Klaverjassen

"Weet je waar ik weer eens zin in heb?" vroeg mijn beste vriend me een paar weken geleden.
"Nou?" vroeg ik.
"Een ouderwets klaverjasavondje."
Ik knikte. Dat was nou nog eens een goed idee. De laatste keer was alweer pakweg 6 jaar geleden. Een memorabele avond in de winter van, wat zal het zijn geweest, 2004? Ik en 7 andere (ex)Tielenaren hadden ons verzameld in het huis van Johan in Kapel-Avezaath (gehucht naast Tiel) en het enige wat ik er nog van weet is dat we een deftig aantal pils hebben gedronken en op het laatst niet meer wisten wat het verschil was tussen harten ('hartus') en schoppen ('schuppes') en verder dat we met onze dronken koppen voor de gein de halve wintervoorraad hout uit de schuur van Johan hebben opgestapeld in de open haard, tot hoog in de schoorsteen, en er vervolgens de fik in hebbben gezet. Gewoon. Omdat het kon. En om te kijken wat er in zo'n geval gebeurt.
Leuk was dat. De open haard ontplofte zowat. Het werd zo heet dat 5 meter verderop de plastic schaaltjes borrelnootjes smolten op tafel. En wij, wij lagen met acht man te kronkelen op de vloer van het lachen.
De volgende ochtend werd ik (ik was blijven logeren) wakker van een gil. Afkomstig van de vriendin van Johan, die thuis kwam (zij was die avond ervoor naar haar moeder uitgeweken). Alles binnen 3 meter in de omgeving van de open haard bleek te zijn zwartgeblakerd. De vriendin van Johan vond dat niet zo grappig.

"Want hoe lang is het niet alweer geleden dat we voor het laatst een kaartavondje hebben gehad?" vroeg mijn beste vriend.
"6 jaar", zei ik, "bij Johan."
"O ja", grijnste mijn beste vriend, "dat was toen met die open haard!"
Zo zie je maar. Meubels zijn tijdelijk, een goed verhaal is voor eeuwig.

Mijn beste vriend stuurde een week later per email een uitnodiging rond, die hij heel crea bea in elkaar had gecomputerd. Bovenin een schattig plaatje van alle 4 de boeren uit het edele klaverjasspel,

Boereh! 
  

 en daaronder de tekst, waarin strofes als:
"De huiskamer van ****** nr ** (het adres van mijn beste vriend) is tijdelijk een horecagelegenheid van minder dan 70 vierkante meter, zonder personeel, dus we mogen roken van Geert!"
Ook had hij er heel aandoenlijk klaverjascitaatjes doorheen gefrobeld in de kleuren van de Sovjet-vlag, tevens de huisstijl van onze voormalige band Turn Left: rood met gele symbolen/tekst. Waaronder ook zijn eigen beroemde onliner over troef maken (eentje met een hoog 'famous last words'-gehalte):

Hartus 
Waaruit ook meteen bleek dat plat Tiels de voertaal zou wezen, maar dat sprak voor zich.

Ook meldde hij te gaan zorgdragen voor de 'pilzen' en de 'knacworsten'. De uitnodiging was zo uitnodigend dat zelfs Andre Hazes er spijt van zou hebben dat hij in de hemel zit en niet daar, op onze klaverjasavond.

Gisteravond, half 8, was het zover. Zijn vrouw en twee dochters had mijn beste vriend het huis uitgestuurd, dat is nou eenmaal de traditie, die moesten maar ergens anders logeren. Dit was een mannenavond. Met mannendingen. Bier zuipen en vettige dingen schrokken. Boeren en scheten laten (begroet met standaardopmerkingen: "goed gesproken Albert", en voorzien van standaardrepliek: "Dank je, vertel jij ook eens wat over jezelf") en voor de rest klaverjassen. Het wachten op de andere tafel, die eindeloos lang doet over een boompje, opvullen met gezamenlijk kijken naar Poolse porno op de computer, het hoort er allemaal bij, en er was allemaal in voorzien door mijn beste vriend.

