Uitvaart

Afgelopen donderdag at ik bij mijn moeder in Tiel omdat ik later die avond een Appelpopvergadering had.
"Hoefde je vanavond nergens op te treden?" vroeg mijn moeder, "het is toch Nationale Gedichtendag?"
"Nee", zei ik. En dat klopte. Voor het eerst sinds het bestaan daarvan was ik door geen enkel evenement uitgenodigd.
We namen een hap spruitjes.
"Hoe gaat het met het regelen van Oma's uitvaart?" vroeg ik.
"Gekkenhuis", zei mijn moeder, "we moeten nog ontzettend veel doen. Nu we het daar toch over hebben: Zou jij een van de dragers willen zijn van de kist?"

Wow! Drager! Dat was ik nog nooit geweest!
"Natuurlijk!" riep ik.
"Weet je het zeker?" vroeg mijn moeder.
"Uiteraard! Het is me een eer!"
"Mooi", knikte mijn moeder, "en dan nog iets. Wij hadden bedacht dat het wel aardig zou zijn als jij een gedicht voordraagt bij het graf."
"Een gedicht?"
"Een gedicht."
"Wat voor gedicht?"
"Kies maar iets. Maar het liefst niet iets uit de gids met de 100 populairste rouwgedichten. Dus niet te cliche."
"Waar moet het over gaan?"
"Doe maar iets over een Oma. Of over een sterke vrouw, dat mag ook. Of heel iets anders. Kijk maar. Je hoeft het dus niet per se zelf te schrijven he? Kies maar gewoon iets van een bekende dichter."
Daar was ik mooi mee gefeliciteerd, met die opdracht. Ik had nog precies 1 dag om een geschikt gedicht uit te zoeken. De begrafenis zou al zijn op zaterdagochtend vroeg.

Die vrijdag begon ermee dat ik uit bed werd gebeld door mijn nicht. Of ik een goeie tekst wist voor op het lint aan het bloemenboeket van ons, de kleinkinderen.
"Doe maar iets", zei ik, "kijk maar. Ik heb het druk. Ik moet nog een gedicht uitzoeken voor bij het graf."
Nadat ik de slaap uit mijn ogen had gewreven, voelde ik plotseling dat ik ziek was. Duizelig van de koorts. Ook dat nog.
Met een wollige kop slingerde ik op mijn fiets naar de dichtstbijzijnde boekhandel, Hoogstins op de Kinkerstraat, want ik had van iemand een tip gekregen dat de voor de VSB-prijs genomineerde weduwe van Kees Ouwens een mooie bundel had geschreven waarin veel gedichten over Oma's voorkwamen.
Bij Hoogstins stonden om precies te zijn 5 bundeltjes poezie in de schappen. Waaronder eentje van Nico Dijkshoorn, eentje van Krijn Peter Hesselink (yes, een Festina-dichter!, maar dat terzijde) en voor de rest 3 vertaalde buitenlanders. Kansloos.
Ik op de fiets door naar Scheltema. De ijzige wind deed mijn koorts nog verder oplopen, kreunend van de koppijn liep ik de winkel binnen, griste de bundel uit de schappen, rekende af en keerde weder huiswaarts. Aldaar stortte ik mijzelve te bedde, en vroeg L. een kopje thee te zetten.
De 100 pagina's tellende bundel van de weduwe bevatte inderdaad veel gedichten over een Oma. Dat was het goede nieuws. Het slechte was dat ze geen van allen geschikt waren voor bij een graf. Te prozaisch, te speels, te zeer 'dat kan mijn kleine nichtje van 7 ook schrijven'.
Arme, arme ik.
Iets zoeken op internet bleek ook vrij hopeloze zaak. Zat gedichten te vinden, vooral over Oma's, maar allemaal geschreven door amateurs en van dito niveau.
De dikke van Komrij dan maar. De laatste 500 pagina's doorgeworsteld, maar niks.
De bloemlezing 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat': zelfde verhaal.
Bundels uit mijn prive-collectie van Campert, Herzberg, Kopland, etc, enz: nada, noppes.
Geen enkele bekende dichter dicht over Oma's. En zelfs niet over sterke vrouwen.
L. zocht ondertussen parallel.
En inderdaad, ja, Symborska. Die wel. L. had een schitterend gedicht gevonden van de Poolse Nobelprijswinnares, met de titel 'Vrouwenportret'. Waarvan de inhoud de lading voor 90% dekte. Als klap op de buurpijl kwam het motto van mijn Oma's rouwkaart erin terug; 'Ik voel me gedragen'. Maar helaas, die andere 10% deden het gedicht als potentiele kandidaat om aan een graf te worden voorgelezen, de das om. Ik bedoel, ik kan me niet voorstellen dat mijn Oma voor haar huwelijk stevig in het rond heeft geneukt.

En zo was het elke keer wel wat. Ik geloof niet dat er een dag in mijn leven is geweest dat ik zoveel poezie heb gelezen als afgelopen vrijdag. Laat staan met zoveel koorts en koppijn.
En dan voelt het als een nederlaag als een van je 2 voornaamste kandidaten toch een gedicht van Toon Hermans is. Maar je moet het de man nageven: Literatuur is het misschien niet, maar hij kan soms 8 eenvoudige regels lang, honderd procent raak zitten.
Aan de andere kant: als het om het raak zitten qua mijn Oma zou gaan, had ik misschien beter toch zelf iets kunnen schrijven. Was wel zo gemakkelijk geweest. Maar daarvoor was het nu te laat.

Om 8 uur 's avonds belde ik mijn moeder.
Ze nam pas op nadat de telefoon tig keer was overgegaan.
"Sorry, ik was in slaap gevallen", zei ze, "maar hoe staat het, heb je iets kunnen vinden?"
"Moeilijk", zei ik, "misschien. Ik heb er twee, jullie mogen kiezen. Ik zet ze wel even op de mail. Schrik niet, er zit er eentje van Toon bij."
Een half uur later belde mijn moeder terug.
""En?" vroeg ik.
"Ja, nee", zei mijn moeder, "W. vond die van Toon Hermans meteen geweldig, omdat Oma daar zo gek op was, maar ik vind die te simpel. Ik vind die van Joke van Leeuwen veel mooier. Die is echt prachtig. En niet cliche. Dus het wordt Joke van Leeuwen."
L's vondst.
"Prima", zei ik, "kun jij 'm dan even uitprinten en morgenochtend meenemen, want mijn eigen printer is naar de kloten."
"Ik hoop dat ik eraan denk", zei mijn moeder, "want ik moet ook mijn hele eigen toespraak nog schrijven."

Een begrafenis voorbereiden is stressier dan je denkt en kost enorm veel tijd. Ik weet het nog van vorig jaar. Je vraagt je soms af hoe de mensen dat vroeger deden.
Maar ja, toen hoefden ze misschien ook niet per se:
– een luxe oldtimer Daimler, waarin de kist van de overledene in optocht langs haar voormalige woonhuis op de Mozartstraat in Arnhem wordt gereden, waarbij een man in uniform plechtig voor de rouwstoet van auto's uitloopt (wel mooi hoor, en de buurt was vantevoren op de hoogte gesteld)
– vervolgens een herdenkingsdienst in een pitoresk kerkje naast de kazerne van Schaarsbergen
– daarna een graf op de officieel mooiste begraafplaats van Nederland (Rheden)
– aansluitend een receptie met 3 luĆ«roodjes per persoon (voorbeeldje: kleine bruine sesampanini met gerookte zalm op een bedje van rucola, met sprieten rode biet, partjes wortel, afgemaakt met goeie olijfolie en een vleugje mosterd) en personeel dat rondliep met rekjes reageerbuisjes waarin 5 centiliter Ossenstaartsoep werd geserveerd (omdat dat de soep was die mijn Oma altijd op haar verjaardag maakte), en volop goede wijnen
– een familiewandeling over de flanken van de Posbank op de Veluwe
– en ten slotte een diner in hotel/restaurant De Roskam

Mijn familie maakt sowieso altijd een hoop werk van begrafenissen, maar voor mijn Oma was werkelijk alles uit de kast getrokken. Zo werd de herdenkingsdienst in het kerkje te Schaarsbergen niet geleid door de eerste de beste Janlul, maar door een theoloog uit onze eigen familie. De zoon van de broer van mijn Oma. De neef van mijn moeder en haar zussen.
Hij had er flink wat tijd ingestoken, dat kon je merken.
Waar hij vorige week zondag, tijdens de familiebijeenkomst, zijn ontzag voor het gezin van mijn Oma en haar man Jan (de eerste promovendus in de familie) tegenover mijn moeder en haar zussen nog jolig had omschreven als: "Ach ja, Nederland in die dagen! Je had in onze ogen de koningin, de regering, en daarna kwamen jullie!", ging hij nu een stuk plechtiger en uitgebreider i
n op het hele verhaal. Hij zette nog net niet de stellingen van mijn Opa's proefschrift uiteen (hoewel hij het ter voorbereiding van de dienst wel weer eens had doorgelezen – 'ik begreep er geen bal van, die man was veel te intelligent'), maar liet geen moment onbenut om de loftrompet te laten schallen. Eerst over mijn Opa, daarna over mijn Oma, over wie het vandaag dus eigenlijk moest gaan, en daarna over het pad dat zij samen hadden bereid, vooral in religieuze zin. Het spoor dat ze hadden gelegd. Dat van 'de vrijmoedige, ja misschien mag ik zelfs wel zeggen vrijzinnige' invulling van het geloof.

