Vrijheid

Afgelopen vrijdag was ik op de verjaardag van mijn ex-vrouw. Of eigenlijk niet echt haar verjaardag; het betrof een klein gezellig samenzijn om te vieren dat ze om 12 uur ‘s nachts zou gaan verjaren. Onze gemeenschappelijke vriend M. was ook aanwezig. Vriend M. zit vrij hoog in de boom bij het Ministerie van Financien.
“Die doorrekening van de Catshuisplannen door het CPB, volgens mij weet jij vast al wat de resultaten zijn”, viste ik, “of mag je daar niets over zeggen?”
“Ja”, grijnsde vriend M.
“Wat ja?”
“Ja, die resultaten ken ik, en daar mag ik inderdaad niets over zeggen.”
“Pakt het slecht uit voor de huizenprijzen?”
“Ik mag er niets over zeggen.”
“Echt niet?”
“Echt niet.”
Helaas was vriend M. met de auto, dus hem dronken voeren om de resultaten alsnog boven water te krijgen was geen optie.
“Jammer”, zei ik.

Even later was het 12 uur. Mijn ex-vrouw liet een fles Moet Chandon ploppen. We gaven haar 3 kussen en kregen een glas.
“Zo”, zei mijn ex-vrouw, “en dan mogen we nu allemaal een wens doen. Of weet je wat: Drie wensen. Drie diepste wensen. En die moeten we dan hardop aan elkaar vertellen. We doen het wens voor wens, en met de klok mee. Wie begint?”
Zo is mijn ex-vrouw, die is gek op onthullingsrondjes. En, dat moet ik haar nageven, zulks heeft als voordeel dat er zelden een stilte valt bij haar aan tafel.
Er passeerden een hoop diepste wensen de revue. Echt schokkend waren ze allemaal niet. Eerder voordehandliggend. Reken mee dat het hier louter relatief welgestelde vroege veertigers betrof. Ze varieerden van ‘Ooit een roman schrijven’ en ‘beter leiding kunnen geven door paard te leren rijden’ tot ‘een Corvette’.

“Wat moet jij nou met een Corvette?” zei ik tegen vriend M., “jij rijdt als een bejaarde homo!”
Of zo zei ik het niet, maar het is wel waar. Vriend M. is de veiligste chauffeur die ik ken. Hij slaat nooit ook maar een van de drie geexamineerde kijkbewegingen over bij het afslaan of het inhalen, zelfs niet als het druk is. Of als we haast hebben. Irritant. Maar wel veilig.
“Het gaat me om het gevoel van vrijheid”, zei vriend M., “hoogstwaarschijnlijk zou ik helemaal geen gebruik maken van het extra motorvermogen, maar het idee dat het kan is prettig.”

Vrijheid. Het woord was gevallen. Misschien is vrijheid wel het grootste verlangen van alle vroege veertigers. Het is de leeftijd waarop de hormonenspiegel langzaamaan begint te dalen, en je je realiseert dat er wellicht belangrijkere dingen zijn dan neuken. Namelijk zorgen dat je kunt blijven neuken, wilde ik zeggen, maar dat is flauw. Hoewel er een kern van waarheid in zit, met die dure sportauto’s en dat hele status en macht erotiseert-idee, maar over midlifecrises een andere keer.

Ik had het over vrijheid. Als je een relatief welgestelde vroege veertiger bent, dan heb je nomaal gesproken te schaften met een flink aantal vrijheidbeperkende constructies waar je al dan niet ongemerkt in verstrikt bent geraakt. En dan heb ik het nog niet eens over kinderen. Simpel voorbeeldje: Je hebt een goeie baan, verdient een hoop geld, ziet op funda.nl een mooi huis, je informeert eens bij de bank, en hoera: je mag een hypotheek nemen, en hup daar ga je. No way dat je ooit nog naar een baan kunt switchen die minder verdient, want dan moet je ook meteen je huis uit, dat je met verlies moet verkopen in de huidige markt, om nog maar te zwijgen over je kansen op een huurwoning in Amsterdam. Kansloos. Oftewel: je zit vast in je kutbaan, werkt je 11 maanden per jaar de tyfus om m in godsnaam niet te verliezen, en in de 4 weken dat je vrij bent recupureer je op een camping waar je al 10 jaar naartoe gaat, omdat je de puf niet meer hebt om iets nieuws te zoeken.

