stratenmaker op Zee-show. In de titelsong van het programma gaat het over beroepskeuzes. Welbeschouwd een belangrijk thema, hoewel je je dat op die leeftijd nog totaal niet realiseert. De toekomst is iets voor volwassenen. Als kind leef je in het heden, het nu. Dus als ik op het pleintje aan het voetballen was wilde ik Johan Cruyff worden, en 5 minuten later, als we gingen badmintonnen, Bjorn Borg. Okay, dat was een tenniser, maar dat vond ik hetzelfde.
 
Voor wie het niet paraat heeft, het begin van het Stratenmaker op Zee-lied gaat als volgt:

Lieve tante Greetje vraagt altijd aan mij
Wat wil je later worden in de maatschappij
Word je later dokter, word je dominee
Tante, lieve tante, ik heb geen idee

Nachtwaker – Nee
Haringkaker – Nee
Maar stratenmaker
Ja stratenmaker
Ja stratenmaker op zee..

Ik vond het een raar lied. “Stratenmaker op Zee, dat kan toch helemaal niet?”, zei ik tegen mijn ouders.
“Nee”, zei mijn moeder, “dat kl..”
“Jawel”, onderbrak mijn vader haar, “dat kan wel degelijk, neem bijvoorbeeld de Straat van Gibraltar.”
“De Straat van Gibraltar?”
“Ja”, zei mijn vader, “dat is een zeeweg. Heel erg belangrijk voor de Mediterrane handel. Dus daar hebben de stratenmakers op zee uitermate nuttige arbeid verricht.”
Waarschijnlijk knipoogde hij ondertussen naar mijn moeder, maar dat is me destijds ontgaan. Ik vond het verhaal van mijn vader indrukwekkend, maar nog niet geheel overtuigend en wendde mij tot Google trok de Grote Bosatlas uit de boekenkast. Ik typte in zocht op de achterste pagina’s bij de index naar ‘Straat van Gibraltar’.
Guess what. Hij bestond!

Het zal niet direct aan voorgenoemd voorval gelegen hebben, maar toch nam ik het beroepskeuze-advies dat mijn vader me in mijn puberteit gaf serieus. Hij was decaan moet je meerekenen, en had gevoeglijk verstand van zaken mocht ik aannemen.
“Sven”, zei ie, “ik heb het er ook met Louis (mijn leraar Frans en tevens collega-decaan – pdn) over gehad, en wij vonden allebei: “Jij bent een man voor de econometrie.”
“Econometrie?”
“Ja, dat is een combinatie van economie en wiskunde, en vooral de moeilijkste studie die er momenteel is. Bovendien heb je voor beide vakken een 9, dus het zou een gemiste kans..”
“Econometrie lijkt me geen reet aan”, onderbrak ik ‘m.
“Mij ook niet”, grinnikte mijn vader, of nee, waarschijnlijk grinnikte ie niet, en was ie bloedserieus, “maar het is de studie met het beste baanperspectief, namelijk 91,2%.”
“En psychologie?” vroeg ik.
Mijn vader liet zijn wijsvinger langs een tabel glijden: “32,6%”, zei ie, “dus dat kun je vergeten.”
Ik aarzelde.
Mijn vader maakte van de stilte gebruik en zei: “En voor econometrie kun je het beste naar Rotterdam gaan, want de Erasmusuniversiteit heeft de beste hoogleraren en het hoogste slagingspercentage, te weten ..”
“Okay, okay”, zei ik, “ik ga econometrie studeren, maar niet in Rotterdam.”
“Waar dan wel?” vroeg mijn vader, oprecht verbaasd, “Tilburg?”
“Amsterdam”, zei ik.
“Geen sprake van”, zei mijn vader.
“Dan wordt het psychologie”, zei ik.
Mijn vader dacht even na.
“Okay”, zei ie vervolgens, “Econometrie in Amsterdam. Maar dan wel die Christelijke Universiteit en niet de UvA.”
“Deal”, zei ik.

Ik was nog steeds een kind. Leefde nog steeds in het nu. Het kon me geen fuck schelen wat ik ging studeren. Als ik maar in Amsterdam kon wonen.
En dat is gelukt. Ik woon er nu op de kop af 25 jaar (jeuh!) en 4 dagen.

De zwaarste studie van het land bleek inderdaad pittig en zoals vermoed geen reet aan, ultiem saai. En op de koop toe behoorde ik na succesvolle afronding ook nog eens tot de 8,8% die geen baan vond. Waarschijnlijk vanwege mijn haar dat ik destijds tot over de schouders droeg, danwel doordat ik tijdens sollicitatiegesprekken eerlijk was inzake mijn toenmalige visie op de imperialistische neigingen van het grootkapitaal.

