Troost

Ik ben in de afgelopen 2 weken compleet verTielinaliseerd. Met dank aan het kampioenschap van Ajax, een weekendje Liverpool, en gisteren de Champions League-finale. Drie weekends achter elkaar met mijn Tielse vrienden vertoeft. Met als gevolg dat ik een hoop heb gelachen, 3 kilo ben aangekomen (wat in mijn geval meer dan 5% van mijn lichaamsgewicht betekent), en moeite moet doen om het ABN weer op te pikken.
En dan heb ik het nog niet eens over de inhoud van de gesprekken. Om een voorbeeldje te geven van een conversatie die wij bijvoorbeeld bij aanvang van zo'n CL-finale voeren:

(Over een speler van Barcelona:)
"Die goser schijn het te doen met Shakira."
"Wie is da, Sjakiela?"
"Een zwarte"
"Wat veur 'n zwarte?"
"Wit ik veul, zunne zangerin"
"Joa, die ken ik wel", zei mijn goede vriend A., "die moak altied van die pirouetjes"
"Pirouetjes, ken ze ok danse dan?"
"Joa kjel!", zei A., "moar serieus, die zou ik bes wel es op m'n lul willen zetten."
"En dan?"
"Loaten droaien, wa-da-je-wat! Als un bromtol! Die Shakira, man, die moak van je piel een wokkel! Heerlijk!"
"Als je er goed over nadenkt", zei ik tegen A., "is dat best poetisch gesproken."
"Joa", zei A., "ik ben een romanticus."

Enfin, dat werk dus. 3 weekends lang. Sommige mensen worden daar moe van. Ik niet. En al helemaal niet als ik gedronken heb. Dus ik heb het naar mijn zin gehad.

Tussendoor moest ik ook nog eens een gedicht in opdracht schrijven, voor de Tielse Gemeenteraad. Ter gelegenheid van het stadsbezoek van de Provincie-bobo's. 4 nachten achtereen heb ik na een zware werkdag bij de Bank, aan een vers geploeterd, van 128 regels lang. 128 omdat ik geloof in getallen. En een vers omdat ik geloof in rijm. Zeker voor dit soort gelegenheden. Een publiek met de ballen verstand van poezie wil graag zogenaamd vakwerk zien. Ik kan dat. Ik kan rijmen. En slijmen, niet te vergeten. Ook niet onbelangrijk. Niet te openlijk, maar er alleszins voor zorgdragen dat het eindgevoel goed is.
Ik ben een natural born pleaser. Ik behaag de mensen graag. En om dat te compenseren rook ik heel veel sigaretten.

Het gedicht viel erg goed bij de gemeenteraad. En de belangrijke Provincie-meneren. Ik was al lang en breed weer in Amsterdam toen om half 2 's nachts mijn mobiele telefoon afging.
Raar tijdstip.
Voor de zekerheid nam ik op. Je weet maar nooit of er iemand dood is.
Het was een Tiels gemeenteraadslid.
"Ja, euh, ik zzzit hier duszz in zzhe Hexagon (Tiels cafe-pdn), en zssja…"
"Met wie spreek ik?" vroeg ik.
"Metzz X!", zei de man.
"X!" riep ik, "zeg het eens!"
"Zzsja, jij waszz duszz echt ontzzzetzend goed he, vanzmiddagzz hmzz…"
"Ik ben blij dat je het mooi vond", zei ik.
"Szjaa, maar nu zzzit ik hier duszz met het CDA en euhmzz hmmzz, o ja! Groen Links! En! En! En!"
"En wat?" vroeg ik.
"En watzz hmzz? Watzz ookalweerzz, euhm o ja! Wij gaan duszz gezzzaamz…, gemeenszzz…, euh, zzeg maar gewoon met z'n allen duszz gewoon een inizziatiefwetszzvoorstel indienen!"
"Heel mooi", zei ik, "waarvoor precies?"
"Nou! Hmzzz.. Wa-da-je-wat?" zei X.
"?"
"Dat jij eindelijk offizzieel ztadzzzdichter van Tiel wordt, natuurlijk hmzzz", zei X.
"Misschien is het een goed idee om me daar morgen even over terug te bellen", zei ik.
"Ja, maar dan ben ik het allang weer vergeten!" riep X.
"Je lijkt precies op mij", zei ik.
"Ha ha!" riep X.