En tsja, als je dan, heel Youp van het Heksgewijs, gaat terugdenken aan je studententijd, waarin je wist rond te komen van 571 gulden(!) basisbeurs en een bijbaantje als vakkenvuller (150 gulden per maand), en desondanks in die tijd elke hoofdstad van Europa wist te bezoeken (Interrail! gouden concept), bijna dagelijks de kroeg frequenteerde en gaten in de dag kon slapen zonder dat iemand er wakker van lag, tegelijkertijd best behoorlijk proza schreef en gitaar speelde in een gevierd bandje, dan krabbel je jezelf toch weleens achter de oren: Waar ging het mis?

Het maakt niet meer uit. Het is te laat. Maar waar het nog niet te laat voor is, is mijn oude dag. Niet dat ik die normaal gesproken ga meemaken met mijn levensstijl, maar toch. Je weet maar nooit. Als ik iets heb geleerd in mijn leven is het wel dat je moet uitkijken om dezelfde fout niet twee keer te maken. Om met The Who, de band van het nummer ‘My Generation’ – “I hope I die before I get old”, te spreken: “We won’t get fooled again”.

De allerlaatste wens die ik tijdens de sessie bij mijn ex-vrouw te berde bracht, betrof mijn plannen inzake de persoonlijke invulling van mijn grijze jaren. En die hadden een hoop met vrijheid te maken. Of eigenlijk met de angst voor het gebrek daaraan.
Want let’s face it. Het is hedentendage al geen lolletje om in een verzorgingstehuis te bivakkeren, maar kun je nagaan hoe dat over pakweg 35 jaar is. Met de ontwikkeling van de driehoek voortschrijdende vergrijzing, personeelsgebrek en tijdgeest in gedachte.

Alweer een tijdje geleden las ik een roman (uit 2001), van ene Laurent Graff, uit Frankrijk. Die heet “Gelukkige dagen”. En gaat over ene Antoine die op zijn achttiende een graf koopt, met bijbehorende steen, waarin hij alvast zijn naam en geboortedatum laat graveren. Op zijn 35e is Antoine beland in een voortkabbelend huwelijk waaruit 2 kindjes zijn onstaan. Alles gaat goed. En dan besluit hij zijn intrek te nemen in een verzorgingstehuis, genaamd “Gelukkige Dagen”. Hij is nog volledig gezond van lichaam en geest, maar je kunt er nu eenmaal, heel verstandig, beter maar vroeg bij zijn, nietwaar?

Wat volgt is een mooi verhaal over een oudere vrouw die hij op een gegeven ogenblik op sleeptouw neemt. Met een hoop uitstapjes per auto naar de kust enzo, met witte wijntjes, en mosselen, en romantische Franse plattelandsweggetjes, als ik het me goed herinner. Of misschien was het zelfs een definitieve vlucht. Op het laatst gaat ze dood geloof ik. Ik weet het niet meer precies.
Wat ik nog wel weet is dat je in ieder geval niet in het verzorgingstehuis moest wezen. Maar juist bij de witte wijntjes en de mosselen. En de kust.
Mooi boek.

Een paar weken terug was bij Man Bijt Hond een serie te zien over een 50-jarige gozer, Don, die in het Haagse Verzorgingstehuis Woodstock verbleef. Hij was een ex-heroinejunkie. Afgekickt van de drugs, maar nog zwaar aan de methadon, en vooral aan de pils en de zware shag. Dat mocht in verzorgingstehuis Woodstock. Roken en drinken was geoorloofd. “Wij beschouwen het als een uitwas van de jaren 80, en willen de gebruikers uit die tijd netjes opvangen”, zei iemand van de gemeente, “dat vinden wij een stukje zorgplicht naar de bevolking toe, en wat het huisregelement van Woodstock betreft, ik erken dat wij daar een stukje pragmatische invulling aan geven, maar soms moet je, en dat klinkt misschien heel ingewikkeld, maar soms moet je out of the box denken om tot een bevredigende oplossing te komen voor alle partijen.”
“Er mag gerookt worden?” vroeg de verslaggever.
“Dat kan ik niet ontkennen.”
“Waar kan ik me inschrijven?” twitterde ik direct, een beetje in de geest van het personage Antoine van Laurent Graff.
Want ik was en ben bang dat zoiets als verzorgingstehuis Woodstock er niet meer gaat wezen als ik oud mocht worden.

En dat is natuurlijk ook zo.

En daarom heb ik een plan gemaakt. Dat ik uit de doeken deed tijdens mijn derde, laatste, en ultieme wens in het rondje bij mijn ex-vrouw.
Maar daarover een andere keer meer.

