Alcoholtester

Wie zo afentoe het journaal kijkt of een krant leest kan het niet gemist hebben: in Frankrijk is het sinds kort verplicht om een alcoholtest aan boord te hebben van je auto. En niet eentje, maar twee zelfs. Twee eenmalige Predictorachtige (mooie bandnaam trouwens, Predictor, gevoerd door een Tielse jaren 80-metal-formatie, die zich evenwel na het eerste desastreuse optreden omdoopte tot ‘Kalkar’ naar de beroemde Duitse kerncentrale, wat commercieel toch net iets meer perspectieven bood) instanttests die je na een ietwat uit de handgeescaleerde zakenlunch kunnen vertellen of je direct al kunt plaatsnemen achter het stuur, of dat je eerst nog even een kopje koffie moet drinken.

Ik wist niet dat ze te koop waren. Promillage-meters. Ik verkeerde in de veronderstelling dat het monopolie daarop in handen was van de politie. Maar niets bleek minder waar. Op internet worden ze in allerlei soorten en maten aangeboden.
Wat mij betreft een openbaring. Een uiterst welkome samenloop van omstandigheden bovendien. Want. Ik hou niet van grenzen, maar als ze er dan toch zijn, dan zoek ik ze graag op. 

Meten is weten, nietwaar?

Ik bestelde een alcoholtester. Een digitale. Op AAA-batterijen en kortom tot het oneindige herbruikbaar. Eindelijk zou ik weten of ik doordeweek meer kon drinken dan het dieet van 4 halve liters waaraan ik mezelf sinds december 2011 heb onderworpen.

Hier volgen de testresultaten:

Wacht. Er is enige voorkennis nodig. Ik weet niet in hoeverre jullie, lieve lezers, zijn ingewijd in de materie. Dus bij dezen een paar basiskennisfeitjes:

– Een promillage van boven de 0.5 is strafbaar op de openbare weg
– Een standaard horeca-eenheid (bier, wijn, whiskey, etc) zorgt voor een promillage van 0.25
– De lever van een gemiddeld mens breekt per uur 0.1 af, mits die lever niets anders te doen heeft (zoals bijvoorbeeld de schadelijke stoffen uit eten neutraliseren)

Disclaimer bij dat laatste: variatie is groot; hangt allemaal af van geslacht, lichaamsgewicht en talent.

Goed. Dat gezegd hebbende:

Testresultaat 1:
– 1 miniscuul slokje bier: uitslag: promillage van 0.6. Display: “Danger! Don’t drive!”

Testresultaat 2:
– Daarna 1 slokje water: uitslag: promillage van 0.0. Display: “Safe! Drive carefully”

Ja, fuck. Wat is dit voor een kutmeter. Miskoop. Enfin. Even dieper testen.

Testresultaat 3:
– Twee halve liters in anderhalf uur: promilage 1.1. Display: “Danger! Don’t drive!”

Om met JC te spreken: “Logisch.”

Testresultaat 4:
– Vervolgens om 20.30 volkoren Penne gegeten met een saus van tomaat, tonijn en ananas, met Parmezaanse kaas. Vervolgens 3 kopjes koffie gedronken met 2 overdatum paaseitjes en 2 ministroopwafels, plus een kopje thee met een Verkade-Langetje. Resultaat om 22.30: promillage van 0.4. Display: “Caution! Drive safely!”

Testresultaat 5:
– Een half uur niets genuttigd, op een sigaret na. Om 23.00 Promillage: 0.0

Dat kan niet. 0.4 afbreken in een half uur. Of ik, en in het bijzonder mijn lever, moet over een uitzonderlijk talent beschikken.
Op zich geloof ik daar graag in. Sinds mijn pakweg 24e heb ik chronisch danig meer dan 2.4 liter bier per dag gedronken (= equivalent 0.1 per uur), en ik ben niet dood gegaan. Dus mijn lever kan meer aan dan gemiddeld.

