Zomertijd

In het Engels klinkt het mooier. Als een nummer van iknoemmaarwat, Janis Joplin, maar goed. Dit weekend is in Nederland de zomertijd ingegaan. Hoe zat het ook alweer precies?
"Ja, nee, de zon gaat dus nu een uur later onder."
"We hebben een uur langer? Dus ik kan uitslapen!"
"Ja, nee, je moet juist een uur eerder opstaan."
"Huh?"

De zomertijd. Altijd verwarrend. Maar uiteindelijk vinden de meeste mensen het goed nieuws. Het blijft nu immers een uurtje langer licht en wie wil er nu niet 60 minuten langer in de tuin, op het balkon, of op een terrasje blijven hangen? Precies!
De zomertijd biedt daarnaast legio voordelen op economisch terrein, vooral milieu-technisch gezien. Omdat we dankzij de zomertijd allen onze peertjes pas een uurtje later hoeven in te schakelen, besparen we nationaal miljoenen op ons energieverbruik.

De zomertijd is zelfs zo polulair dat de PVV een poosje geleden heeft geopperd om ook in de wintertijd de zomertijd in te voeren. Geniaal! zou je in eerste instantie denken. Want vooral in de winter, tijdens de donkerste dagen, doet het energie-voordeel opgeld.
Schijnbaar een volstrekt logisch en legitiem voorstel dus, met waarschijnlijk een breed maatschappelijk draagvlak.
En toch wil ik hier graag proberen uit te leggen waarom het doorvoeren van deze maatregel volslagen debiel zou wezen. Let op: het is niet dat ik meteen wil stellen dat de PVV een afkorting is van 'de Populistische Vereniging voor Volksverlakkerij', maar onzinnig is het voorstel wel.

Laat ik beginnen met te vertellen dat de wintertijd de 'echte' tijd is. En die schaf je met het PVV-voorstel in feite af.
De zomertijd (die in mijn jeugd nog niet bestond) is ooit in het leven geroepen voor, nou ja, voor de lol. Voor de tuin/het balkon/de terrasjes. Het welzijn van de mensen.
Het idee was: 1 zondagochtend in maart een uurtje minder lang uitslapen, maar dan heb je ook wat. Namelijk voor de rest van de hele lente, zomer en de halve herfst langer licht! Yes! Goed plan!

Maar als we de zomertijd tevens in de wintertijd zouden doorvoeren, bestaat er geen zomer- en wintertijd meer. Dan wordt welbeschouwd de algehele wereldklok gewoon een uurtje verschoven.
Dan gaan we terug naar de situatie uit mijn jeugd, met dit verschil dat we met zijn allen afspreken dat '8 uur' het nieuwe '9 uur' is.
Vat je 'm?
En, om maar eens een andere vreselijke modieuze term te gebruiken: 'Moeten we dat met zijn allen wel willen?'

Het zou er domweg op neer komen dat we niet meer werken van 9 tot 5, maar van 8 tot 4. Dat wordt dan de nieuwe norm.
Voor een avondmens als ik zou dat slecht nieuws zijn. Qua werktijden. Om nog maar te zwijgen van de kroegen die dus dan in wezen niet meer om 3 uur, maar om 2 uur 's nachts zullen sluiten.

Uit allerlei onderzoeken komt naar voren dat vooral avondmensen moeite hebben met de zomertijd. Ze kunnen 'wekenlang tekenen vertonen van een zware depressie'. Dat is nog tot daarentoe, maar ze kunnen tevens te schaften krijgen met 'symptomen als slapeloosheid, lusteloosheid en hoofdpijn'. En dan komt het wel heel erg dichtbij, wil ik maar zeggen.
En dan heb ik het er nog niet eens over dat ik eigenlijk geen avondmens ben. Ik ben een nachtmens.

En dat wist je misschien niet, maar dat zijn we in wezen allemaal. We zijn allemaal nachtmensen. Uit vele andere onderzoeken blijkt namelijk dat als je mensen maandenlang opsluit in een grot (en wiens betoverbetoverbetover-Opa en -Oma zijn dat niet geweest? #genen), dan neemt een homo sapiens vanzelf een 25-uurs ritme aan. Ze zeggen uiteindelijk: "Fuck de seizoenen, fuck de zonnestand, ja zelfs fuck de rotatietijd van de aardbol: Wij doen 25 uur."

En op de vraag "Mis je het zonlicht niet?", antwoorden ze met: "Zout op met je zonlicht! Zonlicht is slecht voor je ogen en je krijgt er nog huidkanker van op de koop toe. Zonlicht is voor de planten. Opdat ze hun osmose-ding kunnen doen of zoiets. Wij zijn daar als mens helemaal niet op gebouwd. Wij verbranden daarin. Behalve negers, maar die zitten niet in dit onderzoek. Behalve Geoffrey, dat is trouwens wel een aardige goser, maar die is ook voor de 25 uur. Dus…"

Oftewel: Het zou het beste zijn om de zomertijd compleet te vergeten en daarentegen dagelijks opnieuw de wintertijd in te voeren. Telkens weer. Dag in dag uit. Elke dag de klok een uurtje terugdraaien. En daardoor een uurtje erbij hebben.
Dat past het beste bij onze fysieke gesteldheid. Elke dag een uur langer uitslapen. Elke dag een uur langer de tijd hebben om de kinderen uit de creche te halen/naar de kroeg te gaan/ te leven.
Laten we wel wezen: Wie wil dat nou niet? Precies!

En het pensioenprobleem is ook meteen opgelost, want we worden allemaal gemiddeld in 1 klap 2 jaar jonger.
Nog vragen?
Geen vragen!