Advertisements

Liverpool 2012

Het is kansloos om nu iets te schrijven. Ga ik ook niet doen. Concentreer je even op de kop boven dit stukje en dan weet je, als je me een beetje kent, voldoende.

Afgelopen weekend was het namelijk weer zover. Liverpool. Er is een politicus waar ik verder totaal niet mee geassocieerd wens te worden, maar die ooit eens heeft gezegd: “Ik ben de beste president die Nederland nooit heeft gehad”. Iets soortgelijks heb ik met Liverpool: “Het was het beste weekend waar ik niets meer van weet.”

Oorzaak:  bekend

Het was ook niet handig. We moesten zaterdagochtendvroeg al om 7.00 am op Schiphol zijn. Wachtende op de eerste tram die de Overtoom zou aandoen, sms-te ik naar mijn Gelderse vrienden en mede-reisgenoten: “I Love the smell of pilz in the morning”.
Koud een half uur later haalde mijn beste vriend zijn dodelijke dobbelsteen uit zijn tas. Een dobbelsteen met zes vlakken, maar slechts twee tekstvarianten, te weten: “Ik haal bier” en “Jij haalt bier”.
Vriend A. was de eerste die ‘m opwierp, en gevoeglijk direct de lul. Om een lang verhaal kort te maken: Om 7.38 zaten wij in de taxfree-zone aan de halve literglazen Heineken 0 graden Celcius.

Voor de rest weet ik er weinig meer van. Behalve dat er sprake was van een snoepautomaat waarvan de deur op een gegeven moment openstond:

Ik heb heel bescheiden enkel een doosje Tictac gejat. Twee seconden later stond er een security-mevrouw voor mijn giechel. “Heeft u iets gestolen?” vroeg ze, terwijl ze de snoepautomaatdeur sloot.
Ik zei: “Ik niet.”
“Het wordt allemaal opgenomen met camera’s”, zei de vrouw.
“Ik was het niet”, herhaalde ik.
“Het was een neger”, zeiden mijn vrienden, grotendeels uit automatisme, naar de bekende Tielse running gag.
Daarmee was voor de security-mevrouw de zaak opgelost.

Maar goed, zoals gezegd: voor de rest weet ik er weinig meer van. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Dit was op de WC van ‘The Grapes’, Mathewstreet, vlak naast de Cavernclub. Wij noemen het altijd “The Graves”, omdat de gemiddelde leeftijd van de doorsnee bezoeker ver boven de pensioengerechtigde leeftijd ligt.
Ik vond het een curieuze vorm van marketing, die automaat op de WC.
Maar blijkbaar werkt het, want de Grapes zat als vanouds weer stampvol met diehard barflies.
Of misschien heeft het met marketing niks te maken. Dat was vanmiddag een van de discussies geloof ik.

We hebben het in ieder geval een hele tijd gehad over dat we niet te veel moesten ouwehoeren. Met de volgende apotheose: Het ging er uiteindelijk over of je kon zien dat een meisje een string droeg of niet.
“Hoe zie je dat dan?” vroeg ik aan vriend A.
“Bij een broek kan ik dat zien”, zei ie.
“En bij een rok?” vroeg ik.
“Dat is lastiger. Die moet je eerst optillen.”
“Hoe leg je dat uit dan?”
“Niet.”
“Niet?”
“Nee, gewoon ‘m d’r in douwen.”
“En wat zeg je dan?” vroeg viend I.
“Niks. Hallo.”
“Wat Hallo?”.
“Ja, Jezus, wat een slap geouwehoer, het is geen praatpaal!”

En dan heb ik het nog niet gehad over vriend J. – “achteraf stom dat ik de deur open had laten staan” – die gisteren weer eens de Cavern uit is gezet (wegens het openbreken van de kleedkamers, en ter plekke roken) en die voor de rest enorm in vorm was qua poepen. Met de begeleidende woorden: “Ik ben een romanticus.”
En vriend B. die daar na een hele poos nadenken diep filosoferend aan toevoegde: “Eigenlijk is elke terrorist een romanticus.”

Het was een mooi weekend.

Waar ik zoals gezegd weinig meer van weet. Best jammer. Gelukkig heeft mijn beste vriend I. oog voor detail:

.

Heerlijk. Ik ruik naar een ontploft biervat.
Ik leef.
Optimaal, als altijd.