Ik zal er niet te lang over doorgaan. Dat heeft hij al gedaan. Want Jezus, wat kunnen gelovigen breed in hun stof zitten. Ik moet eerlijk toegeven dat ik blij was toen de dienst, hoe mooi ie ook begon met de persoonlijke invullingen van mijn diverse echte naaste familieleden, voorbij was. Eenmaal buiten de kerk vroeg mijn zusje zich met een onaangestoken sigaret in de hand af of het wel gepast zou zijn om er nu een op te steken, terwijl de bloemstukken nog op de kist in de rouwauto werden gelegd.
"Dat denk ik niet", zei ik, "maar laten we het toch maar doen."
Met mijn nichtje A. verscholen we ons achter een rijtje geparkeerde auto's en zetten de hens in onze Marlboro's.
Twee minuten later moesten we weer plaatsnemen in een van de auto's, richting de begraafplaats in Rheden.
Onderweg oefende ik op de voordracht van het gedicht van Joke van Leeuwen.
"Het lijkt me geen gemakkelijk gedicht om voor te dragen", zei mijn zusje, "qua metrum."
"Breek me de bek niet open", zei ik.

Bij aankomst op de begraafplaats, 20 minuten later, had ik het enigszins onder de knie.
Eenmaal uit de auto probeerde ik opnieuw een sigaret te roken, maar ik kreeg geen kans. De dragers werden geroepen. Snel deed ik de zwarte handschoenen van mijn zusje aan. Ook zoiets. Mag je eindelijk een keertje drager zijn, ontdek je dat het stervenskoud is, en dat je enkel knalrode handschoenen bij je hebt.
"Je mag de mijne wel" had mijn zusje gezegd, "maar dan moet je wel zorgen dat je met rechts mag dragen, want in de linker zitten gaten, en dat is ook geen gezicht."

Ik mocht met rechts dragen. Aan de andere kant van de kist liep mijn broertje. We hadden het gemakkelijk. De kist stond op een karretje. En wij, we liepen in het midden. Rheden is een heuvelachtige begraafplaats. De twee mannen voor ons moesten goed kunnen sturen, de twee achter ons vreselijk hard duwen. Terwijl we de kist een schelpachtigpad op lootsten kwam mijn nicht naast me lopen. "Ik hoorde dat je moeite hebt gehad met het uitzoeken van een goed gedicht", zei ze.
"Dat kun je wel zeggen", zei ik, "maar het is toch gelukt."
"Ik heb hier een gedicht dat volgens mij ontzettend van toepassing is", zei mijn nicht, "zou je dat niet willen voorlezen?"
Kom je nu mee, dacht ik, terwijl ik de kist niet van de kar probeerde te laten stuiteren.
Ik trachtte het te lezen, zonder per ongeluk mijn Oma over een ander graf heen te kieperen.
Eerlijk gezegd vond ik het niet veel soeps. Het was een bekend gedicht van een bekende buitenlandse dichter. Maar verder niks bijzonders.
"Vind je het goed als ik het toch maar hou bij Joke van Leeuwen?" vroeg ik.
Mijn nichts gezicht betrok.
Tot ze een oplossing zag. Haar gezicht klaarde weer op: "en als ik het nou zelf voorlees? Na jouw gedicht?" vroeg ze.
"Dat lijkt me een prima idee", zei ik.

Ik ken mijn nicht wel een beetje. Deze Oma was haar favoriete Oma. Waar ze een heel diepe band mee had. En er was haar zichtbaar veel aan gelegen om bij alles de laatste te zijn. Dat had ik al eerder opgemerkt. Bij het sluiten van de kist had ze mijn Oma als laatste over haar haren gestreken, en als laatste de pin aangedraaid van de/het deksel. In de kerk had ze als laatste van de naaste familie een toespraak gehouden, en als laatste gezongen. En het was mischien ook wel mooi als ze dan als laatste een gedicht deed bij het graf.

Met de zes mannen lieten tilden we de kist met mijn Oma van de kar. We maakten een draai, balanceerden over de ijzeren randen rondom de uitgegraven kuil, zakten door onze knieen en plaatsten de kist op de daartoe bestemde draagbanden boven het gat.
Ik droeg het gedicht voor.
Mijn nicht het hare.
Daarna nog olv de dienstleider met de meute het 'Onze Vader', vervolgens bloemblaadjes strooien, en dat was het dan. Op naar de Roskam, broodjes eten en wijn zuipen.

En zoals gezegd na de receptie de boswandeling met de familie. Ik kwam al snel te lopen naast de dienstleider, de theoloog, de neef van mijn moeder en haar zussen.
Ik had na die paar drankjes geen zin meer in smalltalk. Laat ik een directe vraag stellen, dacht ik.
"Vond je het eng om te doen?" vroeg ik, "deze dienst?"
"Ik vond het spannender dan ik had verwacht", zei de man.
Daarna kwam ik er niet meer tussen. De complete familiegeschiedenis kwam voorbij. Maar niet op de manier waarop ik had gehoopt. Alles bleef maar geplaatst worden in een religieuze context. En telkens als ik aan een vraag begon om het gesprek in een meer door mij gewenste richting te wenden (welke maakte me niet zoveel uit, als het maar een andere was), dan nam ie een paar extra grote passen, en deed net alsof ie me niet had gehoord, om als ik 'm weer had bijgehaald, door te gaan met zijn monoloog.

Tot we bij een opmerkelijk kunstwerk aankwamen. Middenop een heuvel, 30 meter verderop in de hei, lag een levensechte etalagepop met een kerstmuts op. Het was een vrouw, volgens mij. Ze lag bewegingsloos op haar rug, had haar knieen opgetrokken en balde twee vuisten richting de hemel.
"Jeetje", zei ik tegen de dienstleider, "wat is dit? Wat een raar kunstwerk op deze plek."
"Niks van aantrekken", zei de dienstleider, "gewoon doorlopen."

Drie minuten later kwamen we de man van mijn nicht, D., tegen. Hij liep ons tegemoet vanuit de tegengestelde richting. "Ligt E. daar nog steeds?" vroeg ie.
Het kwartje viel.
"Was dat E.?" vroeg ik.
"Had ze een kerstmuts op?" vroeg D.
"Ja", zei ik.
"Dan was dat E.", zei D., "ze ligt te mediteren."
"In die kou? Op die bevroren grond?" vroeg ik.
"Je kent E.", zei D.
Dat was waar. Maar ik moet eerlijk toegeven dat ik in al die 41 jaar dat ik haar ken, zoiets nog nooit met haar had meegemaakt.

Enfin. 10 minuten later was E. weer opgestaan en voegde zich gewoon onder de onzen, deed weer volkomen normaal. Sterker nog, ze vond het 'surrealistisch' dat ik in mijn pak met stropdas door de bossen heen liep. Daar moest ze een foto van nemen.
Misschien was ze stoned. En wellicht op dat moment van nature.

Wat zal ik er van zeggen? Misschien dat een beetje leven in de tent nooit kwaad kan, ik weet het niet.

Tijdens het afsluitende diner zat ik bij de tweede gang tegenover A., de vrouw van de dienstleider. Over A. doen binnen de familie allerlei wilde verhalen de ronde. Met name over het gegeven dat ze de fles niet kan laten staan. Dus dat vond ik wel interessant.
En inderdaad, ze was ogenschijnlijk weer zo lam als een tor. Toch heb ik haar gisteravond amper zien drinken. Van onze tafel deed ze het langst over haar glas wijn. Nou schijnt het dat ze van het type is dat haar shampooflessen vult met wodka, oftewel een stiekeme drinker is, maar voor een alcoholiste die al de hele avond wankelde op haar poten, kwam ze nu verdomde goed uit haar woorden. Ze vroeg me naar het gedicht van Joke van Leeuwen. Ze wilde het graag nalezen. Ik gaf haar mijn A4tje ("hou maar"), dat mijn moeder die nacht daarvoor had uitgeprint.
Ze las het, vond het schitterend, en wilde het graag veiligstellen, en opbergen in haar tas, di
e 2 tafels verderop stond.
Which she did. En daar waar ze eerder nog wankelde, liep ze nu in een rechte lijn. Zat ze nou gewoon de boel te faken? dacht ik. Is ze in werkelijkheid gewoon een brave moeder die net doet alsof ze on the wild side leeft?
Vragen, vragen.

