De Boeken

We hadden het over het kerstweekend.
"Kom je met de auto?" vroeg mijn moeder.
"Ik denk het wel", zei ik, "met de trein is tegenwoordig nogal een gok."
"Mooi", zei mijn moeder, "dan kun je eindelijk de boeken uitzoeken en meenemen."

'De Boeken'. Mijn vader was behalve leraar Nederlands en wereldreiziger voornamelijk een fervent verzamelaar. Van postzegels, van Pastis-glaswerk (Franse anijsdrank), van schoenen, van alles eigenlijk, en dus ook van boeken.
De schoenen hadden mijn broertje en ik die (toevallig genoeg, of juist niet) beiden over zijn maat beschikken, een paar weken eerder al mogen verdelen van mijn moeder. Dat was goed uitgekomen, want ik liep al jaren rond op een paar afgetrapte rooie Nikes dat ik aan het einde van Koninginnedag 2002 bij het restvuil had gevonden. Er zaten gaten in (en dan bedoel ik niet die voor de veters slimmerik), wat enigszins oncomfortabel was wanneer het regende of sneeuwde, maar het was op zich geen ramp. Twee maanden geleden echter, hadden zelfs de rubberen onderzolen het begeven, waardoor ik rondliep op een soort van suede-achtig voeringsmateriaal, zeg maar de binnenzool. Ik vond daar zelf niets mis mee, maar in mijn naaste omgeving gingen stemmen op die opperden dat ik mijn dweperij met het clochard-leven nu wellicht toch iets te ver aan het doorvoeren was.
"Een hekel aan shoppen, okay, maar zo kun je echt niet meer naar je werk, Sven", zeiden ze.

Dus tegenwoordig loop ik op de giga-dure Floris van Bommel-schoenen van mijn vader. Weliswaar nog altijd in een broek die is uitgescheurd onder het kruis, maar dat ziet toch niemand als je vooral rustig op je plek zit, en voor de rest je benen dicht bijelkaar houdt wanneer je naar de koffie-automaat loopt. Al ben ik wel altijd bang dat mijn ballen erdoorheen zullen piepen wanneer ik tegelijkertijd per ongeluk die ene boxershorts met gaten draag.

Afgelopen vrijdag heb ik trouwens in Rotterdam eindelijk een nieuwe broek gekocht. Ik moest in de Biblotheek op de Blaak zijn, maar had daarvoor nog 2 uurtjes te vullen. Het was stervenskoud, de ijzige wind striemde langs mijn kaken, en ik wenste dat ik een baard had. Maar die had ik niet, hooguit eentje van 2 dagen, dus ik op zoek naar een cafe. Een rookcafe, bij voorkeur. Nou hebben ze in die kut zero-tolerance-city bij uitstek, Rotterdam, sowieso al weinig cafees, om van rookcafees nog maar te zwijgen. En zo vond ik mezelf in eerste instantie terug op het marktplein in een outlet van Douwe Egberts, waar het stonk naar oud zweet, taartjes en smeltende stadse baggersneeuw die druipend langs leren laarzen liep. Ik nam plaats tussen de bejaarde stelletjes en hippe meisjes met een laptop en bestelde een kleine koffie verkeerd, die evengoed nog 3,30 euro kostte.
Jezus, wat doe ik hier, dacht ik. En maakte al snel weer de pleiterik. For ol time sake stiefelde ik naar de Robeco-wolkenkrabber, waar ik 14 jaar geleden een tijd heb gewerkt. Ik tuurde vanaf de grond naar een raam op de 7e verdieping, achter welke ik de Erasmusbrug gebouwd had zien worden. En waarachter ik mijn eerste gedichten had geschreven. Ik dacht aan de ellenlange middagpauzes die ik stiekem had gehouden, en waarin ik steevast inspiratie ging opdoen in de bibliotheek op de Blaak.

Ik liep het Robeco-gebouw binnen, om even de receptiebalie te bekijken. Ik herinnerde me de woorden van mijn toenmalige teamleider, die elke maand een straatje staatsloten kocht. Hij zei elke maand: "Als ik 'm win, is het eerste wat ik doe een grote drol draaien op de receptiebalie van dit kutbedrijf."
Zo te zien had ie 'm vandaag weer niet gewonnen.
Ik liep weer naar buiten. De ijswind nam me opnieuw stevig te grazen. Dat is het kloterige van zo'n hoogbouwstad: het waait er altijd harder dan elders, vooral rond de wolkenkrabbers zelve.
Ik draaide een shaggie, maar dat werd direct na het aansteken uit mijn mond gesleurd door de onverbiddelijke mistral uit het Noorden. Tevergeefs zette ik een drafje in om het rollende saffie te achterhalen, een ordinair putrooster was me voor. Maar vooral was het k-k-k-koud. Al snel hield ik het niet meer, en vluchtte om op te warmen de eerste de beste openbare gelegenheid in. Dat was de C&A.
Nu ik hier toch ben kan ik net zo goed eens kijken of ze broeken verkopen, bedacht ik. Dat deden ze. Ik kocht er eentje. Een bruine. Zie je niks op, beter dan die ik aan heb, bedacht ik, want die was beige. Bovendien was deze afgeprijsd van 24,95 voor 15 euro. Dacht ik. Maar omdat er een rooie sticker op zat, ging daar aan de kassa ook nog eens 60% vanaf! Dus inderdaad, voor 6 euro liep ik met een nieuwe broek naar buiten.
Zo, dacht ik, dat viel eigenlijk best mee. En een goeie stevige stof op de koop toe, dus deze jongen hoeft de komende tijd geen kledingzaak meer in, ik zit de komende jaren gebeiteld, tijd voor een pils!

Het zat me voorwaar mee afgelopen vrijdagmiddag, want ik liep terug naar de bibliotheek, en ontdekte op die terugweg het beste cafe van Rotterdam. De naam ben ik vergeten, maar het zit als je vanaf het marktplein op de Blaak kijkt, in het kleine winkelblokje links van de bibliotheek. En dan helemaal op de linkerkop. Het is klein, maar het ziet er tamelijk smaakvol uit, om niet te zeggen chique. Er staat een mooie vaas met een takachtig-bloemenboeket (doet het altijd lekker lang, en ziet er stijlvol uit) voor het raam, rustige houten tafeltjes, rustige houten stoelen, cremekleur op de muren en het plafond, houten bar met goeie flessen wijn op de achtergrond en verder geen opsmuk. Achter de toog een beschaafde veertiger met grijze krullen en zijn mega-vriendelijke Oost-Europese/Latijns Amerikaanse (ik ben er nog niet uit) vrouw/vriendin. Op de tafeltjes: zwarte asbakken die er van een afstandje niet uitzien als asbakken.
Ik dacht: die zijn waarschijnlijk voor de schillen van de pistache-nootjes. Ik bedoel, het zal toch niet dat? Maar jawel! Je mocht er roken! Dat begreep ik pas toen de enige andere klant, een 70-jarige duurgeklede deftige dame, even haar NRC neerlegde om een sigaret op te steken.
Dus daar zat ik, met mijn pils, met mijn nieuwe broek, en nu mocht ik nog roken ook! Ik kneep mezelf even in de arm om te testen of ik niet per ongeluk dood was en in de hemel of zoiets geks. Maar nee, dan zou ik natuurlijk nooit in Rotterdam zitten, hoe ondoorgrondelijk Zijn wegen ook moge wezen. Je moet wel reeel blijven natuurlijk. Om kort te gaan: Dit was echt!

In de bibliotheek kreeg ik nog meer goed nieuws te horen, dat er verder niet toe doet, want daar had ik het niet over. Excuses voor het afdwalen. Ik had het over boeken. Niet de boeken van de bibliotheek, maar die van mijn vader. Hij had er veel. Zoveel dat ze niet allemaal meer in de gigantische 6 meterlange en bijna 3 meterhoge boekenkast/wand in de huiskamer pasten. Ook niet als ie met dubbele rijen werkte (boeken achter boeken).
Dus had mijn vader in de loop der jaren de mindere titels naar zolder verkast. In dozen. Heel veel dozen.
Van die dozen wilde mijn moeder af. Zeker nu het afgelopen half jaar met veel energie die oude zompige zolder was omgebouwd tot blinkend en blozend blankblakend babyverblijf. "Misschien willen jij en L. nog wel wat van die boeken van zolder hebben", had mijn moeder gezegd, "en anders geef ik ze gewoon aan de Kringloopwinkel hoor, voel je niet verplicht."

