Pinkpop 2012

Het leven is zolangzamerhand een duur geintje aan het worden, maar dat weerhield mij er niet van om afgelopen februari een kaartje te kopen voor een Pinkpopfestivaldag.
Ik hou van het kopen van festivalkaartjes in de winter. Festivalkaartjes zorgen voor het verheugen op de toekomst tijdens de koude grauwe dagen. Ze bieden hoop. En hoop doet leven. Gratis en voor niets. Dus vroegtijdig instappen waar het festivalkaartjes betreft, betekent in feite een optimale investering in je persoonlijke geluk en geeft derhalve een enorme boost aan de graadmeter van je bestaan. Of zoiets. Ik heb er hele theorien over (iets met ‘de integraal van het welzijn’), maar als ik die uiteen probeer te zetten dan haken doorgaans zelfs de mij meest dierbare personen af, dus daar zal ik jullie verder niet mee vermoeien.

Ik had het over mijn Pinkpopkaartje. Voor de zaterdag. Want dat leek me de beste dag. Vanwege: Nul hippe bands. Behalve dan misschien de gehypete singer/songwriter Ben Howard (Bruce Springsteen wannabee die volstrekt voldoet aan de tijdgeest met z’n nietszeggende harses en binnen de lijntjesliedjes), maar die stond toch op het kloterigste podium (in de tent), dus daar zou ik verder geen last van hebben.
Ik ging voor nostalgie. The Cure. Jeugdheld. Robert Smith is de man waardoor ik het ooit aandurfde om in Tiel met een zwarte blazer op school te verschijnen, met houtskoollijntjes rond mijn ogen. Iedereen dacht op slag dat ik homo was geworden. Maar dat klopte niet. Ik had enkel naar de Cure geluisterd. En durfde eindelijk mezelf te zijn. Geen homo, maar wel anders.

Ik heb destijds een paar weken gespaard om de poster van ‘Boys don’t cry’ te kunnen kopen; Robert Smith in een moedeloze pose, van de achterkant gefotografeerd, met een gitaar om zijn nek. Zo voelde ik me. Uiteindelijk heb ik de poster toch maar niet gekocht. Het was 1986. Het was de tijd van weinig financiele armslag en harde keuzes. Ik kocht uiteindelijk toch maar liever meteen zelf een gitaar.

Ook aan het bezoeken van een concert van de Cure ben ik in die tijd nooit toegekomen. Een reis naar Pinkpop was in 1986 sowieso niet te realiseren, en zelfs Amterdam was budgettair onhaalbaar.
Dus je kunt je misschien voorstellen dat ik er zin in had, gisteren, om in 2012 eindelijk eens naar de Cure te gaan.

En ik werd niet teleurgesteld. Sterker nog, de omstandigheden, ze zaten helemaal mee:
1. Het weer: zonovergoten, 26 graden.
2. De drukte: niet, het was relatief rustig, niet uitverkocht, voornamelijk relaxte mensen, generatiegenoten
3. De douane: oftewel de security; ik heb 5 gram wiet en een fles Clairette de Die (champagne-achtige drank) zonder problemen het terrein op weten te krijgen (truc: genoeg afleidingsmanouvres: waaronder 20 voorgedraaide onschuldige shaggies waaraan de fouilleerster omstandig heeft staan ruiken. Omdat er met de shaggies niets aan de hand was, en ze de rij niet te lang op kon houden, liet ze me vervolgens zonder verdere plichtplegingen verder lopen) – overige trucs op aanvraag.
4. Het voorprogramma: Moss was in vorm, Kyuss Lives trapte de wahwah stevig in, en Anouk zong de sterren van de hemel.
5. De Kalm aan Laan en Het museum.

De Kalm aan Laan en Het museum is een verhaal apart.
“Waar zit je?” sms-te J., de hoofdprogrammeur van Appelpop, op een gegeven ogenblik.
“In het museum. Serieus :-)”, texte ik terug.
“??? Museum? Hebben we hier een museum???”, sms-te J.
“Zeker.”
“??? Wat voor museum?”
“Moderne kunst.”
“???? Op het terrein???”
“Ja.”
“Waar dan?”
“Op de Kalm aan Laan”