 

 

Advertisements

Story of my life

Ik leid een bevoorrecht leven. Zeker als ik het afgelopen halve jaar in ogenschouw neem. Officieel heb ik een fulltime-baan, maar omdat mijn opdracht bij de ABNAMRO is teruggeschroefd naar 24 uur per week, en mijn detacheringsbedrijf geen overige werkzaamheden voor mij heeft, heb ik naast mijn vaste vrije vrijdag die ik stelselmatig inkoop, nu al een half jaar tevens elke donderdag verlof. Betaald verlof, welteverstaan.
Een 3-daagse werkweek. Welk een weelde. Ik ken niemand in de bloei van zijn leven die het rustiger heeft dan ik. Zelfs mijn gepensioneerde moeder heeft het drukker.
Of ik dat niet zonde vind, van die verspilde bloei? Geenszins. Integendeel. 'Succes is voor losers' om maar eens met een onbekende stukjesschrijver als M. Molovich te spreken, vooral als het om carierre-gerelateerde arbeid gaat, wat mij betreft.

Ik ben een natural born downshifter. Al vanaf mijn jeugd was mijn grootste ambitie het ooit tot huisman te schoppen. Mijn grote voorbeeld was mijn moeder. Ik ontdekte het toen ik een weekje schoolziek was: Daar waar mijn vader elke avond uitgeblust thuiskwam van een volle dag lesgeven aan de Gemeentelijke Mavo, daar zat mijn moeder de hele dag koffie te drinken met de buurvrouw, thee te leuten met haar vriendinnen, en versgeshopte dropjes te vreten tijdens het boodschappen doen op de markt.
Tegen vijven, als mijn vader thuiskwam, draaide ze een blik sperciebonen open, flikkerde wat voorgedraaide gehaktballen van de C1000 op het vuur, en deed of ze het druk had.
"Godverdomme", zei mijn vader, nadat ie haar een kus had gegeven, "ik ben blij dat ik thuis ben, ik ben afgepeigerd. Wat eten we?"
En dan zei mijn moeder niet: "Sperciebonen".
Ze zei: "Gehaktballen".
"Lekker!" zei mijn vader dan.
Potverdorie, dacht ik, mijn moeder is voorwaar niet dom.

Tijdens vakanties zei mijn moeder: "Een huisvrouw heeft nooit vakantie." We waren even stil. Maar daarna vonden alle gezinsleden het een opmerking uit de categorie eye-opener. Dus wij deden de afwas. Wij haalden brood. Wij deden alles.
Niet dat mijn moeder een lapzwans was, integendeel, ze had het druk genoeg met het corrigeren van de steekjes die de diverse gezinsleden lieten vallen, en niemand wil roze sokken.
Maar om kort te gaan: Ze had ons danig aan de touwtjes.
Ze was de baas zonder dat iemand het in de smiezen had. De hoogste vorm mijns inziens.

Mijn huismandroom heb ik helaas nooit in vervulling kunnen laten gaan. Ja, als single, in 1995, toen ik een uitkering had. Schitterende tijd. 's Ochtends om half 10 opstaan met de herhaling van Goede Tijden Slechte Tijden, tijdens de reclame een douchje pakken, daarna Koffietijd met Hans van Willigenburg en Mireille Bekooij, met het 'boodschappenspel' (een geblindeerde negenvakkige matrix met letters die levensmiddelen symboliseerden – ik wist altijd het te raden woord – itt tot de deelneemster, geweldige boost voor mijn zelfvertrouwen), vervolgens naar de Aldi voor een verse krat bier, en dan de rest van de hele dag schrijven. En de nacht erbij.
Net toen het een beetje begon te vlotten met mijn roman, kreeg ik een baan. Deze baan. En ik ging samenwonen met mijn toenmalige vriendin (tegenwoordig mijn ex-vrouw). Ze was blij dat ik die baan kreeg. Want ze wilde een man 'om tegenop te kunnen zien'.
Ik vergat de roman. Kocht overhemden, stropdassen en pakken. Ik stond om 7 uur op, forensde naar Rotterdam (Robeco), en kwam om half 8 afgepeigerd thuis.
"Wat eten we?" vroeg ik.
"Gehaktballen", zei mijn ex-vrouw.
Ik dacht: Hier is iets verkeerd aan het gaan.

Dat lag niet aan mijn ex-vrouw. Want dat is een lieve meid, net als mijn moeder. Het lag aan de baan. Die is niks voor mij.
Maar ik ben een meegaand type. Bepaald geen opstandeling. Dus ik bleef 'm doen. De baan. En ik vervul 'm nog steeds. De plicht.
Mijn baan is draaglijker geworden met de loop der tijd. Dat is het verraderlijke. En ik heb ondertussen een huis gekocht. Met mijn optimistische harses voor een beleggingshypotheek gekozen. Ik kan niet meer terug zonder geconfronteerd te worden met pijnlijke verliezen, of zelfs een persoonlijk failliet.

Een mens wordt daar niet vrolijk van. Maar genoeg daarover: Waar ik wel vrolijk van word, is dat ik nu al een half jaar lang een driedaagse werkweek heb. Ik tel mijn zegeningen. En maak wandelingen. Want daar wilde ik het eigenlijk over hebben. De literaire wandeling die L. en ik afgelopen zaterdag hebben gemaakt.
Van Santpoort naar Bloemendaal. Daar heb ik tijd voor. Ik wel. De vergeten graven van Louis Ferron, Godfried Bomans. De psychiatrische kliniek waar Vasalis hoogstwaarschijnlijk haar beroemde gedicht 'De idioot in het bad' heeft geschreven.
We hadden de route uit het Parool van een maand geleden geknipt. Vooral vanwege het kader rechtsonder waarin over deze wandeling werd vermeld: 'Horeca onderweg: veel.'
"Die gaan we doen!" had ik tegen L. gezegd.