Mijn vader kennende had ie het waarschijnlijk niet erg gevonden dat mijn moeder zijn afgedankte boeken de deur uit wilde doen. Ouwe zooi is er immers om weggemieterd te worden. Ik zie het hem zo zeggen. En bij het verleden moest je volgens mijn vader ook niet al te lang stilstaan.

Maar ik ben iemand die maar moeilijk afstand kan doen van de dingen.
Dus zat ik zondagochtend bij mijn moeder op zolder. "De dozen staan rechts van het bed", zei mijn moeder, "achter de schotten."
Ik schoof de schuifdeurtjes opzij.
"Jezus", zei ik, "dat zijn wel heel veel dozen."
"Ja&quot
;, zei mijn moeder, "wat zie ik trouwens, heb je een nieuwe broek?"
"Ja", zei ik, "6 euro."
"Het zou ook eens een keer wat meer mogen kosten", zei mijn moeder, "enfin, kijk maar of er iets bij zit."

Ik opende de eerste doos. En viste er een boek uit. Gerard Walschap.
"Die ken ik niet", zei mijn moeder, "maar als jij het leuk vindt… Ik ga weer naar beneden."
Ik grabbelde verder. De vierde druk van de Mei van Gorter ('25.000 eksemplaren'), de eerste druk van een toneelstuk van Henriette Roland Holst van der Schalk, veel Lucebert, De 9e druk uit 1969 van poezie van Ed Hoornik ('De Vis gevolgd door In de Vreemde'), wow. Dat in 1969 poezie gewoon nog een 9e druk kon beleven. Ik wist genoeg.

5 minuten later was ik druk bezig dozen naar mijn Volvo 440 te slepen.
"Wat ben jij aan het doen?" vroeg mijn moeder, "heb je het nu al uitgezocht? Dat is snel!"
"Nee, ik neem gewoon alles mee", zei ik.
"Weet je het zeker?" vroeg mijn moeder.
Ik wist het zeker. En stapelde de auto tot de nok toe vol.

Geen idee waar ik het laten moet. Maar ik vind wel een plek. Vanmiddag, toen we van het kerstweekend terugkwamen, gaf de onderkant van mijn auto bij elke verkeersdrempel vonken af, zo diep lagen we op de weg, maar redden zal ik ze. De oude boeken van mijn vader.
In elk boek zette hij zijn handtekening. Als 20-jarige al. Zoveel boeken uit die tijd. Hij moet er een godsvermogen aan uit hebben gegeven. Terwijl ie nog geen geld had. Op kamers woonde bij een hospita, en nog weinig anders wist te kokkerellen dan de ene dag een gebakken ei, en de andere dag een pannnekoek. Met versleten kledingvezels om zijn lijf. Daarvan getuigen de aankoopdata van deze boeken. Uit deze dozen.

Dit zijn de boeken die mijn vader las toen ie op mij leek.

 

Advertisements

Festina Lente

Ik kom net terug van de Lizoa-boot in Ijburg. Die is 1 keer per week open, namelijk op, je raadt het al, zondag. Voor een schappelijke prijs krijg je van een barmeisje een bord, en daarmee mag je naar beneden lopen om er vervolgens eenmalig zoveel mogelijk etenswaren op te laden. En dan heb ik het niet over spareribs, frikandellen of babi pangang, maar over serieuze Mediterrane delicatessen die uitgestald staan op een bijkans door zijn hoeven zakkende tafel. Een aanrader kortom.

Vorige week was ik er om met de familie de 93e verjaardag van mijn Oma te vieren. Die er overigens zelf niet bij was, die lag al lang en breed te pitten in haar verzorgingstehuis. Maar ze had het vast mooi gevonden om ons zo gelukkig te zien, en het gevoeglijk vast niet erg gevonden dat we de rekening betaalden met haar pinpas. Denk ik. Of dacht in ieder geval mijn familie. Enfin, waarschijnlijk had mijn familie daar gelijk in, want mijn Oma weet, beseft en realiseert zich helaas zo goed als niets meer. Nog dementer dan een Lemming, mijn Oma. Dus.
Tsja, zou Martin Bril zeggen.

Vandaag was ik er omdat mijn nichtje er zong. Er waren ondanks de sneeuw een hoop mensen komen opdraven richting de Lizboa. Het complete ruim van het schip zat vol. Pakweg 50 bezoekers. Niet slecht. De gemiddelde poezie-avond moet het doen met minder.

Links zat de familie, rechts zaten de vrienden. Mijn nichtje had ze toch maar mooi op de been gekregen. En bovendien terecht, want ze zong de sterren van de hemel. Begeleid door haar bassist (met zes snaren! 2 extra hoge! – pak dan gewoon een gitaar, zou je kunnen zeggen, maar geloof me: dit was beter – ) Mo, waarmee ze hele afgelopen zomer in een tuinhuisje had gerepeteerd. En ik meen het als ik zeg dat het resultaat er mocht wezen.

Ondertussen begroette ik aan de familietafel mijn moeder, die door G. en J. werd ge-escorteerd. Ik en G., een (ex-)collega van mijn vader, gaan way back. Kennen elkaar goed. Vooral van vroeger, tijdens zomervakanties in Frankrijk.
Fijne vent. G. komt oorspronkelijk uit Deventer en is fan van voetbal en Go Ahead Eagles in het bijzonder. En van Grolsch. En van optimisme.
Ik zeg niet dat ik een tegenpool van 'm ben, maar ik kom wel in de buurt, vooral waar het dat laatste betreft.
"Mooie wedstrijd he, Ajax-Feyenoord, haha!" vroeg ie, toen ie me ontwaardde.
[wedstrijd was afgelast-pdn]
Ik had even geen adrem antwoord paraat.
"Haha", zei G., "ze hebben in ieder geval niet verloren, dus je zult wel blij zijn, haha!"
"Haha!", zei ik maar.
Ik vind het zo verdomde moeilijk om actief grappig te zijn in het dagelijks leven.

"Iets drinken?" vroeg ik dus maar aan G. De enige effectieve korte termijn maatregel die ik ken om mijn gebrek aan spitsvondigheid te verdoezelen.
"Doe maar een Grolsch", zei G.
Ik haalde 2 pils. En probeerde onderweg terug van de bar iets geestigs te verzinnen. Maar er schoot me niets te binnen. Behalve probleemonderwerpen. Maar zoiets kun je niet zeggen tegen een man: "Ik heb zin om over problemen te praten."
"Hoe gaat het eigenlijk met je knie?" vroeg ik toen ik weer aan tafel zat.

Uiteindelijk hebben we een hoop gelachen. Ook over zijn verrotte knie. En over de Eagles. Om Ajax. En om alle ellende in de rest van de wereld. Even later was het concert van mijn nichtje afgelopen. En liepen G., J., mijn moeder en ik naar tramlijn 26. Hij reed in de snijdende sneeuwkou vlak voor onze neus weg.
"Godverdomme", zei mijn moeder.
"Kut", zei J., die de volgende ochtend weer moest werken.
G. en ik moesten grinniken. Met dank aan de firma Grolsch. "Weet je nog", zei G., "dat wij ooit eens in Frankrijk toen die berg op zijn gerend…"
"Ja!" riep ik, "toen.."
Mijn moeder en J. rolden met hun ogen. We zagen ze denken: "alsjeblieft niet weer dat verhaal over die heuvel."
G. verstarde voor de vorm zijn blik en keek naar de display. "De volgende tram komt over 8 minuten", deelde hij mede.
"Nou, dat valt dan weer mede", zeiden mijn moeder en J.

Zoals jullie merken, lieve plukdenachtlezers, schiet dit stukje niet op. Om niet te zeggen dat het zich langzaam haast. Daarom heb ik iets speciaals voor jullie in de aanbieding. Een stukje van een vrouw. En niet zomaar een vrouw. Het gaat om een bestsellervrouw. En die bestsellervrouw heeft ooit, 5 jaar geleden alweer, een stukje in het NRC Handelsblad geschreven over Poetryslam. Een heel mooi stukje bovendien. Het gaat om de vrouw wier taal echt haar ding is. Lees en geniet. En komt morgen naar een plek waar het er echt om gaat.
Want dat wilde ik eigenlijk zeggen: Kom morgen naar Festina Lente. 

If you can make it there, you can make it everywhere. It's up to you.