Zo is ie. De perfecte gastheer. Die middag had hij me nog gesms-t: "Welke muziek wil je graag horen vanavond?".
"The Cream" had ik gereplied.
"Uitstekende keuze", tekste ie terug, "welke CD, euh LP?"
Mijn beste vriend schept er lol in om mij waar het kan te confronteren met mijn voorliefde voor het nostalgische, maar dat terzijde. Hij bleek dus gisteravond van iedereen, alle 8 aanwezigen, de favoriete muziek te hebben gedownload, en die liep als een soundtrack door de avond heen. Kom daar maar eens om in een sterrenrestaurant.

Ik kreeg slechte kaarten gisteren. Het zat niet mee. Ik verloor een hoop potjes, ben vaak nat gegaan. Tot het laatste boompje. Toen speelde ik dankzij het ingenieuze roulatiesysteem eindelijk samen met mijn beste vriend. We hebben in dat boompje de beste twee spelers van de avond naar huis gekaart. O.a. dankzij zijn aloude motto: "Agge ut nie mher wit, altijd hartus!"

Maar, en dat snappen jullie lieve lezers natuurlijk ook wel, daar gaat het niet om. Het gaat niet om het kaarten. Het gaat, zoals mijn beste vriend het zou zeggen: om het prettige samenzijn.
Ik neem jullie even mee naar het eind van de avond. De voorzitter van Appelpop tuurde al een tijdje naar de bodem van zijn 3e fles wijn en constateerde na enig wikken en wegen dat ie leeg was.
"Hebbie ergens nog een flessie wijn over, I.?" vroeg ie aan mijn beste vriend, gevolgd door een soort van schuldig grinnikkend gemompel, waarmee ie zijn vragen vaak gepaard laat gaan.
"Hoe laat is het eigenlijk?" vroeg iemand.
Het was het teken voor een ander om voor het eerst op een horloge te kijken.
"Jezus", zei de horloge-kijker, zichtbaar geschrokken, "hoe laat denken jullie dat het is?"
"Weetikveel", zeiden we massaal.
"Nee, serieus, wat denken jullie", vroeg de horlogekijker.
"Ik denk iets van half 12", zei ik naar waarheid, qua stukje eigen gevoelsbeleving en persoonlijke emotie-ervaring.
"Zoiets ongeveer", zeiden de anderen.
"Of misschien 12 uur", zei een andere stem.
"Hooguit", zeiden we.
"Hoezo?" vroegen we aan de horloge-kijker.
"Het is al veel later", zei ie.
"O ja?"
"Ja."

Het bleek 6 uur 's ochtends.

Wat zal ik zeggen? Time flies when etc. Enfin. Iedereen schrok zich de tering en het gros taaide af. Er werden haastig taxi's gebeld, fietsen ontgrendeld en bovenal werd er druk getelefoneerd naar wederhelften. Zes uur 's ochtends was niet de bedoeling geweest. Er vlogen een hoop smoezen over het netwerk.
De mooiste vond ik: "Ja sorry schat, ik moest schijten en het zat een bietje vast."
Die arme jongen zat nog helemaal opgesloten in de geest van de avond. Hij ondervond overigens weinig begrip van het thuisfront.

Ik bleef over met mijn 2 beste vrienden. We plopten nog een pils open.
"Godallejezuszeg", zei A., terwijl ie een shaggie van me draaide (hij is al 10 jaar gestopt met roken) en een filtertje rolde van mijn Rizla-karton, "het wordt al bijna licht!"
"We hebben een mooi leven", constateerde mijn beste vriend.
Een waar woord.
We proostten. En omhelsden elkaar gedrieenlijk.

Om half 8 fietste ik het tuinpad van mijn moeder op, ging bijna op mijn bek in de Hortensias doordat mijn moeder uit het raam keek en zwaaide. Ik zwaaide terug, en dat bleek een verdomd ingewikkelde manoeuvre in dronken toestand. Maar ik bleef overeind en parkeerde het rijwiel netjes naast de blauwe kliko voor het papier.
Nadat ik met veel gehannes het sleutelgat van de voordeur succesvol wist te penetreren met mijn geleende exemplaar en de huiskamer binnen waggelde, vroeg ik: "Al wakker?"
Ik vond dat een erg intelligen
te vraag van mezelf op dat moment.
Het was in ieder geval beter dan: "Hebbie misschien nog een pilsie koud staan, grmlgrhaahmmmm?" of "ja sorry mam, ik moest …", etc.
"Nee", zei mijn moeder, "maar ik ben blij dat je thuis bent."
"Moet je nog pitten dan?" vroeg ik.
"Ik heb het al geprobeerd", zei mijn moeder, "en ik heb ook al wel eventjes geslapen, maar niet echt vast, en ik moet om kwart over 8 op, want ik heb dat fietsdagje met ***, dus ik heb nog 3 kwartier."
"…"
"Ik ga te bedde", stotterde ik.
"Zou ik maar doen. Welterusten", zei mijn moeder, en tapte een espresso.