Het was waar. Pinkpop had dit jaar achter de obligate foodhoreca links na de ingang, een goed verscholen strip grond vrijgemaakt voor kraampjes die niet zouden misstaan op de Parade. De Kalm aan Laan. Waarzegsters, barbiers, chocolade-fondue, sangria met pluimrietjes, draaimolens, etc, enz. Je hebt het plaatje.
En een heus museum dus. Twee verdiepingen hoog. Moderne kunst. Voornamelijk ontzettend slechte moderne kunst, maar toch. Je verwacht het niet op een popfestival. En deze vond ik wel aardig:


En het animatiefilmpje op 1-hoog dat een fictieve Arnold Schwarzenegger met zijn visie op moderne kunst toonde, mocht er ook wezen. Twee willekeurige stills:

De Kalm aan Laan. Mocht ie in het echt bestaan, in de zin van dat je dagelijks een popfestival om de hoek hebt, een museum voor de deur, en sangria zoveel je wilt, dan zou ik er direct op inschrijven, als er sprake zou zijn van een mogelijkheid tot permanente bewoning.

“Ik kom eraan!”, sms-te J.

Ik liep het museum uit en begroette J. We dronken een pils. Hij vertelde de verhalen over het netwerken met Mojo. Ik vertelde over het museum, en dat het niet al te beste kunst was. Daarna hadden we het over The Cure.
Natuurlijk hadden we het over The Cure.
J. vertelde dat ie alles had op vinyl.
Ik zei dat ik hoopte dat ze ‘Boys don’t cry’ zouden spelen.

The Cure.

Natuurlijk speelden ze Boys don’t cry. Op het allerallerallerlaatste moment van de toegift. Mooier afsluiten is onmogelijk:

http://www.youtube.com/watch?v=Qnb2YqGQmWw

 

Advertisements

Here's to men

“Hallo mannen, hebben jullie zin en tijd om zaterdag voetbal te kijken met mijn pa?”, texte mijn goede vriend A. op Hemelvaartsdag. Hij had er speciaal een ‘groepsgesprek’ voor aangemaakt op Whatsapp, met de titel ‘Champions League finale’.
Het textbericht was beladener dan het er zo op het eerste gezicht uitziet. De pa van A. is namelijk ziek. Ernstig ziek. Zo ernstig zelfs dat, enfin, je snapt. Dus natuurlijk hadden wij mannen tijd en zin. En als we die niet hadden, dan maakten we ‘m. 
In het groepsgesprek reageerde mijn beste vriend I. met: “Moet ik even aan mijn vrouw vragen”
Wat uiteraard een geintje was. Tielse humor. I. vraagt nooit iets aan zijn vrouw. Behalve misschien wat ze vanavond eten.

Dus gisteren gingen wij voetbal kijken met de pa van A. De pa van A. heet trouwens H., en H. ken ik al heel lang. Namelijk sinds mijn 5e levensjaar, toen hij onze buurman werd in de nieuwbouwwijk op de Haaftenlaan in Tiel-West. Hij speelt een rol in een van mijn vroegste herinneringen: ik liep op mijn kaplaarsjes verveeld een beetje te dollen met de modder van onze vers omgespitte voortuin, toen er op het tuinpad naast ons een man kwam aanlopen met een gigantische plank triplex waarop een miniatuurspoorbaan was gespijkerd. Je kunt je voorstellen dat mijn interesse was gewekt.
Ik liep naar m toe, stelde me voor, en gaf ‘m een hand (ik ben heel netjes opgevoed). “Hallo”, zei ik, “ik ben Sven, ik woon naast u, maar als ik vragen mag: Is dat een miniatuurspoorbaan?”
“Jazeker”, zei H., “gedeeltelijk. Ik heb nog 5 planken.”
“Van welk merk is het, als ik vragen mag?” vroeg ik.
“Märklin”, zei H.
“Ik heb er zelf eentje van Jouef”, zei ik.
“Goedkope troep”, zei H., “Märklin is veel beter.”
Ja, dat kon ik inderdaad zelf ook wel zien. Op de plank ontwaarde ik seinpalen en wissels.
“Maar ik heb een tunnel”, zei ik tegen H.
“Op mijn andere planken heb ik ook tunnels”, repliceerde H., “en bergen. Met bomen en huisjes.”
“Bergen!? Huisjes!?”
Ik liet H. staan met zijn plank en rende mijn ouderlijk huis in, alwaar ik mijn eigen vader aan zijn staart trok: “Ik wil ook Märklin”, zei ik tegen ‘m.