Op dat moment seinde mijn zusje dat het tijd was om buiten een sigaretje te doen. De dienstleider kwam ons achterna.
Ah nee he, dacht ik nog, gaat ie ons vertellen dat het onverstandig is om te roken?
Het tegendeel bleek het geval. "Ik rook normaal altijd sigaartjes", zei ie, "maar die heb ik niet bij me. Mag ik een sigaretje van jullie bietsen?"

Ik gaf hem een Marlboro. Hij begon weer een monoloog. Maar dit keer een leukere. Hij had nu duidelijk wat wijntjes achter de kiezen. Hij vertelde over zijn jeugd. Dat ie altijd al dominee had willen worden.
"O ja?", vroegen mijn zusje en ik uit beleefdheid.
Ngaah, Ngaah! lachtte hij. Een vreemde lach, ik geef het toe. Waarom mijn zusje en ik dan weer moesten lachen.
Dat brak het ijs definitief. Nu ging ie los. Nu ging ie iets opbiechten waarvoor ie zich eigenlijk schaamde.
Hij nam een trek van zijn sigaret en zei met Rotterdamse tongval: "Ja joh! Wisten jullie dat ik vroeger altijd 'kerkje' wilde spelen?"
"Kerkje spelen?"
"Ja joh! Dat was wat! Serieueus! Echt waar joh! Dat had ik dan gezien van Godfried Bomans he? Die maakte een keer in een TV-programma, ik zal het nooit vergeten, die maakte een keer in een TV-programma vanuit z'n knieen zo'n rondje, zo rond z'n as, en dan kwam ie steeds verder omhoog, net alsof ie in de kerk de kansel opliep, echt serieus waar hooar! Dat zag er goed uit joh! En ik dacht bij mijn eige: dat ken ik ook!"
"En toen?"
"Nou, toen moesten jullie moeder en haar zussen eraan geloven he? Ik kwam daar elk weekend over de vloer, en ik wilde altijd 'kerkje' spelen, net zoals andere kinderen 'winkeltje' wilde spelen, of 'vader en moedertje'. Maar ik dus 'kerkje', en zij moesten dan naar mij luisteren. Leuk joh! Ngaah! Ngaah!"
Mijn zusje en ik grinnikten maar weer eens. Om zijn vreemde lach.
"Ja joh, Ngaah! Ik zal het nooit vergeten, Ngaah, Ngaah!"

We drukten onze sigaretten uit in de ronde ton die daarvoor bestemd was. De dienstleider probeerde dat ook met zijn peuk, maar tastte mis met zijn dronken kop. Zijn peuk viel op de tegels. Hij kon een vloek tenauwernood onderdrukken. En vertikte het vervolgens om 'm op te rapen.
Hij zei iets over de lieve heer, geloof ik. Dat die wel zou zorgen dat die peuk goed terecht zou komen, en dat het verder niet aan hemzelf was. Of zoiets.
Het geloof heeft wat dat betreft voor hem blijkbaar een hoop aan pragmatisme gewonnen, sinds mijn Opa en Oma dat vrijzinnige spoor hebben aangelegd.

Wat zal ik zeggen? Van mij had de avond nog uren voort mogen duren. Ik hou van de momenten vanaf waar de mensen uit het lood gaan staan.
Dronken worden.
Eerlijk zijn.

Maar juist op dat moment moesten we pleite. Iedereen ging weg. En het hotel/restaurant stroomde vol met andere bezoekers.
Dat vond ik jammer.
We werden uiteindelijk door een zoon van de dienstleider naar station Ede-Wageningen gebracht. We moesten er een hoop Rotterdamse humor voor ondergaan.
"Hij heeft al twee maanden zijn rijbewijs, dus maak je geen zorgen. Hij heeft bovendien heel veel lessen gehad, want hij is wel zes keer gezakt voor zijn examen", etc.

Enfin, je kent het wel. De voordehandliggende geintjes.
Heel lief dat M. ons bracht, en hij reed voorbeeldig, maar ik miste het ware familiegevoel van vroeger. Ik snapte niet dat iedereen zo snel ie kon, de pleiterik maakte.
Ik miste bij de aanwezigen de behoefte minimaal 24 uur samen te zijn. Om door te drinken, door te praten, en vervolgens samen te slapen. Desnoods in het betreffende hotel waar we zaten.
Samen slapen, ook al is het op verschillende kamers, is namelijk wezenlijk verschillend van op bezoek.

Zo voelde het gisteren. Op bezoek. En eigenlijk al jaren, sinds het huis van mijn Oma aan de Mozartstraat verkocht is.
Gisteren waren we op bezoek in Arnhem.
Terwijl het vroeger een soort van thuiskomen was.
 

Advertisements

Mater Familias

Twee weken geleden, op een maandagavond, sms-te mijn moeder: "Het gaat niet goed met Oma". Ze bedoelde de Oma die haar moeder is. De 93-jarige demente Oma uit Arnhem die al jaren in een verzorgingstehuis in Amsterdam Buitenveldert ligt.
"Acuut?" sms-te ik terug.
Het duurde nogal lang voor ik een antwoord kreeg. Mijn moeder gebruikt geen T9, want "daarvan raak ik in de war". Na 3 minuten verscheen er eindelijk een berichtje: "Moeilijk te zeggen".
Dat klonk vaag. Ik besloot het sms-en te staken, en gewoon te bellen. Ik bedoel, het schijnt dat uberhippe mensen tegenwoordig weer de post gebruiken i.p.v. email, dus waarom zou ik niet eens ultra-modern doen, door met mijn mobieltje een daadwerkelijk gesprek in gang te zetten?
"Wat is er aan de hand?" vroeg ik.
Mijn moeder vertelde dat mijn Oma een beginnende longontsteking had, dat de antibiotica tot twee maal toe al niet was aangeslagen, dat de koorts niet meer over zou gaan, en dat de artsen er over dachten om morfine te gaan toedienen.

Iedereen weet dat morfine 99 van de 100 keer het onomkeerbare einde betekent. "Wat vind jij?" vroeg ik aan mijn moeder.
"Daar willen we nog even mee wachten", zei mijn moeder, die met 'we' zichzelf en haar 2 zussen bedoelde, "want ze heeft op dit moment niet echt pijn ofzo."

De volgende dag, op dinsdag, ging ik langs het verpleegtehuis. Mijn moeder en haar twee zussen zaten rond het bed van mijn Oma.
Mijn Oma zag er niet slecht uit. Een licht kleurtje op haar wangen en voor de rest lag ze een beetje te doezelen. We voelden haar voorhoofd. De koorts leek ons vrij minimaal.
Een kwartiertje later verscheen ook mijn nicht. En nog een kwartiertje later de arts.
"Zo", zei de arts, "we gaan eens eventjes kijken hoe het gaat met mevrouw."
Ze verrichte wat handelingen aan het lichaam van mijn Oma en nam daarna plaats op een stoel. Ze sloeg een map open met recente medische informatie over mijn Oma en zuchtte. "Het ziet er niet best uit", zei ze, "u kunt het zelf ook zien aan mevrouw. Ze is onrustig, en ze heeft nog altijd koorts. Ik ben bang u te moeten meedelen dat het stervensproces zich heeft ingezet. De beslissing is aan u natuurlijk, maar ik denk dat we er toch over moeten gaan denken om eventueel morfine te gaan toedienen."
Op dat moment aaide mijn nicht mijn Oma over haar wang. Deze laatste sloeg haar ogen open en toverde een brede glimlach tevoorschijn. Daarna maakte haar mond de bewegingen als die van een klein vogeltje met honger. Mijn nicht pakte een bakje met appelmoes, en voerde haar dat lepeltje voor lepeltje.
"Volgens mij gaat het niet zo slecht", zei iemand.
De arts krabbelde zich achter haar oor. "Tsja", zei ze.
"Weet u 100% zeker dat het stervensproces is ingezet? Kan het niet nog goedkomen?" vroeg een tante, die over een paar weken een lange verre groepsreis had gepland waarvoor ze de inentingen, visumprocedures, etc al achter de rug had.
"Ja, nee", zei de arts, "soms zie je nog een korte opleving, maar u moet echt beseffen dat het begin van het proces van het einde van haar leven is aangevangen. Maar als u nog even wilt wachten met de morfine, dan begrijp ik dat."

