Rust

Vanavond had ik mijn moeder aan de telefoon. Ze was eindelijk terug van haar reis naar Senegal. Persoonlijk heb ik het nooit zo op verre uitheemse landen met grote spinnen, slangen en wieweet kannibalen, maar mijn moeder is nu eenmaal een stuk avontuurlijker aangelegd.
Als kind al had ze een 10 voor Aardrijkskunde, en met 10-en moet men iets aanvangen in het leven, zeker in het huidige tijdsgewricht, waar het als een doodzonde wordt gezien om talent en kennis te verspillen. Dus trot mijn moeder regelmatig over de globe.

Daarbij houdt zij ons, haar kinderen en andere familie, onderweg regelmatig via sms en email op de hoogte van haar antropologische bevindingen.
Dus eigenlijk vroeg ik naar de bekende weg toen ik zei: "Hoe was het in Senegal?"
"Ja, leuk", antwoordde mijn moeder.
"Leuk?"
"Nou ja, leuk, zo heel bijzonder is Senegal eigenlijk niet. Het zijn voornamelijk zandverstuivingen met hier en daar een struik en afentoe wat bomen. Geen grote wilde beesten, zoals in Zuid-Afrika. Feitelijk is Senegal net de Veluwe, maar dan met Afrikanen erin."
"Hoe waren de Afrikanen daar?"
"Ja, heel aardig. Ontzettend vriendelijk. Behalve dus tijdens die worstelwedstrijd."

Dat had ik nog niet verteld: mijn moeder had op de 2e dag van haar Senegal-reis, die ze deed met een groep, inclusief mijn tante J., een worstelwedstrijd bezocht. Schijnt de nationale sport te zijn, aldaar. Geinig, had de reisleiding gedacht, we gaan zo'n wedstrijd eens van dichtbij bekijken.
Which they did. In een groot stadion a la de Kuip. Tienduizenden toeschouwers. Op het programma stond de topmatch van het jaar. Een risico-wedstrijd, bleek achteraf. De gemoederen van het publiek raakten tijdens het duel dusdanig verhit dat men op een gegeven ogenblik met stenen begon te gooien. Zowel mijn moeder als mijn tante J. kregen er tijdens de rellen eentje achter op hun kokosnoot. Beiden afgevoerd naar het ziekenhuis. Beiden 7 hechtingen, en tante J. bovendien getransporteerd naar de Intensive Care wegens zware hersenschudding.
Tante J. was een paar dagen later onder medische begeleiding teruggevlogen naar Nederland. Mijn moeder niet. Mijn moeder had de reis dapper voortgezet. Na tante J. 2 dagen te hebben verzorgd, was ze met een taxi door de woestijn gecrossed om aansluiting bij het reisgezelschap te bewerkstelligen.
Dat is mijn moeder. #Tigerblood #Winning.

"Heftig verhaal was dat", zei ik tegen mijn moeder.
"Ja", zei ze, "we stonden in alle nationale kranten, en waren in beeld op alle Senegalese TV-zenders. De directeur van de worstelbond is zelfs nog langs geweest in het ziekenhuis, met een mooie bos bloemen, om ons een hart onder de riem te steken."
"Wow", zei ik.
"De volgende dag zou ie terugkomen met allemaal cadeaus, zei ie", zei mijn moeder, "ze waren uiteraard als de dood voor het toerisme, de voornaamste inkomstenbron van het land. Ik bedoel, wij waren blanken die gewond waren geraakt."
"Cool", zei ik, "wat voor cadeaus?"
"Die cadeaus hebben we natuurlijk nooit gezien, haha! Want een dag later was het al geen nieuws meer. Ze hebben daar wel andere dingen aan hun kop. Maar goed. Hoe is het met jullie? Bij jullie nog iets bijzonders gebeurd? Hoe is het met de plantjes op je dakterras?"