De wandeling begon slecht. Ik had onze paarse Volvo 440 (The Purple Haze) geparkeerd naast station Santpoort-Zuid, en we spraken de eerste de beste voorbijganger aan met de vraag waar het dichtstbijzijnde cafe zat.
"Er is hier geen cafe", zei ze, een proefvijfstiger, zou VK-columnist Wim de Jong zeggen, met een bloempotkapsel.
"Geen cafe?" vroeg ik.
"Nee. Maar misschien dat je een bekertje koffie kunt krijgen bij de viswinkel", zei de vrouw, "die zijn heel modern, en zit over 350 meter links".
"Is er iets anders?" vroeg ik.
"Voor de rest zou ik niets weten in Santpoort", zei ze.
Ik kon het niet geloven en zette een horeca-app op mijn smartphone in werking. De beste vrouw bleek tot mijn ontzetting gelijk te hebben. Nul horeca in Santpoort.
"Help me herinneren dat we het Parool opzeggen", zei ik tegen L.

Nadat we de ruine van Brederode pic!

Brederode ruine 

hadden bezocht, vervolgden we de route richting Meer en Berg, in de groene bossen van Vasalis. Het pad was strak omhekt. Ik kan enorm slecht tegen hekken. Net als katten. Ik snap ze niet, hekken. Hekken zijn kansloos. Ik zie hekken als weinig anders dan belemmering van het uitzicht.
We kwamen aan bij een gebouw. Met hekken.
"Misschien is dit een uitspanning", zei L.
"Wie weet", zei ik, "laten we het er op wagen."
Een man in een dure kasjmir-trui kwam ons tegemoet. Hij had bruine tanden. Apart.
"Wisten jullie dat dit ooit een TBC-kliniek is geweest?" vroeg ie.
"Nee", zei ik, "dat wist ik niet, maar is dit tegenwoordig misschien toevallig een uitspanning? Met drankjes enzo?"
"Ha ha", zei de man, "nee, hier wonen wij, met vier gezinnen, allemaal met kinderen. Het is echt een paradijsje. Maar ik vertel voorbijgangers graag over de geschiedenis!"
We luisterden een kwartiertje naar de geschiedenis.
We kwamen een hoop te weten over de tweede Wereldoorlog.
"Maar", zei ik op een gegeven ogenblik, "ik wil niet lastig zijn, maar weet u wellicht waar de dichtsbijzijnde gelegenheid zit om iets te drinken?"
"Pfoe", zei de man.
Ik wist genoeg.
Kut-Parool. Kut John Jansen van Galen, want zo heette de dienstdoende verslaggever. En iedereen googelt vroeg of laat zichzelf, dus bij dezen: Up yours! Met je 'Horeca: Veel'.
Pannekoek!

Uiteindelijk is het wel gelukt uiteraard. Bij, je zal het altijd zien, een pannekoekenhuis. In Bloemendaal. Bovenaan de befaamde beklimming van 'Het Kopje'. Fenomenaal uitzicht. We konden zelfs de zee zien op 6 km afstand. Beste view van Nede
rland, hooggelegen, uit de wind, in de zon. 1,90 voor een pils, 4 euro voor een pompoensoep met 2 hompen bruinbrood inclusief kruidenboter. Kom daar nog maar eens om.
De uitspanning was genaamd: SGT Peppers Pannenkoeken Restaurant. Zonder SGT weliswaar, maar die mag er wat mij betreft bij.
Maak daar Captain van. Het was verdomd goeie pompoensoep.

In de afdaling, langs de luxe kasten van villa's in Bloemendaal hadden L. en ik het over de boekenweek. Over de grote 3.
We waren eerlijk.
En we waren het eens.
Maar vanaf nu spreek ik even voor mezelf: Mulisch is een intrigerende kerel. Jammer alleen, dat ie niet kan schrijven.
Hermans: wellicht de beste. Als het aan mijn vader had gelegen wel. Aantekening: Damocles is niet zijn meesterwerk. Nooit meer slapen, dat is 'm. En aanrader: 'Herinneringen van een Engelbewaarder.'
Maar persoonlijk ga ik toch voor Gerard. De kat springt nu op schoot en begint te spinnen. Dat zegt op zich al genoeg.
Gerard Reve is de enige die aan zelfrelativering doet. Over de onbevlekte ontvangenis van Maria schrijft ie: Natuurlijk kan dat niet, maar gelukkig is het wel zo.

Beter valt het thema van de Boekenweek 'curriculum vitae', niet samen te ballen.
Laat staan dat van mijn eigen leven.
Ik ben voorwaar een bevoorrecht mens.

 

 

 

 

Kadaffi

Omdat ik deze week, op de crematie van de vader een vriendin na, weinig opmerkelijks heb meegemaakt in mijn persoonlijke leven, deze zondag maar weer eens een stukje over de toestand in de wereld in het algemeen en de politiek in het bijzonder.

Nee, niet over Japan, want daar kan ik kort over zijn: Fuck kerncentrales.
Maar wel over Libie, en vooral over Kadaffi. Iedere krant spelt zijn naam anders, dus ik noteer 'm voor de duidelijkheid maar even phonetisch.