Maar hoeveel precies? Dat is een interessante vraag. Waar ligt mijn kritische grens? Daar had ik, om eerlijk te zijn, die alcoholtester dus voor gekocht.
Van Herman Brood is bekend dat ie een lever had die zo groot was dat ie er bijna, of eigenlijk helemaal, zowaar een beetje een borstkas van kreeg. 8 keer zo groot als normaal. Om over Hazes nog maar te zwijgen. 72 blikjes Heineken per dag (wat na acute inname zorgt voor een promillage van 21,6 – meer dan 40 x de wettelijk toegestane norm – hij had dan ook een chauffeur). Hazes’ zijn lever wist het lang te behappen, was uitgegroeid tot een zwemband van enkele decimeters omtrek.
Okay, ze zijn beiden niet oud geworden, 54, maar toch. Respect.

Testresultaat 6:
-2 halve liters en een hele hoop sigaretten verder, om 3.00 am: De display begon al na een halve seconde heftig te piepen: “Maximal capacity 4.0.”
Ook dat kon niet. Ik bedoel, dat zijn 8 halve liters. Vlak achter elkaar. Dat was ik niet. Dat was een neger, zouden ze in Tiel zeggen. Ik had er maar 4 gehad. Ruim verspreid bovendien.

Ik had inmiddels in de smiezen dat de alcoholtester niet zo secuur was in het meten na directe inname. Ik besloot te gaan pitten.
Altijd de verstandigste keuze. Zeker om 4.30, en met een werkdag voor de boeg.

Testresultaat 7:
8.00 am. Clean. 0.0%. Volgens de alcoholtester. En volgens mezelf ook. Ik stapte op mijn fiets richting werk en voelde me kut. Even kut als het hele afgelopen half jaar.

En ook weer niet.
De volgende keer neem ik er 5.

Advertisements

Je bent zelf een Oorlog

Had ik net een foto van mezelf genomen, ik zou me voor gek hebben verklaard. Het tafareel: Een jongen die in zijn joggingbroek met een scheur van enkel tot kruis, rond middernacht in de achterbak van zijn 20 jaar oude Volvo 460 op de tast graait naar een tree met 24 halve liters Hollandia-pils die daar nog ergens moest rondzwerven. Met als desgevraagd excuus: “Ik moet nog een stukje schrijven.”

Zondagnacht. De laatste drinkgelegenheid van de week. Vanaf morgen is het weer een paar dagen blauwe knoop. Na een half jaar wil het nog steeds niet wennen. Of wennen is eigenlijk niet het goede woord. Want wennen doet het wel. Maar leuk is anders.
Jimi Hendrix heeft ooit een nummer geschreven met de titel: ‘I don’t live today’. Dat nummer zit tegenwoordig van maandag t/m donderdag in mijn kop. Van maandag t/m donderdag ben ik psychisch dood. Een steen. Een plant hooguit. Een vegetable.
Ik aanschouw het leven en neem het ter kennisgeving aan. Ik doe mijn werk, ik eet mijn groenten, en kijk mijn sport. Daarnaast ga ik eindeloos in bad om tijd te rekken, kijk drie keer de herhaling van het nachtelijke journaal totdat ik me moe genoeg voel om in te slapen.

Ik red me wel, begrijp me niet verkeerd, ik kan het best, weinig drinken doordeweek. Maar ik heb moeite met het inzien van het nut. Ik bedoel, los van dat ik het moet doen om mijn baan te behouden en daarmee mijn hypotheek en het hele rataplan aan overige aanhangige verplichtingen.

Kut.

