Marktman

Ik woon nu al bijna 25 jaar in Amsterdam (in augustus is het zover; jubileum!), en heb zelfs tijdens nog meer jaren de hoofdstedelijke Vrijmarkt meegemaakt op Koninginnedag. Echter altijd als passieve consument, nog nooit als verkoper. Logisch natuurlijk, want het vergt een ongezonde mate van hersenverweking wil je zo debiel zijn om op een Nationale feestdag om 7.00 am op te staan, je het leplazerus te slepen met een berg aan afgedankte zolderkamerinhoud, een gammele marktkraam te improviseren, om vervolgens 10 uur lang aan een stuk door voor Jan Lul op dezelfde paar vierkante meters te moeten bivakkeren, terwijl de rest van de stad lekker aan het feestvieren is.

Toch bestaan die mensen. Mijn nicht bijvoorbeeld, staat al jaren tijdens Koninginnedag op de Noordermarkt met haar afgedragen jurkjes. Naar eigen zeggen verdient ze daar altijd een hoop geld mee. En omdat L. en ik eerder dit jaar hadden besloten onze al te enthousiast uitgedijde verzameling van tja, hoe zal ik het zeggen, spulletjes, eens aan een kritische blik te onderwerpen, ontstond na verloop van tijd op haast natuurlijke wijze het plan om ook eens een gokje te wagen als verkoper op de vrijmarkt.

Na lang wikken en wegen kwamen wij tot het besluit om het volgende assortiment in de aanbieding te gooien:
– Zo’n 1% van onze boekenverzameling
– Twee vuilniszakken kleding
– Een van mijn 4 pickups
– Een roeimachine
– Een divan
– Een rij van 4 authentieke Concertgebouwstoeltjes
– Een 3 meter lange decoratie-pop die we ooit hadden geplunderd tijdens het Boekenbal

Wie het bovenstaande lijstje eens goed overleest gaat vanzelf met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd tikken. Want inderdaad, sommige van de genoemde zaken zijn bepaald niet gemakkelijk te vervoeren. Voor ons als verkoper al nauwelijks, laat staan voor onze potentiele kopers. Aan de andere kant: wij waren zelf ook ooit zo gek geweest om de rij stoeltjes aan het einde van een Koninginnedag aan te schaffen, en van het Concertgebouw in Zuid helemaal naar Oud-West te rollen, dus wie wist.

Anyway. Gisteren, op 30 april, stonden wij om 7.00 op, zetten koffie (“hey, die kunnen we misschien ook verkopen!” riep ik), kleedden ons aan en vertrokken naar de grachtengordel om onze plek op te eisen die we de avond daarvoor netjes met behulp van een potscherf tot bezet gebied hadden gekrijt.
Van twee schragen en en plank maakten we een marktkraam waarop ik de boeken en de pickup uitstalde. Aan de reling van een trap hing L. mbv knaapjes de kleding op. Vervolgens zette ik de thermoskan koffie op tafel, schreef op een oranje A4tje een wervende tekst, ik nam een foto van het geheel en plaatste die op twitter, met de opmerking: “Zo, ik ben er klaar voor.”
Dit was de foto:

 

Daarna werd het tijd om de ingewikkeldere zaken naar de kraam toe te sjouwen. Zoals de roeimachine. En de divan. Die ik eerst uit elkaar bleek te moeten schroeven, want anders kreeg ik hem de etagedeur niet door, laat staan de trap afgesleept.
De 3 meterlange pop bleek dan weer een stukje gemakkelijker, want die was van kussenmateriaal en kon ik dus met een gerust hart simpelweg naar beneden flikkeren.

“Heb je al wat verkocht?” sms-te mijn beste vriend na een uurtje.
“Nog nul”, antwoordde ik.
“Zelfs geen bakje slappe koffie?”
Blijkbaar had hij mijn tweet gezien. “Zelfs dat niet”, texte ik terug.

Maar ik moet zeggen, toen ik de boekenbalpop eenmaal op de divan naast de kraam had geplaatst kregen we plotseling een stuk meer bekijks. De pop zag er als volgt uit:

Prompt begon het storm te lopen bij de kleren van L., en zowaar kreeg ik voor het eerst ook een aantal boeken verkocht.
“Die pop is een goudmijn!” highfiveden L. en ik.

Bij de pop had ik een oranje A4tje geschreven: “BOEKENBALRELIKWIE te koop voor het symbolische bedrag van slechts 1 euro”.
Dat bedrag werd al vlot geboden.
“Is ie daar echt voor te koop?” vroeg een kakjongen die even uit een bootje was gestapt om bij het cafe naast ons te pissen.
“Ben je bedonderd”, zei ik, en griste het papiertje van de pop af.
Ik leerde snel, als marktkoopman.
“Jammer”, zei de corpsbal, “hij was perfect geweest voor op onze boot.”

Vervolgens brak het moment aan dat ik de Concertgebouwstoeltjes naar beneden wilde gaan vervoeren. Ik had hiertoe aan enige pre-produktie gedaan om in Appelpoptermen te spreken, die eruit bestond dat ik de sleepkabel uit mijn auto had meegenomen. Mijn plan was om het 200 kilo wegende gevaarte middels een ingenieuze constructie waarbij trapleuningen en andere vastbindplekken een belangrijke rol speelden, langzaam naar beneden te laten zinken. Maar dat plan bleek die dag ervoor in mijn (dronken) gedachten eenvoudiger te zijn geweest dan in de actuele situatie, te weten: de altijd weerbarstige praktijk.
Ik krabbelde met de sleepkabel in mijn handen en mijn blik op het kolos een poosje over mijn kop. Toen besloot ik eerst maar eens een pils te gaan drinken om er met een sigaretje nog eens goed over na te denken.