Checkmate. Ze had gelijk. Ik leid een uitzonderlijk burgerlijk bestaan momenteel. Dat het afgelopen lange, schitterende Paasweekeinde bestond uit louter wandelen, tuinieren en op terrassen rondhangen. Ik bedoel, ik kijk een gegeven 25 graden in april bepaald niet in de bek.
Dus daar ging ik, donderdag, op naar tuincentrum Osdorp, met de bedoeling een mooie grote bak te scoren voor mijn eigenhandig van eikel af gekweekte eikenboompje, dat zolangzamerhand zijn 20-literpot op het noordwesten is ontgroeid.
Ik kwam thuis met allesbehalve zo'n bak. Vraagje tussendoor, gewoon voor de gein: hoeveel denk je dat een doodordinaire houten bak kost, van een halve kubieke meter?
Schrik niet: 300 euro!
Ja, dikke lul, dacht ik. Dan maak ik 'm wel zelf:

Eik 

Gewoon een paar tafeltjes uit het grofvuil geplukt, wat verweerde oude houten tuinstoelrugleuningen, et voila. Een complete kubieke meter meneer! Met uitbreidingsmogelijkheden. Gratis ende voor niets. Enige kosten: 500 liter tuinaarde. Minder dan een geeltje. En tegen de klaphark die vindt dat het er niet uitziet zeg ik: "Ja, nee, alsof jij niet voor paal staat met je lullige bakje van 3 meier, pannekoek!"
Dus. En een auto is geen bus.
Over een paar jaar heb ik een eikenboom van 4 meter hoog op een Amsterdams dakterras. Dat zegt niemand me na.

Dat soort dingen maakt me gelukkig. En wat me ook gelukkig maakte was de pruimenboom die ik in Osdorp op de kop heb getikt. Ik weet niet wat het is, maar ik moet elk jaar een fruitboompje kopen. Inmiddels wemelt het van de appel- kersen- en andere fruitsoorten op mijn dakterras, met als voorlopig hoogtepunt mijn frambozenbos op het zuidoosten. 8 struiken! Waarvan 6 van de grond af eigengekweekt. Maar dat terzijde. Die pruimenboom. Ruim 2 meter hoog.
"Krijg je die wel in de auto?", vroeg L.
"Dat kan me niet schelen", zei ik, "desnoods draag ik 'm lopend naar Oud-West, 5 kilometers lang, maar die pruimenboom moet ik hebben, want die heb ik nog niet."

Het is waar. Ik ben de halve Betuwe uit mijn jeugd aan het nabouwen. Dat is ergens zielig, maar vooral heel gaaf. Geef toe: It beats een modeltreinbaan.

En voor de rest dus wandelen. Omdat het Pasen was, had ik het plan om naar Het Kruis in de Oostelijke helft van de Kennemerduinen te lopen. Zeg maar het woestijngedeelte, voor wie het gebied kent. Jezusje spelen.  
Uitgemergeld en uitgedroogd, met het zweet op de kop door de stofgrond waden.
Een lange voettocht in de verzengende hitte over kaal heuvelachtig terrein dat verboden is voor fietsers.
Geweldig. 'De ultieme educatieve feestdagervaring', zou een moderne marketeer zeggen, 'een verrassend stukje naturelle Eastern-experience', danwel 'een verwen-moment qua Paas-beleving'. 

Hier gaat het om:

Kruis 

En het is ook mooi. Mede doordat die moderne marketeers zich er godzijdank nog niet op hebben gestort.
En het er dus zelfs op deze prachtige dag, ontzettend rustig was.

"Was het mooie wandeling?" vroeg mijn moeder.
"Ja", zei ik, "net de Veluwe, maar dan zonder mensen."

