Een vrijdag in Tiel

Eigenlijk doe ik op dit moment nog niet zo veel met facebook. Anderjaar geleden een keertje een account aangemaakt en in de loop van de tijd zo'n 300 vrienden verzameld, maar persoonlijk een update geven van mijn activiteiten ('status') doe ik eerlijk gezegd nooit of nauwelijks. Temeer daar ik op facebook onder mijn eigen naam opereer, en dat ligt toch net iets gevoeliger dan onder een pseudoniem zoals ik dat bijvoorbeeld op dit weblog voer. Ik bedoel, ik vermoed dat mijn werkgever (een detacheringsbedrijf) het niet al te lollig zou vinden als mijn werkelijke naam voor potentiele opdrachtgevers rechtstreeks te googlen zou zijn middels bijvoorbeeld de zoekterm 'ik haat mijn werk', 'fulltime kutbaan', of 'stevige pils'. En vice versa. Vooral vice versa.

Vandaar dat ik het op facebook rustig aan doe. Wat niet wegneemt dat ik wel degelijk dagelijks even naar het leven van mijn virtuele 300 vrienden klik. En zo kwam ik erachter dat Dennis V., de voormalige gitarist van ons oude bandje Turn Left, afgelopen vrijdag een afscheidsconcert zou geven met een van zijn zoveelste nieuwe bandjes. Naam van de band: 'Die Captain Madmen Gruppe'. Repertoire: Covers.
Jezus, dacht ik in eerste instantie, covers. Een coverband. Dat klonk alsof ie de handdoek in de ring had gegooid. De hoop definitief had opgegeven om nog eens een keertje wereldberoemd te worden, al was het maar in Nederland. Jammer, want Dennis is de beste gitarist van Tiel van zijn generatie, daar zijn vriend en vijand het over eens. Zingen kan ie ook fantastisch, en bovendien geweldige nummers schrijven op de koop toe. Een rotkop heeft ie ook al niet, dus niks zou een doorbraak en eclatant succes in de weg hoeven staan. Hoewel je uiteraard altijd op je quivive moet zijn wanneer zo iemand beschikt over een kinderrijk gezin, een welbemeten rijtjeshuis en een baan bij de belastingdienst.

Maar goed, om een lang verhaal kort te maken, ik kon de verleiding niet weerstaan en besloot afgelopen vrijdag, op mijn vrije dag, al vroeg af te reizen naar het hart van de Betuwe om mijn persoonlijke favoriete gitarist weer eens live te zien optreden.
Onderweg in de trein van Amsterdam naar Tiel probeerde ik mijn beste vriend over te halen om ook te komen. Maar hij kon niet. Ook mijn zusje kon niet. Ik smste nog een aantal andere vrienden uit 03446. No luck.
Waar ben ik aan begonnen? dacht ik bij mezelf, toen ik uitstapte op Tiel Centraal. Het miezerde, de zon was net ondergegaan, en ook in de stationsrestauratie werden de lampen gedoofd. Forenzen spoedden zich huiswaarts, op naar de 'erpels', de warme prak.
Hoe nu? Ik had nog bijna 3 uur te vullen voordat Dennis met zijn band om 21.00 zou beginnen in cafe Jilzz op het Plein.

Ik aanvaardde de voettocht richting het Tielse centrum, door de Stationsstraat langs de oude begraafplaats (waar op een aantal grafstenen na alle zerken geruimd bleken, sinds wanneer is dat?), piste tegen een muur in een oprijlaantje naast een advocatenkantoor (de Sprinter tussen Utrecht en Tiel heeft geen toiletten), wierp even later mijn geleegde halve literblik Albert Heijnpils in de prullenbak bij de bankjes tegenover de Oliemolenwal, liep de voornaamste winkelstraat (de Waterstraat) in en stak in de inmiddels stromende regen een sigaret op.
De Waterstraat was kil en verlaten. En met name nat. What's in a name. Glimmende klinkers en kasseien. Druipende winkelpuien, verzopen putdeksels, dat werk.
Bij de enige bioscoop die Tiel rijk is, parkeerden twee tienermeisjes hun fiets, waarschijnlijk om the Black Swan te gaan zien. Die draaide er, zag ik. Er reed een jongen voorbij op een brommer. "Hoereh!" riep hij vluchtig tegen de meisjes, waarna hij doorscheurde tot ie was verdwenen achter de einder, oftewel de Blokker.
Daarna was het weer stil, koud en donker.
Het centrum van Tiel on a Fridaynight.

Ik stiefelde door naar het eerste de beste cafe dat open zou zijn. Rookcafe wilde ik eerst zeggen, maar dat hoeft niet in Tiel. In Tiel is zo'n beetje elk cafe rookcafe.
Ik monsterde aan bij de Hexagon. Een Grand Cafe, met het plan om eens lekker een stukje dagboek te gaan schrijven aan een verlaten tafeltje.
Niet zo moeilijk zou je zeggen, als er maar 3 man achter de bar zitten en de rest van de zaak leeg is. Maar dat is buiten Tiel gerekend.
"Sven!" riep 1 van de 3 mannen toen ik aan de bar een pils bestelde, "wat doe jij nou hier! Helemaal vanuit Amsterdam!?"
"Ik ga vanavond Dennis kijken", zei ik.
"Speelt Dennis vanavond?", zei de man, die ik inmiddels herkende als zijnde Henk van Z., de frontman/zanger van de legendarische Tielse band Urf Rund en Rukvet.
"Ja, afscheidsconcert", zei ik, "van Die Captain Madmen Gruppe".
"Ha ha!", zei Henk, "ik wist niet eens dat die nog bestonden! Daar speelt trouwens Nick, onze bassist, ook in! Pils?"
Henk wachtte mijn antwoord niet af, en liet de barman een rondje tappen op zijn rekening.
Dus ik aanschuiven aan de bar. Je moet wel. Niet dat dat erg was. Integendeel.
"Hoe is het nou?" vroeg Henk, "met je dichten en alles?"
"Z'n gangetje", zei ik, "pils?"
Want ik had 'm inmiddels alweer op, net als Henk. Drinken in Tiel gaat snel.
"Ja!", zei Henk, en riep naar de barman om nog een rondje voor de zaak. "Op mijn rekening!"
"Maar", zei ik, met een wapperend tientje in mijn hand.
"Geen sprake van", zei Henk, "ik betaal!"
"En hoe gaat het met jou?" vroeg ik, nadat er verse pilsjes voor onze neus waren geplant, "nog veel optredens?"
"Ook z'n gangetje", zei Henk, "alleen heb ik sinds die laatste hartaanval iets minder energie. Pils?"