Driewerf. Daar staat tegenover dat ik me op donderdagavond euforisch voel. Dan kom ik thuis, ruk mijn overhemd over mijn nek heen, slinger het in de rondte en gil: “Yes!”
Enorm emotioneel in balans klinkt dat niet, en dat het is dan ook geenszins. Want vervolgens duik ik mijn Amerikaanse koelkast in, trek er een halve literblik uit, zet het aan mijn lippen en zuig het leeg als een bij de eerste lentebloem. En nog een, en nog een, en nog een, enzovoort et cetera, huh? communiceren, wat was dat ook alweer? Oh dat ja! Nee, geen tijd voor, zodadelijk, eerst nog even een pils, nu mag het, wat zei je? Oeh, daar moet ik … eerst nog even een pils, ja, nee, nu ben ik moe, mag ik? de hele week gewerkt, ja gewerkt ja, nee, godverdomme, nee ik ben helemaal niet agressief, wat? nee, wacht, nog even een pils, eentje maar, en dan.. de laatste.. Zal ik Neil Young opzetten? Wacht, ik doe het gewoon… Nee, nu echt de allerlaatste…. Wat?  Eeuuh daar moet ik echt eerst even over nadenk.., zzzzzzzzz

Ik zeg niet dat het zo het hele weekend gaat, maar dat is zoals met dingen die mensen zeggen niet te zeggen. Ze zeggen het wel.

Ik had het allemaal zo goed voor elkaar. Zo perfect in evenwicht. Zestien jaar gearbeid, weliswaar misschien nooit in uiterste topvorm vanwege een promillage aan restalcohol, maar altijd met wederzijds genoegen. Met mijn functioneren is nog nooit iets mis geweest. Integendeel. De beoordelingen waren en zijn nog altijd enthousiast. “Maar wees voorzichtig met de drankjes”.

Die laatste zin. En vooral de begeleidende strenge blik die zei: “One more strike and you’re out”.

Voor mij persoonlijk is er iets veranderd. En ‘iets’ is niet het goede woord. ‘Alles’ klinkt te dramatisch, maar dekt desondanks beter de lading.
Ik kan mezelf niet meer zijn. Ik durf mezelf niets meer te veroorloven. Ik durf niet meer met mijn vrienden op een doordeweekse dag voetbal te kijken. Ik durf niet meer op een doordeweekse dag naar een poezieavond te gaan. Doordeweek ben ik vleugellam. Een steen. Een plant. Een vegetable.

Ik heb net 24 pils naar boven gesjouwd. En ik heb er van gedronken.
Veel. Veel te veel.
Om een lang verhaal kort te maken: Tegenwoordig ben ik het altijd, steevast en continu.
Emotioneel overleden, psychisch de pijp uit, en klinisch een zombie.
Broodnuchter, danwel starnakeldronken. Het komt op hetzelfde neer.

Dat kan nooit goed zijn.

Ik heb heimwee naar mijn vroegere staat van het aangename er tussenin.

Orville

Egoland – Legoland 0-1 twitterde de een of andere Belgische krant gisteren fijntjes. Of eergisteren. Ik weet het niet meer precies, en het doet er ook niet toe. Kutbelgen. Kutdenen. Kutduitsers. Ik kan slecht tegen mijn verlies. Enfin. Laat ik ophouden over het EK. Of okay, even dan nog. Mijn ideale opstelling:

                                              Stekelenburg

            Boularouz        Heitinga           N.de Jong        Willems

                          Sneijder                              v/d Vaart

                                               Van Persie

            Robben                                                                      Affelay

                                               Huntelaar

Ben je ook meteen af van het ego-probleem. Gewoon allemaal opstellen. Het is de truc uit de beste tijd van het Nederlands elftal in het algemeen en Ajax in het bijzonder. In voorkomende gevallen offensief ingestelde spelers een linie terughalen. Zoals bijvoorbeeld Rinus Michels in 1974 aanvallende middenvelder Arie Haan in de verdediging zette, en Louis van Gaal in 1995 schaduwspits Litmanen van 10 naar 4 verhuisde als een soort voorstopper. De resultaten zijn bekend: Eeuwige internationale roem als uitvinders van het Totaalvoetbal respectievelijk winst van de Championsleague en de wereldbeker.

Los daarvan: als je deze 11 opstelt, dan sta je al met 1-0 voor, omdat elke willekeurige tegenstander het bij voorbaat in zeven kleuren in zijn broek doet. Dus dan hadden we er toch mooi een gelijkspelletje aan overgehouden tegen die Denen, maar dat terzijde.