Advertisements

Puzzel

Goed. En nu ben ik dus echt zo zat als een soepstengel. Ik speel normaal gesproken niet vaak de excuus-kaart, maar dit keer kan ik niet anders.
Geen stukje dus vanavond. Okay, ik wil best nog vertellen dat ik vanavond Carice (Carice!) van Houten voor het eerst in het echt heb gezien. Ze zat in het restaurant waar ik met de stadsdichter en voor de rest bestuursleden van onze, hoe zal ik 'm noemen, Koninginne-Stichting, een portie confit de canards zat weg te tikken, inclusief een litro-karaf rode wijn. 
"Een hele litro rode wijn?" vroeg de voorzitster, die het hield bij een gedeelde litro rose met de stadsdichter, "krijg je die wel op?"
"Maak je geen zorgen", zei ik.
Je komt Godverdomme uit Tiel, of je komt het niet.

Carice. Carice is op TV en in de film al heel klein, maar in het echt is ze nog veel kleiner. Dat vind ik wel voor d'r pleiten.
"Niet kijken", zei de voorzitster, "maar daar zit Carice van Houten."
Ik keek.
Het mini-gestalte, dat gegarandeed legitimatie-papieren zou moeten overleggen bij bestelling van nicotine-, danwel alcoholhoudende genotsmiddelen, blikte of bloosde niet.
Ze zat geannimeerd te praten met haar gezelschap.
"Niet kijken!", riep iemand opnieuw.
Ja duh/dubbele doei/baai baai zwaai zwaai. Ik bleef kijken. Ik bedoel, Carice!
(en hier dan iets met een grap dat Carice zegt: "Houdt het dan nooit op!")

Ik heb een stevig weekend achter de rug. En een stevige week voor de boeg. Gisteren finale van de Parel van de Betuwe, morgenavond, op maandag, gewoon weer Poezieslag Festina Lente. Om nog maar te zwijgen over de rest van het weekprogramma.
En tussendoor nog werken bij De Bank om uit te rusten en mijn email te lezen.

Met de Koninginne-stichting hadden we het over het nut van kunstenaars.
We waren het vrij snel eens: "Dat is er niet."
"Maar waarom zou iets nut moeten hebben?"
Dat was ook waar.

Iemand had het over Berlijn, een ander over Amerika. En over de subsidie-mogelijkheden waar het studiereizen betrof.
Ik heb niets met studiereizen. En al helemaal niet als ik dronken ben.
Ik was eerlijk gezegd best benieuwd hoe het Carice verging, aan haar tafeltje.
Maar ik hield me in. Ik had de litro nog niet op. Ik was verstandig bezig, en concentreerde me vooral op het eten.
Eten is goed, dacht ik, eten, eten, eten.
Dat zouden meer mensen moeten doen. Met name mijn favoriete wielrenners, maar dat terzijde. #RVV #AGR

A, man, even tussendoor, ik ben echt totaal naar de kloten/vaantjes. Teveel geconcentreerd op het vloeibare zullen we maar zeggen.
Ik moet kappen. Nog een dingetje. Nog 1 dingetje dat ik wil vertellen. En dat is over het personeel van restaurant Amsterdam (sorry, zo heet het, maar het is ook inderdaad in Amsterdam, in de Staatsliedenbuurt om precies te zijn): dat personeel is eng.

Eng in de zin van jong. Ze namen de loos bedoelde grap van onze stadsdichter al veel te serieus, over de bedekselde vaas met kiezelsteentjes (Stadsdichter: "Dit is geen bloemstuk!" – personeelsmeisje: "ik heb het even nagevraagd, het is een 'presse-papier', meneer"), maar vooral waren ze dus onder de 20.

Ik weet niet wat het is, maar het lukt me dus niet meer om daar contact mee te krijgen. Het is een andere wereld geworden, die ik niet meer begrijp.

Toen ik zelf 18 was wist ik het wel: zoveel mogelijk zuipen, roken en voor de rest achter de wijven aan, ja toch? Ik was Jokertje uit Oh Oh Cherso/Tirol. Maar dan in ABN.
Heel normaal kortom. Menselijk.
Het personeel van restaurant Amsterdam is net zo jong, maar anders. Ze lachen niet. Ja, om anderen misschien, op TV, maar nooit om zichzelf.