Let op: ik ga een bekentenis doen. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw was ik een groot fan van de man. Van wie? Van Kadaffi. Je leest het goed. De voornaamste reden hiervoor was dat de toenmalige President van de Verenigde Staten, Ronald Reagan, Kadaffi een 'dolle hond' had genoemd, om vervolgens domweg Tripoli te bombarderen. Daarbij liet onder andere een van de dochters van Kadaffi het leven.
Ik was destijds 16, door gierende hormonen borrelde in mijn lichaam het sperma tot halverwege mijn oogbollen (vrij naar Adriaan Jaeggi), maar de meisjes zagen me niet staan. Tegelijkertijd voltrok zich in mijn hersenen een meltdown aan chemische reacties, die allemaal riepen: Je moet links worden Sven, links links links!
Heel slim van mijn hersenen, want in die dagen waren alle meisjes nog politiek links geengageerd. Althans, de meisjes waar ik op viel. De rebelse types. Zwarte no future-kledij. Mysterieuze warrige kapsels. En kortgerokt met tieten, niet te vergeten.

Nu was ik op zich van nature en qua opvoeding al links, maar blijkbaar nog niet links genoeg, want zoals gezegd wilde het met een vriendinnetje krijgen nog niet al te zeer vlotten. Dus wat doet een gezonde Hollandse jongen van Jan de Wit dan? Juistem! Ik werd extreem links. Net als mijn beste vriend, die het licht al eerder had gezien. Die neukte er inmiddels flink op los, met z'n 15 lentes.
"Heb je het gehoord op de radio", vroeg ie.
"Watte?" vroeg ik.
"Dat dat kapitalistische zwijn van een Reagan Tripoli heeft gebombardeerd?"
"Nee!", zei ik, terwijl ik het een en ander aan ongeloof in mijn stem probeerde te leggen.
"Jazeker! En die tweederangs Hollywood-acteur heeft daarbij de dochter van onze leider van de Socialistische Revolutie in Libie om zeep geholpen!"
"Ongelooflijk!", riep ik, "wat een imperialistisch varken!"
"Dit roept om vergelding!" scandeerde mijn beste vriend door de analoge lijn, waarvan het toestel naast het bankstel stond waarop zijn arme moedertje zetelde, "wat jij?"
"Absoluut!" riep ik, "dit soort onrecht moet in de kiem worden gesmoord!"
"Met wortel en tak worden uitgeroeid", vulde mijn beste vriend aan, "ik zeg: actie!"
"Actie?"
Mijn eigen moeder, die tegenover mij in onze huiskamer zat, fronste haar wenkbrauwen vanboven haar breiwerk.
"Uiteraard!" riep mijn beste vriend.
"Ik kan nu niet praten", fluisterde ik, "HOE IS HET BIJ JOU OP SCHOOL?"
"Okay, ik snap het. Luister, ik heb een plan. Kom vanavond na het eten, om 19.00 naar de kelder van de flat op de Liendelaan. Dan leg ik het je verder uit."
"OKAY, DAN KOM IK JE VANAVOND HELPEN BIJ JE HUISWERK. TOT DAN!"

Geweldige tijd was dat. We hebben diverse vergeldende 'terroristische' aanslagen gepleegd uit solidariteit met onze grote vriend in Libie. Waarvan de belangrijkste de aanslag op onze oude kleuterschool was, De Woelewippie. Ik neem aan dat die qua termijn inmiddels verjaard is, dus ik kan dit nu gerust opschrijven. Hij ging als volgt:
In het holst van de nacht slopen mijn beste vriend en ik onze ouderlijke huizen uit, en verzamelden ons voor de tralies van de hoofdingang van de Woelewippie. Zwarte cappuchontruien aan, zaklantaarns op de man.
Ik gaf mijn vriend een kontje, waardoor ie over het hek kon klimmen. Ikzelf was toen nog zo mager dat ik mijn lichaam tussen de tralies door kon wringen, hoewel het best een beetje pijn deed aan mijn oren.
"Kut!", riep ik, "mijn oor."
"Ssst", zei mijn beste vriend.
In de verte ging in een huizenblok een licht aan.
"Duiken!" siste mijn beste vriend.
We doken en tijgerden naar de zandbak op het speelplein. Eenmaal veilig verscholen achter de randen van de zandbak staken we een sigaret op.
"Durf jij te kijken of dat licht nog steeds aan is?" vroeg ik.
"Ja".
Het licht was uit. Zei ie. Ik zag vlak daarna dat het licht niet uit was. But what da hell. We were on a mission.
Wij middels het opstapelen van een aantal skelters (stonden gewoon buiten onder een afdakje, kon toen nog) het dak opklauteren van de kleuterschool. Met vereende krachten een dakraam forceren en staren in een gapend gat, waar 3 meter onder ons de vloer van een kleuterklas lag. We gingen met onze vingertoppen aan het dakraam hangen en lieten onze voeten anderhalve meter naar beneden vallen.
"Dat was makkelijk", zei ik.
"Piece du cake", beaamde mijn beste vriend in het Frans, welbeschouwd goed Libisch.
Het eerste wat we deden was de bureaulades opentrekken van onze oude kleuterjuffrouw. We vonden een zak winegums. Die aten we op.
"En nu?" vroeg ik.
"Nu moeten we nog een aanslag plegen", zei mijn beste vriend.
"Had je iets specifieks in gedachten?"
"Niet echt. Jij?"
"We kunnen alle bureaus op z'n kop zetten", zei ik.
"Goed plan."
Dus dat deden we.
Daarna schreef mijn beste vriend op het schoolbord de onsterfelijke woorden: "Dit is de laatste waarschuwing van het Libisch Front!".