We hebben gewacht. En verdomd. Een paar dagen later was mijn Oma koortsvrij. Genezen. Ze at weer, ze praatte weer, en vroeg een bezoekende tante of die haar wilde meenemen naar de dagopvang, om hoe sumier dan ook, een klein avontuurtje te beleven, en weer eens wat andere muren te zien dan die van haar eigen kamer.
In onze familie werd de horlepiep gedanst, mijn tante probeerde haar geannuleerde reis weer te activeren, want die ouwe taaie had het toch maar mooi weer eens geflikt.
De artsen was het een raadsel.

Ons niet. Want mijn Oma is sowieso altijd een sterke vrouw geweest. Haar man was op jonge leeftijd overleden, en zij bleef achter met 4 dochtertjes. Heeft ze in haar eentje opgevoed. Het eerste wat ze deed was haar rijbewijs halen, een auto kopen, en met die 4 dochters naar Italie rijden. In de afdaling van de Gotthardt bleken de remmen niet optimaal te functioneren, maar ze heeft volgens de overlevering middels halsbrekende toeren, slingerend over de weg, uiteindelijk toch zonder kleerscheuren het dal weten te bereiken.
En vooral: zonder in paniek te raken. Mijn Oma achter het stuur is: een zelfverzekerde, kordate, bijna stoicijnse kop met een sigaret erin, waaraan steevast een centimeterslange askegel bungelde.
Die askegel bungelde ook altijd aan haar sigaret wanneer ze aan het koken was. Dan had ze in de ene hand een fles Chianti, in de andere een pollepel, en in haar mond een Miss Blanche (op latere leeftijd een Roxy Dual).
Mooie vrouw. Een vrouw naar mijn hart.

Een vrouw met een groot hart ook. Heel vergevingsgezind. Toen een van haar dochters op 19 jarige leeftijd per ongeluk en ongetrouwd zwanger was geraakt zei mijn Oma niet, zoals in die tijd gebruikelijk was: "Godverdomme, wat flik je me nou!", maar "Okay. Wat voor trouwjurk wil je hebben?"
Pragmatisch dus ook, mijn Oma, en direct.
Toen mijn eigen moeder aankondigde zich met mijn vader te willen gaan verloven zei ze tegen mijn moeder: "Daar ben jij nog helemaal niet klaar voor meisje. Hallo, die man ziet je aankomen! Maar goed, hoe lang hebben we nog? Twee weken? Okay, dan ga ik je in sneltreinvaart leren koken en schoonmaken en dat soort dingen, want daar heb jij nog totaal geen kaas van gegeten."
Dat klinkt misschien niet erg geemancipeerd, maar het was een andere tijd moet je denken. Mijn Oma is die snelcursus trouwens waarschijnlijk begonnen met schoonmaken, want dat kan mijn moeder buitengewoon goed.
Sorry, beetje flauw misschien, want mijn moeder heeft later zelf heel goed leren koken, maar toen ik nog kind was en regelmatig bij mijn Oma logeerde vond ik het eten daar altijd geweldig. Thuis lustte ik bijvoorbeeld geen aardappelen. Ik lustte sowieso amper iets, maar bij mijn Oma gingen ze er achter elkaar in. Net als haar befaamde tomatensoep met ballen, of draadjesvlees met spruiten.

Het Jeugd-NK Schaken werd in die jaren altijd in Arnhem gehouden, en duurde een week. Een week waarin ik introk bij mijn Oma. Was geen straf. Integendeel. Mijn Oma was de eerste in onze familie, en uberhaupt in mijn directe omgeving, met kleurentelevisie. Wow. In een keer kon ik zien dat de zeilen van het schip van Wicky de Viking rood met wit waren, zijn helm blauw en het vest van Hagar de Verschrikkelijke oranje. Bovendien stopte mijn Oma in de week dat ik bij haar logeerde altijd tijdelijk met roken. Van het geld dat ze daarmee uitspaarde kocht ze voor ons tweetjes elke dag een gebakje.
En alsof dat allemaal nog niet fantastisch genoeg was, sloeg ze ook speciaal voor mij flesjes 'Royal Club Shandy' in. Ik weet niet of het nog bestaat. Maar het is een mengsel dat voor 80% bestaat uit 7-up en voor 20% uit bier. Oftewel 1% alcohol. En aan het eind van de avond, vlak voor het slapengaan, mocht ik net als zij 1 klein glaasje port.
Toen ik dat eenmaal had gedronken wilde ik geloof ik wel met haar trouwen.

Gisteren was ik in Utrecht. Vergadering over het NK Poetryslam bij het Poeziecircus, vlakbij de Domtoren. Terwijl ik over de Oudegracht liep kreeg ik een sms-je. Het was van mijn moeder. Yes! Zou ik Oom zijn geworden? dacht ik, want mijn schoonzus was gisteren uitgerekend. Maar het bericht was minder vrolijk. "Het gaat plotseling toch weer niet goed met Oma. Jan brengt me nu met de auto naar Amsterdam" stond er.
Jeetje.
"Klinkt niet best", sms-te ik terug, "hou me maar even op de hoogte. Ik zit in Utrecht."
De vergadering verliep.
Halverwege kreeg ik opnieuw een sms-je: "Het gaat echt niet goed. We zijn de morfine gestart. Dus het loopt nu af. Kan snel gaan, maar ook nog tijd duren."
Tijd om weer eens modern te bellen kortom.
Lang gesprek, dat ik afsl
oot met "ik kom waarschijnlijk straks nog even langs."

Om half 11 stond ik samen met nog een aantal andere mensen op de halte op het Spui in Amsterdam. Ik had haast. Ik wilde tram 1 vatten naar mijn huis, waar mijn fiets stond. Na 5 minuten kwam ie eraan. Maar reed ons straal voorbij. "Nou ja!", riepen de mensen. Ik niet. Ik was al aan het rennen. En wist de tram in te halen voordat ie de halte bij het Koningsplein bereikte. Ik stapte hijgend naar binnen en liep direct door naar de conducteur die voorin met de chauffeur stond te ouwehoeren. "Wat flikken jullie nou!", zei ik, "waarom stopten jullie niet op de vorige halte?"
"Niemand stak zijn hand uit", zei de conducteur, "dus wij dachten: doorrijden."
"Ze wilden allemaal met tram 1 mee!", riep ik, "al die mensen!"
"Wat zeur je nou", zei de conducteur, "jij hebt het toch gehaald?"

Die mentaliteit. Mijn Oma zou er niet aan moeten denken. Solidariteit, daar ging het haar ook om in het leven. Ze was links. En net als ik van GroenLinks. En vroeger van de PPR. De vrijzinnige kerkelijken. Mijn Oma was zo'n beetje de eerste gelovige in Nederland die op zondag met de trein ging. Gewoon omdat ze het onzin vond dat zulks niet zou mogen.

Om 23.00 uur kwam ik bij mijn huis aan, rende naar boven, voerde de kat, griste mijn fietslampjes van het dressoir en sjeesde weer naar beneden. Op naar Buitenveldert. Als een Lance Armstrong liet ik het enige verzet van mijn Opoe-fiets rondgaan, oftewel buitengewoon snel. Met, dat spreekt, een sigaret met bungelende askegel tussen mijn lippen.
Om 23.32 stond ik voor de automatische schuifdeuren van het verzorgingstehuis.
Ze gingen niet open.
Kut. Hoe nu? Ik had geen idee, ik was dronken van alle wijn tijdens de uitgelopen poezie-vergadering. Ik belde mijn ter plekke aanwezige moeder. Die nam op. Ik deed een telefonische siet-rep (militaire afkorting voor situatie-rapport).
"Ik lag net 2 minuten te pitten", zei ze, "maar goed dat je er bent."
Waaruit ik concludeerde dat mijn Oma nog leefde.
"Ik kom er niet in", zei ik.
"Gewoon even aanbellen", zei mijn moeder, "dan komt de nachtzuster waarschijnlijk."
Slim idee.
Ik drukte op een ding dat op een bel leek.
Het bleek een bel.
Daar was de nachtzuster.
"Ik kom voor mevrouw de Vos", zei ik.
"Bent u familie?" vroeg ze.
Domme vraag, zo midden in de nacht. What else? Haar krantenjongen? Denk na!
Maar dat zei ik niet, ik zei: "Ja."
Nooit dollen met gezag waarvan je afhankelijk bent, wanneer je in dronken toestand verkeert. En ook niet als je nuchter bent trouwens.
Ze liet me binnen. Op de gang op de eerste verdieping trad mijn moeder me op de sloffen van, naar later bleek de concierge of zoiets, en in een nachthemd van mijn Oma tegemoet.
"Hoe gaat het?" vroeg ik.
"Aflopende zaak", zei mijn moeder, "maar het is niet te zeggen hoe snel. W. (mijn tante), zit er nu bij. Die waakt van 11 tot 2. Ik ben van 2 tot 5, en J. van 5 tot 8. We slapen op een kamer hier verderop in het gebouw."
"Dus je moet nu eigenlijk pitten", zei ik.
"Mwoh", zei mijn moeder, "ik slaap denk ik toch niet veel."
We liepen naar de kamer waar mijn Oma lag.
"Ah! Sven!" riep W. die zat te waken naast haar bed, "ik dacht al, Sven, die komt nog wel! Goed dat je er bent!"