Paulien Cornelisse

Poetry Slam

Een poetry slam-avond in café Festina Lente in Amsterdam. Veel baardjes en sikjes, veel tiendejaars-studenten Neerlandistiek. ‘Dichter/student zoekt kamer’, dat type. Poetry slam is niet alleen een wedstrijd in het voordragen van gedichten, het is een lifestyle. Ongeveer vijf jaar bestaat het nu in Nederland, na te zijn overgewaaid uit Amerika, waar het al sinds de jaren tachtig populair is. Daar is het ontwikkeld om de reguliere poëzieavonden te verlevendigen – in eerste instantie gebeurde dat in een boksring, maar dat melige element is later weer verdwenen.

Achterin het overvolle Amsterdamse café zit Simon Vinkenoog, die als eminence grise van de Beat poëzie nu graag zijn licht laat schijnen over de jonge slammers. Hij zit in de jury. Ook het publiek heeft een stem, maar juist de aanwezigheid van Vinkenoog verleent de slam-avonden in Festina Lente een officieel tintje, want verder is het een vriendelijk, maar ongeregeld zooitje.

Vijftien slammers hebben elk drie minuten de tijd. Het gaat snel; de poëtische gedachten struikelen over elkaar heen, maar het publiek blijft onverminderd geïnteresseerd.  Aan het applaus hoort de slammer alvast of het erin zit of hij naar de volgende ronde mag.

Maarten Das (1980) een veelgeziene kandidaat; hij heeft al heel wat overwinningen op zijn naam staan, en verworf verdere bekendheid door mee te doen aan een serie avonden over de Last Poets – daarvoor schreef hij speciaal een gedicht in de Last Poet-stijl, en trad daarmee onder andere op in een vol Paradiso. “Dat was het absolute hoogtepunt tot nu toe.” Hij slamt uit het hoofd en spreekt in een trance-achtige kadans. Uitermate moeilijk om in een keer helemaal te volgen, maar het valt in de smaak, want in de pauze wordt Das aangeklampt door iemand in het publiek: “Ik vond je eerste gedicht echt strak minimalistisch.”

Das mag door naar de volgende ronde, terwijl de wat meer pathetische dichters die zinnen als “fata morgana der moderne tijd” uit hun mond krijgen, afgeserveerd worden. Ook de vrouw die als motto heeft dat “het lekker is om je eigen wereld te scheppen,” is voor vanavond klaar. Das heeft duidelijk meer ervaring en neemt de poëzie serieuzer. “Ik heb altijd al veel poëzie gelezen. Mijn moeder had ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie’ van Hans Warren in de kast staan, en daar las ik altijd in. Ik vond daar iets wat ik nergens anders kon vinden.”

‘Slam’ betekent letterlijk ‘iemand beledigen’, maar tijdens een Nederlandse slam-avond heerst geen agressieve sfeer. Geen gescheld, geen boe-geroep. Hoogstens een heimelijk en gedempt uitgesproken: “Ik begreep er geen reet van, en dat is wat mij betreft ook de rode draad van de avond.”

De poetry slam in Festina Lente is dus een veilige baarmoeder, maar toch is duidelijk merkbaar dat de dichters zenuwachtig zijn. Als ze een lach krijgen, groeien ze een paar centimeter (“De smaak van zige
uners is niet te vangen in schnitzels en sauzen”, “Ik heb een kat die niet kan badmintonnen”). Daarom wordt een slam ook wel laatdunkend stand-up poetry genoemd: snel scoren voor de lach, niet te diepzinnig doen. “Natuurlijk, je gaat een soort punchlines schrijven in je gedichten,” zegt een van de slammers. “Dat gaat bijna vanzelf.”

Daar is Das het niet mee eens. Als hij mag kiezen, wil hij liever een stilte dan een lach. “Je schrijft je gedichten thuis, in je eentje, dan denk je niet aan het publiek. Ik merk wel altijd meteen als ik iets schrijf: dit is voor een slam, en dat niet. In een slam-gedicht zit heel veel ritme en muzikaliteit. Je gaat dan niet je moeilijke, introverte gedichten doen. Je zoekt iets dat grappig of luchtig of overdonderend is. Veel dichters zijn alleen maar uit op scoren. Anderen proberen zich door de slam te ontwikkelen tot betere dichters. Tot die laatste groep behoor ik. Het is mij begonnen om op papier te staan. Ik word steeds kritischer op mijn eigen werk, probeer zo veel mogelijk te lezen, en ben mezelf aan het vernieuwen. Vanaf het moment dat ik dat ben gaan doen won ik minder slams, en ik heb wel eens het gevoel dat ik mijn optredens krijg naar aanleiding van mijn oude reputatie. Dat ik nu minder win vind ik een goed teken. Het is allemaal nog steeds aardig om naar te luisteren, maar het zijn geen echte slam-gedichten meer.” En inderdaad, binnenkort verschijnt zijn eerste bundel.

“Ik voel me wel een echte slammer,” vertelt Sieger Geertsma (1979). Hij slamt op een avond van de Nijmeegse organisatie De Wintertuin. Op die avonden wordt ineens duidelijk waarom poetry slam een cool imago heeft: een live band erbij, een vj. Bijna iedereen in het publiek heeft een trainingsjasje aan. Bijna iedereen op het podium ook. Wat Geertsma doet, klinkt soms bijna als rap. “Het gesproken woord voegt iets toe aan de geschreven tekst. Ik doe het uit mijn hoofd, zodat ik de zaal aan kan kijken. Ik word dan het gedicht, ik ben het vleesgeworden gedicht. Zo neem ik het publiek mee.” Hoe hij dat doet? “Ik ga bijvoorbeeld door de zaal heenlopen. Of ik laat het publiek meedoen. Bij een gedicht over water moet iedereeen heel zachtjes ‘water’ fluisteren. Dan krijg je een soort gekabbel op de achtergrond. En er ontstaat ook een beetje een hilarische sfeer.” Geertsma’s eerste ervaring in de wereld van de poëzievoordracht deed hij op toen hij nog op de middelbare school zat. “Dat was in Groningen, in een zaaltje met tien man erin, op dinsdagnacht tussen twee en half drie. De volgende dag was ik dan om half negen weer op school. Slam bestond toen nog niet, maar ik leerde wel al voordragen.”

Hoe belangrijk de performance ook voor hem is, uiteindelijk wil Geertsma zich, net als Das, bewijzen op papier – inmiddels is zijn eerste bundel verschenen. “Ik treed meer op dan dat mijn boekjes verkocht worden, dus ik besef goed hoe belangrijk optreden voor mij is. Toch wil ik graag dat mensen me over honderd jaar nog steeds kunnen lezen. Maar dat wil niet zeggen dat ik neerkijk op slam. Toegegeven, een slam is vaak een veredeld open podium, waar mislukte cabaretiers kunnen scoren als ze dat in de cabaretwereld niet lukt. Maar ik denk dat er heel leuke dingen gaan komen naast slams. Met meer muziek erbij, vj’s, beeldende kunst. Er komen meer mengvormen. De belerende poëzie-avonden gaan plaats maken voor spetterende avonden. Dat is natuurlijk het tegenovergestelde van wat de literaire junta wil.”

“In de reguliere poëziewereld is het verdacht als je rechtop staat en alles verstaanbaar is. Je wordt pas serieus genomen als je binnensmonds aan het mompelen bent. Terwijl ik echt geen half uur naar Rutger Kopland kan luisteren.” Aan het woord is Erik Jan Harmens (1970), jurylid in Festina Lente. In 2002 werd hij Nederlands slamkampioen.  “Daarna heb ik besloten niet meer te slammen. Slammen was voor mij een springplank, het is een mooie snelle manier om bekend te worden. Ik had geen zin meer in de wedstrijdvorm, dus het was een opluchting om ermee te stoppen. Mijn poëzie is ook zo veranderd, ik wil het niet zomaar meer voor de haaien gooien. Een slam is uiteindelijk: op effectbejag voordragen. Terwijl poëzie juist te maken heeft met risico’s nemen en grenzen opzoeken. Je creëert een afstand, je schept een andere werkelijkheid, je zaait verwarring. Een slam is wat mij betreft te vaak een alle dertien goed-show. In de coulissen heerst tussen de slammers ook vaak ook zo’n sfeer: ‘Ga je dat gedicht doen? Oh leuk. En die ook? Oh leuk.’ Zo glijdt de slam af richting amusement. Pleasers zijn er al genoeg, daar spuug ik op. Laten we de poëzie klein houden. Het hoeft niet allemaal begrijpelijk gemaakt te worden. Daar ben ik bloedfanatiek in.” Toch is Harmens jurylid bij de poetry slam in Festina Lente.  “Ik probeer dan de poëzie in de slam te zoeken. Ik zoek dichters die meedoen aan slams, niet slammers.”