"Best dreigend", knikte ik goedkeurend.
"Dacht het wel inderdaad!", zei mijn beste vriend, "aan ons heeft het niet gelegen! Morgen op de voorpagina van de Telegraaf, let op mijn woorden!"
'Dat wordt nog deze zelfde week neuken', dacht ik.
Toen zagen we door de ramen een politie-auto op straat staan.
Kut, dacht ik, die goser met dat licht heeft ons erbij gelapt, we zijn zwaar de lul. We doken achter de vensterbanken. We wisten nog niets van die 72 maagden moet je meerekenen, want dan hadden we onszelf natuurlijk direct opgeblazen indien mogelijk.
Maar de politie-auto reed door. Dus hebben mijn beste vriend en ik nog een poosje gevoetbald met een volleybal in de gymzaal. Dat had ik altijd al willen doen: voetballen met een volleybal, want dat mocht niet op mijn Middelbare School, want daar was die bal niet voor bedoeld of zoiets.

Ik de dagen daarna spelden mijn beste vriend en ik de kranten, op zoek naar een berichtje inzake onze aanslag.
Nul. Nul berichten. Zelfs niet in de Stad en Streek, het plaatselijke huisaanhuisblad.
Teleurstellend. In ons bloedeigen Tielse radioprogramma, met 5 luisteraars, deden we nog een keertje aan zelfrelativering door in de rubriek 'De mop van Job', de toenmalige flauwe running gag te debiteren:
"Kadaffi is gezakt voor zijn type-examen."
"O ja?"
"Ja, hij had te weinig aanslagen!"
En dat was het dan.
Dat was Libie in mijn leven.

Tot een paar jaar terug. Kadaffi op bezoek bij Sarkozy. Meneer weigerde te overnachten in een 5-sterren-hotel, hij wenste te slapen in een tent. Net als het volk waarvan ie afstamde. Desnoods zou ie kwartier maken in de achtertuin van het presidentieel paleis. Which he did.
Als doorgewinterd kampeerder voelde ik mezelf weer overstromen van sympathie. Kijk aan! dacht ik, ze bestaan nog! De ware socialisten! Wat een kerel! Want inderdaad: een echte vent slaapt in een tent.
Soulmate, bloodbrother! Dacht ik.

Hoe zal ik het zeggen? Oude liefde roest niet. Of althans zelden. En we maken allemaal fouten. Vooral als we puber zijn. Bovendien lezen we daarna waarschijnlijk te weinig internationale kranten. Of een buiten
land-rubriek tout court.
Okay, misschien moet ik vooral voor mezelf spreken, maar het moge duidelijk zijn dat ik me danig heb vergist.
Kadaffi blijkt een lul met vingers, om het op z'n Tiels te zeggen.
"Kom je daar nu pas achter, Sven?"
Ja, daar kom ik nu pas achter.
"Wat dom."
Ja, dat is dom, dat geef ik toe. Maar vergis je niet.
"Hoe bedoel je?"
Iedereen is dom als het om Kadaffi gaat. Een paar weken geleden, toen de Arabische Lente succesvol zijn intrede deed in Tunesie en Egypte, dacht iedereen dat het slagen van de opstand in Libie ook een eitje zou wezen. Ze buitelden over elkaar heen, de deskundigen in de uitzendingen op Radio 1, bij DWDD, en bij P&W. Ze waren het er allemaal over eens, een paar weken geleden: de dagen van Kadaffi zijn geteld. 100%. Ze zeiden het allemaal, de experts: 'hij heeft nog maximaal 3 dagen.'
"Maar?"
Maar helaas. Ze zaten ernaast. Ik wist het eigenlijk meteen: Kadaffi is geen debiel. Hij heeft het Westen verdomde goed in de smiezen. Hij kent zijn pappenheimers. Hij wordt gezien als 'dolle hond'. Boeit 'm geen kut. Hij is 'onvoorspelbaar', en dat koestert ie, want juist that does the trick. Het Westen blijft daardoor maar vergaderen en belangen afwegen, en in de tussentijd verovert ie gewoon zijn land terug.
En vooral de olieraffinaderijen. Vragen?
Geen vragen.

He's 'winning', om met Charlie Sheen te spreken. Om kort te gaan: Kadaffi is een geniale strateeg.
En, moeilijk om te zeggen, maar toch. Helaas toch vooral een moordenaar.

 

Chateau Palmer

"Welk jaartje gaan we zaterdag drinken vriend? 1994, 1995, 1996, 1997 of 1998? Google maar even op je smartphone, HTC-homo!" sms-te mijn beste vriend (iPhone-adept) afgelopen vrijdag.

Deze zaterdag zouden L. en ik gaan eten bij mijn beste vriend en zijn vrouw. En vooral: een enorm dure wijn drinken. Want dat is de nieuwe hobby van mijn beste vriend sinds ie vorig jaar directeur is geworden: wijn verzamelen.
Ik bestudeerde de sms. Wat bedoelde ie precies? Moest ik gokken welk jaartal ie voor ons in petto had?
"Hoe heette die wijn die we gaan drinken ook alweer?" sms-te ik.
"Een enige echte Chateau Palmer!" texte  ie terug.
Dus ik googlen op mijn HTC. Wat zou de duurste wezen? Want zo is mijn beste vriend, dacht ik, waarschijnlijk heeft ie een hele dure voor ons klaar staan, en dan is het wel zo handig als de gasten beseffen hoe bevoorrecht ze zijn.
Via google kwam ik er achter dat uit die reeks 1994 een goed jaar was, maar 1996 nog beter. Een Chateau Palmer 1996 deed op internet 270 dollar. Dus ik terug sms-en: "1996?"
Zijn antwoord kwam al snel: "Okay! Your call! Dus als ie niet te kachelen is, is het jou schuld, ha ha!"
Pas toen realiseerde ik me dat de lieverd me geen quizzvraag had gesteld, maar een keuze had gegeven. Blijkbaar had ie alle vijf genoemde jaargangen in huis, en had ik zojuist middels een simpele sms mijn beste vriend beroofd van het mooiste exemplaar uit zijn nog prille verzameling.
Enfin. Daar ben je beste vrienden voor.