Vanaf dat moment ging het hard. Mijn Oma leek in geen velden of wegen meer op de vrouw die ze 2 weken daarvoor nog was geweest. Ze kreunde, ze leed, ze zag er niet best uit. Zwaar om te zien.
Ik aaide haar, streek haar over haar haren, wangen, hield haar handen vast, maar niks hielp. Om middernacht kwam de nachtzuster binnen. "Ze is wel erg onrustig aan het worden nu", concludeerde de nachtzuster.
Waarna mijn Oma een injectie van een stofje met een 'D' (naam vergeten) kreeg toegediend, morfine mocht pas weer om 2 uur.
"Misschien zijn er te veel mensen in deze ruimte", zei de nachtzuster, "en wordt ze daar onrustig van. Wellicht is het beter als een paar van u op de gang gaan zitten."
Mijn moeder en ik verlieten de kamer en lieten W. en mijn Oma achter.
"Wilt u koffie", vroeg de nachtzuster aan ons op de gang.
"Nee hoor", zeiden we.
Vervolgens praatte ik nog een half uurtje met mijn moeder.
Daarna is zij gaan pitten, en ben ik naar huis gefietst.

Een half uur later, om 1.30 werd ik gebeld. Het was mijn moeder. Ze zei: "Ik dacht: Sven, die is nog wel wakker."
"Dat klopt", zei ik.
Ze zei: "Oma is overleden."

De dood. Hij is niet mijn vriend. Maar wellicht dat ie het ooit wordt, je mag nooit iets uitsluiten. Ik geloof dat mijn Oma vannacht een aanbod heeft gekregen dat ze niet kon weigeren.

Vandaag zaten we met praktisch de hele familie bij elkaar in het verzorgingstehuis. Mijn Oma was opgebaard in haar kamer. Ze lag er heel mooi bij.
"Ze ziet eruit alsof ze niet meer dement is", zei iemand. Raar genoeg zag het er inderdaad zo uit. Ze zag eruit als vroeger.

Met de familie haalden we herinneringen op, dronken een drankje.
Mijn zusje, mijn nichtje A. en ik rookten af en toe een sigaret in de rookkamer(!) aan het einde van de gang.
"Dat van die fles Chianti in de ene, en die sigaret in de andere hand, deed mij denken aan mijn moeder", zei mijn nichtje A.
"We hebben het niet van een vreemde", zei ik.

93. Ik zou bijna zeggen: Waar kan ik tekenen?
Toch blijft het kut. Want met elke dode sterft er ook iets in anderen.
En met een Mater Familias tikt dat aan.

 

 

Noorderslag 2011

Sorry lieve lezers, ik ben totaal naar de kloten. Op en top gelukkig, maar desalniettemin compleet naar de vaantjes. Niet zo gek, want:

Gisteren was de 25e Noorderslag. En zo als elk jaar was ik weer bij. Mijn aanwezigheid was dit keer een prestatie op zich. Het bemachtigen van een ticket was namelijk moeilijker dan ooit. In de voorverkoop waren de kaartjes binnen 2 minuten uitverkocht, nog voor ik goed en wel de site van ticketservice had weten op te starten. Vervolgens leek een advertentie mijnerzijds op marktplaats uitkomst te bieden. Nadat ik de oproep had geplaatst werd ik al snel gebeld door een aardige meneer, die zichzelf Patrick noemde. In keurig ABN vertelde hij dat hij zelf 2 kaartjes had, maar net dat weekend op wintersport ging. Als ik wilde mocht ik ze overnemen voor de schappelijke prijs van 60 euro per stuk (in de voorverkoop kostten ze inclusief reserveringskosten 54 euro). Mijn vrienden hadden op dat moment ook nog geen kaartjes.
"Cool!" zei ik dus.
"Als je wil kan ik de kaartjes langs komen brengen", zei Patrick, "ik woon ook in Amsterdam."
"Ik zit nu op mijn werk", zei ik.
"Dan kom ik vanavond om 20.30 wel langs", zei Patrick, "ben je dan thuis?".
"Jazeker", zei ik en gaf in al mijn euforie mijn huisadres.

Een paar uur later, om 18.30, kwam ik thuis. Trok een pils open en las de Volkskrant en het Parool. Zoals altijd na de werkdag. Heel klassiek. Daarna vertelde ik tegen L. dat ik kaartjes voor Noorderslag had weten te scoren via marktplaats. Ze feliciteerde me. Maar terwijl ik haar het verhaal vertelde, begon er bij mij ineens een lampje te branden. Vorig jaar was het ook moeilijk geweest om een kaartje te scoren. En ook toen was het me via marktplaats uiteindelijk toch gelukt. Van een aardige goser uit Groningen die mijn naam kende, "jij bent toch die dichter?", had ik een ticket tegen kostprijs mogen overnemen. Op te halen bij hem thuis op de festivaldag zelve.
Dat had ik toen al best eng gevonden. Er zullen toch geen bijbedoelingen zijn van bijvoorbeeld, ik noem maar iets, homo-erotische aard? Enfin, daar heb ik vorig jaar al uitgebreid over geschreven
Maar wat ik me van vorig jaar ook plotseling herinnerde, is dat er toen ene Patrick actief was uit Amsterdam, die valse kaartjes probeerde te slijten.
"Kut!" riep ik tegen L.
"Wat?" vroeg ze.
"Ik moet even googlen."
En dat deed ik.
Na een tijdje speurwerk was mijn conclusie dat ik hier waarschijnlijk te schaften had met bovengenoemde goser. Hij had op marktplaats nog diverse andere advertenties staan voor tickets. Allemaal met als reden: "ik ben dan net op vakantie."
Hoe nu?
Over een krap kwartiertje zou die vent op de stoep staan.
Dat zette ik dan ook op twitter: "Hoe nu?"
Al snel kreeg ik een reactie van ouwe trouwe @Esther** (laatste letters heb ik even uitgesterd, uit privacy-overwegingen).
Esther kwam met het advies om de lichten uit te doen, en de deur niet open te maken, oftewel net te doen alsof ik niet thuis was.
"Ga ik doen!" twitterde ik terug.

Om stipt half 9 ging de bel. Wij hielden ons gedeisd. Vlak daarna ging mijn mobiele telefoon. Ik nam uiteraard niet op. En hoorde na anderhalve minuut een piepje ten teken dat er een voicemailbericht was.
Dat voicemailbericht wil je niet horen. Het klonk uitermate agressief. En bovendien niet meer in ABN, maar in plat Amsterdams.
Kernboodschap: "Jij gaat die tickets BETALEN, VRIEND! GOEDSCHIKS OF KWAADSCHIKS. 120 EURO! We hadden een DEAL. IS DAT DUIDELIJK? Ik kom later vanavond nog een keer langs. En anders morgen NOG EEN KEER! En OVERMORGEN. ZOLANG HET NODIG IS. Ik kan die tickets makkelijk aan iemand anders kwijt, maar voor mij is het een principe-kwestie. Jij gaat betalen. IS DAT DUIDELIJK! BETALEN!"

Patrick hield woord. Hij bleef maar bellen en voicemails inspreken. Overigens altijd vanaf een afgeschermd nummer. Ook bleef ie langskomen aan de (gesloten) deur. En tevens had hij in het telefoonboek mijn vaste lijn gevonden, waarop hij me ook continu bleef bellen en intimideren.
Voicemails sprak ie vanaf toen trouwens niet meer in vanuit de naam 'Patrick', maar als 'Peter'.
Het waren geen prettige dagen. Ik parkeerde standaard mijn auto een paar straten verderop, en verzekerde me ervan dat ik voordat ik mijn portiek instapte, niemand verdachts in mijn straat zag staan.

"Sukkel", zei mijn ex-vrouw, toen ik bij haar een pilsje kwam drinken en het verhaal vertelde. Zij is heel erg tegen alles zomaar op internet kwakken. En met name op prive-gegevens is zij heel erg zuinig. Ze heeft er verstand van moet ik toegeven. Ze is min of meer hoogleraar op het gebied van veiligheid.
Ik heb een keer via TellSell een zogeheten 'Steamdreamer' (schoonmaakapparaat) besteld, voor mezelf. Maar omdat ik toen nog geen vast adres had, heb ik 'm bij haar laten afleveren. Ik wil niet zeggen dat ze toen door het lint ging, maar grappig vond ze het allerminst. Of eigenlijk ging ze wel door het lint. En liet me plechtig beloven om zulks nooit meer te doen.
"Iets bestellen bij TellSell, bedoel je?" vroeg ik.
"Nee natuurlijk bedoel ik dat niet, GEK! Hoewel dat op zich al stom genoeg is. Maar ik bedoel aan derden MIJN PRIVE-GEGEVENS verstrekken!"