Na de tweede pils wist ik de oplossing: “We vragen het gewoon aan twee gespierde voorbijgangers”, zei ik tegen L.
Ik heb het al vaker gezegd: De beste ideeen ontstaan als de fles in de man is.
“Vraag jij het?” vroeg L.
“Nee, het is handiger als jij het doet”, zei ik, “vrouwen helpen ze sneller.”
Ik ben een laffe lul, ik weet het.
“Hoeven ze alleen meer gespierd te zijn”,  vroeg L., “of moet ik nog ergens anders op letten?”
“Gespierd en vrolijk”, zei ik, “en een beetje dronken, maar niet te”.
Uiteindelijk viel onze keuze op twee vrolijke lange blonde gozers met een sixpack in hun hand en oranje shirts die om hun brede borstkas spanden.
L. sprak ze aan. Ze bleken uit Noorwegen te komen. En uiteraard wilden ze L. wel even helpen met haar ‘chairs’ naar beneden dragen.
Ze hebben er een half uur over gedaan. Doordrenkt van het zweet plantten ze de rij Concertgebouwstoeltjes uiteindelijk op de stoep.
“Heavy?” vroeg ik.
“Man, zzat wazz a bad motherfucker” grijnsde de blondste. De andere, die een hoedje op had, was het grijnzen enigszins vergaan. Lijkbleek stond ie uit te puffen. We boden ze ieder een vol bekertje Clairette aan, dat ze van harte accepteerden. Ze dronken het in 1 teug leeg. Alsof het water was. Misschien dachten ze ook dat het water was.
Anyway. We zwaaiden ze uit, en rolden de stoeltjes (er zitten wieltjes onder) naar onze kraam:

 

Een spannende tijd brak aan. De stoeltjes moesten per se vandaag verkocht worden. Weer naar boven sjouwen was geen optie.
Ze trokken veel bekijks. Antropologisch was het interessant om te zien dat ogen uit alle lagen van de bevolking er naartoe werden gezogen. Van Marokkaans straattuig tot en met bejaarde vrouwtjes met parelkettingen. Zelfs de politie te paard staarde er naar, en draaide het hoofd nog even om toen ze er voorbij waren. Gewillige kopers waren er ook zat, maar geen van allen zagen ze het zitten om ze naar huis te moeten vervoeren. Ze vroegen stuk voor stuk om ons telefoonnummer, om ze later in de week op te komen halen, maar dat had geen zin zeiden we. Ze moesten echt vandaag weg.

Het leek kansloos te worden. En mijn bier was ook al op. Toen kwamen er 3 kanondronken gozers langs. “Wij moeten echt die pop”, zeiden ze, “wat wil je er voor hebben?”
Ik twijfelde. “Ik geef je er een bier voor”, zei een jongen en zette een blik Jupiler op tafel.
Dat vond ik wel een goed bod. En ik wilde het al accepteren, maar toen viste hij in zijn broekzak en zei: “2 bier!”, en daarna trok ie er nog een uit zijn mouw en riep: “3 bier!”
Ik zei: “verkocht!”
“Vet!” riep de jongen, “nu hebben we al twee onzinnige relikwieen!” Een andere dronken vriend van ‘m toonde trots een tuinkabouter. Luid lallend verdwenen ze met de pop en de kabouter de massa weer in:

Om 17.00, bij het scheiden van de markt, hadden we nog steeds geen definitieve koper voor de stoeltjes. Ik begon langzaamaan onze kraam al af te breken. Een Frans meisje viste nog voor 1 euro het enige Franse boek uit ons aanbod, en een Amerikaanse kocht nog een jurkje, maar daarna leek het gedaan. Tot er een Portugese knul opdook. Hij staarde gebiologeerd naar de stoeltjes. Hij zuchtte: “Wow”
L. vertelde hem het nieuwe bedrag dat we er voor vroegen. We hadden onze vraagprijs inmiddels aanzienlijk verlaagd. Alles was nu meegenomen. “Now they are 75.”
De jongen zweeg. “70”, zei ze gehaast, “60!”
De jongen zei dat ie ze graag wilde hebben, maar dat ie eerst even zijn tas thuis moest zetten, en moest pinnen. Hij zou er zijn over een kwartiertje.
Na een kwartiertje was ie er niet.
“Nou”, dat was het dan, zei ik. En opende mijn laatste Jupiler.
Toen kwam na een half uur plotseling de Portugese jongen aanlopen. L. en ik sprongen verheugd op. Maar de jongen liep ons straal voorbij.
“Fuck! Wat een lul!” riep ik, want ik snapte plotseling wat die jongen aan het doen was. “Die is natuurlijk aan het kijken of we al weg zijn en misschien die stoeltjes hebben achter gelaten”, zei ik, “het was ook te mooi om waar te zijn.”
Ik nam nog een laatste slok pils en we wilden de pleiterik maken, toen de jongen een kwartier later opnieuw kwam aanlopen.
“Ah there you are!” riep ie.
Hij bleek ons niet meer te hebben kunnen vinden. Hij telde netjes 75 euro voor ons uit. Hij zei dat ie wist dat ie ze ook voor 60 mocht hebben, maar dat ze die 75 euro meer dan waard waren.

Geweldig. En terwijl de Portugese jongen de stoeltjes richting zijn huis begon te rollen, gaven L. en ik elkaar de zoveelste highfive van de dag. Deze was de mooiste. Omdat ie ons vertrouwen in de goedheid van de mens symboliseerde, dat die dag sowieso al bepaald niet was beschaamd, maar dat met die Portugese jongen een definitieve boost had gekregen.

Advertisements

One thought on “Marktman

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s