Gisteren was het zover. Om 18.00 begroetten we mijn beste vriend en zijn vrouw. En zijn twee dochtertjes, die de eerste gang zouden mee-eten, zij het dat zij poffertjes aten, en wij soep. Die soep had nogal wat voeten in de aarde gehad, begreep ik van mijn beste vriend.
Die vrijdag ervoor had ie me al een foto gestuurd van een grote pan met bouillon, waarin o.a. wortels, prei en een groot stuk kip lagen te dobberen. Maar deze ochtend bleek de soep te zijn gaan 'schiften', nadat ie hem had proberen te 'klaren' met een flinke laag room, als ik het goed heb begrepen. Het kan ook andersom zijn geweest. De hogere kookkunde in ieder geval (mijn beste vriend heeft ooit op de koksschool gezeten), die erop neer kwam dat de soep toch nog was gelukt. Hij was de hele dag bezig geweest om 'm te redden, de schat.
En dan heb ik het nog niet eens over het werk dat ie moet hebben gehad aan het voorbereiden van de overige 4 gangen.
Maar dat was nog niet alles. Welneen. Na de eerste gang, waarbij voor de vrouwen een Clairette de Die was geschonken en voor de mannen een dure witte wijn uit Duitsland, bracht het jongste dochtertje L. en mij een rolletje papier met een grote strik eromheen.
Het rolletje bleek drie A4tjes te bevatten met nadere uitleg over de Chateau Palmer die we straks bij het hoofdgerecht zouden gaan drinken.
"Hardop voorlezen!" riep mijn beste vriend, de schrijver van de verhandeling in kwestie.

Een geweldig stuk over 'ONZE Chateau Palmer', die kwam uit de 'Troisieme Grand Cru Classe', maar die tijdens wijnproeverijen regelmatig de 'Premiers Crus' versloeg, en 'de Palmer uit 1961 wordt zelfs gezien als 'de wijn van de eeuw''.
We leerden alles over de exacte druivensamenstelling van de wijn ('55% Cabernet Sauvignon, 20% Merlot, 1% Petit Verdot, 4% Cabernet Franc'), de voedingsbodem ('In mooie, grote jaren geeft deze kiezelgrond een delicate wijn met intrigerend parfum en is het toppunt van geraffineerde perfectie'), ONS jaar 1996 ('Zeer goed'), etc, enz.
Het stuk eindigde met de volgende alinea:
'Zo, dat was een lesje in wijn. Nu maar hopen dat het aan de verwachting voldoet.
Wellicht is deze wijn niet helemaal LINKS vertantwoord, maar ach.. We drinken 'm toch maar, voor de arme wijnboeren uit Frankrijk.'

Nadat ik het hele stuk had voorgelezen kwam mijn beste vriend aanzetten met de daadwerkelijke fles:

Chateau Palmer 1996 

L. en ik mochten het etiket bekijken en even voorzichtig over de fles heen aaien. Daarna was het tijd om hem open te maken en te laten ademen. Mijn beste vriend ging in de weer met de kurketrekker. Altijd spannend. "Je weet het nooit", zei ie, "hoe ie is. Ik heb hem via internet gekocht van een Fransoos, je weet nooit of zo'n stookbroodvreter 'm niet in de volle zon heeft bewaard of zoiets. Voor hetzelfde geld kan ie zo door de gootsteen."
L. en ik keken geschrokken.
"Maar daar gaan we niet van uit", zei ie, en bekeek de kurk. "Hij is keidonker", zei ie.
"Dus?", zei ik angstig.
"Dat is een goed teken. Dat is altijd bij oudere wijnen, dan is de onderkant van de kurk bijna zwart."
Vervolgens goot ie de wijn via een ingewikkeld apparaatje in de een of andere labatoriumfles. "Zo komt er zoveel mogelijk zuurstof bij", legde ie uit, "over ongeveer een uurtje kunnen we hem gaan drinken. Nu eerst even de kinderen naar bed brengen."

Rond 21.00 was het zover. Eindelijk zouden we de Chateau Palmer gaan proeven. Ontzettend opwindend, zo'n wijn waarbij je met elk slokje het uurloon van de gemiddelde arbeider door je keelgat wegspoelt. Voor zo'n slokje hadden mijn beste vriend en ik vroeger een week lang onze krantenwijk moeten lopen.
We sniffelden boven de glazen. Cirkelden eventjes rond met de inhoud. En namen een voorzichtig slokje.
Het eerste wat ik proefde was de smaak van rustiek schimmelende kasteelmuren, gevolgd door een forse teug aan een bolknak over je longen, afgemaakt met een likje smeltend handgemaakt vanille-ijs.
"Hij is goed", constateerde mijn beste vriend.
"Hij is geweldig!" riep ik.
We aten er lammetjes bij.
En creme brulee.
En ten slotte de een of andere heerlijke mega-oude kaas, waarvoor mijn beste vriend speciaal een guillotine-achtig haksnij-apparaat had aangeschaft, want met een normaal mes kwam je er niet doorheen.
Uit respect voor de wijn hebben we twee uur lang niet gerookt. En dat wil wat zeggen, in ons geval.

Het leven is mooi. Dus carpe diem. En de nacht erbij, want je weet immers nooit wanneer het gedaan is. Hoeveel kerstbomen je nog te gaan hebt, om met een collega te spreken.
Maar zo mooi en gezellig als het nu was, zo is het niet vaak. Dus het werd extra laat. Nadat de Chateau Palmer soldaat was gemaakt hebben we nog weetikniethoeveel pils verstouwd, voordat ik samen met L. tegen de ochtend in een taxi stapte om ons katjelam naar Drumpt (Tiel-Noord) te laten vervoeren, alwaar we neerstreken op de zolderkamer van mijn ouderlijk huis.