Ze had gelijk. Ik ben een sukkel. Net als die hond van Lucky Luke. Dat enthousiaste beest dat naief denkt dat in de gehele mensheid niets dan goeds schuilt, en bij iedere boef die met een getrokken pistool in zijn klauwen staat, denkt: "Die aardige meneer wil vast dat ik in zijn armen spring!"
Krek zo ben ik.
Die hond van Lucky Luke voorkomt er overigens altijd een hoop misdaden mee, maar dat is in de strips en de tekenfilm. In het echt ben je vies de lul. Zo bleek met onze vriend Patrick/Peter.

Tot vorige week woensdag. Toen ging mijn mobiel vanaf een zichtbaar 06-nummer. Ik kende het nummer niet, maar nam toch op. Ik word per dag zo vaak gebeld door nummers die ik niet ken (werk, Appelpop, poezie-organisatoren, etc), dat ik het me niet kan permitteren de telefoon continu onbeantwoord te laten.
Er klonk even een verbaasde stilte aan de andere kant van de lijn, nadat ik had opgenomen.
Kut, dacht ik, dat is waarschijnlijk Patrick/Peter. Vanaf een ontraceerbare prepaid.
"Ja, euh, met euh PETER!", zei de stem aan de andere kant van de lijn.
"Hallo", zei ik met een zo rustig mogelijke stem, terwijl mijn hartslag 230 deed.
Hij herhaalde LUID EN DUIDELIJK de kernboodschap van zijn eerdere voicemails.
Ik kapte 'm af. Ik zei met een zo vrolijk mogelijke stem: "Blij dat je belt!"
"Huh?" zei Peter.
Ik had me hierop voorbereid. Ik had erover nagedacht. "Sorry Peter", zei ik, "ik had je nummer niet!"
Wat waar was.
"Ik had je willen bellen, maar ik kon je niet bereiken."
Peter was even stil, maar herpakte zich toen en zei: "Dat kan wel so wese, maar jij gaat BETALEN, VRIEND! 120 EURO!"
"Ik ga helemaal niets betalen, want ik ga sowieso niet naar dat festival. Er is iets tussen gekomen, maar ik kon je niet bereiken."
"DAT KAN ME GEEN RUK SCHELEN, WIJ HADDEN EEN DEAL! BETALEN! IS DAT DUIDELIJK OF IS DAT DUIDELIJK?"
"Peter, moet je luisteren, ik kon je niet bereiken, ik zit in Geleen, al een week, echt, ik had je willen bellen.."
"GODVEDOMME, WAT BOEIT MIJ DAT! BETALEN! GOEDSCHIKS OF KWAADSCHIKS! BEN IK DUIDELIJK? JE…"

Het gesprek duurde bijna een half uur. Ik bleef maar herhalen dat ik zijn nummer niet had, het enige wat waar was.
Ik hield vol, dat herhalen. Herhalen is het beste. Ook herhaalde ik zijn naam: Peter. En Geleen. Geleen is ideaal.
Mijn ac
hternaam is vrij zeldzaam, maar in Geleen wonen er veel. Dat wist ik toevallig, want dat heb ik ooit, 15 jaar geleden, eens uitgezocht op mijn werk toen je nog geen internet had om de verveling te verdrijven, maar wel de digitale telefoongids. Elke plaatsnaam van Nederland ben ik toen afgelopen. Geleen scoorde het hoogst. Dus Geleen was perfect in dit verband, het Patrick/Peter-incident. Want Geleen is ten eerste een kuteind weg, ten tweede geloofwaardig, telefoonboeksgewijs, en last but not least zadelde ik op die manier geen al te directe familie op met een louche financiele stalker.

Na 28 minuten was Patrick/Peter het herhaalwedstrijdje blijkbaar zat. Ik had er zojuist nog een keertje uitgegooid: "Echt, het spijt me verschrikkelijk dat het zo is gelopen Peter, maar ik had je nummer niet, en ik zit in Geleen, en ik kon je niet bereiken, en ik.."
"Ja, ja", zei Patrick/Peter ten slotte, "met jou valt toch niet te praten."
En hij gooide de hoorn op de haak/drukte op de uit-toets van zijn prepaid.

Pfoe.
Sindsdien niets meer van gehoord. Het kan natuurlijk zijn dat ie me morgen belt. Dat ie mijn naam heeft gegoogled, op deze site terecht is gekomen, en denkt: Kip ik heb je.
Maar dan vergeet ie dat ie nu op vakantie hoort te zijn.
En valt ie alsnog door de mand.

Dus belt ie me misschien die week daarna.
Well.
Patrick, Peter, als je dat doet, zo veel moeite neemt, dan gun ik je alsnog die 120 euro. Dan heb je ze wat mij betreft eerlijk verdiend als keihardwerkende kleine crimineel.

Bon. Daar ging het natuurlijk allemaal niet om op Noorderslag. Het ging om de muziek.
Was het wat?
Ja en Nee.
Het was gezellig. 'Zeker', om maar eens een Matthijs van Nieuwkerk-woord te gebruiken. Maar dat is het altijd. Inhoudelijk vond ik het echter geen topjaar. Ik ga nu even heel kort wat dingen zeggen aan de hand van de dingen die ik heb gezien:

20.30 Lilian Hak, 3fmzaal: goed haar, and that's all.
20.45 Eefje, Volkskrantzaal: niet onaardige singersongwritster waarvan er heel veel zijn.
21.00 Moss, Grote zaal: niks op aan te merken, maar ook niets over te melden
21.00 Skip & Die, kelder: vanavond pas gezien, maar op video: Doodzonde dat ik het gemist heb. Had ik bij willen zijn.
21.30 Lucky Fonz III en de Felle Kleuren, Grote zaal: Lucky Fonz mag best in het Nederlands zingen, maar moet niet met een band optreden. Solo beter.
22.00 Make believe, Serious talent stage: volgens mede-Appelpoppers slechtste band van Noorderslag, maar ik vond persoonlijk het iele kleine piepkuiken, de zanger, wel geinig, dansend op de monitors tenmidden van een groep grote en ruige gitaarmannen.
22.15 The Opposites, Grote zaal: hiphop is z'n zelfrelativering kwijt, terwijl dat juist z'n grootste kracht zou kunnen wezen.
22.30 Bart van der Lee, patio: singersongwriter met te zwaar aangezette stem, te gemaakt.
22.40 Schradinova, 3fmzaal: mooie liedjes, maar zangeres komt live niet goed uit de verf.
22.55 The Medics, 3voor12zaal: geweldige Franz Ferdinand-kloon. Hou ik van. Hoogtepuntje.
23.10 I am Oak, Patio: aangekondigd als zang a la Anthony & the Johnsons. Maakte ie niet waar. Maar desondanks okay.
23.30 Uitreiking Popprijs, Grote zaal: Caro Emerald, wist iedereen al. Gedoodverfd. Prima act, wel bier gegooid (2 halve liters, 3 munten!), maar niet blijven kijken, want:
23.40 Tim Knol, 3fmzaal: erg goed. Geweldige stem. Lekkere muziek. Maar dat is geen verrassing.

En ik geloof dat het toen was, dat ik na een sigaretje in de gaskamer/rookruimte, naar de Volkskrantzaal liep voor The Tunes. Maar dat weet ik niet meer zeker. Wel weet ik dat er plotseling een band op het podium stond die niet op het programma stond. Ze vielen in omdat er een andere (De Tunes?) was uitgevallen. De vervanger bleek Death Letters, een lievelingetje van me. Energiek duo. De White stripes, maar dan met betere drums. Hoogtepuntje nummer 2. Hele set blijven kijken. Fantastisch.

01.00 Go Back to the Zoo, Grote Zaal: vorig jaar al op Appelpop. Thans de huisband van DWDD. En in de grote zaal op Noorderslag. Zo gaan die dingen. Goed optreden.
01.30 DeWolff, 3fmzaal. Sorry, het wordt saai, maar net als vorig jaar was het optreden van deze band voor mij het absolute hoogtepunt van Noorderslag. 3 Limburgse jonkies die helemaal los gaan in jaren zestigstijl. 'Nummers van 70 minuten', om met Giel Beelen te spreken. Ze hebben naar eigen zeggen gekozen voor dit genre om zich af te zetten tegen hun vader, 'die de hele dag naar hippe acts op TMF loopt te kijken'. Heerlijke omgekeerde wereld. De TV-serie Absolutely Fabulous, maar dan andersom. But absolutely fabulous it is.