Let op, het laatste wat ik wil is X. belachelijk maken. Integendeel. X. snapt Tiel. Je zou bijna kunnen zeggen: X. is Tiel. Ik ken 'm al wat langer dan vandaag. Ik hou van het type. Pragmatisch in al zijn voegen en kieren. Niet te veel vaag gelul. Maar vooral: Ijzer smeden als het heet is. En daar wil een drankje nogal eens bij helpen.

Troost, daar gaat het uiteindelijk misschien wel om in het leven. Die gedachte kwam in ieder geval weer eens bij me op toen ik vorige week in Liverpool was. De oude vervallen havenstad, die als het afvoerputje van Engeland wordt gezien. Nergens zuipen de mensen zich zo de tering als daar. Het is er altijd kutweer, de helft van de gebouwen is dichtgespijkerd met hardboard, maar nergens zie je kortere rokjes en drukkere pubs. Achterliggende gedachte: Hoe klote de wereld ook is, het leven wordt vanzelf leuk met genoeg pints achter de kiezen. Om het af te maken worden op de toiletten posters gehangen. Hoe het er bij de dames uitziet weet ik niet, maar bij de heren worden kosten nog moeite gespaard om de lads te voorzien van het broodnodige zelfvertrouwen. Zo zien de toiletten eruit in bijvoorbeeld de McCartneybar:

McCartneybar 

En dat is nodig. Want de meisjes in Liverpool, ze willen zo graag. Trekken hun krapste kleren en hoogste hakken aan. Maar ze gaan bijna allemaal alleen naar huis. Op blote voeten:

Meisjes liverpool 

Want de jongens, wat zal ik zeggen over de uitgaande Engelse, Liverpoolse jongens. Waarschijnlijk werken ze te hard. Na sluitingstijd zijn er twee opties: Ofwel je ligt game-set-en-match in een portiek te snurken, ofwel je bent aan het vechten.

Wij kozen per ongeluk voor het vechten. Nu, een week later, mankt A. nog een beetje, maar we hebben het toch maar mooi overleefd.

We hebben een goed leven.

 

 

 

 

Advertisements

Mijn Art Amsterdam 2011

Excuses lieve lezers, een normaal stukje zit er niet in deze week. Te veel leven in de brouwerij. Letterlijk en figuurlijk. Man, uit mijn lijf had een middelgrote bieronderneming de afgelopen week zijn halve dagproductie kunnen aftappen.

Maar goed. Ik heb in mijn vrije tijd niet alleen maar Ajax gekeken en bij slampoeziewedstrijden gejureerd. Ik heb zowaar ook nog iets cultureels bezocht. Zoals elke tweede week van mei was ik recent in de Rai voor de jaarlijkse kunstbeurs Art Amsterdam.

Veel ga ik daar niet over zeggen. Want veel hebben jullie ook niet gemist. Het was een relatief slecht jaar, naar mijn bescheiden mening. Toch heb ik de moeite genomen om 5 van de schilderijen ter plaatse op de foto te zetten. En die ga ik jullie nu, behoudens de opmerking dat er volgens mij in de hedendaagse trend een lijn zat, zonder verdere omhaal presenteren. Nummering is naar mijn persoonlijke voorkeur:

Nummer 5:

Wolkenkrabberwoud 

Nummer 4:

Mannenjaren50nu 

Nummer 3:

Massa 

Nummer 2:

Vogeltjesogen 

Nummer 1:

Vrouwenjaren50nu 

Vrolijk was het allemaal niet om van te worden, maar dat hoort bij mijn leeftijd.