Nooit gekregen natuurlijk, want Märklin was duur. Veel te duur voor kleine jongetjes. Dus ging ik afentoe naar H. Die zich allang niet meer voor de modelspoorbaan interesseerde. Hij had een orgel gekocht en zat voornamelijk met een koptelefoon op voor zich uit te pingelen, terwijl zijn zoontje (mijn goede vriend A.) en ik met zijn treintjes speelden.
H. was van de nieuwe dingen. Altijd. Hij was ook de eerste in onze buurt met een Commodore 64. En toen iedereen die had, was hij de eerste met een floppydrive en plug-in-cartridges. De van oorsprong Scheveningse bouwvakker H. was altijd geinteresseerd in de modernste technieken. Het nadeel was dat ie steeds serieuzer werd. Op zijn computer stonden op een gegeven ogenblik alleen nog maar boekhoudprogramma’s. Spelletjes spelen mocht niet meer.
Vanaf toen ben ik H., ondanks dat ie onze buurman bleef, een beetje uit het oog verloren.

Tot ik een jaartje of 18 werd. Ik was inmiddels het ouderlijk huis uit, woonde in Amsterdam, en kwam H. enkel afentoe tegen op feestjes van zijn zoon A. Waar ik hem leerde kennen in een nieuwe hoedanigheid, namelijk als een collega in hart en nieren waar het op topsportniveau bedrijven van roken en drinken betreft. Het leverde navenant een nieuwe manier van onderling communiceren op, waarbij er een hoop sprake was van soepel samenvloeiende inzichten inzake de drie V’s: Vrouwen, voetbal, en Voor wat Verder ter tafel komt.

Maar vooral voetbal. H., volbloed ADO-fan met een aangeboren hekel aan Ajax, maar dat terzijde, is een hardcore-liefhebber. En als ik zeg hardcore, dan bedoel ik hardcore. Ik heb het hier over de legende die het presteerde om op zijn eigen bruiloft vermist te raken. “De bruidegom is zoek!” Paniek in de tent destijds in Den Haag. Uiteindelijk werd H. gevonden. Hij was ‘m van zijn eigen bruiloft gepeerd naar het cafe om de hoek waar een wedstrijd van het Nederlands elftal live werd uitgezonden, i.t.t. op zijn eigen trouwlocatie. H. snapte de ophef niet. Hij vond het, om met J.C. te spreken, volkomen “logisch” dat ie daar zat.

Gisteren was de finale van de Champions League. Wij Tielse vrienden, de Liverpool-musketeers zeg maar, verzamelden ons in het nieuwe huis van de bijna net zo nieuwe vriendin van A. Er werd een beamer geinstalleerd. Uit lappen stof werden gordijnen geimproviseerd om de avondzon te temperen. Er werd alvast een kratje voorgekoeld bier uit de kelder gehaald. We waren in afwachting van H.
Slokdarmkanker. Ongeneeslijk. Zoals vorige week na de scan was gebleken. H., die al een paar maanden op sonde-voeding/ruimtevaarttubes leeft, en het tot voor twee weken terug vertikte om naar een ziekenhuis te gaan vanwege een hospitaalfobie. Toch was de uitslag van de scan een klap.

H. kwam. Vermagerd tot op het bot. Vel over been. Het eerste wat ie deed was blij verrast zijn. Dat we er waren. Daarna draaide hij een zware Van Nelle en stak m op. Vriend A. gaf zijn vader een pils.
“Koud krijg ik m niet meer naar binnen”, zei H. toen ie de fles bevoelde, “ik moet m op lichaamstemperatuur hebben, anders kots ik m direct weer uit.”
A. liep naar de keuken en draaide de warme kraan open.
“Zet m anders even in de magnetron”, zei iemand. Ik geloof ik.
Maar dat scheen niet verstandig te zijn.

Anyway. H. kreeg zijn kraanopgewarmde pils.
“Zo”, vroeg vriend J. vervolgens aan H., “Ben je de klap al een beetje te boven?”
H. viel even stil.
“Dat Ajax kampioen is geworden, bedoel ik?” zei J.

Het was een gewaagde poging tot luchtigheid.
Maar/En hij werkte. Ik weet nog steeds niet of dat nou goed was. In ieder geval hebben we daarna Bayern Munchen-Chelsea gekeken.
De vrouw van H., normaal niet de warmste, was er ook bij. Ze zat naast H. en hield de hele wedstrijd zijn hand vast en streelde hem.
Zo lief. 