En zo lijkt de slam, jong als het is, alweer een beetje ten dode opgeschreven. Echte slammers zijn geen dichters, en echte dichters slammen bij voorkeur niet. Behalve Erik Jan Harmens heeft ook slam-ster Tjitske Jansen (genomineerd voor de erebaan van Dichter des Vaderlands) het slammen vaarwel gezegd. De slam trekt beginnende dichters aan maar zorgt daarna voor stigmatisering. Harmens: “Als ik ergens optreed word ik nog steeds ‘slamdichter’ genoemd, terwijl ik dat allang niet meer ben. Je raakt het niet kwijt.”

Toch is er nog hoop voor de slam als zelfstandige kunstvorm. Er is namelijk een heel kleine minderheid van serieuze dichters die de slam niet puur ziet als kruiwagen naar een uitgeverij. Sven Ariaans (1969) slamt al jaren, is mede-organisator en jurylid van de slams in Festina Lente, en werd vorig jaar Nederlands kampioen. “Mijn enige doel is om contact te maken met het publiek. Vaak doe ik dat met autobiografisch materiaal. Doodeng, maar je kunt er heel bijzondere momenten mee krijgen. Publiceren wil ik niet eens, hoewel het me vaak genoeg gevraagd is. Ik schrijf zelfs staand, alsof ik optreed. Bij alles wat ik schrijf stel ik me voor hoe een publiek erop reageert.”

Het optreden voegt nu eenmaal heel wat toe. “Je kunt bijvoorbeeld lagen toevoegen. Door hoe ik iets zeg kun je ineens horen dat het ironisch bedoeld is. Terwijl het er op papier oppervlakkiger uitziet.” Ariaans doet nog steeds mee aan slams, “maar het gaat me absoluut niet om het winnen. Ik wil gewoon optreden.”

Waarom die slams dan toch in competitievorm worden georganiseerd heeft een banale reden. Ariaans: “Toen we begonnen met de slams in Festina Lente, waren er andere poëziepodia in Amsterdam. Daar zat je altijd met tien man in de zaal. Bij onze slams hadden we meteen een volle bak. Het publiek luistert ook aandachtiger, omdat ze weten dat ze zelf iets in te brengen hebben.” Een podiumkunstenaar, dat is Ariaans. “Ik wil mijn gedichten best voor iemand opschrijven,” zegt hij toegeeflijk, “maar alleen nadat diegene ze gehoord heeft.”

 

MAANDAG 20 DECEMBER,  Aanvang 21.00 

FESTINA LENTE POEZIESLAG

 Cafe Festina Lente1

 JURY: ERIK JAN HARMENS, RICK DE LEEUW, SVEN ARIAANS

 Cafe festinalente 2 
Cafefestinalente 3 
Cafefestinalente 4 
 
 

PRESENTATIE: SANDER MEIJ, danwel MARTIJN DEN BAKKER

 Cafefestinalente 5

VERSLAG: PIM TE BOKKEL

Cafe festina lente 6 

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

NK Poetryslam 2010

Nou. Waar zal ik beginnen?
Misschien toch maar bij het begin. Chronologie wordt immers nogal eens onderschat. Niets ten nadele van krantenkoppen en andere headlines, maar soms kan het geen kwaad om ook oog te hebben voor iets anders dan een uitslag.

Het NK Poetryslam begon geweldig. Met misschien wel het hoogtepunt van de avond: het gastoptreden van regerend kampioene Ellen Deckwitz. In een lang gedicht nam ze met zichtbare pijn in het hart afscheid van de gekooide vogel. Een vogel die naast de 1000 euro vooral de symbolische waarde van de hoofdprijs van het NK vertegenwoordigt, een vogel die ooit ook mijn kabinet een jaar lang heeft mogen sieren: de Gouden Vink.
Ik doe het gedicht tekort door er nu een fragment uit te halen, want het had een fantastische opbouw en samenhang, maar het fragment dat mij het meest is bijgebleven is het volgende. De exacte bewoording kan lichtelijk afwijken, poetryslam gaat snel, hard, als ik met trending blogger Nalden zou willen spreken, maar dat wil ik niet. Anyway, Ellen Deckwitz sprak over een vader die werkte in de poeziefabriek, en over een moeder. Een moeder die op haar fiets almaar doorreed en doorreed, rode stoplichten negerend en alles, tot ze door een agent werd aangehouden.
"U reed door rood", zei de agent.
"Dat doet toch iedereen?" zei de moeder.
"Als iedereen in de gracht springt, doet u dat dan ook?" vroeg de agent aan de moeder.
"Ja", zei de moeder, "want anders word ik eenzaam"
"Dat begrijp ik", zei de politie-agent, "rijdt u maar door."

Ik weet niet precies waarom dat fragment me het meest is bijgebleven. Dat doet er ook niet toe. Bij poezie. En al helemaal niet bij poetryslam. Bij poetryslam gaat het uiteindelijk om de wedstrijd. Een winnaar.
Dus was er een jury. Bestaande uit Ron Rijghart (schrijf ik dat goed? – enfin, een poezierecensent van het NRC Handelsblad), Esther Jansma (gevierde dichteres) en Arie Boomsma (programmamaker van de KRO, voorheen EO). De jury moest aan het begin van de avond, nog voor Ellen, ook een gedicht voordragen. Ron en Esther kwamen daarbij niet zo goed uit de verf in popzaal Tivoli de Helling. Maar Arie had zijn rappersmuts opgezet, verleidde het publiek tot een ondersteunende ritmeklap ("jongens, ik kan hier enorm mee op mijn bek gaan, maar het is echt heel simpel: 1-2-3, 1-2-3"), waarop ie een oud-Hollands gedicht flowde. Dat deed ie niet slecht. Het publiek was laaiend enthousiast en bij dezen gevoeglijk opgewarmd.

Tijd voor de kandidaten. Als eerste moest Martijn Teerlinck. Net als vorig jaar, verdomme. Daarom schrijf ik 'moest' en niet 'mocht', want het is doorgaans dodelijk om als eerste op te moeten tijdens een NK. Zowel jury als publiek hebben er namelijk een handje van om naarmate de avond vordert steeds hogere punten te geven, respectievelijk steeds harder te applaudiseren. Een van de presentatoren wees hier goddank op, met als gevolg dat de jury Martijn na zijn voordracht een niet onbetamelijke score toebedeelde. Vooral Esther Jansma en Ron Rijghard lieten zich gaan, en kwamen met 8,5-en op de proppen.
En terecht overigens, maar dat terzijde.
"Yes!" zei ik tegen L., "Martijn is waarschijnlijk door! Eindelijk weer eens een Festina-kandidaat in de 2e ronde van het NK!"

Ik ga hier niet iedereen bespreken. Laat ik het kort houden. De qoutes die ik vooraf had afgegeven, bleken niet ongegrond. Claudio ging als voorzien door het ijs, net als Saskia, Hanneke deed het goed, maar net niet goed genoeg, en Peter Knipmeijer werd door de jury regelrecht de grond ingeboord, vanwege een door hem aangekondigde gejatte zin van Willem Kloos. Behoorlijk onterecht, maar ook dat is slam. Het is thumbs up or down, het overheersende sentiment overwint, ook bij een jury. Zoals ik al zei: slam gaat hard, en we moesten doorrr..
Veteraan Jeroen deed het niet verkeerd, Boris evenmin, en vooral Daan had ongelooflijk het gas erop. 9's van de jury voor laatsgenoemde, en ik kon de jury bepaald geen ongelijk geven. Beste slammer van Nederland. Duidelijk. Wibo piepte er ergens tussendoor ongemerkt doorheen.