Het was een mooi gesprek. Henk vertelde na een hoop pils dat ie eigenlijk niet meer zo goed wist waarover ie nog nieuwe nummers moest schrijven.
"Sven, ik heb eigenlijk alles al geschreven."
"Zo moet je niet denken", zei ik.
"Ja maar Jezus", zei Henk, "ik ben 53. Waar moet ik dan over schrijven, ouder worden?"
"Bijvoorbeeld", zei ik.
"Ik heb er wel eens over gedacht", zei Henk, "en ik heb ook wel al een paar zinnen. Zoals: 'Hier sta ik/met hagelwitte tanden/in mijn handen.' Of eentje over verstopte aderen, maar godverdomme.., ik weet het niet…"
"Het klinkt geweldig", zei ik. En ik meende het. Ik zag het helemaal voor me. De zanger van de Tielse oerhit "Ik ben een beest, altijd geweest" die zichzelf relativeert, het leek me een culthit in de dop.
"Hmmm. Ik weet het niet", zei Henk, "Pils?"
"Altijd", zei ik, naar goed Tiels gebruik.

Niet lang daarna ging Henk naar huis, want hij moest nog eten bij moeder de vrouw, en was eigenlijk al veel te laat zei ie, en ik, ik zette het gesprek aan de bar voort met de man aan mijn andere zijde. Een geboren en getogen Tielenaar. Hij begon over dat Tiel Tiel niet meer was. "Die Turken, okay, daar zitten nog wel een paar goeie tussen, maar voor de rest, die buitenlanders… Pils?"
"Sorry", zei ik, "ik moet 'm peren, Dennis begint zo."

Ik verliet de Hexagon en liep naar de snackbar Take Five in de Weerstraat om een broodnodige hamburger te scoren. Ik was zo blauw als een tientje, niet normaal. En had zin in een vette bek. Maar daar waar vroeger de ouwe vertrouwde 150 kilo-zware oom van onze voormalige bassist Thijs achter de toonbank had gestaan, stond nu een Japans gezin.
De zaak was leeg. De Japanse kinderen zaten videospelletjes te spelen op het megascherm dat ooit bedoeld moet zijn geweest voor wedstrijden van het Nederlands elftal.
"Wil oe ies bestallah?" vroeg een vrouw met stokjes in heur haar.
Ik wilde een grap maken over sushi, maar slik
te 'm in. Ik bestelde zo normaal mogelijk een hamburger.
"Ein Hamburger bitte", rolde er uit mijn mond.
Godverdomme, ik was echt kanonzat.

Ik kreeg mijn hamburger. En kwam na verorbering weer enigszins tot mijn positieven. Op naar cafe Jilzz, op naar Die Captain Madmen Gruppe, het gebeuren waarvoor ik naar Tiel was gekomen in the first place.
Ik begroette Dennis.
"Wat voor muziek is dat eigenlijk, die Captain Madmen Gruppe", vroeg ik, "welke covers doe je?"
"Van alles", zei Dennis, "Deep Purple, Led Zeppelin, Bad Compagny, The Cream, volgens mij ga jij het wel leuk vinden."
"Heb je je wahwah bij je?" vroeg ik.
"Ik heb maar 1 pedaal bij me", zei Dennis. Hij wees naar zijn cry-baby op de planken.
"Say no more", zei ik, ik was op slag in elke vezel van mijn gestel gelukkig.
Bij voorbaat.

"Ben je nog bezig met nieuwe dingen?" vroeg ik aan Dennis.
"Jazekers", zei ie, "ik ben een Status Quo-coverband begonnen."
"Jeuzus", zei ik. Want een coverband is tot daarentoe. Maar Status Quo is wel heel erg, enfin, Status Quo.
"Ik snap wat je denkt" zei Dennis, 'maar we staan wel binnenkort in een uitverkocht Gelredome!"
"Huh?" zei ik, "hoe kan dat nou!"
"In de pauze van Vitesse-PSV. Gaaf man! Ze spelen daar altijd bij een goal een deuntje van Status Quo. Dus ik een mailtje gestuurd. Ik dacht: daar hoor ik nooit meer iets van, maar kijk aan! Binnenkort staan we er dus! Voor 50.000 man!"
"Godverdomme", zei ik, "dat zeggen er je niet veel na!"
Dennis, hij is voorwaar geen debiel.

En hij ging flink los, afgelopen vrijdag. Man, ik heb zelden in mijn leven zulke lekkere versies gehoord van Black Night (Purple), maar vooral niet van Little Wing (normaal een van de saaiste covers van Hendrix), White Room en Sunshine of your Love (beiden Cream). Stuk voor stuk compleet verwahwahed. Mijn lievelingsgeluid. Als iemand weet hoe ie met een wahwah om moet gaan, dan is het Dennis wel. Amateurs trappen een kat op zijn staart, Dennis krijgt de wolf zijn kloten tussen de deur, zoals ik ooit al eens eerder heb geschreven.
Dennis zijn voet op een cry-baby is: Janken als een cirkelzaag, huilen als een Tielenaar en tegelijkertijd wenen als bloemen met een stem.