Herstructurering

“Er komen veranderingen aan”, had het management van de ABNAMRO vorige maand gezegd tegen haar personeel, “maar wees gerust, het betreft hier geen reorganisatie, maar een ‘herstructurering’.”
Persoonlijk fronste ik toen al mijn wenkbrauwen, ik bedoel, heel veel verschil kon ik niet duiden tussen beide woorden, maar het personeel haalde destijds opgelucht adem. “Pfoe”, zeiden ze tegen elkaar bij de koffieautomaat, “ik was even bang dat er weer een paar uit zouden vliegen, maar gelukkig gaat het slechts om een herstructurering, dus waarschijnlijk krijgen we een nieuwe naam.”

Op zich geen onlogische gedachte, want onze afdeling verandert zo ongeveer elke 6 maanden met veel tromgeroffel van titelatuur. Marketing Intelligence, Retail Support Staff, Marketing Operations; ik heb de naamtransformatie al 100.000 keer meegemaakt, maar we doen in feite nog steeds hetzelfde werk: Zorgen dat er reclame op radio en TV komt, en dat er zo afentoe eens een brief bij jullie in de bus valt, om je te verleiden tot het afsluiten van een hypotheek/flexibel krediet/creditcardcontract. Soms wordt het iets spannender, en dan delen we gratis appels uit bij ons filiaal op het Leidse Plein tijdens de opening van de nieuwe buren, de Apple-store. Veel fantasievoller is het inmiddels allemaal niet meer.

Afgelopen dinsdag werd de herstructurering door het management concreet gemaakt. Je raadt het al. Het was uiteraard weer gewoon bijltjesdag.
Aan mijn kantoortuineiland zitten naast mijzelve doorgaans 4 personen. De eerste is mijn directe leidinggevende (de wolfsneus – zie vorige stukje). Zij mocht blijven van zichzelf. De tweede is D., een hoogblonde begin-dertigster, zonder kinderen, die regelmatig zegt: “Ja hallo, dan denk ik dat ik mijn kat ook maar eens eten moet gaan geven”, als een collega er vroegtijdig vandoor gaat, omdat een ziek kind van de creche moet worden geplukt. D. is een keiharde belastingbetaler, zoals ze zelf zegt, maar toegegeven, ze verzet daarnaast serieus bergen werk. Zij kwam er relatief genadig vanaf, werd uit haar functie ontheven, maar krijgt een andere baan binnen de Bank. Weliswaar in een lagere schaal, maar ze mag blijven en dat telt.
Dat gold niet voor mijn 3e kantooreilandcollega; S. Het slimste meisje van onze 25 koppen tellende afdeling. Misschien ken je het type. Zo’n meisje dat voor iedere collega prijswinnende lettercombinaties legt waarmee ze eindelijk eens een potje Wordfeud winnen van dat irritante familielid, zo’n meisje dat weet hoe je vakjes voorwaardelijk rood kan laten kleuren in Excel, zo’n meisje waar iedereen naartoe gaat, als men zit met ook maar het geringste intellectueel uitdagende akkefietje. Want S. tekent het voor je uit. Lost het met plezier voor je op. Ze fikst het. Altijd. S. is het kantoorequivalent van Ed en Willem Bever uit de Fabeltjeskrant.
Net als ik. Eigenlijk zijn we samen Ed en Willem.
Maar S. moet dus pleite. Onbegrijpelijk. Ze is de olie waar de afdeling op draait. Ze heeft alleen niet de tijd gekregen om, net als ik, een onmisbare positie te verkrijgen, middels het eindverantwoordelijk zijn voor een applicatie waar jaarlijks 70 miljoen euro in omgaat. Dus nu mag ze naast haar tevens zojuist ontslagen man op de bank gaan zitten, om uit te vogelen hoe ze hun huis in Almere zo goed mogelijk kunnen verkopen. En hoe ze hun 3 kinderen kunnen voorbereiden op de uitdaging van het maken van nieuwe vriendjes.