Waar ik wel vrolijk van werd was de volgende foto (die waren er ook veel). Of was het toch een schilderij? Dat laatste zou jammer zijn, al was het maar omdat ik een hekel heb aan al te realistisch schilderwerk en bovendien een foto knapper is in deze situatie:

Bloempotten 

Zien jullie de lijn, de rode draad nog? Ik wel, maar dat terzijde, en die doet er ook niet toe.

Het mooiste vond ik uiteindelijk een installatie. En dan geen moderne, waarbij het publiek interactief op knopjes moet drukken, maar gewoon een donkere kamer, waarin vertraagd repeterend een ultrakort fimpje werd vertoond. Een ruimte waar je even in de waan verkeerde een ouderwetse Amerikaanse Hoppperbar te zijn binnen gelopen. 6 gasten, 1 kastelein. En allemaal paffen ze er op los. Ze zeggen niets, er is geen geluid. Het enige wat ze doen is roken en je beurtelings aanstaren. Als zombies. Geweldig.

Slechte schrijvers noteren dan bijvoorbeeld dat ze zich voelen alsof ze eindelijk zijn thuisgekomen.
Dat doen die slechte schrijvers goed.

Rooknostalgie 

Ajax

Ik kwam thuis uit Tiel, vleidde me oververmoeid naast mijn meisje in bed en zei: "Het is zondag, ik moet nog een stukje schrijven."
"Zou je dat nu wel doen", repliceerde ze, terwijl ze woeste handgebaren maakte, "ik ruik een muur van alcohol, waar ik zo tegenaan kan leunen."
"Misschien is het inderdaad niet verstandig", zei ik, "om nu nog te schrijven."

En dat is het waarschijnlijk ook geenszins. Maar was het niet Shakespeare die ooit opmerkte: "Dikke lul?"
Dat bedoel ik. Fuck de mensen die een patroon vermoeden, ik heb gewoon een leuke avond gehad. Met mijn vrienden. En dan heb ik het niet over de uitslag. 2-3. Jezus. Over weggegeven wedstrijden gesproken. 2-0 voor, godverdomme.
Maar wat dondert het. Het gaat om volgende week. Dan vatten we ze terug, die graanboeren van Grolsch. Dan pakken we de schaal. Als volwassenen die weten waar het om draait in het leven.

Na de knock-out van de 2-3 zat ik met mijn 2 beste vrienden achter het zoveelste bord BBQ-kipkluifjes. "Hoeveel moeten we nog?" vroeg I.
"Ik heb nog 3 pakken van 20", riep A terug, vanboven de kooltjes., "we zijn bijna op de helft! En voor als we daarna nog honger hebben, heb ik…"

Op dat moment kwam zijn vrouw terug van de tennis. Ze was om onduidelijke redenen in tranen. Tijd om het kluiven te staken.
"Gaat het?" vroeg iemand.
"Verloren?" vroeg iemand anders.
Zeg niet dat wij Tielse mannen niet empatisch kunnen zijn.
"Ontzettend verloren", zei de vrouw, "6-2, 6-2, maar daar gaat het niet om."
"Waar gaat het dan om?"
"Het was gewoon een trut. En een snol."

We snapten het.
"Vreselijk", zei I.
"Afschuwelijk", zei ik.
Meer niet. Wij maaien het gras nooit weg voor de voeten van onze beste vrienden. Zo zijn wij. De hoofdrol laten we graag over aan de ster in kwestie.
"Dat die bitch lekker in de stront zakt", maakte A. 'm af, "met d'r dikke reet", en serveerde vervolgens zijn echtgenote een koud glaasje witte wijn.

Een goed huwelijk hoeft niet moeilijk te zijn.