Dat is ook waar ik het met zijn vrouw over had, vlak voor het optreden.
"Ben je hier helemaal uit Amsterdam!?" vroeg ze.
"Ik hou van zijn geluid", zei ik.
"Goed dat je dat zegt", zei ze, "Dennis is altijd alleen maar bezig met zijn geluid."
Ik vroeg hoe het met de kinderen was. En of ze nog altijd woonden in het rijtjeshuis. Zijn vrouw stak een verse sigaret op, en bestelde 2 pils.
"Het liefst zou ik in een boerderijtje wonen", zei ze daarna, "maar we hebben geen haast. En jij? Hoe gaat het met het dichten? Heb je al een bundel? Of een roman?"
Ik nam de pils in ontvangst en stak ook een sigaret op. "Goed", zei ik, "ik heb ook geen haast."
Dennis gaf ondertussen een waanzinnige solo weg.
"Haast is ook nergens goed voor", besloten we.
"Schilderen?" vroeg ik.
"Doe ik niks meer mee", zei zijn vrouw, "komt misschien later wel weer."

Later komt nooit. Dat wisten we ook wel. Maar het is prettig om te weten dat het eventueel toch kan. We keken naar Dennis. Hij speelde de sterren van de hemel, de zaal plat.
Stervensdruk was het in cafe Jilzz, op een vrijdagavond in Tiel. Er kon geen muis meer bij. Ik filmde een van mijn favoriete nummers met mijn fonkelverse smartphone. Ik was niet de enige. Het wemelde van de mobieltjes in de lucht.

Terwijl ik in de allerlaatste trein vanuit Tiel terug naar Amsterdam zat, sms-te mijn beste vriend. Ik stond op dat moment al een kwartiertje stil in een weiland, vlak voor Geldermalsen.
"Was het wat?" vroeg ie.
"Het was geweldig", sms-te ik, "maar momenteel maak ik me over andere dingen zorgen."
"Hoezo?"
"De machinist meldt net dat ie 'geen geldige rijrichting' heeft, sms-te ik terug.
'Huh? Spoor gaat toch maar 1 kant op?'
"Weer iets nieuws van de NS blijkbaar', sms-te ik, 'vers excuus'.
'Zeldzaam, die NS! Maar dat wordt dus niet slapen in Amsterdam! Moet ik je komen halen? Ik heb nog pilzz!'
'Ik wacht nog even af. De conductrice zegt nu over de intercom dat we niet moet schrikken als het donker wordt, want ze gaan de trein nu proberen te rebooten'
'Re-watte?'
'Opnieuw opstarten.'
'Control Alt Delete, haha!'
'Het werkt geloof ik wel, we zijn weer in beweging!'

Erg comfortabel verliep de reis vervolgens niet. We hebben nog diverse malen even diverse veelvouden van minuten stilgestaan, roken was er niet bij, en pissen al evenmin (kutSprinters), maar we kwamen er wel: Utrecht Centraal. Aldaar uiteraard net de aansluiting met de nachttrein naar Amsterdam gemist, en een uur wachten op het koude perron.

Ik piste in een hoek van de wachtruimte, stak een sigaret op, en bepeinsde: het leven is geweldig, maar je moet wel zelf de slingers jatten.
In de nachttrein had een Spaans stelletje dat tegenover me zat in de vierzitter, hoogoplopende ruzie. Ik mijn app inschakelen voor translaten, om de jongen van goedbedoeld advies te voorzien. Bleek nergens voor nodig. Ze waren gewoon Nederlands. Geintje. Dolletje, om te kijken hoe medepassagiers zouden reageren. Studenten psychologie. Heel grappig.
Toen ik arriveerde op Amsterdam Centraal en de Fietsenflat betrad bleek mijn bloedeigenachterlichtje van mijn bloedeigen rijwiel te zijn gestolen.
'Welke hork doet zulks nou?' dacht ik. Maar maakte me niet te sappel. Ik plugde mijn voorlichtje in, want dat is tenslotte het enige waar de politie in een fuik op kan controleren, en reed huiswaarts.

"Was het leuk in Tiel?" vroeg L., die nog wakker bleek.
"Jazekers", grijnsde ik.

 

 

Advertisements

De letter O

Afgelopen vrijdag was ik met L. in het Van Goghmuseum om een tentoonstelling te zien van Picasso. De jonge Picasso welteverstaan, de jaren waarin hij onder andere zijn beroemde blauwe periode doormaakte, alsmede zijn roze. Blauw en roze. De kleur van jongens respectievelijk die van meisjes. Picasso was voor zover ik weet op en top hetero, maar in zijn kleurkeuze was hij bepaald niet vies van een beetje androgyniteit.

Er stond een flinke rij voor de kassa van het museum. Niet dat ons dat iets kon schelen, integendeel, want wij hebben een museumjaarkaart, en mochten gevoeglijk de rij skippen en rechtstreeks doorsteken naar de detectiepoortjes waar onze abonnementen gescand konden worden. Er stond een ouwe knakker in uniform bij de poortjes. Hij was zichtbaar aan zijn pensioen toe; met afwezige blik nam hij zuchtend onze kaarten in ontvangst, haalde ze routinieus door een apparaat, en nadat het lampje op groen was gesprongen mochten we doorlopen.