De volgende dag, zondag, vandaag dus, had een geheel andere insteek. Vandaag is het precies 5 jaar geleden dat H. is overleden. Ik heb vroeger wel eens over haar geschreven. Voor wie dat wil nalezen: Google maar op plukdenacht + Femme Fatale.
Ik ben na haar begrafenis nooit meer bij haar graf geweest, maar vandaag wilde ik er per se naartoe. Uit respect, uit gevoel, ik weet niet precies waarom, maar dat soort dingen. Ik had het in ieder geval al maanden geleden in mijn agenda genoteerd.
Nog half dronken van gisteren stapte ik vanmiddag om 15.00 met L. in onze Volvo, en reed van Tiel naar Rotterdam/Rhoon.
Bij een tankstation in de buurt van Gorinchem tapten we koffie en kochten een broodje. De bloemenrekken waren leeg.
"Fuck", zei ik.
"Ze hebben wel plantjes in potten", zei L.
"Die vindt H. waarschijnlijk te burgerlijk", zei ik, "H. wil rozen. Ik probeer het wel bij het volgende tankstation."
Dus ik  'm flink op zijn staart trappen, de Texaco uitscheuren en de
invoegstrook op.
"Kut", zei ik.
"Wat?" zei L.
"Politie."
Het was waar. Er reed op de A15 een politie-wagen ter onzer hoogte. Dus ik netjes gas terugnemen en achter de politie invoegen.
De politie-auto reed precies 100. Je mocht er 100 rijden. Ik durfde er in eerste instantie niet voorbij. Maar toen ie gas terugnam tot 90, durfde ik het nog steeds niet. En dat was blijkbaar verdacht. Er begon een bordje op te knipperen op de achterruit van de politiewagen. In rode letters: "Volgen".
Dus ik volgen. We reden de eerste de beste afslag op.
Ik dacht: ik ben zo ontzettend de Sjaak. Ik heb te hard gereden op de invoegstrook, maar vooral ben ik waarschijnlijk nog zwaar bezopen, ook al voel ik me zo nuchter als een kuiken. Een simpele rekensom leerde me namelijk dat ik nu waarschijnlijk nog een promillage van 3,2 aan restalcohol in mijn bloed moest hebben zitten, daar waar slechts 0,5 is toegestaan.
Oftewel: 2,7 teveel, dus weg auto, rijbewijs pleite, megavette boete en met een beetje pech nog celstraf op de koop toe.
"Van mij hoeft het niet", zei ik tegen L. terwijl we de politiewagen volgden door een buitenwijk, "al dat blauw op straat." 
Toen we op een parkeerplaats waren aangekomen, klopte een agente op mijn raam. Ze lachte lief. Ik lachte zo lief mogelijk terug, terwijl ik het raampje naar beneden draaide. "Zal ik even uitstappen?", vroeg ik.
"Wat u wil", zei ze, "u mag ook blijven zitten."
"Ik stap wel even uit", zei ik. Achterliggende gedachte: hoe meer frisse lucht hoe beter.
"Aan het verhuizen?" vroeg ze, terwijl ze op de verhuisdozen wees die op mijn achterbank stonden.
"Mwoh, paar verhuisdozen opgehaald", zei ik vriendelijk. Ik dacht: wat heb jij daarmee te maken bitch!? Dat ik mijn vieze ongewassen auto tevens als bergruimte gebruik?
"En waar komt de reis vandaan?"
"Tiel", zei ik naar waarheid.
"Zo zo. Mag ik uw rijbewijs zien? En uw autopapieren?"
"Jazekers", zei ik en overhandigde met trillende handen de documenten. Man, ik was keinerveus.
"Hier staat dat u uit Amsterdam komt."
"Dat klopt", zei ik.
"Zodadelijk terug naar Amsterdam?"
"Jazeker", zei ik, "maar eerst nog even langs Rotterdam."
"Nou nou, dat is een hele reis."
"Mwoh", zei ik. En maakte mijn sigaret uit. De peuk stak in mijn achterzak, want voor je het weet krijg je een boete voor het illegaal storten van afval. Je moet uitkijken met die gasten.
"Heeft u gedronken?" vroeg de agente.
"Nee", zei ik. Vrij resoluut. Hoewel mijn stem trilde als een grasspriet bij 6 op Richter. Enerzijds sprak ik de waarheid, anderzijds loog ik. Maar dit was noch de tijd noch de plaats voor filosofische bespiegelingen over wat de waarde van waarheid was.
"Heeft u er bezwaar tegen als mijn collega even een blaastest afneemt?"
Ze bleef maar glimlachen, die troela.
"Nee hoor", zei ik, met een even grote glimlach terug. Altijd aardig blijven. Dat is het beste. Net doen alsof je dom bent. Dan kun je daarna in noodgevallen nog andere kanten op.
De mannelijke collega van de agente stond te hannessen met een blaasapparaat.
Ik bracht mijn mond er enthousiast naartoe, "zal ik?" vroeg ik.
"Nee, wacht", zei de man, "hij is nog niet opgestart."
"Oude apparatuur", glimlachte de troela, "binnenkort krijgen we nieuwe."
"Fijn", zei ik met een smile.
We waren voorwaar een koude psychologische oorlog aan het voeren, die geuniformde snol en ik.
Die zij zou gaan winnen, dat wist ze ook wel. Ze voelde het in al haar voegen.
Als de cowboys in Once upon a time in the West stonden we elkaar kapot te grijnzen, terwijl haar mannelijke collega het wapen prepareerde.
"Hij is opgestart!" riep ie na een paar minuten.
"Mooi!" zei ik, en blies. Overdreven lang. Tot de man zei: "ja ja, stop nu maar."
Ik deed niet alvast mijn handen op mijn rug, om de handboeien om te laten doen. Integendeel. Ik bleef vrolijk kijken naar de agente.
Zij keek vrolijk terug.
Je reinste poker.
"Het is okay", zei de man na lang twijfelen, "de P van Prima."
Het gezicht van de agente betrok. Ze keek weg.
Het mijne niet. Ik had een smile van oor tot oor, wenste de agenten nog een fijne dag. En stapte weer in mijn Volvo, waar L. bibberend zat te wachten.
"En?" vroeg ze.
"Niets aan de hand", zei ik, "we mogen doorrijden."