Mijn lieve moeder.

De volgende dag, vandaag dus in feite, werd ik om half 4 wakker. Het was ondanks het winterweer nog steeds licht. Ik voelde me vrolijk. Ik voelde me opperbest. Ik stapte onder de douche, zong luidkeels schunnige Tielse liedjes tussen de galmende tegels, niemand die me horen kon, droogde me af, liep naar beneden, prepareerde een cafe lungo/ stouwde het blauwe cupje sterkte 6 in de Nespresso-machine, dronk 'm op en werd wakker.
Godverdomme, ik ben nog steeds dronken, dacht ik.
Ik stapte desondanks in mijn Volvo 440. Ik moet iets eten, dacht ik, ik moet iets vets. Ik reed naar de McDrive bij afslag Tiel West, kon de praatpaal niet vinden en vond mezelf terug bij loket 1.
"Sorry, ik heb de paal gemist", zei ik.
De MacDonaldsjongen glimlachte: "Geeft niet", zei ie, "het is toch niet druk, wat mag het zijn?"
"Een hamburger", zei ik.
Bij loket 2 kon ik een hamburger krijgen.
"Waarom niet hier bij loket 1", vroeg ik.
"Nu alstublieft niet moeilijk doen, meneer", zei de jongen met een glimlach.
Ik zei: "Okay."
Ik reed naar loket 2. En kreeg een hamburger. Daarmee reed ik de A2 op. Ik vind het tegenwoordig een geweldige weg. Bij Tiel is ie 4-baans. Na Utrecht wordt ie zelfs 5-baans. Ideaal. Ik ben een linkse jongen, maar op dagen als deze kunnen ze wat mij betreft niet genoeg asfalt neerplempen. Links, rechts, alle ruimte. Als in Amerika. Normaal vind ik dat een kutland, maar van snelweggebruik hebben ze verstand. Het 'Keep your lane'-principe. Hou ik van. Je moet er inderdaad wel de ruimte voor hebben, maar dan heb je ook wat. Rust en veiligheid. Ik heb nul keer mijn voet van het gaspedaal hoeven halen. Nul keer hoeven te remmen. Gewoon steady 120 rijden en na Everdingen 100. Tussendoor nog even een Cafe Latte gevat bij Shellstation Lingehorst, ter hoogte van Culemborg. Dit alles tegen het licht van een ondergaande zon. Het was schitterend. Mijn geluk kende geen grenzen. Ik vond de kerk van Beesd de mooiste ter wereld, ik zag god in de mast bij Lopik, ik verzon onderweg wel duizend Lucky Luke's strips bij elkaar.
Ik besef dat dit fout klinkt, en dat is het ook, maar niks rijdt lekkerder dan op een restpromillage. De overpeinzingen, de fantasieen, maar vooral de vrijheid. Beats the trein. En ik was ook nog eens binnen een uurtje thuis.

Bij Lingehorst trouwens ook nog wat vers open haard-hout gescoord. Ik stapelde de houtjes op het rooster toen ik thuiskwam op de Wilhelminastraat.
"Was het leuk in Tiel?" vroeg L.
Ik zette de brand in de houtjes.
"Jazeker", zei ik.

Ik heb een mooi leven.

Advertisements

Johan, kom er maar in

3 fictieve tweets van Cruijff over Ajax-Real Madrid:

– Vernederd worden is natuurlijk een afgang, maar dat is logisch. Maar ja,  je heb een bestuur wie geen voetballers kent.  #ajaxreal

– Ik zeg altijd 1 keer raken. Dat zeg ik. En dat is natuurlijk heel wat anders als 0, hetgeen Ajax vanavond mee te maken heb.  #ajaxreal

– Kijk, hun hebben natuurlijk zo'n Ronaldo, wie kwaliteiten heb, dat staat buiten kijf, maar ik zeg: bijt die dan eens in z'n nek. #ajaxreal