Ik stond vooraan, dat spreekt. En nam de foto waar het om ging. De flowerpowerboot van de Hammondorgelspeler op het wahwah-pedaal. Als ik zoiets zie maak je mij niet meer wijs dat ik niet in de hemel ben.

Dewolff 
 

Dat geluid. Daarvoor heeft God ons hier op aarde gezet. Volgens mij. Maar dat is logisch. Is dat DUIDELIJK?

Het nadeel van zulke goeie muziek is dat ik er enorme zin van krijg in sigaretten in combinatie met drank. Dus ik ben na afloop van de set van Dewolff de gaskamer in gevlucht en was er niet meer uit te krijgen.

Tot het festival om 4.00 was afgelopen. Met mijn mede-Appelpoppers liep ik terug naar ons 'hotel', hoewel het dat keurmerk van Horeca Nederland waarschijnlijk niet zou mogen dragen. Probeer een deur open te doen en je verblijft met de klink in je hand, loop een WC-gedeelte binnen en ervaar tot je enkels een geelbruine Brisbane-beleving.
Dondert niet. Het is goedkoop, en het enige wat we er hoeven is slapen.

Onderweg trokken mijn vrienden nog een diagonaaltje aan 'gefrituurde stukken dood dier' uit de muur bij de Febo, die in Groningen 24-7 open is, althans die tegenover de Martinitoren, en gingen daarna te bedde.

Pas moi. Ik wilde nog 1 ding zien. Het cafe waar ik in 1997 per ongeluk verzeild was geraakt tijdens mijn vrijgezellenweekend, het cafe in Groningen waar ze Hazes draaiden, het cafe dat zich als enige had verzet tegen het rookverbod: De Kachel.

Ik vond het. En liep binnen. Het was 5 uur 's nachts. Ik bestelde een pils. Nam plaats aan de bar. En draaide een shaggie. Om 'm aan te steken zat ik te hannessen met lucifers. Ik was op dat moment niet meer bepaald van de motoriek handigste soort op aarde.
Zes mislukte lucifers verder kwam de grijze eigenaar, ik herkende 'm van TV, naast me staan. Hij ondersteunde mijn schouder, stopte een aansteker in mijn hand, en zei: "Probeer het nu nog eens een keer."
En verdomd, het lukte.
Op de achtergrond klonk 'Kleine Jongen' van Hazes.
Ik wilde de aansteker teruggeven aan de eigenaar.
"Je mag 'm houden", zei ie.
"Wazz een gewellig cavee iszz ditzz hmzzz", zei ik, "zze bezzde va ze veeerolll!".
"Vertel het voort", zei de eigenaar.
Bij dezen.

Om 6 uur 's nachts strompelde ik hotel Friesland binnen. Mij was kamer 34 toebedeeld volgens de Excel-uitdraai van onze gelegenheidstourmanager.
Probleem was echter dat kamer 34 niet bestond. Althans niet in mijn beleving, afgelopen nacht. Ik wankelde over de gang op de 3e verdieping en viel tegen elke deur aan. 30, 31, 32… Ik kom er vanzelf, dacht ik. Maar nee, na 33 hield het op bij een muur.
Ja, kut, dacht ik.
Ondertussen was er uit kamer 30 een uitgestoken kop verschenen. Hij was van mijn goede vriend A.
"Gaat het?" vroeg ie.
"Mwohzzz", mompelde ik, "zjwawel, zzenk ik".
Er verscheen uit dezelfde
deuropening een 2e kop bij. Van mijn goede vriend J. "Kom anders bij ons liggen, zei ie.
Ik mocht een bed.
Maar dat vond ik te luxe. Ik zei: "Ik zzlaapz welzz op zze grond! Geen Probleemzzz hmmzz!"
En stortte mezelf neder op de dubieuze vloerbedekking van kamer 30.

De volgende dag bleken A. en J. heel lief kussentjes van de stoelen uit de ontbijtzaal te hebben geroofd, om me daarop te kantelen. En ze hadden alle handdoeken uit de badkamer over me heen gelegd.
Net zoals bij die zangeres van Skip & Die.
Zo lief.

Wat kan ik zeggen? Wat kan ik anders zeggen dan: It's only rock 'n roll, but.. juist.

 

 

 

Portret van een onaangepaste

Als klein kind droomde ik ervan om schrijver te worden. Vooral omdat het me zo gezellig leek een keertje te gast te mogen zijn bij Sonja Barend. Of anders, als Sonja inmiddels van de TV zou zijn verdwenen, was Adriaan van Dis ook goed. Hoewel die laatste altijd erg ingewikkelde vragen stelde. Maar daar zou ik als ik volwassen was, vast wel een antwoord op kunnen verzinnen. Waar het mij om ging is dat ik met mijn giechel op de buis zou komen, en de kortste weg daar naartoe was in de tachtiger-jaren van de vorige eeuw: schrijver worden.
Hold that thought.

Toen werd ik puber en op slag verdampten mijn literaire ambities als druppels op een gloeiende hormoonspiegel. Ik bedacht: welke mongool trekt er in godsnaam de tijd uit om een heel boek te schrijven, als je net zo gemakkelijk een gitaar in een 100 Watt-versterker kunt pluggen om een beetje aandacht te krijgen in deze egocentrische opportunistische kutwereld?
Dus ik kocht een gitaar. Leerde drie akkoorden, liet mijn haar groeien, knoopte er een zakdoek om bij wijze van bandana en tadaah, voor ik het wist speelde ik in een veelvuldig optredende jonge Tielse rockformatie, inclusief schare plaatselijke groupies. Mooie tijd. Ik had er een boek over kunnen schrijven.

Maar dat deed ik niet. Geen tijd, want ik moest in militaire dienst. Tijdens mijn diensttijd werd ik uit de band geflikkerd. Het kon me niet zoveel schelen. Ik had inmiddels een vriendin. Aandacht genoeg. Tot die naar Engeland vertrok, voor haar studie. Potverdorie, dacht ik. Misschien moet ik toch maar eens een boek gaan schrijven.

En dat deed ik. Na mijn diensttijd was ik werkeloos en had alle tijd. Op mijn beschimmelde kamer op het Paramariboplein in het Amsterdamse stadsdeel de Baarsjes, schreef ik in Wordperfect 5.1. op een afgedankte PC van mijn toenmalige aanstaande schoonmoeder, een autobiografische roman over toestanden in het Nederlandse leger.
Hij was niet slecht, die roman, meen ik me te herinneren. Zeker niet voor een debuut. Maar voordat ik er aan toe kwam om een manuscript aan te bieden aan potentiele uitgevers werd ik door het arbeidsbureau op een accountmanagerscursus geschopt, en voordat ik het in de smiezen had, raakte ik vanuit die situatie verzeild in een vaste baan in de ICT. Met die roman is het nooit meer iets geworden, temeer daar mijn computer inmiddels was gecrashed.

Met mijn baan verdiende ik destijds 3000 gulden per maand. Als starter! Bijna 4 keer zo veel als mijn wedde (militaire dienst) en uitkering. Ik kon in een klap zowel op vakantie met het vliegtuig als uit eten wanneer ik het wilde, en nog geld overhouden ook. Fuck de zolderkamertjes, dacht ik, fuck de schrijverij, ik ga een huis kopen en trouwen!

Which I did. Bruiloft in januari 1997 met alles erop en eraan; dure jurk, luxe diner, vet feest, Rolls Royce, Amstel Hotel, gaaf. Huwelijksreis naar Jamaica (steady 30 graden) terwijl ondertussen in NL de Elfstedentocht werd verreden.

Ik heb nog steeds een goed leven. Qua geld verdien ik zelfs meer dan het dubbele dan waar ik destijds mee begon. En ik heb een lieve vriendin. Ik heb goeie vrienden. En een familie waar ik van hou.
Toch merk ik dat ik nog altijd zin heb om te schrijven. De oorzaak is veranderd. Het gaat me niet meer om de aandacht, hoewel ik zou liegen als ik zeg dat die niet is meegenomen. Maar ik kan net zo eerlijk claimen dat ik tegenwoordig vooral schrijf omdat ik voel dat het moet. Dat het een betere, bevredigendere levensinvulling is dan die fulltime kutbaan waar ik al 15 jaar mee te schaften heb.

Maar het wil niet vlotten. Telkens wanneer zich een kansrijke vrije tijdszee aandient, ga ik mijn woning opruimen. Dit weekend was de badkamer aan de beurt. "In wanorde kan ik niet schrijven", zeg ik dan, tegen de kat.
Het is een excuus. Uiteraard.