Achteraf vermoed ik dat het apparaat kapot was. Of ik heb gewoon een superlever, dat kan ook. Ik bedoel, ik drink sowieso al mijn halve leven per dag twee keer zoveel als een normale lever kan afbreken, en ik functioneer ondertussen volkomen normaal. Dus wie weet.
We reden door naar Rhoon, naar het kerkje met de begraafplaats.
"Eerst even wat horeca", zei ik, toen we er aankwamen en de auto hadden geparkeerd, "ik ben helemaal nerveus geworden van die kutpolitie."
Tegenover de kerk zat gelukkig, naar goed gebruik, een kroeg. Die open was: Het Wapen van Rhoon. Ik bestelde een Palmbier. Let op: ik drink nooit als ik nog moet rijden, of althans niet te veel, maar die geintjes met restalcohol vind ik gewoon vals. Dan is het niet eerlijk meer. Als ik opsta en ik voel mezelf nuchter, dan ben ik ook nuchter. Vind ik. Herboren. Schone lei. Zo voel ik het tenminste.

Nadat ik de Palm ophad liet ik L. achter in het cafe, en liep richting de begraafplaats.
"Blijf je lang weg?" had L. gevraagd.
"Weet ik niet", had ik gezegd, "misschien moet ik wel een tijdje zoeken, want ik weet niet meer precies waar ze ligt."
Eerst passeerde ik het kerkje:

IMG_20110306_162920 

Terwijl ik er om een paar minuten over half 5 langs liep en een shaggie draaide, begonnen de klokken te luiden. Lang te luiden. Bepaald geen enkele klokslag ten teken van het halve uur, want die hadden we net gehad.
'Wat een toeval', dacht ik, en vooral: 'wat mooi'. De zon straalde. Ik voelde me helemaal op de plek van bestemming.
Ik kwam aan bij het hek van de begraafplaats:

IMG_20110306_165043 

De foto van het hek nam ik nog niet. Dat kwam pas later. Ik had nog maar 1% batterij en wilde 'm sparen.
Ik zocht me, op z'n Rotterdams gezegd, de pleuris naar het graf. Maar kon het niet vinden. De zon verdween ondertussen achter een laaghangende wolk, Ik meende me te herinneren dat ze ergens aan de rechterkant lag, maar zeker weten deed ik het niet. Ik ging alle stenen af, las alle namen. Net toen ik de hoop al bijna had opgegeven, 3 shaggies verder, ontdekte ik in een zijpaadje haar steen.
Tranen in mijn ogen, direct. Ik ga hier geen close-up foto plaatsen, want op de een of andere manier vind ik dat, wat is het woord? niet kies, maar bij dezen eentje van een afstandje:

IMG_20110306_164753 

Potverdorie. Wat zeg je als je bij een graf staat? Ik wist niet zo goed waar ik moest beginnen. Ik probeerde het ijs te breken door op te merken dat ik wist dat ze niet zo hield van shagrokers. Shag vond ze ordinair. Zij was meer van de siga
retten.
Daar stond ik.
Ze zei niks terug.
"Ja sorry, ik weet ook niet zo goed wat ik moet zeggen", zei ik.
"Lieve tekst op de steen", zei ik, "Met een roos. Heeft Aad goed gekozen."
Stilte.
"O., ja! Sorry, ik had rozen willen kopen. Maar het is erbij ingeschoten. Gedonder met de politie. Lang verhaal. Enfin, misschien heb je het allemaal wel gezien."
Stilte.
Ik wierp haar een kushandje toe.
Stilte.
"Ik mis je", zei ik.
En toen brak de zon weer door. Plotseling. Opeens kwam ie onder die lage wolk vandaan.
"Nou ja!" zei ik, "ben jij dat?"
Stilte.
Ik zei iets over een boek. En over schrijven.
De zon bleef, net als de stilte.
"Ik ben blij dat ik je gevonden heb", zei ik, "het was even zoeken."

Daarna heb ik nog een kushandje gedaan. En heb afscheid genomen. Foto's gemaakt en nog een keer afscheid genomen.
Nog 1 kushandje. Nog een laatste foto van een afstand.
"Tot over 5 jaar."
Nog een laatste kushandje.
Ik liep het hek weer door. Nam een foto van het 'gedenk te sterven'. Prompt na de opname kapte mijn telefoon ermee, en schakelde zich vanzelf uit.
"Nou ja!" riep ik.
Prompt daarna begonnen opnieuw de klokken te luiden.
"Nou ja!!!" riep ik.
En de zon, ze bleef maar schijnen.

"En?" vroeg L., toen ik terug was in het Wapen van Rhoon, "kunnen vinden? Was het mooi?"
"Een bijna religieuze ervaring", zei ik.

Dat laatste vatte mijn weekend wel samen.