 

Hogevecht

Als het tegenwoordig regent of koud is, of allebei, dan ga ik met de auto naar mijn werk. Vroeger niet. Vroeger ging ik door weer en wind op de fiets, zelfs als het 15 graden vroor of stormde met windkracht 128 (voor generatiegenoten: ik weet het, die laatste hyperbool is gejat uit de Stratenmakeropzeeshow: "Ja jongens en meisjes, ik weet nog goed dat wij de Straat van Gibraltar moesten aanleggen, er stond toen windkracht 128, het ging danig te keer", etc), maar sinds ik veertiger ben permitteer ik mezelf de luxe om in voorkomende gevallen met mijn ouwe trouwe Volvo 440 naar de ABNAMRO in de Bijlmer af te reizen. Je moet ouder worden nu eenmaal een beetje gezellig maken voor jezelf.

Zo ook afgelopen week, toen de regen van geen ophouden wist.
Omdat parkeren in de eigen garage van het ABNAMRO-gebouw onmogelijk is (lees: enkel voorbehouden aan invaliden, zwangere vrouwen en het management) parkeer ik mijn auto op zulke dagen in de gratis parkeergarage Hogevecht, op slechts 10 minuten lopen van ons kantoor. Een mooi wandelingetje dat voert langs achtereenvolgens het pitoreske flatcomplex Hogevecht (wel altijd even uitkijken dat er geen vuilniszak van 8 hoog in je nek ploft), een fietspad (tevens gebruikt door opgeschoten gosers in muziekpompende auto's) en een kinderdagverblijf (oppassen dat je niet per ongeluk al te brutaal een jongetje van 4 aanstaart, want dan spuugt ie met vlammende ogen op je jas, respect weetjewel).

De voettocht eindigt na een viaduct waaronder steevast een cyperse kat zit. Een kat met ontzettend bange ogen, maar ook een lieve kat. Als ik 'm aanhaal komt ie tegenwoordig spinnend naar me toe. En dan krabbel ik 'm even over zijn kop, achter zijn oren en onder zijn kin. Ik noem hem Oscar. Geen flauw idee waarom. Misschien omdat ik hem een filmheld vind, of zoiets. Anyway. Na een finale aai over zijn rug zeg ik Oscar gedag en loop ik onder de poort in het hekwerk van de ABNAMRO door. Het is geen verkeerd begin van de werkdag.

De terugtocht is beroerder. Want dan is het donker. Oscar is 's avonds in geen velden of wegen te bekennen. Onder het viaduct is het vochtig en ruikt het 's avonds naar schimmel. Het kinderdagverblijf is uitgestorven, over het fietspad rijdt niemand meer. Bij de flat kun je in het donker de vallende vuilniszakken niet meer zo goed zien aankomen, dus loop ik meestal om, via de andere kant, de achterzijde van het complex.

En daarna komt het. Dan moet ik de parkeergarage in, de trappen op. Normaal geen probleem, behalve dat het er ontzettend donker is, en enorm naar urine stinkt, maar echt unheimisch heb ik me er nooit gevoeld. Tot afgelopen week.
Daarvoor heb ik in die parkeergarage nooit iets meegemaakt. Ja, mijn linkervoorband was een keertje lek gestoken. Maar dat gebeurt overal. Het was trouwens ook nog eens vrij lief gedaan, met een klein sneetje, waardoor ik dacht dat ik het met de halflege band nog wel zou kunnen redden naar huis. Het had die ochtend geregend, maar nu was het mooi weer, en ik wilde zo snel mogelijk naar mijn dakterras om een pils te kunnen vatten in de zon. Die lekke band was van latere zorg. Met veel kracht wist ik mijn zwaar naar links trekkende Volvo op de A10 in de juiste baan te houden. Pas binnen de ring, op de rotonde bij het Haarlemmerplein, vlak voor de finish, ging het verkeerd. *Knal* zei de band, en ik schuurde met mijn velg over het asfalt. Een vonkenregen spoot langs mijn open raampje. Kut, dacht ik, en parkeerde de Volvo in de eerste de beste zijstraat. Daar zat ook een cafe (cafe Bos) met een terras. Ik ging op het terras zitten en bestelde een pils. Tegelijkertijd belde ik de ANWB. Die kwamen een uurtje later mijn band vervangen. Soms is het leven net zo makkelijk als het lijkt.