Toen haar wijntje op was, en ze inmiddels boven lag te pitten, vroeg A. vanachter de briquetten: "Iemand nog een kipje?"
Ik zei: "Ik moet de trein halen, want anders heb ik geen tram meer in Amsterdam."

En dat was waar. En jammer. Want we hadden een goed gesprek met z'n drieen. Over werk, maar dan dat het leuk was. Voor hun dan.
Fascinerend.
En we hadden het over volgende week.
De 3e ster.
En dat we, maar toch, geeneens Joden waren.

 

Vrijmarkt

Ik ben een nostalgisch aangelegd type. Het leukste aan Koninginnedag vind ik dan ook de vrijmarkt. De ultieme trip door herinneringslaan, waarop je allerlei van zolders gesleepte produkten aantreft waarvan je het bestaan inmiddels allang was vergeten.
En dan heb ik het niet over de populairste hits onder de destijdse rages zoals beenwarmers, neonkleurige zweetbandjes van Doe Maar of Rubick-kubussen, want die kent iedereen nog.
Nee, ik heb het over de letterbak, de ketting met lederen aanstekerhouder (alleen geschikt voor ronde aanstekers by the way, bestaan die nog?) en van die elleboogvormige zwarte gleufhouders waarmee je vroeger op de camping een holle witte plastic bal met gaten erin naar elkaar overwierp.

Ik kwam ze allemaal tegen dit jaar, op Koninginnedag 2011. Het is niet dat ik direct tranen in mijn ogen krijg bij het aantreffen van dergelijke koopwaar, maar een gevoel van melancholie welt wel degelijk in me op. Ik bedoel, we schrijven eind jaren 70: Mijn moeder beheerde de mooiste letterbak van Tiel-West (met eigen gebakken brooddeegengeltjes erin) en mijn vader liep trots voor lul met een ronde aansteker om zijn nek, terwijl hij toekeek hoe mijn zusje en ik op het pleintje alvast oefenden met de elleboogvormige gleufhouders, opdat we straks op de camping geen figuur zouden slaan.

Maar het allerontroerendste aan deze handelsgoederen vind ik toch de overmoed van hun verkopers. Want laten we wel wezen: Ze zijn kansloos. Wie koopt er nu tegenwoordig nog een lederen aanstekerhouderketting? Ja, een dubieuze ontvoerder misschien, om de pink in te bewaren van zijn slachtoffer, maar dat is wel een heel erg kleine niche, marketingtechnisch gezien. En een letterbak? Misschien een stonede student die er een potentiele bestekla in ziet, je weet nooit, maar ik zou 'm vooralsnog even niet meenemen in de winstprognose. Wat dat betreft waren die elleboogvormige gleufhouders wellicht nog het kansrijkst, want als ik zelf kinderen had gehad, dan had ik ze zeker gekocht. Al was het maar om mijn zoontje te laten zien hoe goed ik daarmee was.

Maar ik heb geen zoontje.
Wel een neefje! bedacht ik toen, en al bijna had ik voor 2 euro de matchende zwarte Nikes voor 'm aangeschaft, tot ik besefte dat mijn neefje nog niet kan lopen, laat staan gleufballen. 
Helaas.
"Toch maar niet?" vroeg de verkoper, ook een jonge veertiger, toen ik de baby-Nikes weer in het gareel had gezet, en de holle witte plastic bal met gaten weer in de gleufhouder had gedeponneerd, en wegliep.
"Sorry", zei ik over mijn schouder.
"Maar het is echt een supergaaf spel hoor!" riep hij me na, "gleufbal!"
"Vertel mij wat", mompelde ik, en liep verder.