Een persoon heb ik nog niet genoemd. En dat is nr 4., mijn collega V. Ik ken V. al vanaf praktisch het begin dat ik bij de Bank kwam. Ze is niet de makkelijkste. Altijd chagerijnig, steevast in de weer met een dieet, stoppen met roken, nooit lukt iets. Ze heeft het niet makkelijk. Ze woont, net als S., ook in Almere.
En dat vind ik persoonlijk een prima excuus, wilde ik zeggen, maar dat is te flauw.
V. ligt slecht bij de afdeling. Ze roddelt nooit, maar is altijd onderwerp van. Dat weet V. ook best. Of ze voelt het alleszins. En dat maakt haar alleen nog maar chagerijniger. Vicieuze cirkel, negatieve spiraal. Toch is V. mijn favoriete collega. Ze is eerlijk, en niet debiel.
V. vindt dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan werk. Zoals koffie. Zwarte koffie, nummertje 11. Maar ook dat is te flauw.
Vorig jaar raakte haar vader in terminale toestand. Kanker. Vlak daarop kreeg haar moeder dezelfde klachten. Guess what? Inderdaad. Het afgelopen jaar heeft collega V. al haar vrije uren opgenomen om zoveel mogelijk mantelzorg te verlenen. Ook als er campagnedeadlines waren. Dat werd haar niet in dank afgenomen. Althans, wel door haar vader en moeder, maar niet door haar collega’s.
Een half jaar geleden overleed haar vader. Vorige week, na een lang ziekbed, werd haar moeder begraven.
Ze verscheen maandag in tranen weer op het werk. Werd door iedereen netjes gecondoleerd.
Maar de dag daarop moest ze op het matje verschijnen.
En daar kreeg ze het te horen: Exit.

De bankwereld is genadeloos. Een van de weinige collega’s die ik heb kunnen betrappen op een hart. Moet weg.    

Op de dag dat ze ontslagen werd liep ik om 17.30 uur per ongeluk min of meer tegelijkertijd met ‘r de bedrijfspoort uit. Dat wil zeggen: ik liep drie meter achter haar. Ze had het niet door.
Ze stak een sigaret op en zuchtte.
Ze hield stil.
Ik hield ook stil; ik durfde haar niet te passeren, sterker nog, ik had liever niet dat ze me opmerkte.
Ze zuchtte nogmaals. Nam een trekje van haar sigaret. Daarna liep ze door naar de metro. Zodat ze in Duivendrecht kon overstappen op de trein naar Almere.
Ik liep langs de flats van Hogevecht naar de tegenovergelegen parkeergarage. Stapte in Sylvester, mijn Volvo.

Ik kon wel janken.

Dus ik ben

Zojuist was op Nederland 2 weer eens een deel uit de populair-filosofische programmareeks “Dus ik ben” te zien. Voor wie terugschrikt van het woord filosofie: Geen paniek! Okay, de titel is afgeleid van de stelling van filosoof Descartes; “Ik denk, dus ik ben”. Maar daarmee heb je het filosofie-gedeelte eigenlijk al grotendeels gehad. Tijdens de uitzending wordt door programmamaakster Stine Jensen heel af en toe nog wel een citaatje van Nietzsche aangehaald, of naar een bewering van Heidegger verwezen, maar serieuze voeten in de aarde krijgen die niet. Het programma verslaat merendeels de persoonlijke ervaringen van Stine zelve, inzake het thema van de week.

Vorige week was het thema ‘lijden’, waarbij Stine haar verslaving aan bergsportboeken uit de doeken deed. Deze week was het thema ‘werk’. “Ik werk, dus ik ben.”
Stemt tot nadenken, nietwaar?
Stine interviewde tal van deskundigen om uiteindelijk via schrijfster/filosofe Joke Hermsen tot het inzicht te komen dat ze meer rust moest nemen. Joke bepleitte namelijk een 5-urige werkdag voor ‘zowel vuilnisman als directeur’. Op de vraag ‘waarom’, antwoordde Joke: “omdat we anders geen tijd hebben om alle indrukken te verwerken. En dat is nodig om inzicht te verkrijgen.”
“En meer inzicht leidt tot een beter uitzicht!”, zei Joke er lachend achteraan.
De meisjes zaten op een bankje in een groen en glooiend landschap, met een goede fles witte wijn tussen ze in.
“Die ga ik op een tegeltje laten zetten!” riep Stine.
Heel gezellig.

Wat ik wil zeggen: erg kritisch waren de interviews niet. Telkens als een deskundige iets beweerde, dan zei Stine er na afloop middels een voice-over achteraan: “dus ik moet..”
Als arbeidssocioloog Richard Sennett zei dat er veel nadelen zaten aan het ‘nieuwe werken’ (lees thuiswerken), omdat “informeel gebabbel bij de koffieautomaat ook heel belangrijk is”, dan trok Stine in haar voice-over de conclusie: “dus ik moet meer bij de koffie-automaat gaan staan.”