Ze zijn onwerkelijk. Ik snap ze niet. Zo jong als een perenknop in de lente, maar zo stijf als de pokken. En dan heb ik het niet over hun lul. Jezus. Ik heb het over burgerlijkheid. Hoe komt dat? Hoe komt het dat in het hipste restaurant van Amsterdam, het personeel na sluitingstijd aan de bar kruiswoordpuzzels gaat lopen in lopen te vullen:

Amsterdam 
Samen

Het verdient lof dat ze erbij roken en drinken, maar toch.

Het schijnt ook dat breien weer in is onder jongeren.
Ik vind dat frappant. Serieus. Ik wil niet zeggen dat ik liever oorlog heb, maar het zou wel zo voorspelbaar wezen, en daarmee toch tenminste een beetje geruststellend.

Anyway: om een lang verhaal kort te maken: morgen

MAANDAG 18 APRIL,  Aanvang 20.45 

FESTINA LENTE POEZIESLAG

 Cafe Festina Lente1

 JURY: ERIK JAN HARMENS, RICK DE LEEUW, SVEN ARIAANS

 Cafe festinalente 2 
Cafefestinalente 3 
Cafefestinalente 4 
 
 

PRESENTATIE: SANDER MEIJ, danwel MARTIJN DEN BAKKER

 Cafefestinalente 5

VERSLAG: PIM TE BOKKEL

Cafe festina lente 6 

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

 

 

Positief

Speciaal voor degenen die denken dat ik op dit web-log alleen maar schrijf over roken en drinken, deze keer eens een gezellig burgerlijk stukje over tuinieren en wandelen. Voorzien van foto's en, extra extra!, een geweldige sluiproute om files van- en naar de kust bij Zandvoort en Bloemendaal aan Zee te omzeilen.

Jawel! Op het gevaar af dat mijn normale lezersdoelgroep nu massaal afhaakt, durf ik te stellen dat ik een zeer geslaagd weekend achter de rug heb. Een weekend zonder wanklanken, zonder ergernissen, ja zelfs zonder debiel gedrag van medeplaneetbewoners.
Okay, ik was dan ook niet in Alphen aan de Rijn. Daarnaast belette de schitterende weersgesteldheid me dit weekend in te schakelen op het journaal, of zelfs maar internet te checken, dus ik wist tot voor kort van niets. Een aanrader.

Mijn zaterdagochtend begon, heel braaf, met een kopje koffie in bed en het Volkskrantmagazine op schoot. Daarin las ik dat de voorheen nog zo populaire 'betegelde tuin' helemaal uit is. Groen is het nieuwe siersteen. Planten het nieuwe asfalt. Dat wil zeggen: 90% van de Nederlanders heeft een hekel aan tuinieren, maar een nog grotere hekel aan de afwezigheid van natuur. Voor de ware 'buitenbeleving' wenst men in de tuin bij nader inzien toch omringd te worden door enige vorm van flora. Maar dan dus het liefst flora waar je geen flikker aan hoeft te doen. Fuck onkruid wieden, snoeien, en grasmaaien, want dan hou je geen tijd meer over om van je tuin een stukje te kunnen 'genieten', aldus de moderne consument volgens de een of andere hoveniersdeskundige.

Hij zal daar allicht gelijk in hebben, en gestaafd worden door velerlei marktonderzoeken. En ik wil dan ook niet zeggen dat ik deskundigen bij voorbaat niet vertrouw, en hoveniers op kop, maar toch. Ik vind: Je houdt ergens van, of je houdt er niet van.
Zoals groen in de tuin.
Ik persoonlijk ben er dol op. En als je ergens van houdt, dan wil je er graag voor zorgen. Ik wel. Er is weinig dat mij gelukkiger kan maken dan een dagje arbeiden op mijn 42 vierkante meter tellende dakterras. En dus ging ik afgelopen zaterdag volop aan de slag. Tenmidden van de bloeiende tulpen en narcissen die ik afgelopen november had geplant, snoeide ik het dode hout van de frambozenstruiken.
En tussen die geile roze prunissen die mij omringden, zou Jan Wolkers zeggen, vingerde ik de wortelopslag uit de aarde, en rukte ik het beginnende onkruid omhoog, opdat rozenvulva's des zomers optimaal zouden kunnen ontknoppen.
Zoals ik al zei: je houdt ervan, of je houdt er niet van.