De tweede ronde bestond uit optredens van Wibo, Daan, Boris, Jeroen en Martijn. Ik noteerde twee nieuwe hoogtepunten deze avond: Jeroen die het oude Woorddansersgedicht "Tussen Muren" van nieuw elan voorzag, door Arie Hordijks tweede stem te laten invullen door het publiek, middels een tsjakkend dirigentengebaar. Zoals met Arie zal het nooit meer worden, maar dit mocht er ook wezen.
Het andere, nog absolutere hoogtepunt uit de 2e ronde was voor mij het gedicht 'Ademgebed' van Martijn Teerlinck. Dit was het gedicht waarvoor ik zelf als jurlid destijds door de knieen ging in de Grande Finale van Festina, dit was het gedicht waarmee ie zich in cafe U-rock had gekwalificeerd tijdens de halve finales, en waarover ik zo hoog opgaf in mijn verslag daarvan. Ik hoop dat het ooit nog eens ergens gepubliceerd wordt, maar dan nog moet je het eigenlijk horen uit de mond van de meester zelve.
Daan deed het ook best, maar nam een gok door een van zijn grote troeven, zijn slechts 23-jarige, maar desondanks zwaar doorrookte whiskey-stem, enigszins te demystificeren middels een gedicht over de grote roerganger op dat gebied: Tom Waits.
Niet mis mee, maar je kunt op je klompen nagaan dat een literaire jury met weinig verstand van de slamwereld dan nattigheid begint te voelen, angstig als ze is om per ongeluk de een of andere copycat in het harnas te hijsen. Net zoals ze eerder Peter Knipmeijer hadden afgeserveerd. Ergo: teleurstellende jury-punten.

Maar Daan won de gok. Hij kreeg verruit het vetste applaus uit het publiek. Publiek houdt van herkenbaarheid. Vooral later op de avond. Ook niks mis mee. Enorm gegil en gewoow bij Daan. De applausscore scheelde in decibellen slechts 3 punten met de andere kandidaten, maar dat is logaritmisch, en geloof me als ik zeg dat zulks een verschil enorm is. Zeg maar gerust meer dan een factor 2 in kracht.

Dus Daan dankzij het publiek door naar de finale. Samen met Martijn. Boris net buiten de boot, Jeroen en Wibo geloof ik ver daarachter.

Schitterende affiche. Een finale tussen Martijn en Daan. "De Stem tegen De Metafoor" twitterde het in de voorronde uitgeschakelde slamduo @KilaBabsie, dat nauwgezet en treffend live verslag deed via de nieuwste kanalen. Een finale waar ik vooraf voor zou hebben getekend.
En die prachtige affiche maakte zichzelf waar. In het begin van die finale-battle ging Martijn pijnlijk de mist in door, zelfs met een papiertje erbij, heel eventjes zijn tekst kwijt te raken.
"Jammer, totnutoe was het een gelijkwaardige battle" twitterden Kila en Babsie.
Maar Martijn kwam terug. En hoe!
Ik herinner me een zin; "hun liedjes door luchtgedroogd tandvlees"
Right on! Recht in de giechel van 'De Stem'! #battle
En nog een eroverheen: "ik leerde toen hoe ik met houtskool kon spreken.."
Hij bedoelde het wellicht niet zo, maar middels publieke associatie viel het in de zaal wel op zijn plek. Martijn was back in business.

Of zoals @KilaBabsie twitterde: Spannnend, aan elkaar gewaagd. Niveau zeer omhoog #nkpoetryslam 11:07 PM Dec 10th via Twitter for iPhone

Na 8 minuten slammen, het 4e, misschien wel allerhoogstepunt, ging het onvermijdelijke rode lampje branden ten teken dat de battle was afgelopen.
De jury had geen stem meer. Figuurlijk dan. Ze hadden niets meer te beslissen. De finale-uitslag was dit jaar compleet aan het publiek. Wel mocht de jury nog een adviserende rol vervullen. Ze prezen stuk voor stuk Martijn aan. Ron Rijghart ging daar het verste in. Die nam het op voor alle cultuurpessimisten in den lande en verklaarde min of meer dat het publiek waarschijnlijk te dom zou zijn om te kiezen voor kwaliteit.

De sukkel. Het was een pijl in de rug voor Martijn. Of juist niet. Ik heb er geen verstand van. Het enige wat ik op zo&#0
39;n moment denk is: doe alsjeblieft niet of het publiek hier debiel is.
Los daarvan was de publieksstemming verschrikkelijk spannend. Er werden 4 metingen verricht, om alles zo eerlijk mogelijk te laten verlopen. Eerst werd er op commando geapplaudiseerd voor Daan, daarna twee keer voor Martijn, en vervolgens weer een keer voor Daan. Volgens een ABBA-rijmschema.
Het gevolg was allesbehalve ABBA. Allesbehalve 'zoetsappig doch technisch knap in elkaar stekend'.
Sterker nog, het werd lelijk. En dat was jammer. Want het was tot dan toe een perfecte avond geweest. Georganiseerd door het Poeziecircus, en ik kan het niet genoeg benadrukken, dat dat wat mij betreft fantastisch doet. Het is een vooruitgang vergeleken bij de Wintertuin, toch ook een capabele organisatie. Maar fouten maken blijft menselijk. Bleek.

Wat er gebeurde: de publieke scores van Martijn en Daan lagen na die finale heel dicht bij elkaar. Dat was nog mooi. Eer voor allebei. Maar toen werd er een winnaar uitgeroepen. Door de scheidsrechter van boven, die de applausmeter beheerde. En de winnaar was…. Martijn Teerlinck!
Yes! L en ik vlogen elkaar in de armen, ik kuste haar aan alle kanten, eindelijk een Festina-winnaar!, maar daar gaat het niet om, want los van dat: Martijn Teerlinck! Yes! Ik rende naar het podium wierp Martijn kushandjes toe, Martijns vriendin bestormde hem op het podium, bloemen vielen uit de lucht, overal, de wereld was een grote roze wolk, en ook al mijn vrienden waren gelukkig en en en…
En toen klonk er een BZZZZ. Een zoemend geluid van een overstuurde microfoon.
Het bleek de mike van de scheidsrigter, zoals we Arnoud Rigter, goeie goser overigens, altijd grappend noemen tijdens het NK Poetryslam. Hij zat bovenin de zaal, samen met 4 andere techneuten van de TU Eindhoven. Techneuten die er enkel en alleen voor moesten zorgdragen dat deze avond qua applausmeting onbesproken zou verlopen. Het Poeziecircus, de organiserende instantie van deze avond, had wat dat betreft ieder risico, en elke discussie daaromtrent, proberen uit te sluiten.
"Euh… ja…. Eu.. Doet ie het? … Euhhh. Ja… Euh…"
"Ja, wat is er?" vroeg presentator Alexis vanaf het podium.
"Euh… Tsja, … euhh, het is echt onbegrijpelijk… euh…"
"Wat?" vroeg Alexis.
Tsja, het is echt onbegrijpelijk maar euh… De computer heeft dus een foutje gemaakt…. En dat is echt onbegrijpelijk…., euhh…. maar wat ik dus wil zeggen… euh… Nou ja. Eigenlijk heeft Daan dus gewonnen."
"Wat!?" riep Alexis.
"Euhh… ja, euhh… het is echt onbegrijpelijk, maar het verschil is echt heel klein en euhh… nou ja, euh… dat kon de computer blijkbaar niet aan, en die heeft de resultaten euh.., dus blijkbaar omgekeerd. Dus euh… Het is echt onbegrijpelijk. Ik begrijp er zelf ook niks van."

Uit de categorie famous last words. Nee, sorry, flauw, dat laatste. Want ik geloof heilig in wetenschap. Maar wat ik ook geloof is dat je geen 4 beta's op een rijtje moet zetten. Beta's zijn de zinvolste wezens op aarde, mits je er een pragmaticus naast zet om ze een beetje in goeie banen te leiden. Aan die pragmaticus ontbrak het afgelopen vrijdag tijdens het NK Poetryslam.

Want wat te doen met deze wetenschap? De winnaar is al uitgeroepen, maar eigenlijk, achteraf, zou de ander de winnaar moeten zijn. Bij een voetbalwedstrijd is het duidelijk: dan wordt er gesproken van een scheidsrechterlijke dwaling, vette pech voor de rechtmatigheid. Geen discussie. In de politiek is het ook geen probleem: hertellen, en meeste stemmen tellen. Andere uitslag, maar desondanks ook geen discussie.
Hoe zulks aan te vatten met een poetryslam? Euhh….

Het publiek wist het wel. De oplossing lag zo enorm voor de hand. En er waren vertegenwoordigers vanuit datzelfde publiek die het podium bestormden. Waaronder deelnemer Claudio, en vriend/held M. den Bakker. Ik wou dat ik het zelf had gedurfd.

Ze bestormen de planken! 