Van de tentoonstelling zal ik hier verder niet uitgebreid verslag doen. Iedereen kent Picasso. Dat is het nadeel van als je ouder wordt. Toen ik nog jong was daarentegen, en voor het eerst Picasso's zag, schreef ik die avond opgewonden in mijn dagboek: "Die Picasso lijkt me een geil ventje, op bijna elk schilderij staan blote tieten!"
Ach ja, de frisse blik van de jeugd. Das war einmal. Deze keer ging ik eigenlijk voornamelijk voor het gratis ballet dat alleen op vrijdagavonden werd uitgevoerd, en dat was geinspireerd op/uitgevoerd werd tenmidden van het werk van de meester, middels een choreografie van de bijna net zo beroemde Krisztina de Châtel.
Ballet, zul je misschien denken, is Sven soms een homo? Nee, ik ben geen homo. Wel kan ik tegenwoordig soms oprecht genieten van ballet. Dat is dan weer het voordeel van als je ouder wordt.

Anyway. L. en ik waren vrij snel door de tentoonstelling heen. Zo snel dat we nog ruim een uur hadden te doden voor het ballet zou beginnen. Hoe dat uur beter te besteden dan door een paar pils te pakken in het inpandige restaurant?
Zo gedacht, zo gedaan.
"Hebben jullie wellicht ook een rookruimte?" vroeg ik aan de kassiere van het zelfsbedieningsetablissement.
"Wat denkt u zelf", repliceerde ze. Met de blik van een 17-jarige, die evengoed ook al hard toe leek aan haar pensioen.
Ik nam aan dat ze met haar antwoord een 'nee' bedoelde. Dus ik me verontschuldigen bij L. Ik ging even het gebouw uit, twee shaggies tegelijk roken, en sjeesde daarna weer de rij voorbij naarbinnen. Bij de detectie-poortjes overhandigde ik mijn museumjaarkaart aan een nieuwe portier, die zijn oude collega blijkbaar net had afgelost.
Het was een enthousiaste goser. Een jonge donkere jongen met twee rijen fluoriserende witte tanden, die hij bij iedere bezoeker blinkend bloot grijnsde. Deze man hield van zijn vak, dat kon je zien.
Helaas nam hij het tevens zeer serieus. Terwijl hij mijn museumjaarkaart in een van zijn kolenschoppen hield, nam hij me op van top tot teen.
Wat hij zag was een jongen zonder jas, in een zwaar verwassen beige trui. Een trui die in de loop der jaren was gaan lijken op een Jezushemd. Een Jezushemd met vage sporen van wijn- koffie- en dierlijke vetten-vlekken, dat bovendien wemelde van de brandgaatjes.
Het is mijn favoriete trui.
De enthousiaste jongen vertrouwde het echter niet helemaal. Hij hield mijn kaart tegen het licht.
"Is er iets mis met de kaart?" vroeg ik.
De enthousiaste jongen verborg zijn vanzelfsprekende smile nu achter een strenge verbeten streepjesmond.
"Wat is uw naam?" vroeg hij.
"Hoezo", zei ik naief, "die staat toch op de kaart?"
"Wat is uw NAAM!" herhaalde hij.
Ik noemde mijn naam.
"En uw geboortedatum?", vroeg de voorheen zo enthousiaste jongen.
"14 mei 1969", zei ik, "maar hoezo is dat belangrijk? Dat staat toch ook op de kaart? Jezus, ik was alleen maar even buiten een sigaret roken!"
"Ik ben bang dat ik u helaas niet kan toelaten", zei de jongen.
"Hoezo niet!?"
"Uw geslacht staat niet op deze kaart", zei de jongen, "of althans, ik raak er een beetje van in de war."
"Mijn watte?" vroeg ik, bang als ik werd van die laatste opmerking zijnerzijds. Hoe kun je nu in de war raken van een geslachtsvermelding? Stond er soms een afbeelding van mijn penis op die kaart, en zo ja, hoe kwamen ze daar nu weer aan?
"Uw sekse", zei de jongen, "normaal staat er op de kaart een M of een V, zodat wij kunnen controleren of de kaart niet wordt misbruikt, door bijvoorbeeld een familielid. Maar bij u staat er geen emmetje of veetje."
"Wat staat er dan?" vroeg ik.
"Een O", zei de jongen.
"Een O?"
"Een O", zei de jongen, "en ik weet niet wat dat betekent."
Ik wist het plotseling wel. Het kwartje viel. Waarschijnlijk was ik ooit, bij de oorspronkelijke aanvraag, jaren geleden, vergeten in te vullen wat mijn geslacht was. Nog nooit had er ook maar 1 iemand moeilijk over gedaan. Maar nu dus wel.
"Ik denk dat O staat voor onzijdig", zei ik.
"Ha ha!", lachte de jongen, "dat noem ik nou nog eens vindingrijk! Ik zou u bijna doorlaten!"
"Maar?"
"Maar dat kan ik natuurlijk niet!"
Achter me had zich inmiddels een rij gevormd. En naarmate de tijd verstreek ging in de rij het mompelen over in morren.
"Hoezo niet?" vroeg ik, "Jezus, mijn vriendin zit boven te wachten!"
"Omdat ik uw geslacht niet kan achterhalen", zei de bureaucraat.
"Moet ik soms mijn lul laten zien? Is dat het?" vroeg ik, en greep naar de ritssluiting in mijn kruis, bereid tot het overgaan van actie.
De rij internationale toeristen achter me wendde beleefd het hoofd af. Blijkbaar snapten ze ondanks de taalachterstand wel degelijk wat er aan de hand was. Of wellicht dachten ze gewoon dat ik een ordinaire potloodventer was, dat kan ook.
"Nee, nee, dat hoeft nu ook weer niet", zei de jongen, "heeft u misschien een officieel legitimatie-document bij u?"
Ik overhandigde hem mijn rijbewijs.
"Hier staat een M", zei ie.
"Precies", zei ik.
"Maar op uw museumjaarkaart staat een O!"
"Dus?"
"Dus ik wens u een prettige voortzetting, nogmaals welkom in ons museum!"
Hij lachte zijn rijen bloot.