En toen gebeurde het. Vlak daarna trof ik het ding aan dat de revolutionairste uitvinding had gerepresenteerd van mijn generatie. Zomaar. Op een verlept kleedje, vlak naast cafe Helmers op de eerste Constantijn Huygensstraat. Het gaat om dit produkt:

RolyKit 

Iemand?
Juistem! De Rolykit! Halleluja zeg, echt, zoiets geniaals had ik nog nooit gezien toen dit artikel werd gelanceerd in de 70-ger jaren.
Het gebeurde tijdens een live-uitzending van Sonja Barend. Ik zat met de spreekwoordelijke natte haartjes in mijn pyjama op de bank naast mijn moeder. Aan tafel bij Sonja zat een goser die claimde uitvinder te zijn. Hij had iets briljants bedacht, zei ie. En demonstreerde een apparaat dat uit tientallen laadjes bestond. Laadjes met miljoenmiljard moertjes en boutjes erin.
"Daar heb je normaal 5 ouderwetse gietijzeren gereedschapskisten voor nodig", zei de goser, "en dat is niet te tillen."
"Nee", zei Sonja, "dat ik me voorstellen. Ik krijg niet eens 1 gereedschapskist opgetild."
"Dat bedoel ik", zei de goser, "dus daar heb ik iets op verzonnen."
"Is het waarachtig?"
"Jazeker, Sonja. Wil je het zien?"
"Ik wil het dolgraag zien."
"Okay Sonja, let op. Ik ga nu het briljante systeem van de Rolykit demonstreren. Het is heel eenvoudig. En daarom zo geniaal. Kijk…… Zie je het?"
"Maar… Maar dat is geweldig!"

Oftewel Tell Sell avant la lettre. We hebben het hier over het boegbeeld van de arbeidersomroep die in de linkse hoogtijdagen ongemerkt een sluwe kapitalist had uitgenodigd. Een goser die zich voordeed als zonderlinge uitvinder. Hij was tevens cineast. Dat had ie mee. Maar stiekem was ie allang een medewerker van een internationaal opererend produktiebedrijf, dat de Rolykit op de markt zou brengen.

De redactie van Sonja had het niet in de smiezen.
Dat is niet verwonderlijk. Het was nieuw.
En ook zijzelve ging er met boter en suiker in, Sonja.
Net als ik. Net als heel Nederland.

Pas meer dan een decennium later kwam de waarheid aan het licht. Maar die donderde niet meer. Er waren inmiddels meer dan 17 miljoen Rolykits verkocht.
Ruim genoeg voor een riant leven op de Bahama's.

"Dat wil ik ook!" riep ik met mijn natte haarjes tegen mijn moeder, "ik wil ook uitvinder worden!"
"Jaja", zei mijn moeder, "leer nou eerst maar netjes binnen de lijntjes te schrijven, want dat kun je nog niet volgens de juffrouw."
"Wat heb je nou aan netjes kunnen schrijven?"
"Dat moet je aan papa vragen, maar volgens mij heel veel."
"Ik wil liever uitvinder worden. Weet je, het allerliefste zou ik een raket maken."
"Aan een raket heb je niks. Vraag maar aan papa. Dat is even leuk, maar daarna is ie weg, en dient ie nergens meer toe."
"Maar misschien kom je er mee op Mars!"
"Op Mars ga je dood, want daar is het veel te warm."
"Weet je dat zeker? Hoeveel graden is het daar dan?"
"Heel veel graden. En nu naar bed!"

Terwijl mijn moeder me instopt:
"En als ik toch uitvinder wil worden?"
"Ik zou het niet doen. Nog wat appelsap?"
"Maar als ik het nou echt, echt wil?"
"Dan moet je dat zelf weten, maar geloof me: Dat wordt een teleurstelling."

Misschien had ze daar gelijk in.
Enfin.
De Rolykit. Ooit een ongekende topper. De Avant Garde van de Direct Sale. Iedereen op mijn afdeling zou een been geven voor zo'n succesverhaal.
Maar nu staat ie daar. Op een kleedje in de eerste Constantijn Huyensstraat. Op Koninginnedag. Alleen. Allenig.
Triester en mooier kan ik het niet zeggen: Op de vrijmarkt, het weeshuis van de hits.