Maar goed. Terug naar afgelopen week. Daar trof ik 's avonds na mijn werk in het trappenhuis van parkeergarage Hogevecht het volgende tafareel aan:

Garage Hogevecht 

Fuck, dacht ik, dat ziet er niet goed uit. Hier is er hoogstwaarschijnlijk recent eentje de pijp uit gegaan.
Ik dacht aan verhalen over geesten die blijven rondzwerven op hun plaats van overlijden. Noem me gek, maar ik heb het daar niet zo op, althans niet in de Bijlmer. Op zich niets mis met de Bijlmer, een bevriende dichter die er woont is er lyrisch over, maar toch. Ik liep snel door, stapte in mijn auto en reed plankgas de parkeergarage uit.

De volgende dag regende het opnieuw. Toch maar weer naar die parkeergarage.
's Avonds op de terugweg hetzelfde tafareel. Alleen zat er in dit tafareel nu ook een meisje dat een jointje rookte. Normaal heb ik niets tegen meisjes die jointjes roken. Integendeel. Meisjes die jointjes roken zijn doorgaans ontzettend gezellig. En nog veel meer leuke dingen met een g. Maar dit meisje zat er niet voor de gezelligheid.
Het meisje zat er te rouwen. Ze keek me vuil aan.
"Ja, sorry", wilde ik zeggen, "het is niet mijn schuld", maar dat zei ik niet. Ik zei niets. Behalve misschien in mijn houding, en mijn schuldige blik. Waar kwam die vandaan? Ik had geen flauw idee. Misschien schaamte. Schaamte over dat ik de parkeergarage gebruik die eigenlijk enkel voor de bewoners van Hogevecht is bedoeld, en dat ondertussen mijn (ik durf niet eens meer 'onze' te zeggen) regering het op z'n zachtst gezegd, vertikt om iets aan de problemen in de Bijlmer te doen. Ze waarschijnlijk eerder alleen nog maar groter maakt.

Gisteren, in de zaterdageditie van het Parool, heeft de ellende, de zoveelste moord, in de H-buurt van de Bijlmer eindelijk weer eens de voorpagina gehaald. En stond in het vervolgartikel op pagina 6 en 7 een tweebladzijden-brede foto van het hierbovengenoemde tafareel. Inclusief het verhaal van een politieman die verwacht dat het allemaal vanzelf wel goed komt. "Er is volgens mij in ieder geval tenminste geen sprake van een bende-oorlog, dus…"
Tsja.

Morgen gaat het niet regenen. Het wordt wel koud. Dus ik ga weer lekker mijn kop in het zand steken en Oscar onder zijn kin kriebelen. En achter zijn oren krabbelen.

 

Oom

Vorige week begroette ik mijn beste vriend in de kleedkamer van popcentrum 22 te Tiel. Ik was er als nachtburgemeester die poezie zou komen voordragen. Hij als gastheer van de artiesten. Dus ook van mij.
"Een pils?", vroeg ie.
"De laatste", zei ik.
Dat zeggen we standaard in Tiel. Eigenlijk bedoelen we daarmee: doe er zodadelijk nog maar 100.
Net zoals we na de eerste slok standaard tegen elkaar zeggen: "vies he?"
Of als we een buitengewoon mooi meisje zien: "ik voel daar helemaal niets bij", danwel "uiterlijk laat me volkomen koud".
Het is een ritueel. Een flauw ritueel, maar toch een ritueel. En rituelen zijn zoals bekend de beste manier om de banden te bevestigen.

Hoe dan ook, mijn beste vriend opende een pils voor me. Zelf nam ie een koffie. Mijn beste vriend heeft verdomd veel verantwoordelijkheidsgevoel als ie in functie is.
"Hoe gaat ie?" vroeg ik.
"Stabiel", zei mijn beste vriend.
"En jij?" vroeg ie vervolgens, "nog nieuws?"
"Weinig", zei ik.
We zwegen even.
"Tenminste" zei ik toen, "had ik je eigenlijk al verteld dat ik oom word?"
"Wat!?" riep mijn beste vriend, "nee, natuurlijk had je dat nog niet verteld, klaphark! Hoezo? Hoe kan dat? Sinds wanneer? Van wie?"
"Van een neefje."
"Ja, nee, dat bedoel ik niet gek, ik bedoel: van je zusje of van je broertje?"
"Mijn broertje."
"Nou ja!" riep mijn beste vriend, "je broertje!? Serieus?"
"Jazekers", zei ik.
"O.. Dan heeft ie dus geneukt", constateerde mijn beste vriend.