Ik doe ff een plaatje:

Dakterras zuidoost lente 2011 

Waar het dus vooral om gaat, volgens mij, is liefde.
"Is de buurvrouw ook op het dak?" vroeg L. toen ik even voor een plaspauze beneden was.
"Nee, huh? Hoezo?"
"Ik hoorde je praten."
"O, dat", zei ik, "dat was met mijn planten."
Het is waar.
Ik praat een hoop met ze. Niet per se verwijfd ofzo. Integendeel. Ik spreek ze vaak aan als pelotonscommandant. Ze hoeven daarbij niet in de houding te gaan staan, laat staan acht te geven, maar wel spreek ik ze meestal aan als groep. "Jullie zien er goed uit mannen", zeg ik dan, "en vrouwen", voeg ik er vervolgens gehaast aan toe. En daarna vertel ik ze de weersvoorspelling, want dat willen ze natuurlijk weten. En wanneer ik ze de volgende keer water zal geven.
En aan het eind loop ik dan een rondje om de troepen te inspecteren, en deel hier en daar persoonlijke complimentjes uit. Alsmede opbeurende woorden voor de zwakkere broeders. En zusters, niet te vergeten.
"Je ziet er goed uit vandaag, witte Sering, keep up the good work!"
"Kijk je een beetje uit met die vlekjes op je blaadjes Salie, je zegt het als er gemene beestjes zijn he? Je weet nog dat ik ze 6 jaar geleden ook heb weggekregen met tabakswater? Hou je taai meis, ik zie je morgen."

Wat ik hiermee ook wil zeggen: ik hou ze stijf in de smiezen, die planten van mij. Toch is er afentoe een brutale donder met een eigen willetje. Zo stond ik afgelopen zaterdag oog in oog met mijn frambozenstruik op het noordoosten.
"Waarom is het", vroeg ik, "dat jij nog geen blaadjes hebt, en je collega's op het zuidoosten wel? Is dat de hoeveelheid zon, of is er iets anders aan de hand? Eerlijk zeggen!"
Hij deed er het stilzwijgen toe.
Ik zei: "Kom op, je bent me dierbaar, de oudste frambozenstruik op dit terras, je hebt de meeste vertakkingen, doe niet zo kinderachtig, vertel!"
En nog altijd zijn bek houden, die smiecht.

Tsja, wat doe je dan. Precies. Dan doe je nadere inspectie. "Wat hou je daar achter je rug?" vroeg ik.
"Niets", zei mijn oudste frambozenstruik, weinig overtuigend.
"Lul niet!", zei ik.
Hij sloeg zijn ogen teneder.
Ik wist genoeg. En keek achter zijn rug. Ik tuurde uit over het droge grintdak van mijn buren.
En jawel! Wat zag ik? Een luie platgelegen ultralange stengel richting zuiden tussen de godverlaten kiezels. Maar liefst 4 meter plant waar ik geen weet van had!
Dat laatste is gejat uit een gedicht van Tom Zinger. Die wat mij betreft, ik heb het al eens eerder gezegd, 1 van de mooiste poezieregels ooit heeft geschreven in zijn (debuut- en helaas enige) bundel met daarin de zin "er is hier 80 centimter plant waar jij geen weet van hebt".
Back to zaterdag: "Jij snoodaard!" riep ik tegen mijn ouwe framboos. Met een glimlach, dat wel.
"Ik kon die kans niet laten liggen", zei mijn framboos, "het was te makkelijk."
"Snap ik toch", zei ik, "ik begrijp je helemaal. Je lijkt precies op mij. Maar ik ga die stengel toch even binnenhalen, als je het niet erg vindt. Ik kan moeilijk frambozen op het grintdak van de buren gaan plukken. Je zit vol met knoppen man!"
"Kunnen we niet overleggen?" vroeg de framboos.
"Als je 18 bent", zei ik, "dan gaan we overleggen, maar nu niet. Ik ga je nu even vlechten als je het niet erg vindt."
Dus ik vlocht 'm:

4 meter plant 

Het lijkt goed te gaan. De knoppen zijn vandaag al blaadjes aan het worden. En straks dus frambozen. Gaaf man. Dat is bijna een kistje vol.

Bon. Het is al laat. Nog best vermoeiend eigenlijk, burgerlijke dingen schrijven. Dus de geweldige wandeling in de Kennemerduinen (mooiste plek van Nederland) die ik vandaag heb gedaan met L., doe ik even af met een ultrakort fotoverslag:

Shetlandpony Kennemerduinen 

Wilde ponies! En alsof dat nog niet genoeg was, gebeurde ons ook het volgende:
"Is dat een hond?" vroeg ik aan L.
"Wat?" vroeg L.
"Dat gesnoef in de verte?" vroeg ik.
"Ah! nu hoor ik het ook", zei L.
Het kwam steeds dichterbij, het, ja wat eigenlijk? Het gegaloppeer.
"Volgens mij is het weer zo'n paard," zei ik.
Het getrappel werd heftiger.
"Of een hooglander", zei L.
Het gedender nam sterk toe in volume.
"Een KUDDE!" riep ik.
"Of een DINOSAURIER!" riep L.
"ZOEK DEKKING!"

1 voor 1 kruisten ze in volle vlucht ons wandelpad.
20 hertjes.
Schitterend. Nog nooit zoiets meegemaakt.

Na afloop een pils aan het str
and van Bloemendaal. Net als vorige week zaterdag. Toen we op de terugweg 2 uur in de file hadden gestaan van Bloemendaal aan Zee naar Amsterdam, bij bottleneck Overveen/Haarlem.
"Dat gaan we deze keer anders doen", zei ik tegen L.
Dus komt ie dan he, de tip! Vanaf Zandvoort/Bloemdaal aan Zee. Doe eens gek, en pak vanaf de Zeeweg niet de aangewezen route richting Overveen/Haarlem, waar tijdens mooiweerdagen steevast een tandenknarsende kansloze file staat, maar sla op de betreffende rotonde een kwart later af richting Bloemendaal-stad. Rij vervolgens door naar Santpoort-Zuid, rij door naar Santpoort-Noord.
Het is helemaal uit de route, ik weet het, maar geloof me, dit gaat goed.
Rij vervolgens de snelweg op, richting Haarlem/Utrecht, maar ga er na 400 meter direct weer vanaf, vermijd sowieso Haarlem, volg enkele seconden Utrecht, maar pak eenmaal op de provinciale weg standtepede de richting Amsterdam Westpoort. Oftewel het westelijk Havengebied. Compleet verlaten in het weekend.
Resultaat: Nul saaie kilometers snelweg, je ziet een hoop van de omgeving, komt nul auto's tegen, en kan binnen een half uurtje thuis zijn als je een beetje flexibel weet om te gaan met het gaspedaal.
Pas wel op voor motorrijders, want die weten het ook.

Nou, dat was nog eens gezellig.
Ziejewel. Ik kan best onverdeeld positief zijn.
Doeidoei!

Zakdoek

Let op: ik schrijf dit stukje in kennelijke staat. Niet dat ik normaal gesproken nuchter achter de toetsen zit (dat heeft namelijk geen zin, want dan komt er niets), maar vanavond ben ik serieus kachel.
"Dit gezegd hebbende", zou vriend en collega-dichter Sander M. schrijven in zijn standaardbegin van de 2e alinea van ingezonden brieven naar de Volkskrant, maar dat terzijde, "het volgende:" Vandaag was de Ronde van Vlaanderen.