Nu vielen er twee kwartjes. Ik snapte 'm. Ik begreep 'm volledig. Respect.
Het kan voorwaar geen kwaad om de lol er een beetje in te houden.
Als portier.

 

 

Smartphone

Er is een tijd geweest waarin ik behoorde tot de groep van zogeheten 'Early Adopters'. Dat is een marketingterm voor mensen die altijd als een van de eersten gebruik maken van nieuwe technologische ontwikkelingen. Wat overigens meestal neerkomt op het aanschaffen van zinloze produkten, met talloze kinderziektes, voor bovendien veel te veel geld.
Iets voor ambitieuze onwetende debielen kortom, oftewel de jeugd.

Zo was ik een van de eerste jongens op mijn lagere school die in het bezit kwam van een quartzhorloge. Wat de belangrijkste voordelen waren van dit revolutionaire Japanse produkt ten opzichte van zijn ouderwetse Zwitserse equivalent? Welnu:
1. De tijd werd digitaal weergegeven, in plaats van analoog. Modern horizontaal in plaats van zo gedateerd als een cirkelvormige zonnewijzer uit de Oudheid.
2. Op elk heel uur klonk er een bliepje. Heel nuttig. Dat je er bijvoorbeeld om 10 uur aan werd herinnerd dat het nu precies 10 uur was. Gedurende de nacht was het bliepje echter minder lollig. Net als tijdens trouwplechtigheden en begrafenissen. Vonden volwassenen.
3. Er zat een knopje op waarmee je een lichtje over het display kon laten schijnen, voor als je in het donker wilde weten hoe laat het was, en er bijvoorbeeld geen lantaarnpalen in de buurt waren. Altijd handig. Voor als je in de woestijn bent ofzo.
4. En dit was het allergrootste voordeel: Je kon er een alarm mee instellen. En belangrijker: daarbij een muziekje uitkiezen dat op het geprogrammeerde tijdstip zou worden afgespeeld. Wakker worden met de vijfde van Beethoven in enkelvoudige digitale bliepjes, mijn hele generatie is er groot mee geworden.
En wat nog het mooiste was: met kerstmis werd als alarmmuziekje door het horloge automatisch Jingle-Bells gespeeld, en op je verjaardag Happy Birthday. Op het schoolplein deden wij die lente dus wekenlang weinig anders dan het verzetten van de datum naar 25 december, of naar die van je verjaardag, en het instellen van het alarm op 1 minuut vanaf nu. Lachen.

Maar heeft het zin gehad? Wat het een nuttige ontwikkeling? Ik geloof niet dat er nu nog ook maar 1 iemand op de aarde met een quartzhorloge rondloopt. Praktisch iedereen is weer teruggegaan naar het ouwe vertrouwde Zwitserse model; de ronde analoge polsklok.
Tegenwoordig al dan niet met aqua dieptemeter. Altijd handig voor als je onder water zit, tijdens een tsunami ofzo.

Enfin, na het quartzhorloge was ik een van de eersten in mijn omgeving met een walkman, een (herinnert u zich deze nog nog nog:) zonneklep en een Commodore 64.
Dat was de laatste. De laatste ontwikkeling, het laatste produkt waaraan ik heb meegedaan als Early Adopter.
Want niet lang daarna werd ik achttien, ging ik studeren, en had ik geen geld meer voor technologische geintjes. Temeer daar ik was begonnen met het voeren van diepgaande gesprekken over het leven, en navenant met roken en kroegen bezoeken, en dat was ook in die tijd al niet goedkoop.

Ik leefde op een kamer van 3 bij 5, zonder douche, zonder WC zelfs. Pissen deed ik in de wasbak, poepen in cafe Wildschut om de hoek. Af en toe kon ik in bad op de onderliggende etage van mijn tante, die mijn hospita was, en anders ging ik gewoon zwemmen in het Zuiderbad. Ik had, dat spreekt, ook geen telefoon, laat staan een mobiele (bestond nog niet). Mooie tijd. Als ik in contact wilde komen met een mij bekende medemens liep ik naar de telefooncel op het Roelof Hartplein, en belde het rijtje nummers af dat ik uit mijn kop kende.
Dat functioneerde wonderbaarlijk goed. Een op de drie avonden kreeg ik iemand te pakken. De avonden waarop ik niemand kreeg, leerde ik nieuwe mensen kennen in de kroeg.

"Neem nou godverdomme eens een keer telefoon in huis, lul!", riep mijn beste vriend regelmatig.
"Een aansluiting kost 263 gulden", zei ik dan, "en dan heb ik het nog niet over de abonnementskosten".

Toen ik eenmaal wel een telefoon had riep mijn beste vriend: "Neem nou godverdomme eens een keer een antwoordapparaat, lul!"
"Een antwoordapparaat kost 72,50", zei ik, "daar kan je 39 pils voor drinken in de Stoof."
"Touche", zei mijn beste vriend, "weet je wat, ik geef je er eentje cadeau voor je volgende verjaardag."
Which he did.

Mijn beste vriend is een Early Adopter bij uitstek. Hij zat geloof ik bij de eerste 10 mensen in Nederland met een mobiele telefoon. Destijds zo'n reuze-apparaat waarvoor je bijkans een rolkoffer nodig had.
"Enorm handig", zei ie, terwijl we een Jordanese kroeg binnen liepen.
"Hoezo?" vroeg ik, terwijl hij zijn mobiele telefooncel naast zich posteerde over de breedte van twee stoelen.
"Omdat ik nu dus met jou kan drinken. Geen gezeik thuis, omdat ze weet dat ik altijd bereikbaar ben, en dus niet zomaar een ander wijf kan gaan lopen te wippen."
"De techniek staat voor niets", zei ik.
"Dat bedoel ik", zei mijn beste vriend, "pils?"