Uiteindelijk ging ik het leger(!) in, en belandde daarna in de bijstand. O ja, voor ik het vergeet: drinken deed ik ook. Een hoop. En gokken. Niet te zuinig. Een van de gevleugelde zinnen uit mijn dagboeken uit die tijd luidt: “Al mijn geld weer uitgegeven aan fruit(goed zo!)machines(oh..).
En ik had er lol in.
Ik at niks. Woog onder de 50 kilo. Ik zoop een krat Aldi-pils per dag en tikte op een afgedankte computer die ik van mijn schoonmoeder had gekregen een roman over mijn militaire diensttijd bijelkaar. Ik woonde op een kamer van 4 vierkante meter, met gedeelde keuken waar niemand durfde te komen omdat er 80 vuilniszakken in stonden en een veelvoud aan ratten bivakkeerde. In de gemeenschappelijk douche zag het plafond groenzwart van de schimmel en hadden de tegels stuk voor stuk te schaften met schurft. De inwonende huisbaas was een dikke kale sportschooljongen met standaard een boksbeugel om zijn rechterknuist.
Het had wel iets. Ik verlang er nog wel eens naar terug. De kamer met louter een matras, een bureau en en stoel. En een raam met uitzicht op het binnentuintje met oudijzer. De kamer waarin ik, als ik op zeldzame dagen dan toch eens iets at, hamburgers bakte in een broodrooster.

Op een dag heb ik na een financiele meevaller op de fruitmachine een pak gekocht bij de ‘HIJ’. En ik ben naar de kapper gegaan. En ik heb gesolliciteerd.
Ter plekke vervolgens zoveel mogelijk mijn muil gehouden.
Ik werd direct aangenomen.
Zo makkelijk was het dus.

We zijn nu 17 jaar verder. Ik heb nog steeds die baan. Die kutbaan. Die overigens behoorlijk goed betaalt, laat ik daar duidelijk over wezen. Ik kan elk jaar op vakantie, ik heb een koophuis in een van de mooiste buurten van Amsterdam, met een dakterras dat uitzicht heeft op zowel het Vondelpark als het Paleis op de Dam. Ik heb een auto. Ik heb een rokkostuum, ik heb de goede schoenen voor als het moet, en een mooie verzameling wijn.

Maar, en dat wilde ik dus eigenlijk zeggen, ik had heel iets anders willen worden. Realiseer ik me nu, geloof ik. Wat precies weet ik niet. En het is ook niet nieuw, ik heb dat elk jaar als ik terugkom van vakantie.
In Twin Peaks, een serie uit de jaren 90, had je op een gegeven moment de keiharde zakenman Benjamin Horne die overvallen werd door een visioen, en plotseling van levensmotto veranderde. Van, waar en vanwaar wil vanaf wezen, maar het kwam neer op “The urge to do good”. Op slag verwordde hij van transactionbanker in een esoterisch gevoelswezen dat, om het plaatje compleet te maken, op wortels knaagde ipv op sigaren. In volle overtuiging en geloofwaardig gebracht.
 
Ik heb te kampen met een soortgelijk iets. “The urge to be free”.
Midlife-crisis”, zul je denken. En dat zal ook wel. Maar ook weer niet. Want ik ben gelukkig met mijn meisje.
Ik heb de afgelopen dagen eindeloos zitten googlen. Op de mogelijkheden om boswachter te worden, molenaar, of schaapsherder.
Wat ik heb geleerd: het zit er niet in. Trefwoorden: ‘enkel vrijwilligers’, ‘vacaturestop’ en ‘uitgestorven’.

Toch zijn dat de enige beroepen waarin ik me echt gelukkig zou kunnen voelen. Of biologische boer. Daar heb ik eveneens op gegoogled. Maar dat wordt ook niks. De wachtlijsten om een boerderij over te nemen zijn, in tegenstelling tot wat je zou verwachten, enorm. In Nederland althans. In de rest van West-Europa trouwens ook. Het is om moedeloos van te worden.

Dus ik doe het natuurding maar een beetje op mijn dakterras. Dat dan weer wel. Afgelopen weekend een complete 4 vierkante meter tellende futon van IKEA aan brandbare plankjes gesplitst met een Black ‘n Decker-decoupeerzaag. 
Hout verzamelen voor de winter. Voor de open haard. Krijg ik een prettig gevoel bij. Word ik gelukkig van.

Telkens als ik weer een nieuwe stapel naar beneden bracht, hem onder het roze antieke bankje op de houtverzamelplaats schoof, snoof ik even aan het hout en dacht: “Ja, dit is het.”

Ik bedoelde zoiets als mijn leven, denk ik.