Volgens velen DE Klassieker. Alleszins die van de Lage Landen. Voor een andere fietsende vriend en collega-dichter, Martijn den B., reden om vorige week op Facebook een oproep te doen, gericht aan eerdergenoemde, ondergetekende, alsmede vriend en collega-dichter Pim ten B. om een wild plan ten uitvoer te brengen, te weten: het tesamen fysiek medebeleven van de start in Brugge. En dat niet allene, welneen, om in de stemming te komen zouden wij de dag voor aanvang gevierenlijk de 300 kilometer van Amsterdam naar Brugge welnu, hoe zal ik het zeggen, gaan overbruggen per smalbeband rijwiel.

Ik ben dol op wilde plannen. Serieus. Als je mij vannacht nog vraagt om morgen mee te gaan op expeditie naar de Zuidpool, dan hoef je niet eens zo heel gek overtuigend te klinken, of ik sta mijn tas al in te pakken.
"I'm in" facebookte ik dus terug naar Martijn.
Net als Pim.
En net als Sander.
Waarop Martijn verheugd reageerde en vervolgens een plek om te overnachten probeerde te regelen voor de zaterdagnacht. In Brugge. Kansloos. Hij belde elke uitspanning in de stad af. Steevast nul op het rekest. Hij riep de hulp van Sander in. Die probeerde het verder op de route, in Gent. Hij werd hardop uitgelachen aan de andere kant van de telefoon. "Ha ha, meneer! Een overnachting vlak voor dunne Ronde!? Is dit unne grap misschien?"
Oudekerke? Uitgesloten. De Zwalmstreek? Vergeet het maar. Ergens anders in Belgie dan wellicht? "Belgie, zegt u. Ja, dat dan misschien toch wel…"
Yes!
"Maar niet in Vlaanderen, hein!"
Kut.

Belgie-kenner en mede-Festina-jurylid, Zuiderziel Rick de Leeuw had de facebookdiscussie gevolgd. Hij drukte ons met de neus op de feiten en stelde:
"De kans om een dag voor de Elfstedentocht een tweepersoons hotelkamer inclusief verwarmd balkon, met uitzicht op de Bonkervaart te kunnen boeken, lijkt me groter dan die van een slaapplaats in Vlaanderen tijdens de dag voor de Ronde."
Om er daarna fijntjes aan toe te voegen: "Een klassieker win je in de voorbereiding".

Godsamme. Maar hij dus wel he. Hij zat er wel.
Ikzelf had eventueel nog gedacht om voor te stellen ergens op de route kwartier te maken met mijn 6 persoons Kadhaffi-tent. Maar die weegt 50 kilo. En dat is lastig verschepen op een achttal splinterdunne tubes.
"Zullen we met een huurcamper gaan?" had Pim geopperd.
Doch niemand wilde de BOB zijn, waar het de zondagse terugreis betrof.
Maar dat is logisch.
Dus besloten we uiteindelijk gewoon bij Sander M. thuis te gaan kijken. in Amsterdam. Voor de TV.
En laten we wel wezen: Wat is daar eigenlijk mis mee? Sixpacks Jupiler, goeie kaas, een potje ingemaakte asperges, droge worst. Dat hadden we vanmiddag bij Sander thuis. En daarnaast een koelkast vol met koude Heineken, ja Heineken ja, stomme kutBelgen, wij zitten hier in Amsterdam. Jullie schuld.

We keken de Ronde van Vlaanderen. Op de Belg. Uiteraard.
"Rick is er wel", zei iemand.
"Ja, Hema-worsten aan het uitdelen", zei iemand anders, in een bui van jaloezie.
"Op het VIP-deck, met een muts op", voegde een ander toe.
Alles om de pijn draaglijker te maken.