We zitten nu 20 jaar later. Mijn beste vriend is inmiddels uitvoerend directeur van een middelgroot bedrijf. Geld als water. En nog steeds een early adopter. En hij maakt zich regelmatig kwaad omdat ik nog steeds een walkman heb, en geen i-pod, hij gruwelt ervan dat ik LP's prefereer boven CD's, maar bovenal vindt hij het vreselijk dat ik geen i-phone heb.
"Wat moet ik met een i-phone?" vroeg ik een paar jaar geleden.
"Het is de toekomst", zei mijn beste vriend.
"Toekomst?"
"Apple. Helemaal terug. En alles zonder toetsen."
"Maar ik hou van toetsen."
"Toetsen zijn voor homo's. Echt jongen, Apple gaat het weer worden."
"Wat kan je ermee wat ik nu niet kan?" vroeg ik met mijn ouderwetse Sony Ericson-mobieltje in de aanslag.
"Apps downloaden", zei mijn beste vriend.
"Apps?"
"Applicaties."
"Wat voor applicaties?"
"Nou deze bijvoorbeeld, die is echt lachen." Mijn beste vriend liet zien hoe hij met zijn mobieltje net kon doen alsof hij een glas bier leeg dronk, want op het display verscheen inderdaad een leegstromend bierglas dat precies in de hoek stond van zijn hand.
"Of deze", zei ie, terwijl ie een korte schokkende beweging maakte met zijn telefoon. Er klonk waarempel een zippo-achtige aansteker-klik.
"Dat is wel leuk inderdaad", zei ik, "hoeveel kost zo'n i-phone?"
"Slechts 800 euro", zei mijn beste vriend.
Right. Ik wist mezelf er nog net van te weerhouden om 'm voor te rekenen dat we daar hier ruim 360 vaasjes van konden laten tappen.

Maar hij bleef de afgelopen jaren aanhouden. Ik moest en zou een i-phone kopen.
Afgelopen vrijdag was het zover. De kat had het snoertje van de oplader van mijn ouwe mobieltje na jaren eindelijk doorgeknauwd gekregen, en dus zat er niks anders op dan naar de Vodaphone-shop te gaan om zonder scrupules een smartphone aan te schaffen.
Die bleek inmiddels een stuk goedkoper dan 800 euro. Voor slechts 229 bijbetaling kon ik een i-phone krijgen bij mijn lopende abonnement. Maar het kon ook gratis. Alleen had ik dan geen i-phone, maar een andere smartphone, een HTC nogwat.
"Met uw bel- en sms-gedrag raad ik u deze aan", zei de verkoper, "het is een hardloper binnen ons assortiment."
Een hardloper. Dat klonk goed. "Zit er ook navigatie op?" vroeg ik. De enige nuttige app die ik bij een smartphone kon verzinnen.
"Jazeker", zei de verkoper.
Dus ik die HTC aanschaffen. Voor noppes. Dat was nog eens een goeie deal.

Ik sms-te het goede nieuws naar mijn beste vriend.
"Ik heb een smarthone, ik ben weer van deze tijd!"
"I-feun?" sms-te ie hoopvol terug.
"HTC. Goedkoop! Gratis zelfs!"
"Homo!"
Altijd van de directe, mijn beste vriend.

De volgende dag moesten
L. en ik op een adres in het centrum van Den Haag zijn. De ANWB-routeplanner op onze vaste compter kwam er niet uit, dus een routebeschrijving uitprinten was er niet bij.
"Geen probleem", zei ik tegen L., "ik heb een navigatie-systeem op mijn nieuwe smartphone, laten we gaan rijden."

Tot zover ik de weg nog uit mijn hoofd wist ging het allemaal goed. Tot het centrum. Daarna werd het een drama. Wat het probleem was: er stonden paaltjes op de weg. "Rechtdoor", zei de vrouwenstem van het navigatiesysteem.
"Gaat niet", zei ik terug, "er staan paaltjes".
"Rechtdoor", volhardde ze.
Ik sloeg noodgedwongen linksaf.
Na honderd meter eigenwijsheid mijnerzijds herpakte de vrouwenstem zich gelukkig, en veranderde haar aanbevolen route. Die echter na anderhalve kilometer omzwervingen, en diverse binnenstedelijke files, opnieuw naar de paaltjes bleek te leiden.
Daar stonden we weer. Voor dezelfde paaltjes. Inmiddels ruim een half uur te laat.
"Rechtdoor", zei de doodkalme vrouwenstem.
"Jezus trut!", schreeuwde ik, "kijk nou zelf! Dat gaat toch niet! Leer godverdomme eens kaartlezen! Denk nou eens na!"
"Rechtdoor", herhaalde ze ijzig.
"Ik haat je, ik haat je, ik haat je!" riep ik.
Ze zei niks meer terug, want inmiddels was de batterij op.

Uiteindelijk heb ik ouderwets op de zon de richting bepaald waar we volgens mij naartoe moesten.
En we zijn er gekomen.

Ik geloof dat ik dat ben geworden in de loop van de tijd. Oude waarden. Natuurlijke normen. Fuck de moderne techniek.
Wat niet wegneemt dat ik het nu al twee morgens lang, net als de kat, enorm grappig vind om middels mijn smartphone gewekt te worden met het alarmgeluid van een kukelekuende haan.
 

 

Thor

Yes! Het is zover! Ik ben oom! Van Thor! Zo hebben mijn broertje en zijn vrouw hem genoemd. Ik vind het een geweldige naam. Heel toepasselijk ook. Thor is de Germaanse god van de donder, en zoals jullie weten stormt het al dagen sinds mijn neefje ter wereld is gekomen. Hij is geboren op een donderdag bovendien, en als klap op de vuurpijl is mijn neefje net als zijn goddelijke voorganger flink uit de kluiten gewassen. 54 centimeter lang en 9 pond zwaar. De grootste en zwaarste van de complete verloskunde-afdeling in het LUMC, waar mijn tengere schoonzusje nu al een paar dagen ligt bij te komen van de bevalling.
Maar misschien wel het mooiste is dat de grootste hobby van de god Thor de volgende was: schransen en enorm veel drinken. En aangezien ik zelf ook niet vies ben van een stevig bacchanaal, zie ik het dus ontzettend zitten met dat neefje van mij. Dat wordt later gegarandeerd een gezellige boel.