Terzake nu. Ik wilde het over Beeldende Kunst hebben. Bovenstaand elftal zou daar een goeie representant van kunnen zijn, maar gaat ‘m namens van Marwijk waarschijnlijk nog even niet worden. Dus zul je toch echt naar het museum moeten. Of, en daar wilde ik eigenlijk over schrijven: naar de KunstRai.

Want die was er eindelijk weer. Het enigszins elitaire Art Amsterdam (niks mis met de elite overigens, ik ben gek op de elite, maar elitair is iets anders), dat er de afgelopen jaren voor in de plaats was gekomen, is verhuisd naar een andere locatie en uiteindelijk zelfs gecancelled, dus nu was er weer plek voor een kunstbeurs met de oorspronkelijke naam.
En hij is gezien, hij is niet onopgemerkt gebleven. Sterker nog, hij is danig in het nieuws geweest. Er hebben een hoop ingezonden brieven in de krant gestaan betreffende een ter plaatse tentoongesteld kunstwerk. Maar daarover zodadelijk meer.

Eerst iets over de beurs zelf. Ten eerste was ie in de Noordvleugel i.p.v. de Zuidelijke. Wat neer komt op in een fabriekshal i.p.v. in een congrescentrum. Met navenant voedsel. Er waren qua eten enkel uitsmijters, een kopje soep of saucijzenbroodjes verkrijgbaar. I.p.v. bijvoorbeeld ciabattas met zalmsnippers op een bedje van ruccola, met olijf-sinaasappeldressing en handgemalen parmasaan, die bij Art Amsterdam steevast op het menu stonden.
“Nou ja!”, zei een beursganger met een stem die op hoge poten liep; “saucijzenbroodjes, wat een niveau!”
Wat niet wegnam dat er een lange rij stond.

Ook hadden ze geen prosecco meer op de kaart. En geen dure longnecks. Een gewoon flesje Heineken kon je krijgen, en koffie uit een automaat.
“Nou ja!” zei ik tegen het barmeisje, eveneens met een hogere stem dan normaal, moet ik toegeven. Daar staat tegenover dat de prijzen medevielen.

Goed. Dan de kunst. Daar ga ik in schrift kort over zijn. Ik zoek elk jaar naar een rode draad. Een trend. Zowel Art Amsterdam als de KunstRai pretenderen immers de huidige stand van zaken in de moderne beeldende kunst te etaleren.

Twee jaar geleden zag ik opvallend veel schilderijen waarin tekst was verwerkt.
Vorig jaar was er sprake van een hausse in bewerkingen van Disney-figuren, met name Mickey Mouse.
Dit jaar zag ik heel veel van het volgende:

 

Ik heb er nog een stuk of 30. Soortgelijke foto’s, dit jaar geknipt op de KunstRai. Maar ik vermoed dat je mijn signalering wel vat. Wat de tendens was, bedoel ik, het trending topic, het blijkbaar actueelste thema.

Dier als mens. Interessant. Ik zou nu heel lang kunnen gaan nadenken wat dat zegt over deze tijd. Want dat is eigenlijk de bedoeling van moderne kunst. Of misschien niet per se de bedoeling, maar wel een mogelijkheid.

Maar voordat ik was uitgedacht had de actualiteit me al ingehaald. De eerder genoemde boze brieven in de krant. Ze gingen over een kat. Een kat die te zien was op de KunstRai. Ze gingen over Orville. Over deze jongen:

Orville, vlak na geboorte vernoemd naar een van de gebroeders Wright, is een doodgereden kater die door zijn lieftallige eigenaar is opgezet. Met hier een daar een propellertje aan zijn poten, zodat ie kan vliegen. Of dat kunst is, daar kun je over discussieren, maar op deze KunstRai passen deed ie wel.

Verder wil ik niks zeggen. Behalve dat ik al te zwartwitdenkende mensen dom vind. En dat het prima is dat ze vinden dat ze daar recht op hebben. Maar dat dat wel eng is.

Anyway. Op het gevaar af. Hup Holland!