Het leek wel het Kurhaus tijdens een optreden van de vroege Stones. Eigenlijk wilden ze maar een ding zeggen: "Er is ook een andere manier."
En in dit geval was dat dan niet: "Geef ons Mick en Keith, en opzouten met jullie burgerlijke kutmaatschappij en jullie opgeschoren bloempotkapsels", maar gewoon een heel relaí protest dat van mening was: "Doe niet zo moeilijk gast, roep die knakkers gewoon ex aeqou uit tot winnaar. Fuck dude, we zijn niet debiel! Poezie kan sowieso nooit een wedstrijd zijn. Maak het allemaal niet zo ingewikkeld gek, Jezus man, wees een beetje down met je ding, of zoiets, weet je."
Enfin. Ze kregen de kans niet. Hun microfoons werden dichtgedraaid. Op zich begrijpelijk. Je wil de mensen de kost niet geven die de grootst mogelijke onzin uit trachten te kramen op de planken, we kennen als slamorganisatoren het verschijnsel. Toch had het in dit geval alleszins geen kwaad gekund.
Maar in plaats daarvan werd haastig overlegd tussen de presentatoren en wat mensen in de coulissen.

Om kort te gaan: Er werd besloten tot een herstemming.
Klappen. En nog een keer.
Toch Daan winnaar.
Lullig voor iedereen. Lullig voor Daan Doesborgh, lullig voor Martijn – 'ik ben ook maar een vogel, een mens met een snavel'- Teerlinck, en bovenal lullig voor het publiek.
Wij vertrokken. Er was nog een ander feestje, in Amsterdam, in Pakhuis de Zwijger, "De Langste Nacht", waar oa vrienden Bernard Wesseling Reve zou doen en Pim te Bokkel Lodeizen. En EJH Mies Bouwhuys niet te vergeten, om 1.50 nog.

Later die nacht bleken Daan en Martijn in Utrecht alsnog ex aeqou uitgeroepen te zijn als winnaar.
Terechte beslissing. Maar hij had sneller gekund. Met het publiek erbij, of zoiets geks. Was voor iedereen toch een stuk minder lullig geweest.

Ik moest denken aan Ellen. Ellen Deckwitz. En aan de moeder. En aan de politie-agent. En wat voor een mooi gedicht dat was.
 

 

Quotes NK Poetryslam 2010

Aanstaande vrijdag 10 december is het weer zover. Dan vindt de finale van het NK Poetryslam plaats in Tivoli de Helling te Utrecht. 9 kandidaten, 3 juryleden en een bomvolle zaal als publiek.

En traditiegetrouw ga ik hier op plukdenacht mijn quotes afgeven tegen welke gewed kunnen worden op de kandidaten. Dat doe ik elk jaar. Gewoon, omdat ik dat leuk vind. En ook omdat ik zelf altijd, als ik iets over een toekomstige eventualiteit wil weten, als eerste kijk of bookmakers er iets over te melden hebben. Want bookmakers hebben het vaak bij het rechte eind. Bijna net zo vaak als de inmiddels overleden Octopus Paul.
Maar ik doe het ook omdat ik wel eens pretendeer verstand te hebben van slampoezie. En vind dat je na zo'n bewering ook met de billen bloot moet. Ik bedoel: dat je gevoeglijk mensen die het niet met mijn inschatting eens zijn, een faire kans moet geven hun hogere inzicht om te zetten in keihard geldelijk gewin, dat direct ten koste gaat van de bankrekening van eigenwijze ondergetekende.

Wie niet kan wachten en direct de quotes wil zien, raad ik aan het volgende gedeelte te skippen, en meteen helemaal naar onderen te scrollen. Maar voor geinteresseerden volgt nu eerst een kort verslag van hoe de diverse kandidaten in de NK-finale terecht zijn gekomen. Ik zou zeggen: doe er je voordeel mee. Hoe fragmentarisch dan ook, elke informatie is kennis, en kennis is wellicht geld.

Afgelopen maandag vonden de halve finales plaats. Verspreid over 3 locaties (cafe de Bastaard, cafe U-rock en cafe de Kargadoor) streden 24 deelnemers, die zich via een van de landelijke slams hadden gekwalificeerd, om de 9 fel begeerde finaleplaatsen.

Ik ben op alle drie de locaties wezen kijken. Rende continu over de Utrechtse grachten heen en weer om zo min mogelijk van de spectaculaire ontwikkelingen te missen. Want een spektakel was het. Georganiseerd door het Poeziecircus, dat het wat mij betreft weer fantastisch heeft gedaan. Goeie locaties, dicht bij elkaar, gezellig, klinkende jurynamen, en genoeg promotie verricht om de nodige aanloop te genereren.

 Ik begon de avond in de Bastaard, waar oa mede-Kring-presentator Diana Ozon in de jury zat, Festina-presentator Sander Meij de boel aan elkaar praatte en voormalig NK slamkampioen Bernhard Christiansen op het podium mocht aantreden, alsmede misschien wel de beste verse slammer van Nederland: Daan Doesborgh. Ik zag Bernhard een geweldige eerste ronde weggeven, Daan eveneens. Ik dacht: dat komt wel goed, hier waarschijnlijk geen verrassingen, ik ga door naar cafe U-rock, waar mijn eigen lieve Festina-kandidaten (Martijn Teerlinck en Marcel van Dijk) acte de presence moesten geven (en tevens Kira Wuck, die eigenlijk ook een beetje van Festina was, en Boris de Jong, een Festina-vriend) om ze te ondersteunen in hun 2e ronde. De ronde die deze avond de belangrijkste was, want daarin werd bepaald wie zich wel of niet kwalificeerde voor de NK-finale op vrijdag. In de jury zaten hier o.a. Chretien Breukers (van uitgeverij en website de Contrabas) en Alfred Schaffer (van uitgeverij de Bezige Bij).
Toen ik binnenkwam in het stampvolle cafe was de eerste ronde zojuist afgelopen. Ik begroette Marcel van Dijk. "Goeie biografie had je", zei ik. En dat was waar. Zijn biografie op de site van het NK Poetryslam startte met de zin: 'Marcel van Dijk, geboren 1965 te Hoofddorp, tegenover de Gereformeerde Begraafplaats (± 3.000 graven).'
"Dank je", zei Marcel in zijn zwarte kleren en met zijn doodsbleke grijnzende gelaat.
Hij was evenwel niet door naar de 2e ronde. Ook Finse immigrante Kira Wuck niet, tot mijn spijt. Nog te onrijp volgens de jury. Ze hadden in die zin een punt, dat ze Boris en Martijn wel door lieten gaan. En die leverden vervolgens beiden in de 2e ronde een topprestatie. Vooral het 3 minuten durende gedicht van Martijn was subliem. Het had ritme, het had halfrijm, het had visie en driedubbele gelaagdheid. Fenomaal voorgedragen bovendien, door de Joodse jongen met de snor.
Laatste twee gingen dan ook goddank door naar de NK-finale.
"Uitstekende keuze", zei ik terwijl ik, wellicht een beetje notdone, met mijn zatte kop jurylid Alfred Schaffer op zijn schouder tapte.

Vervolgens door naar de Kargadoor. Voor de deur begroette ik Jolies, die buiten stond te roken en die dag ervoor de 'zoutste slam van Nederland' had gewonnen, de 'Slam by the Sea' te Vlissingen, waardoor ze zich als laatste kandidate voor deze halve finales gekwalificeerd had.
"En?" vroeg ik, "ben je door naar de finale?"
"Pfff", zei ze, en dat zei ze niet omdat ze rook uitblies.
Binnen begroette ik de dichters Pom Wolff, Jeroen Naaktgeboren, Martin Aart de Jong en Han Ruijgrok.
"Is het wat?" vroeg ik, "hier, vanavond?"
"Hmmm", hmm-den ze, niet al te vrolijk.
"Wie is er door naar de finale?" vroeg ik.
"Dat krijgen we zo te horen", zei iemand.
Ik liep de zaal in. Begroette mijn 2 favoriete dichters uit de kandidatenlijst van dit podium; Justin Zaaijer en Daniel Vis.
"Hoe ging het?" vroeg ik.
"Goed", zeiden ze.
"Dus jullie zijn door?"
"Dat krijgen we zo te horen."

We kregen het te horen. Van de jury. Ze waren niet door.
"Kut", zei ik.
Maar de jongens waren sportief. Ze applaudiseerden voor de 3 kandidaten die wel door mochten.
En die voor de vorm nog een battle-tje mochten doen, Peter Knipmeijer en ouwe trouwe Jeroen. En Hanneke van Eijken was door het publiek gekwalificeerd als de derde afgevaardigde voor vrijdag.
"Jezus", zei ik, "Als jullie niet meedoen hoef ik die battle niet te zien, enfin, ik ga weer terug naar de Bastaard, kijken wie er daar door zijn."