Ik sms-te mijn beste vriend. "Ik ben oom geworden!"
"Nee!!!! Echt!??????" sms-te ie terug.
"Ja!", tikte ik in met mijn duim, "van Thor!"
"Huh? Ruud van Nistelrooij?"
"Nee, niet 'Van Tor', maar van Thor! Thor is de naam van mijn nieuwe neefje!"
Drie seconden later ringelde mijn mobieltje. Een inkomend gesprek. Het was mijn beste vriend. Blijkbaar was deze gebeurtenis belangrijk genoeg om het sms-en het sms-en te laten en in het echt te bellen.
"Hushovd!" riep mijn beste vriend toen ik opnam.
Hij verwees daarmee naar de bekende Noorse wielrenner Thor Hoshovd; een van de beste sprinters op aarde, en tevens de grootste en zwaarste renner uit het profpeloton. Mijn beste vriend en ik, wij zijn nogal van de sport. Kijken bedoel ik dan he. Sport kijken.
"Dat kun je wel zeggen", zei ik, "het is een stevige jongen."
"Hoe zwaar?"
"Negen pond."
"Jezus!" riep mijn beste vriend, "dan is ie nu al bijna zwaarder dan z'n vader!" Een grap die veel collega's van mijn broertje later ook schijnen te hebben gemaakt.
"Ha ha!" zei ik.
We klepten een tijdje.
Aan het eind van het gesprek vroeg mijn beste vriend of ik al een pils had gedronken op mijn nieuwe neefje.
"Uiteraard", zei ik, "en jij? Heb jij al een pils achter de kiezen?"
"Wa-da-je-wat!", riep ie op zijn Tiels, "ik ben zo dronken als een tor!"
Nadat we waren uitgelachen vroeg ie of ik al wel een Ajax-shirtje had gekocht voor de baby.
"Wa-da-je-wat!", zei ik.

Het was waar. Ik had inderdaad een paar dagen daarvoor tijdens mijn lunchpauze de Ajax-shop onder de Amsterdam ArenA bezocht. En een shirt gekocht met Ajax-embleem. Inclusief de ietwat obligate print: 'A new star is born'.
Ach ja, de commercie, dacht ik.
Eigenlijk had ik Ajax-slabbetjes willen kopen, want ik dacht: dat shirt trekken ze die baby waarschijnlijk nooit aan. Slabbetjes daarentegen, dat zou iets kunnen zijn waar zelfs mijn broertje en mijn schoonzus, die elke aanstondse activiteit tot in de kleinste details heel modern plannen middels Excelsheets, misschien nog niet aan hadden gedacht. Ik geef toe: een longshot, maar slabbetjes zouden ze wellicht over het hoofd hebben gezien. Want slabbetjes zijn totaal niet meer van deze tijd. Alleen het woord al. Slabbetje. Evolutionair volstrekt kansloos. Terwijl ze an sich toch verrekte handig zijn. Dunkte mij.

Helaas kon ik de slabbetjes niet vinden. Ik vroeg het aan een verkoper in de Ajax-shop: "Ik had op jullie site gezien dat jullie via de webshop ook Ajax-slabbetjes verkopen", zei ik, "maar ik zie ze hier nergens liggen, klopt dat?"
"Breek me de bek niet open", zei de verkoper, "die slabbetjes lopen als een tierelier, ik ben er al weken doorheen. Ze zijn niet aan te slepen. Totaal uitverkocht. Ook op internet. Probeer het over een paar maanden nog een keer, zou ik zeggen."
"Okay", zei ik. En kocht een shirt instead.

Daarna door naar de grootste vestiging van Prenatal in Nederland. Die zit overigens naast de Ajax-shop, dus ver hoefde ik niet te lopen. Ik was op zoek naar 'zo'n trekding waar muziek uit komt', zei ik tegen een verkoopster.
"U bedoelt een muziekdoosje", zei ze.
"Ja, maar dan met een koord, en in de vorm van een pop", zei ik, "of een eend, dat mag ook, of een ander dier, maar in ieder geval met Mozarts 'eine kleine Nachtmusik', geloof ik. Of in ieder geval iets van Mozart." Ik zong het voor.
De verkoopster trok haar wenkbrauwen op.
"Het is belangrijk", zei ik. Ik wist verder ook niet veel te zeggen.
"Probeert u het eens bij het speelgoed", zei ze, "ik loop wel even met u mee."
Ter plekke lag inderdaad een muziekdoosje met een koordje eraan. Maar het was er een van het kille soort. Kaal en vierkant, lijkwit, en als je aan het touwtje trok hoorde je een gecomputeriseerde jaren 80 uitvoering van Fur Elise. Made in China. Van die afgrijselijke schoolbordkrassende nagelbliepjes die vroeger uit je eerste quartshorloge hadden geklonken en waarmee je heden ten dage in terroristengevangenissen de mensenrechten kon schenden.
"Naar wens?", vroeg de verkoopster.
"Niet naar wens", zei ik, en verliet de Prenatal.