Wij waren voor Bayern.
H. niet. H. was voor Chelsea. Niet omdat ie fan is, maar meer omdat ie een bloedhekel heeft aan Duitsers. Nog steeds iets met de oorlog. Toen Robben aanlegde voor de penalty in de verlenging, kwam de Haagse bravoure naar boven: “Petr Čech stopt m”, zei H. stellig.
“No way”, zeiden wij.
H. kreeg gelijk.
Ook in de afsluitende strafschoppenserie voorspelde H. exact wie er ging falen. Verder liep ie afentoe naar buiten. Om naar een brommer te kijken. Of naar het lood op de dakrand. En de afwerking daarvan. Of om na te denken. Te peinzen. Je weet het niet. En ook wel. 

Het was een mooie avond.

Fuck de dood. H. is een held.

43

Terwijl ik dit stukje schrijf ga ik verjaren. Over een vijftiental minuten om precies te zijn. Ik zal dan het tikken even staken om een kusje te stelen van mijn geliefde, maar niet lang daarna zal ik weder terugkeren naar mijn laptop.
Met het stijgen van de leeftijd is mijn verjaardag steeds minder belangrijk geworden. Waar ik als kind op 14 mei ‘s ochtends nog om 5 uur wakker werd van ongeduld en opwinding, zal ik vannacht waarschijnlijk pas zo rond hetzelfde tijdstip in bed stappen, met gevoelsmatig het idee dat het nog steeds de 13e is. Het enige verschil met normale zondagen zal zijn dat ik morgen een dagje vrij heb genomen, zodat ik geen wekker hoef te zetten. En als ik eerlijk ben kijk ik vooral uit naar dat uitslapen en niet zozeer naar mijn verjaardag.

43. Het zal de eerste verjaardag zijn, sinds pakweg mijn 16e, waarop ik amper iets mag drinken. Dat maakt de daginvulling lastig. Er is maar weinig dat ik echt leuk vind zonder drank. Ja, ik weet wel iets, maar daar kun je geen hele dag mee vullen. Tenminste, niet meer als je 43 bent.

Autorijden zou een optie kunnen zijn. Ik ben gek op autorijden. Een beetje op zijn Martin Brils met de Volvo door onbekende Nederlandse streken toeren, ergens bij een ouderwets dorpscafetaria een uitsmijter ham/kaas aansnijden en ondertussen de schaarse clientele met oog voor detail antropologisch monsteren op inspirerende input voor een stukje. Lijkt me geweldig. Maar ik heb geen column, en bovendien staat Sylvester, mijn eigen Volvo, bij de garage (versleten remblokken).

Bon. En dan ga ik nu dat kusje stelen.

Waar was ik gebleven? O ja, de dingen die ik leuk vind zonder drank. Ik geloof dat eerdergenoemde lijst uitputtend was, in de zin van dat ik niets anders meer weet te verzinnen. Ook niet nu ik daadwerkelijk 43 ben, en op slag ruim 2% ouder en wijzer.

De lijst van dingen die ik leuk vind met drank is een stuk langer. Of eigenlijk korter. Want hij valt in 1 woord samen te vatten: Alles.

Ik moest net denken aan dat nummer van Sheryl Crow; ‘All I wanna do’. Over dat zij en ene William, waarvan ze vermoed dat ie eigenlijk Bill, of Billy of Mac of Buddy heet of zoiet, in een of andere bar zitten, tegenover een carwash, ‘where all the good people of the world are washing their cars on their lunchbreaks’, en over dat ze houdt van ‘a good beer buzz, early in the morning’.
Hell yeah!
Dat gevoel, dat bedoel ik. A good beer buzz, early in the morning (the good peoples lunchbreak t.i. *smiley*), en dat dan alles vanzelf leuk wordt. Zelfs een wasstraat. Vooral als je doordrinkt ‘until the sun comes up over Santa Monica Boulevard’.

De tekst is goed. Het meisje minder, wanneer je de clip ziet. Het klopt voor geen meter, qua samenhang van vorm en inhoud. Je gelooft nooit dat Sheryl zo’n meisje is als ze tekstueel pretendeert te zijn. Toch werkte het. Hit.