Het was een goeie editie van de Ronde. Vantevoren hadden we allemaal de facebookquiz gedaan, waarin je middels een tiental vragen kon uitvinden welke renner je was. Pim was Boonen, geloof ik (wat is je favoriete vrouw: "nummer D."), Sander Stijn de Volder (wat is je favoriete eten: "friet uit het kot aan de kust van Oostende", Martijn was Hincapie (wat is je favoriete vakantiebestemming: "de Spaanse Costa"). En ik, ik was Cancellara (antwoorden op aanvraag).
Kortom, ik zat gebakken, gebeiteld, ik kon niet verliezen. En zulks bleek tijdens de koers. Godverdomme wat een machtsvertoon. In zijn eentje reed Cancellara naar de eenzame koploper Chavanel toe, en maakte tegelijkertijd bijna een volle minuut winst op het groepje van 6(!) achtervolgers.
Het was een kwestie van uitrijden en voor de rest geen materiaalpech oplopen.
Zelfs de Belgische commentatoren zagen het niet meer zitten. Geen Vlaamse winnaar dit jaar. Veelvuldig vielen de termen: "Het is gedaan" en "amai, ze zullen nu toch niet gaan strijden om plaats 3, hein?"
"Toch wel"
"Maar nee toch? Zodalijk gaat ge nog zeggen dat het ze hier om wereldbekerpunten gaat?"
"Alla."
"Maar dit is toch unne koers? De Ronde van Vlaanderen! Dan gaat ge toch niet voor plaats 3!?"
"Men is berekenend."

Elke leek kon zien dat de achtervolgers het duo nooit meer zou gaan bijhalen, tenzij er een wonder zou gebeuren.
"Maar toch", hield een van de twee commentatoren de moed erin, "het hangt allemaal nog op een zakdoek".

We hadden het in de Amsterdamse bovenwoning deze middag al veelvuldig gehad over de poezie der Vlaamse wielerverslaggeving. En dat je, als je er een kladblokje bijhoudt en regelmatig een quote noteert, uiteindelijk een adequaat verslag hebt, en tegelijkertijd een wereldgedicht in handen.
Ik had geen kladblokje, ik moet het doen met mijn dronken geheugen. En deze vond ik dus de mooiste.
Ik bedoel, "Het hangt allemaal nog op een zakdoek."
Ik ga het niet uitleggen, dat moet je met poezie sowieso nooit doen, maar het klopt van alle kanten.

En dat wonder gebeurde dus. Cancellara kreeg op de top van de voorlaatste helling geen drinkbus van de omstanders, ondanks zijn eindeloos graaiende rechterhand, en speelde in de 5 kilometer daarna wegens honger/drank-klop zijn complete voorsprong, en een gegarandeerde overwinning kwijt.

Een groepje van inmiddels 12 achtervolgers kwam terug. Waaronder Boonen. En Hincapie. Martijn was door het dolle. Hincapie! Eerlijk gezegd wisten we niet eens dat ie uberhaupt meedeed. Of nog leefde, of zoiets.
Maar net nadat ze erbij waren gekomen ging Cancellara weer. Even gegeten. Gedronken.
Godsakke, wat is die man sterk. Chavanel en Nuyens waren de enigen die konden volgen.

Maar zoals dat vaak gaat in wielrennen, wint de zwakste die het 't slimst heeft gespeeld. De sterkste, Cancellara, ging de sprint te vroeg aan. Chavanel, de op-1-na-sterkste, had er vet overheen kunnen knallen, ware het niet dat Cancellara hem de doorgang belette, en toen Chavanel daaromheen was gefietst, stak Nuyens op het juiste moment een elleboogje uit, waardoor Chavanel voor de 2e keer zijn benen noodgedwongen stil moest houden, en dat was het dan.
Nuyens winnaar. Een Vlaming!

Een Vlaming, dat is altijd goed.
Belgie blij.
Maar nog altijd geen regering.

Daar valt iets voor te zeggen.