Op naar de Intertoys op het Bijlmerplein. Dit was een verdomd lange lunchpauze aan het worden. En tijd om te eten was er niet bij.
"Een trekpop", zei ik tegen de Marokkaanse verkoopster, "met muziek, het liefst een gele eend van hard plastic, of een kuiken, verkopen jullie die?"
"Jazeker", zei ze, "alleen is het tegenwoordig geen plastic meer, maar pluche. Regels en wetten. Plastic mag niet meer. Te gevaarlijk. En we verkopen geen eenden. Of kuikens. Maar wel een schaap! Van pluche dan he! Of een koe! En een krokodil. Of een beer!"
"Dat klinkt goed", zei ik, "wat voor muziek komt eruit?"
"Dat weet ik niet precies uit mijn hoofd", zei ze, "daarvoor kunt u het beste even aan de touwtjes trekken. Wacht, ik loop even met u mee."
De verkoopster trok een koordje uit de forse reet van een koe.
Getingel en getangel. Helder en zuiver. Niet onaangenaam. Rustgevend. Ik las de achterflap van het bijbehorende etiket.
'Thee-muziek' stond erop.
"Dat is niks", zei ik.
De verkoopster trok de krokodil aan zijn staart. Zelfde verhaal.
"Dat is ook niks", zei ik.
De verkoopster zuchtte; "probeert u ze anders zelf allemaal even", zei ze, en liep terug naar de toonbank.
Dus ik tien beesten tegelijkertijd in actie brengen. En jawel! In de kakofonie hoorde ik ergens waarempel het geluid van de eend/het kuiken waarmee zowel ikzelve als mijn zusje en mijn broertje ooit jarenlang, elke nacht, waren ingeslapen als baby.
Het was de beer! De beer die had 'm! Mozart! Geloof ik. Wat doet het er ook toe. Het was 'm. De melodie.
Dolgelukkig rekende ik af.
"Sorry dat we geen eenden hadden", zei de verkoopster, terwijl ik mijn pinpas door de gleuf haalde.
"Geen probleem!" riep ik.
Ik kon haar wel zoenen.

Op zaterdag mocht ik mijn kakelverse neefje begroeten. Vrijdag was nog voor de Oma's geweest, maar gisteren waren eindelijk de Ooms aan de beurt. Het broertje van mijn schoonzus en ikzelve stonden ingetekend voor het bezoekuur vanaf half 4. We waren allebei te vroeg voor ons ingeplande tijdstip. In de trein had ik al een sms-je van mijn broertje gekregen. Thor moest gevoed worden, het tijdstip van mijn bezoek was verplaatst naar 16.45.
'Hij bepaalt nu al het ritme!' tekste mijn broertje er verontschuldigend achteraan.
'Prima!' sms-te ik terug.
Wat te doen met de overgeschoten tijd op Leiden Centraal? Ik besloot te proberen een rookcafe te zoeken. Imme
rs, weinig doodt de tijd beter dan kansloze queestes.
Maar! En nu dwaal ik even helemaal van het onderwerp af, het ongelooflijke gebeurde. Echt, en ik heb het nu even tegen de rokers onder ons: mocht je ooit in Leiden terecht komen, dan het volgende:

Het eerste de beste cafe dat je vanuit het station meteen aan je linkerhand tegenkomt, direct na de pinautomaat van de ABNAMRO op het stationsplein, is geen Fata Morgana. Ik herhaal: Geen Fata Morgana. Okay, het is verlaten, er zit geen kip, de prijzen worden nog geetaleerd op van die oude zwarte bordjes met witte schuifletters en de ruimte is overwoekerd door jaren 70 kamerplanten en schemerlampjes, maar het is geen fantasie. Het bestaat echt:

Eigenzorg binnen 

En er wordt geschonken tegen vooroorlogse prijzen. Vrij naar het interieur. Maar belangrijker: het wemelt er van de asbakken.
Ik liep het etablissement binnen dat potentieel ruimte bood aan honderd man. "Bent u open?" vroeg ik aan de eigenares/barkeepster.
"Hoezo zou ik niet open zijn?" repliceerde ze.
"Omdat er verder niemand zit", zei ik.
"Henk zit er toch?" zei ze.
En inderdaad, er zat een oude man in onberispelijk zwart pak, met een pochet in zijn borstzak, op een van de olijfgroene lederen fauteuils.
Henk dronk een jenever. En rookte een sigaar.
"Mag ik een pils bij u bestellen?" vroeg ik voorzichtig aan de eigenares, alsof ik nog steeds niet kon geloven dat ik in de werkelijkheid verkeerde. Het had iets van Hotel California.
Maar dan dat je er wel degelijk wilt blijven.
Anyway.
"Maar natuurlijk", zei ze.

En ik kreeg mijn pils. Rookte me vervolgens te pletter. En noteerde in mijn schrift de naam van het cafe. Ik verzamel ankers. In steden die ik belangrijk vind.

De naam ga ik niet noemen, hoewel ie mooi is, maar ik wil ze niet in de problemen brengen. De naam is een letterlijk equivalent/synoniem van 'zelfhulp', laat ik het daarop houden. De gevel geel, de bar bruin, maar vooral een pleisterplek voor de nostalgischen onder ons, waarvan er steeds meer de lul zijn.

Terwijl ik er zat bedacht ik hoe mooi het zou zijn om ter plekke naar oud gebruik een sigaar te roken met de kersverse vader, mijn broertje, die om de hoek in het LUMC bivakkeerde.
Tegelijkertijk besefte ik dat het zinloze mijmeringen waren. Ik trok mijn jas aan. Het was 16.38. Bijna tijd om Thor te bezoeken.

Ik trotseerde de storm, liep naar het LUMC, en begroette op de 13e etage mijn broer. Hij had een kotsvlek op de rug van zijn T-shirt. 'Slabbetjes', dacht ik, 'had ik maar slabbetjes gehad'.
En toen zag ik Thor.
Sprekend.
Maar dan ook letterlijk sprekend. 2 druppels water, etc, enz. Krek.
De foto van mijn broertje. In zijn wieg. Januari 1978.

Oom!