Sheryl Crow heeft overigens daarna een relatie gekregen met Lance Armstrong, de wielrenner. Die hield niet zo van a good beer buzz early in the morning. De verhouding heeft dan ook niet lang geduurd.
Dus misschien was ze toch wel zo’n meisje. Maar dan eentje dat tegelijkertijd hield van resultaten. In dat geval had Sheryl het beter kunnen aanleggen met Armstrongs collega Floyd Landis, die in de Tour van 2006 na een stevig doorzakavondje met vrienden middels een monstersolo met 10 minuten voorsprong over de meet ging om uiteindelijk in het geel Parijs binnen te rijden. Okay, achteraf is ie betrapt op doping, maar daar gaat het niet om. Want neem bijvoorbeeld de Amerikaanse schaatser Chad Hedrick, Olympisch en wereldkampioen, die ‘m ook graag luste, vooral op avonden vlak voor het tournooi. Om over voetballers als George Best nog maar te zwijgen.
Wat ik wil zeggen: Drank gaat prima samen met prestaties.
Daar heb ik trouwens een verklaring voor: Levensvreugde. Onverklaarbare drang voelen om enorm te leven. Het is de enige reden waardoor we het ooit gewonnen hebben van die andere 199.999.999 zaadcellen. En als voor een soortgelijk urgentiegevoel 18 jaar later zo af en toe een drankje nodig blijkt, dan zeg ik: Doen!

Zo denk ik al ruim 25 jaar.
Morgen zal ik iets anders moeten verzinnen. Wil ik mijn baan behouden. En die wil ik graag behouden, want het is crisis. Enig confirmisme is geboden.

Dus waarschijnlijk ga ik morgen na het uitslapen richting een museum. Of naar de matinee van een film. Of de dierentuin. In ieder geval iets waarbij ik niet direct aan drank zal hoeven denken.
Maar liever was ik zonder resultaat in een bar tegenover een wasstraat gaan zitten. Met een grote pils. En dan had ik volkomen Zen met een brede grijns gekeken. Naar de wezenloosheid. Naar de mensen. En hun ongetwijfeld nuttige bezigheden.

 

Marktman

Ik woon nu al bijna 25 jaar in Amsterdam (in augustus is het zover; jubileum!), en heb zelfs tijdens nog meer jaren de hoofdstedelijke Vrijmarkt meegemaakt op Koninginnedag. Echter altijd als passieve consument, nog nooit als verkoper. Logisch natuurlijk, want het vergt een ongezonde mate van hersenverweking wil je zo debiel zijn om op een Nationale feestdag om 7.00 am op te staan, je het leplazerus te slepen met een berg aan afgedankte zolderkamerinhoud, een gammele marktkraam te improviseren, om vervolgens 10 uur lang aan een stuk door voor Jan Lul op dezelfde paar vierkante meters te moeten bivakkeren, terwijl de rest van de stad lekker aan het feestvieren is.

Toch bestaan die mensen. Mijn nicht bijvoorbeeld, staat al jaren tijdens Koninginnedag op de Noordermarkt met haar afgedragen jurkjes. Naar eigen zeggen verdient ze daar altijd een hoop geld mee. En omdat L. en ik eerder dit jaar hadden besloten onze al te enthousiast uitgedijde verzameling van tja, hoe zal ik het zeggen, spulletjes, eens aan een kritische blik te onderwerpen, ontstond na verloop van tijd op haast natuurlijke wijze het plan om ook eens een gokje te wagen als verkoper op de vrijmarkt.

Na lang wikken en wegen kwamen wij tot het besluit om het volgende assortiment in de aanbieding te gooien:
– Zo’n 1% van onze boekenverzameling
– Twee vuilniszakken kleding
– Een van mijn 4 pickups
– Een roeimachine
– Een divan
– Een rij van 4 authentieke Concertgebouwstoeltjes
– Een 3 meter lange decoratie-pop die we ooit hadden geplunderd tijdens het Boekenbal

Wie het bovenstaande lijstje eens goed overleest gaat vanzelf met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd tikken. Want inderdaad, sommige van de genoemde zaken zijn bepaald niet gemakkelijk te vervoeren. Voor ons als verkoper al nauwelijks, laat staan voor onze potentiele kopers. Aan de andere kant: wij waren zelf ook ooit zo gek geweest om de rij stoeltjes aan het einde van een Koninginnedag aan te schaffen, en van het Concertgebouw in Zuid helemaal naar Oud-West te rollen, dus wie wist.