De halve finales van het NK Poetryslam zijn als de Amerikaanse trials voor de Olympische Spelen: er zijn zoveel goeie kandidaten dat er onvermijdelijk een paar favorieten sneuvelen. En soms piepen er mensen tussendoor waarvan je bij voorbaat al weet dat ze kansloos zullen zijn.

Terug in de Bastaard bleek ik net op tijd voor de finale-battle. Tussen Daan Doesborgh en Claudio Ritfeld. Wie? Claudio Ritfeld. Een schattige geengageerde jongen, maar tevens eentje die geen goed lopende zin uit zijn mond weet te krijgen. En nog beroerder in grammatica is, dan mijn eigen persoontje na 26 pils.
"Wat is er gebeurd!?" vroeg ik aan L., "waarom is Bernhard niet door!?"
"Hij had maar 1 stem van het publiek", verklaarde iemand.
Vreemd.

Enfin, zo zie je maar: ik weet ook niet alles, laat staan dat ik de toekomst kan voorspellen.
Toch ga ik het wagen.

Nog even een paar spelregels:

1. Ik wil het wel leuk houden, dus wedden mag, maar dan alleen middels een bevestigde email van beide kanten (mailen kan via het mailformulier op deze site), om niet al te hoge bedragen (10 euro inzet van jouw kant, max).
2. Het boekkantoor sluit vrijmiddag (10-12-2010) om 14.00. Alle niet wederzijds bevestigde weddenschappen komen na dat tijdstip te vervallen.

Ten slotte nog de opmerking dat deze quotes niets te maken hebben met mijn persoonlijke smaak, maar louter zijn gebaseerd op mijn inschatting van de kansen.

Okay, hier zijn ze dan. De onvervalste plukdenachtquotes van het NK poetryslam 2010:

Nk Daan 
vlrn, vbnb: Daan, Hanneke, Boris, Peter, Wibo, Saskia, JeRoen, Claudio, Martijn.

Daan Doesborgh (Slam Leeuwarden)                           1:2
Boris
de Jong (Poëzieslag Leiden)                                 1:3
Martijn Teerlinck (Festina Lente Amsterdam)             1:4
Peter Knipmeijer (Slamersfoort, Amersfoort)               1:5
Jeroen Naaktgeboren (Poëzieslag Leiden)                   1:8
Wibo Kosters (Slampionship Enschede)                     1:10
Hanneke van Eijken (Dicht-Slam-Rap Boxtel)              1:15
Saskia van Leendert(PSKG, Velp)                                 1:20
Claudio Ritfeld (NoorderZlam Groningen)                   1:30

Wat zoveel betekent als: Zet 10 euro in op Daan en als ie wint krijg je er 20 terug
Kortom: Je kan dus zelfs 290 euro winnen!

In de jury zitten trouwens dichter Esther Jansma, NRC-recensent Ron Rijghard en programmamaker Arie Boomsma (zie ook www.poetryslam.nl)
Dus wie zal het zeggen.

Om te wedden: mail me. Ik zou zeggen: maak me blut!

Kantoortuin

In het Parool van afgelopen zaterdag stond een stukje over de wetenschappers van het Roeterseilandcomplex (Universiteit van Amsterdam) die binnenkort hun individuele kamers zullen moeten opgeven, en daarvoor in de plaats hun heil zullen moeten zoeken in een grote kantoortuin. Argument van het management: kostenreductie. Hun eenvoudige onderbouwing van deze besparing was: muren nemen ruimte in, dus als je die weghaalt kun je meer medewerkers kwijt in hetzelfde gebouw. Tadaah! Dus… Nog vragen? Tevreden leunden de managers achterover in hun luie stoelen. Begrotingstekort ook weer gefikst, zag je ze denken.
En op zich is er ook geen speld tussen te krijgen, deze redenering. Hij is simpel en druist tegen geen enkele wet van de exacte logica in. Toch schreeuwden de betreffende wetenschappers moord en brand in de krant.

"Heel begrijpelijk", hoorde je diezelfde managers denken; "zou ik ook doen als ik zo'n lollig eigen kamertje moest opgeven. Jullie holletjes met die schattige uitpuilende boekenkasten, die door paperassen verzwolgen bureaus en als kers op de taart die charmante verdorde kamerplanten. Heel professoresk allemaal, heel uitgekiend ook, om niet te zeggen doortrapt, zo'n omgeving die in al zijn voegen uitstraalt: hier vindt het hogere nadenken plaats, hier wordt keihard gewerkt, en als het even meezit kom ik begin volgende week met een mogelijke oplossing voor kanker op de proppen, maar laten we wel wezen: zo'n werkomgeving is natuurlijk niet meer van deze tijd."
"Ja maar…" riepen de wetenschappers.
"En iedereen moet bezuinigen, dus jullie ook", onderbraken de managers.
"Ja maar…" riepen de wetenschappers.
"Eigen kamers, dat moeten we gewoon niet meer willen met zijn allen", kapten de managers de discussie af, en trokken zich vervolgens als in een moderne variant van Orwells 'sommigen zijn iets meer gelijk dan anderen' weer terug in hun eigen kamers.

Ik las gisteren het begin van het artikel in het Parool en begon direct te mijmeren. Een eigen werkkamer, wow. Dat was lang geleden. De enige echte eigen werkkamer die ik in arbeidsverband heb gehad was tijdens mijn stageperiode bij de Adviesraad voor het Onderwijs. Mooie tijd was dat. Ik kreeg als gewone student de beschikking over een ommuurde ruimte van pakweg 20 vierkante meter, met een bureau, een telefoon, een asbak(!), een meterslange rij boekenkasten en zelfs twee zitbanken en salontafel om 'gasten te ontvangen'. In Utrecht, hartje Centrum. Vooral de telefoon was mijn vriend. Het eerste wat ik deed was gratis iedereen bellen die ik kende. Vooral personen die ik al maanden niet had gesproken omdat ik als arme student bier belangrijker vond dan de PTT mijn financiele situatie daarvoor niet toereikend had geacht.
"Ja hallo?"
"Hallo Oma, met Sven!"
"Ach gut, wat leuk jongen, dat je belt! Hoe is het ermee!"
"Ja goed! Hard aan het werk! En met u?"

Voor de rest dronk ik ontzettend veel gratis koffie, rookte me te pletter, en o ja, werkte als een bezetene. Serieus. Ik leverde als 23-jarige artikelen af die wellicht zelfs tot in de hogere regeringskringen werden gelezen. Op de kamer naast me zat *******, de rechterhand van toenmalig minister van Onderwijs, Deetman. Hij kwam regelmatig buurten. Dan nam ie plaats tegenover me op een van de zitbanken en vroeg of ik misschien nog iets nieuws had. En dan zei ik dat het nog niet helemaal af was.
"Kom op, voor de draad ermee", zei ******* dan
En gaf ik 'm een paar vers uitgeprinte A4-tjes.
Ja-knikkend las hij ze door. "Sven, helder! Potverdorie, volgens mij ben jij hier de enige in het gebouw met verstand van cijfers en financien."

Wat ik wil zeggen: ik deed eigenlijk al aan het 'Nieuwe Werken' in het vorige millenium. Ik combineerde werk en prive op de arbeidsvloer, met glanzende resultaten en vreugde voor iedereen. Het enige wat ik er voor nodig bleek te hebben was een eigen kamer.

Daarna heb ik zo'n eigen kamer nooit meer gehad. Wat dat betreft is het er in mijn loopbaan niet op vooruit gegaan. Bij Robeco, mijn eerste echte werkgever, was het allemaal nog goed te doen. Samen met Roel E*****, een Hagenees met navenante oerhumor (standaard luidkeels "kijk uit, daar heb je hem!", als er iemand onze kamer binnen liep), beschikte ik over een afgesloten tweepersoonsruimte van 15 vierkante meter. Met asbak. We keken van de zevende verdieping van onze wolkenkrabber uit op de Erasmusbrug die op dat moment werd gebouwd. We maakten lange dagen, zoals dat hoort in arbeidersstad Rotterdam. Wij waren de werkverdelers. Wij moesten de klussen efficient verspreiden over het beschikbare personeel. We waren ervoor geknipt. Wij kenden iedereen van haver tot gort. Bij ons kwamen ze immers hun sigaretje doen, bij ons kwamen ze een van Roels moppen aanhoren, maar vooral kwamen ze bij ons hun hart uitstorten. Bij ons kwamen ze vertellen dat ze in een scheiding lagen, hun moeder terminaal ziek was, of dat ze verliefd waren op een collega. We waren bijkans maatschappelijke werkers. En we hanteerden gevoeglijk de optimale menselijke maat bij het werkverdelen.
Had zonder die private tweepersoonskamer nooit gekund.