Dat is wel grappig. Mijn beste vriend kan zich nooit voorstellen dat er behalve adolescenten, rocksterren en hijzelf nog andere mensen neuken. Dat heeft ie al van kindsafaan. Destijds liepen we regelmatig als pubers door de Waterstraat (grootste winkelstraat van Tiel). Hij had recent zijn eerste vriendinnetje ontmaagd en porde met zijn elleboog in mijn zij. "Moet je nou kijken Sven", zei ie terwijl ie met zijn hoofd richting een middelbaar stelletje knikte, "die neuken toch niet met elkaar, ik bedoel: dat kan toch gewoon niet?"
"Je weet nooit", zei ik.
"Nah", zei mijn beste vriend, "ik geloof er geen zak van."
En nog steeds dus. Nog steeds kan mijn beste vriend zijn verbazing maar moeilijk verbergen als er iemand van boven de 30 een kind blijkt te hebben verwekt.

Enfin. Daar wilde ik het dus eigenlijk helemaal niet over hebben. Ik wilde het erover hebben dat ik oom word. Oom! OOM!
Van een neefje! Ik vind het geweldig. Ik ga straks in januari die Ajax-shop helemaal leegkopen zo'n dingetje, zo'n trekpop aanschaffen voor boven je wiegje met dat Mozartmuziekje, want dat vond ik zelf als baby helemaal te gek (,vogel, haha). Of iets soortgelijks. In ieder geval geen kleren, want daar heb ik geen verstand van. Voor je het weet kruip je als hummeltje straks rond in een Afrikaanse streepjesbroek en een houtje-touwtje jas met gaten. Op zich prachtig natuurlijk, maar dat snapt niemand, behalve ik, dus dat doe ik dan wel met mijn eigen kind, of waarschijnlijker nog, met mezelf. Als ik dement ben geworden en onvermijdelijk terug verlang naar mijn hippie-jeugd. Soms vrees ik dat het al zover is, maar dat terzijde.

Afgelopen weekend ben ik wezen klussen bij je Oma. Aan de babykamer. Want ook je Oma wilde een babykamer. Dit weekend ging je vader het laminaat leggen, en ik heb 'm daarbij geholpen. Ik mocht de planken aangeven, terwijl je vader op zijn knieen met een voorgegoten zwart blokje en een hamertje de boel klikvast tikte.
Als we bij een muur kwamen, tekende je vader met een bouwvakkerspotlood de plank af, en mocht ik 'm met de laminaatsnijder, op maat guillotineren. Mooi werk. Kwam nog de nodige kracht bij kijken, maar dan had je ook wat. Niks tijdrovend zagen, maar gewoon splijten die handel, en doorleggen.
"Mooi ding, die laminaatsnijder", zei ik tegen je vader, "gehuurd zeker?"
"Nee, gekocht", zei je vader, "huren kostte 20 euro per dag, zelf aanschaffen 25 euro. En het was in de aanbieding, dus."
"Groot gelijk", zei ik.
Als iets in de aanbieding is, dan koop je het. Punt. Familieritueel. En in dit geval dus ook nog eens verstandig op de koop toe. Ik bedoel, we hebben meteen maar de hele zolder van laminaat voorzien, inclusief het berghok met de kampeerspullen. Twee dagen bezig geweest.

Als finishing touch zorgde je hoogzwangere moeder voor het op maat maken van de plinten. Daartoe had ze een speciale plintenkniptang aangeschaft. Met 1 simpele handbeweging kon ze 45 graden hoekjes realiseren. Lang leve de kenniseconomie. Of moet ik Praxis zeggen? Misschien is 't hetzelfde. Handig was het in ieder geval wel.

Het ziet er allemaal rete-strak uit, die babykamer van je Oma. En niet te vergeten haar berghok met de kampeerspullen.
Prachtig.