Anyway. Gisteren, op 30 april, stonden wij om 7.00 op, zetten koffie (“hey, die kunnen we misschien ook verkopen!” riep ik), kleedden ons aan en vertrokken naar de grachtengordel om onze plek op te eisen die we de avond daarvoor netjes met behulp van een potscherf tot bezet gebied hadden gekrijt.
Van twee schragen en en plank maakten we een marktkraam waarop ik de boeken en de pickup uitstalde. Aan de reling van een trap hing L. mbv knaapjes de kleding op. Vervolgens zette ik de thermoskan koffie op tafel, schreef op een oranje A4tje een wervende tekst, ik nam een foto van het geheel en plaatste die op twitter, met de opmerking: “Zo, ik ben er klaar voor.”
Dit was de foto:

 

Daarna werd het tijd om de ingewikkeldere zaken naar de kraam toe te sjouwen. Zoals de roeimachine. En de divan. Die ik eerst uit elkaar bleek te moeten schroeven, want anders kreeg ik hem de etagedeur niet door, laat staan de trap afgesleept.
De 3 meterlange pop bleek dan weer een stukje gemakkelijker, want die was van kussenmateriaal en kon ik dus met een gerust hart simpelweg naar beneden flikkeren.

“Heb je al wat verkocht?” sms-te mijn beste vriend na een uurtje.
“Nog nul”, antwoordde ik.
“Zelfs geen bakje slappe koffie?”
Blijkbaar had hij mijn tweet gezien. “Zelfs dat niet”, texte ik terug.

Maar ik moet zeggen, toen ik de boekenbalpop eenmaal op de divan naast de kraam had geplaatst kregen we plotseling een stuk meer bekijks. De pop zag er als volgt uit:

Prompt begon het storm te lopen bij de kleren van L., en zowaar kreeg ik voor het eerst ook een aantal boeken verkocht.
“Die pop is een goudmijn!” highfiveden L. en ik.

Bij de pop had ik een oranje A4tje geschreven: “BOEKENBALRELIKWIE te koop voor het symbolische bedrag van slechts 1 euro”.
Dat bedrag werd al vlot geboden.
“Is ie daar echt voor te koop?” vroeg een kakjongen die even uit een bootje was gestapt om bij het cafe naast ons te pissen.
“Ben je bedonderd”, zei ik, en griste het papiertje van de pop af.
Ik leerde snel, als marktkoopman.
“Jammer”, zei de corpsbal, “hij was perfect geweest voor op onze boot.”

Vervolgens brak het moment aan dat ik de Concertgebouwstoeltjes naar beneden wilde gaan vervoeren. Ik had hiertoe aan enige pre-produktie gedaan om in Appelpoptermen te spreken, die eruit bestond dat ik de sleepkabel uit mijn auto had meegenomen. Mijn plan was om het 200 kilo wegende gevaarte middels een ingenieuze constructie waarbij trapleuningen en andere vastbindplekken een belangrijke rol speelden, langzaam naar beneden te laten zinken. Maar dat plan bleek die dag ervoor in mijn (dronken) gedachten eenvoudiger te zijn geweest dan in de actuele situatie, te weten: de altijd weerbarstige praktijk.
Ik krabbelde met de sleepkabel in mijn handen en mijn blik op het kolos een poosje over mijn kop. Toen besloot ik eerst maar eens een pils te gaan drinken om er met een sigaretje nog eens goed over na te denken.

Na de tweede pils wist ik de oplossing: “We vragen het gewoon aan twee gespierde voorbijgangers”, zei ik tegen L.
Ik heb het al vaker gezegd: De beste ideeen ontstaan als de fles in de man is.
“Vraag jij het?” vroeg L.
“Nee, het is handiger als jij het doet”, zei ik, “vrouwen helpen ze sneller.”
Ik ben een laffe lul, ik weet het.
“Hoeven ze alleen meer gespierd te zijn”,  vroeg L., “of moet ik nog ergens anders op letten?”
“Gespierd en vrolijk”, zei ik, “en een beetje dronken, maar niet te”.
Uiteindelijk viel onze keuze op twee vrolijke lange blonde gozers met een sixpack in hun hand en oranje shirts die om hun brede borstkas spanden.
L. sprak ze aan. Ze bleken uit Noorwegen te komen. En uiteraard wilden ze L. wel even helpen met haar ‘chairs’ naar beneden dragen.
Ze hebben er een half uur over gedaan. Doordrenkt van het zweet plantten ze de rij Concertgebouwstoeltjes uiteindelijk op de stoep.
“Heavy?” vroeg ik.
“Man, zzat wazz a bad motherfucker” grijnsde de blondste. De andere, die een hoedje op had, was het grijnzen enigszins vergaan. Lijkbleek stond ie uit te puffen. We boden ze ieder een vol bekertje Clairette aan, dat ze van harte accepteerden. Ze dronken het in 1 teug leeg. Alsof het water was. Misschien dachten ze ook dat het water was.
Anyway. We zwaaiden ze uit, en rolden de stoeltjes (er zitten wieltjes onder) naar onze kraam:

 

Een spannende tijd brak aan. De stoeltjes moesten per se vandaag verkocht worden. Weer naar boven sjouwen was geen optie.
Ze trokken veel bekijks. Antropologisch was het interessant om te zien dat ogen uit alle lagen van de bevolking er naartoe werden gezogen. Van Marokkaans straattuig tot en met bejaarde vrouwtjes met parelkettingen. Zelfs de politie te paard staarde er naar, en draaide het hoofd nog even om toen ze er voorbij waren. Gewillige kopers waren er ook zat, maar geen van allen zagen ze het zitten om ze naar huis te moeten vervoeren. Ze vroegen stuk voor stuk om ons telefoonnummer, om ze later in de week op te komen halen, maar dat had geen zin zeiden we. Ze moesten echt vandaag weg.

Het leek kansloos te worden. En mijn bier was ook al op. Toen kwamen er 3 kanondronken gozers langs. “Wij moeten echt die pop”, zeiden ze, “wat wil je er voor hebben?”
Ik twijfelde. “Ik geef je er een bier voor”, zei een jongen en zette een blik Jupiler op tafel.
Dat vond ik wel een goed bod. En ik wilde het al accepteren, maar toen viste hij in zijn broekzak en zei: “2 bier!”, en daarna trok ie er nog een uit zijn mouw en riep: “3 bier!”
Ik zei: “verkocht!”
“Vet!” riep de jongen, “nu hebben we al twee onzinnige relikwieen!” Een andere dronken vriend van ‘m toonde trots een tuinkabouter. Luid lallend verdwenen ze met de pop en de kabouter de massa weer in:

Om 17.00, bij het scheiden van de markt, hadden we nog steeds geen definitieve koper voor de stoeltjes. Ik begon langzaamaan onze kraam al af te breken. Een Frans meisje viste nog voor 1 euro het enige Franse boek uit ons aanbod, en een Amerikaanse kocht nog een jurkje, maar daarna leek het gedaan. Tot er een Portugese knul opdook. Hij staarde gebiologeerd naar de stoeltjes. Hij zuchtte: “Wow”
L. vertelde hem het nieuwe bedrag dat we er voor vroegen. We hadden onze vraagprijs inmiddels aanzienlijk verlaagd. Alles was nu meegenomen. “Now they are 75.”
De jongen zweeg. “70”, zei ze gehaast, “60!”
De jongen zei dat ie ze graag wilde hebben, maar dat ie eerst even zijn tas thuis moest zetten, en moest pinnen. Hij zou er zijn over een kwartiertje.
Na een kwartiertje was ie er niet.
“Nou”, dat was het dan, zei ik. En opende mijn laatste Jupiler.
Toen kwam na een half uur plotseling de Portugese jongen aanlopen. L. en ik sprongen verheugd op. Maar de jongen liep ons straal voorbij.
“Fuck! Wat een lul!” riep ik, want ik snapte plotseling wat die jongen aan het doen was. “Die is natuurlijk aan het kijken of we al weg zijn en misschien die stoeltjes hebben achter gelaten”, zei ik, “het was ook te mooi om waar te zijn.”
Ik nam nog een laatste slok pils en we wilden de pleiterik maken, toen de jongen een kwartier later opnieuw kwam aanlopen.
“Ah there you are!” riep ie.
Hij bleek ons niet meer te hebben kunnen vinden. Hij telde netjes 75 euro voor ons uit. Hij zei dat ie wist dat ie ze ook voor 60 mocht hebben, maar dat ze die 75 euro meer dan waard waren.

Geweldig. En terwijl de Portugese jongen de stoeltjes richting zijn huis begon te rollen, gaven L. en ik elkaar de zoveelste highfive van de dag. Deze was de mooiste. Omdat ie ons vertrouwen in de goedheid van de mens symboliseerde, dat die dag sowieso al bepaald niet was beschaamd, maar dat met die Portugese jongen een definitieve boost had gekregen.