Waarom vertel ik dit allemaal? Afgelopen jaar kwam er een boek uit. "Portret van een onaangepaste" van Bernard Wesseling. Het is het beste Nederlandstalige boek dat ik sinds jaren gelezen heb. De stijl is fenomenaal. Weergaloos. Ik was zwaar geintimideerd toen ik dat boek las. Nescio revisited op een manier die elke schrijver de pen in de hoek laat smijten. Godverdomme.

Ik ga hier geen recensie geven. Dat is al veel te goed gedaan door Johan Sonnenschein :

http://www.dereactor.org/home/detail/een_wankele_icarus1/

Slechte nieuws is dat dat tegelijkertijd ook zo'n beetje de enige serieuze recensie was. In de Volkskrant, het Parool: niks. Laat staan dat ie mocht aanschuiven bij DWDD of Pauw en Witteman.

De tijden zijn veranderd. Schrijver zijn is tot een enkeltje anonimiteit verworden. What else is new? zou je kunnen zeggen.

Nou, bijvoorbeeld dat de potentieel beste dichter van Nederland zich, ondanks zijn contract bij de Bezige Bij, al jaren lang vruchteloos blind staart op het zo optimaal mogelijk inbeuken op andermans plexus.
Kunst loont niet. Niet meer. Vooral schrijven niet, poezie op kop.

Enfin. Daar gaat het boek niet over. Maar over die dichter gaat wel. En zo ook oa over de vader van die dichter. Ik weet niet of het een bewust Salinger-verwijzinkje is geweest van de schrijver, waarschijnlijk wel, want er is een hoop bewust in het boek, maar dat terzijde.
Het gaat om het fragment met de eend in het park.
De dichter wandelt als peuter met zijn ouweheer, die overigens slechts 15 is, langs een vijver.
"Eend!" had de dichter geroepen, zoals kinderen gewoon zijn te doen.
"Nou en?" had de vader gezegd.
NOU. EN.

Vind ik mooi.

Maar het mooist vind ik de episode waarin de verteller (de 2e persoon – letterlijk en figuurlijk; het verhaal wordt verteld in de je-vorm vanuit de ik-peroon), samen met de protagonist naar Groningen is afgereisd. Een mooie start van dat fragment is al:
'Groningen dan. Zeerijp heet 't er. Het land ligt er vol grote grijze blokken glimmende klei en er is geen verticaal ding te zien zover het regent.'

Daar zitten ze dan. De twee ras-Amsterdammers uit Noord.

"Even later staren jullie omstebeurt door een verrekijker, maar daar verleg je alleen de verte wat mee."

Even later volgt in de een of andere boerenschuur een apotheose. Maar die doet er misschien geeneens zo toe. Enfin, ik kan het halve boek gaan citeren, met liefde. Toch ga ik dat niet doen.  Ik zou zeggen: Koop het gewoon. Want ik geloof dat dat de reden is waarom ik dit allemaal vertel. Om de dapperen die i.t.t. mijzelve doorzetten in de schrijverij, en vervolgens een meesterwerk afleveren, een steuntje in de rug te geven. Het is doodzonde als zo'n goed boek niet gelezen wordt. Ik weet niet of het nog in de boekhandel voorhanden is. Het is in ieder geval nog verkrijgbaar op bol.com

Helden zijn het. Zowel de schrijver als de dichter.
De dichter is overigens destijds onder zijn militaire dienstplicht uitgekomen. Hij heeft zich weten te laten ontslaan. Volgens het rapport "wegens een niet-aflatende drang tot recreeeren."
 

 

Gelukkig 2011

Om te beginnen: een enorm gezond nieuwjaar gewenst, lieve plukdenachtlezers! Is misschien wat obligaat, zo'n nieuwjaarsgroet, en vooral dat 'gezonde' klinkt ontzettend populistisch correct, maar ik kan je vanuit een diepe griep verzekeren dat het gemeend is. Er is weinig lolligs aan om met 40 graden koorts het nieuwe jaar aan te vatten.

Want zo ging/gaat het bij/met mij. Tot en met oudejaarsavond, middernacht ging alles goed. Briljante Geert Wilders-persiflage van Ronald Goedemondt gezien op Nederland 1, en daarna om 12 uur vanaf mijn dakterras vuurwerk gekeken, met L. aan mijn zijde en een glaasje champagne erbij. Wat wil je nog meer? Nou, nog even mijn dierbaren in den lande bellen bijvoorbeeld, en daarna de stad in, naar een feestje op de Nieuwmarkt, en vervolgens door naar een samenzijn bij E./Dik Bleek in de Pijp.
Was het plan. Ik had er zin in. Maar net toen L. en ik rond 1 uur 's nachts klaar waren om koers te zetten richting Centrum, sloeg het noodlot toe. "Fuck", zei ik tegen L.
"Wat?" vroeg ze.
"Volgens mij heb ik koorts."
"Koorts?"
"Zoiets", zei ik, "ik voel me ineens helemaal niet goed."
Pieeuww. En daar lag ik. Op de grond. Terwijl ik nog amper gedronken had. Opmerkelijk kortom.
Ik tijgerde instinctief naar het bed. Met mijn laatste, steeds sneller wegvloeiende krachten.
"Voel je je niet goed liefje?", vroeg L.
Zinloos, want ik lag al te snurken.

De volgende ochtend, nieuwjaarsdag, werd ik badend in het zweet wakker. Ik had inderdaad koorts. En vet ook. Om over de pijn in mijn keel en de gigantische KOPPIJN nog maar te zwijgen. Een hele strip aan Bayer erdoorheen gejast, mandarijnen gegeten godbetert, maar niks mocht baten.
De hele dag mannetjes met beitels aan de binnenkant van mijn schedel. En de daaropvolgende nacht erbij. Continu. Dat is het ergste. Je krijgt onafgebroken hamers, mokers en zo nu en dan zelfs het slingeren van een sloopkogel tegen het gevoeligste deel van je gestel aan gebeukt: je hersenen.
Nul geslapen. En bovendien nul gegeten, nul gedronken, behalve aspirines, fruit en water.
Ik had niet de kracht om ook maar iets te lezen of anderzins te bekijken, zelfs niet imaginair, in mijn fantasie. Mijn brein lag onder vuur en werd compleet murw geslagen, iedere poging tot gedachtevorming deed pijn.

Inmiddels gaat het iets beter. Vanmiddag was ik zowaar zover dat ik weer een milde vorm van televisie aankon. En heb ik de oude Disney-versie van Sneeuwwitje gekeken. Met d'r nagesynchroniseerde EO-stem. Ik werd er gelukkig van. Vers kopje thee erbij, ik snapte Rene Froger helemaal.

Ik ben kortom aan de beterende hand, maar nog niet helemaal toerekeningsvatbaar.
Wat ik wil zeggen: Een goed stukje schrijven zit er nog niet in, maar (parasi)teren op de gedachten van anderen gaat prima. Dus ga ik de joker inzetten en mijn bestand raadplegen met zoekopdrachten waarmee personen afgelopen jaar dit weg-blog hebben bezocht. Is sowieso een traditie. En die zijn er om hoog te houden.

Dus hier komt ie dan. Het traditionele jaaroverzicht van de 10 hartverwarmendste/opmerkelijkste/schlemieligste termen waarmee bezoekers op plukdenacht zijn aanbeland. En dat ik geen flauw idee heb waarom zulks is geschied. Maar dat doet er ook niet toe. Want die zoekopdrachten gaan over het kleine leed in onze wereld. Met de nadruk op onze. En nog een grotere op klein.
Dit jaar voor het eerst chronologisch!

lief leed
 12 Jan 16:03:29 www.google.nl legpuzzel robert long

interieurinrichtingsleed
14 Mar 17:54:33 www.google.nl hoe pimp ik mijn trappengat

wanhopig werkzoekendenleed
 19 Apr 15:54:05 www.google.nl fulltime kutbaan

gezondheidsleed
 25 Jun 17:52:30 startgoogle.startpagina.nl waarom geen pilsje na hartinfarct

verhaallijnleed
 5 Aug 06:12:41 www.google.be pornofilms met ondertiteling

doorgeschoten braaf leed
 29 Aug 22:55:23 www.google.nl wanneer mag je bellen bij een branderige lucht in de meterkast

huh?-leed
 15 Sep 21:02:52 www.google.nl ik opende de balkon deuren en flikkerde eraf

scholingsleed
 22 Sep 19:49:24 www.google.be reekn blaatje

literair leed
14 Oct 11:32:42 www.google.nl wat is er zo fucking belangrijk aan jeroen brouwers saskia noort

klepel-leed
 13 Nov 11:27:19 www.google.nl Ik wil een studiebol maken als surprise voor een studente
 
Bon! Tot zover.
We hebben het goed!
Houen zo.
Gelukkig 2011!