Jonge, dynamische flexwerker Stine waaide met elke deskundige wind mee die er woei. Dat kun je positief opvatten. Immers, waarom twijfelen aan het oordeel van iemand die veel meer verstand van zaken heeft dan jijzelf? Aan de andere kant kun je denken: wat een slechte journaliste. Of: Wat een dombo uberhaupt.

“Dus ik moet…”
Dat is weer eens iets anders dan “Dus ik ben”. Maar misschien vatten die twee het huidige moderne werkende leven bijelkander goed samen.
Althans voor mij. “Ik ben, dus ik moet”. Ik ben ICT-werknemer die gedetacheerd is bij de ABNAMRO. Ik moet een boel. Ik moet, naast in mijn eentje het werk zien te rooien dat hiervoor door 4 FTE’s werd gedaan, ook nog eens activiteitenrapporten en urenverantwoordingen opstellen voor mijn 9 verschillende managers, dagelijks voor een stoel vechten aan een kantooreiland wegens te krap ingeschatte flexplek-capaciteit, en dan heb ik het nog niet eens over een kansloze plaats in de overvolle parkeergarage, of het tijdsverlies in de rij voor de schaarse koffie-automaten.

Je zou van minder aan de drank gaan. En/of de sigaretten.
Ik deed het allebei, maar dat is tegenwoordig ook al lastig aan het worden. Mijn directe leidinggevende heeft een neus als een wolf. Qua reukvermogen bedoel ik, niet per se uiterlijk. Pas leende ze het mobieltje van een stagiaire omdat haar eigen telefoon leeg was. Wat overigens niet zo gek is, want ze hangt de helft van de dag aan de lijn met haar moeder, maar dat terzijde.
“Jij bent een roker”, zei mijn leidinggevende stellig tegen de stagiaire.
Die een rooie kop kreeg. “Hooguit 2 per dag”, zei de stagiaire, “en dan alleen in het weekend, maar hoe weet je dat?”
“Ik rook het aan het mondstuk van je telefoon.”
Het is dezelfde leidinggevende die regelmatig opmerkingen maakt over de schoonmakers, dat ze stinken. En over de jongen die de printercartridges verving. Dat ie een broodje met inktvisringen had gegeten. “Ik ruik die saus vanaf hier”, zei ze, terwijl ie 10 meter verderop in de weer was.
Durf dan maar eens te drinken op een doordeweekse avond.
Pas moi. Not anymore.

En dat is ronduit kut. Het schopt mijn leven overhoop. Ik kan geen leuke drinkdingen meer doen doordeweek. Geen dichtersavonden, geen concerten, geen etentjes, geen cafebezoek met vrienden. Geen diepgravende gesprekken met mijn geliefde, laat staan sex, geen films kijken waarin gedronken wordt, en al helemaal geen series als Madmen.
Doordeweek is voor mij: uitzitten. Prisontime. Blauwe knoop. Ik maak mezelf wijs dat het ergens ook wel goed voor me is. Gezond en dergelijke. En dat zal het ook heus wel zijn. Maar op deze manier gaat de 2e helft van mijn leven, die sowieso altijd al veel sneller gaat, verdomde hard voorbij.

Terug naar “Dus ik ben”. Of gespecificeerder: “Ik werk, dus ik ben. Filofoof Alain de Botton zei: “Je haalt alleen voldoening uit je werk als het weerspiegelt wie je zelf bent.”
Vroeger deed werk dat met mij. Ik was mezelf. Toen ik in 1996 begon met serieus werken (dus afgezien van krantenwijken, vakkenvulwerk, uitzendbaantjes en militaire dienst) werd ik gedetacheerd bij Robeco. Mijn leidinggevende ter plekke was naast een getapte jongen, een zware drinker. Mooie tijden. Legendarische teambacchanalen op kosten van de zaak. Er werd wegens gemiste laatste treinen regelmatig onder kantoorbureaus overnacht en we kwamen, om met Joke Hermsen te spreken, tot diepe inzichten. Madmen apres la lettre. Maar bovendien, en laat dat niet onvermeld blijven: Robeco deed het niet slecht in die dagen. Integendeel. We scoorden vet boven de benchmark.

Maar het mag niet meer. Een mentaliteit vermoord door de tijdgeest.
Slim en intuitief versus protocollen en safety first.
Inzicht versus timesheets
Brille versus regels

Dus ik ben…
Tsja, wat ben ik eigenlijk?
Ik bedoel, naast een alcoholist?

Ik weet het niet. Hooguit on the edge of something different.