Bij mijn volgende werkgever, de ICT-afdeling van de AEX in 1998, kwam ik voor het eerst in een kantoortuin avant la lettre terecht. Het was een van de eerste bezuinigingen op kantoorruimte. Een donkere zweterige bedoening op de zolderverdieping van een pand aan de Herengracht. Nul ramen, twee computers per vierkante meter. Het programmeursequivalent van een legbatterij. Met asbakken, dat nog wel. Wat volgde waren de dagen dat de computersystemen van de beurs om de haverklap plat lagen. De economische schade was gigantisch. Niemand van ons kon het iets schelen. Het enige moment van de dag waar door de programmeurs naar uit werd gekeken was lunchtijd, het moment dat het transpiratiehok kon worden verlaten en er drie verdiepingen lager in de kantine opgelucht in een broodje kroket kon worden gebeten.
Dat dit niet goed ging, besefte ook het management. We verhuisden naar een groter pand in de Nes.
Eindelijk iets meer ruimte. Eindelijk daglicht en eindelijk kon je je dingetjes doen zonder dat je bekertje koffie verstrikt raakte in de muisdraad van een collega. Maar het was wel nog steeds een kantoortuin. Iedereen kon op elkaars beeldscherm kijken, en daar worden mensen nu eenmaal zenuwachtig van.
Vooral de wat mindere goden onder de werknemers, in dit geval programmeurs.
"Wat zie ik, ga je daar zo'n ouderwetse stored procedure voor maken?", zegt dan zo'n wizz-kid, "weet je soms niet dat daar in Oracle inmiddels een build-in voor bestaat die..", etc.
"Prachtig!" zou een manager zeggen, "leren van elkaar op de werkvloer!", maar in de praktijk werkt het averechts. Zo'n mindere god is, heel menselijk, als de dood voor zijn baantje. Wat er gebeurt is dat ie in eerste instantie in zijn schulp kruipt, maar daarna gaat ie uit paniek het soort hooi op zijn vork nemen waar ie geen verstand van heeft, en vervolgens maakt ie enorme fouten. Als klap op de vuurpijl gaat ie die ook nog eens verdoezelen, waardoor de uiteindelijke ellende niet meer is te overzien.
Zo ging het bij de AEX alleszins, destijds in het jaar 2000. De Amsterdamse beurs lag vaker plat dan ooit.
De mananagers werden er uit gedonderd, er kwamen nieuwe voor in de plaats. Ze kwamen met een goed voorstel: opnieuw verhuizen. Dit keer naar het pand boven de C&A aan het Damrak, tegenover de werkelijke beursvloer.
We kregen weliswaar geen eigen kamers, maar wel werkplekken waarbij niemand op elkaars beeldscherm kon kijken. Ideaal. Op slag ging het een stuk beter. We konden eindelijk uit de voeten. Het ging zelfs zo goed dat er op een gegeven moment geen flikker meer te doen was. We were up and running, and it was here to s
tay.

In de maanden erna kwam iedereen nog plichtmatig opdagen. Maar langzamerhand werden er stiekem door de programmeurs steeds meer potjes patience gespeeld op de computer. Zelf begon ik op mijn werk gedichten te schrijven. En op een bepaald ogenblik begon ik zelfs aan een roman.
Mooie tijd. Liepen er mensen oeverloos te kwekken aan de overkant van mijn bureau en moest ik, ingehuurd voor 250 gulden per uur door de AEX, de neiging onderdrukken om niet te schreeuwen: "Kunnen jullie alsjeblieft allemaal even jullie kop dicht houden, ik probeer hier godverdomme een boek te schrijven!"
Wat ik wil zeggen: als je als bedrijf een dergelijke situatie op je ICT-afdeling hebt weten te bewerkstelligen, dan heb je het extreem goed voor elkaar. Dan loopt alles gegarandeerd op rolletjes.

Lang mag zoiets natuurlijk nooit duren. Als het ergens goed gaat, dan wekt dat helaas onvermijdelijk de belangstelling van derden. Dus werd de oudste (400 jaar) beurs ter wereld overgenomen door Parijs en de AEX na de 'fusie' tot Euronext gedoopt. En hoewel ik gek ben op Frankrijk, en Parijs in het bijzonder, er kortom totaal geen bezwaar tegen zou hebben om in het een of andere arrondissement te resideren, maakte ik op dat moment werktechnisch toch de pleiterik en verkaste ik zes jaar geleden naar de ABNAMRO.

Daar werk ik nog altijd. Dus wil, en vooral mag ik daar eigenlijk nog steeds niets over zeggen. Het is immers tegenwoordig een overheidbedrijf, en voor je het weet heb je a la Julian Assange van Wikileaks de veiligheidsdiensten achter je aan.
Dus ik hou mijn bek. Behalve misschien dat ik wil opmerken dat ik het een paar maanden geleden zonde vond van mijn capaciteiten dat ik op de mij toebedeelde plek in de kantoortuin moest aanschuiven. De plek pal naast de drukbezochte mannen-WC, vlak voor een van de schaarse koffie-automaten, met bovendien de doorlopend ratelende afdelingsprinter in mijn nek, en continu 40 man die op mijn beeldscherm kunnen meekijken.
"Hallo", zei ik tegen mijn leidinggevende, "hier kan een normaal mens toch niet functioneren?"
"Jawel hoor", zei mijn leidinggevende, "ik kan het toch ook?"
"No further questions" wilde ik zeggen, of "rest my case", maar dat zei ik niet. Ik nam plaats op de plek in de hel.
Er kwam geen fuck uit mijn vingers. Ik kon me niet concentreren.
Het enige wat ik kon doen was simuleren dat ik aan de arbeid was.
Dagenlang doelloos door computercode heen scrollen.
"Zie je wel dat het heel goed gaat!" zei mijn leidinggevende toen ze een week later onverwacht over mijn schouder meekeek.
Ik knikte gedwee.
Ondertussen liep de zaak in het honderd. De staat was hard bezig ongewild diverse incassobureaus tot hoge navorderingskosten te dwingen ten laste van de schatkist.

De dag daarop besloot ik het initiatief in eigen hand te nemen. Een kantoortuin verderop was al een week lang een bureaublok onbezet. Ik nam eraan plaats. Eindelijk rust. Geen rinkelende telefoons van collega's, geen ratelende printer, geen gelul bij de koffie-automaat. Relatieve stilte. De mogelijkheid tot concentratie. Ik loste enkele ingewikkelde, doch urgente problemen in de systemen op.
Toen werd ik op mijn schouder getapt.
Het was mijn leidinggevende.
"Waarom zit je hier?" vroeg ze.
"Hier is ook plek", zei ik, "veel betere plek bovendien."
"Dat zie ik", zei ze, "maar dat was niet mijn vraag. Waarom zit je niet op je eigen werkplek?"
"Omdat ik me daar niet zo goed kan concentreren", zei ik.
"Waarom niet?"
"Vanwege de herrie."
"Mmmm", zei ze.
… zei ik.
"Het lijkt me toch beter als je wel gewoon op je werkplek gaat zitten", zei ze toen, "tot straks."
Daarna liep ze weg.
De autoriteit had gesproken.

Ik snap de wetenschappers van het Roeterseilandcomplex. En alle bezwaren die ze aandragen tegen een kantoortuin. Alle wetenschappelijke onderzoeken waarin 97% beweert dat ze zich minder goed kunnen concentreren. En ik geloof ook die 88% die denkt dat ze minder produktief zijn. Maar helaas kunnen ze niet op tegen de simpele redeneringen van hun superieuren. Omdat ze het niet gewend zijn, dat denken zonder nuances. Schrikken ze van.
Los daarvan hebben de wetenschappers natuurlijk gewoon gelijk. Kantoortuinen zijn een drama. Ze verenigen het slechte van het kapitalisme (doorgeschoten efficientie-bejag) met het slechte van het Sovjet-communisme (doorgeschoten controle en autoritaire geldingsdrang, om nog maar te zwijgen van de obligate eufemismes, ik bedoel kantoortuin).
Misschien, maar die stelling opper ik uiterst voorzichting, zijn kantoortuinen exemplarisch voor het pad dat we nu, maintenant, heute godverdomme, om met die ouwe trouwe van het Groenewoud (what's in a name) te spreken, in onze maatschappij heden ten dage aan het bewandelen zijn.