Zit er een pointe aan dit stukje? Ik geloof het niet. Want natuurlijk kan ik nu beginnen over die briljante column die Sylvia Witteman afgelopen zaterdag in het Volkskrantmagazine heeft geschreven, en over hoezeer ik me daarin herken, als het gaat om een niet te weerleggen voorkeur voor het nostalgische, en de vraagtekens die ze zet bij de doorgeschoten klinische tijdgeest.
Ik ga het niet doen, die vraagtekens zetten. Niet vandaag.
Je babykamer is namelijk ontzettend mooi geworden.

Ik word oom. Yes!

 

Gelegenheidsgedicht

Twee dagen geleden was het weer zover. Voor de 3e keer op de eerste vrijdag van november: Jazzy Tiel. Mijn engste optreden van het jaar. In poptempel te 22 te Tiel. Het is eng om diverse redenen. Het optreden is namelijk:

– solo (als het mis gaat kun je niemand anders de schuld geven, best kut)
– met mijn eigen poezie (dat gaat nog wel, ben ik gewend)
– een kwartier lang (veel te lang voor poezie)
– in de rol van zogenaamde 'nachtburgemeester' (wie verzint dat? De organisator dus)
– als entre-act tussen de jazz-bandjes (help! poezie vs muziek, meestal 0-1)
– voor een zaal vol Nieuwe Rijken (*slik* doorgaans poetische affiniteitsfactor van nul)
– in Tiel, met half Appelpop als licht-/geluids-/bar-/munten-,etc-personeel (Arggh!)

Met name dat laatste vind ik dus altijd doodeng. Afgaan als een gieter is niet erg. Maar afgaan als een gieter met vrienden in de buurt is verschrikkelijk.

Oftewel: failure was not an option. Althans niet voor mij, niet tijdens Jazzy Tiel.
De vorige 2 jaren ging het goed, mijn optredens. Dat wil zeggen, ze waren matig begonnen, maar uiteindelijk schitterend gefinished. En daar dankte ik destijds God op mijn blote knieen voor.
Maar elk voordeel hep zijn nadeel. Juist omdat het de vorige twee keer zo goed was afgelopen, werd ik ook dit jaar weer gevraagd. En erger nog: waren de verwachtingen hoger gespannen dan ooit. Van de organisatie, van het publiek en van mijn Appelpopvrienden.

Maar hoe vaak kun je een kunstje flikken? Want serieus, het succes van mijn eerdere twee optredens op Jazzy Tiel hadden meer met geluk dan wijsheid te maken. Het eerste jaar had ik mijn optreden gered (op mijn eigen poezie reageerde het publiek niet bijster enthousiast) door aan het eind op kundige wijze het beroemde Jazz-gedicht ('Jazz was, jazz is, jazz blijft') van een andere nachtburgemeester, Jules Deelder, te coveren.
En vorig jaar had ik de zaal plat gekregen door op het laatst een gedicht voor te dragen dat ik had geschreven naar aanleiding van een tip van mijn beste vriend. "Lift mee op het succes van Obama, man!", suggereerde ie toen ik zat te peinzen over een gedicht voor de jazz-avond, "en maak dan van 'Yes we can!', 'Jazz we can!'". Geniale vondst. En het was me toevallig gelukt om op basis daarvan een tamelijk catchy publieksgedicht in elkaar te rijmelen.

En nu moest ik dit jaar dus voor de derde keer. Het succes van vorig jaar proberen te overtreffen, of op zijn minst evenaren. Hoe doe je dat?
En vooral: hoe doe je dat zonder nieuwe geniale tip van je beste vriend? Ik had geen flauw idee.
In herhaling vervallen was geen optie, het publiek bij Jazzy Tiel is tamelijk trouw. Ik zou optreden voor de mensen die mij al twee keer eerder hadden gezien. Dus nogmaals Jules Deelder, of mijn eigen 'Jazz we can' debiteren was niet mogelijk. En zelfs terugvallen op de 'best of' uit mijn poetryslamrepertoire, waarmee ik op andere plaatsen diverse publieksprijzen in de wacht had gesleept, zou hier geen zin hebben wist ik uit ervaring. Ik bedoel, zelfs aan mijn toegankelijkste oude evergreens konden de bezoekers van Jazzy Tiel vorig jaar geen touw vastknopen, behalve dan aan 'Jazz we can', een gedicht gespeend van elke poetische eigenschap, behalve dat het rijmde en ritmisch was. En actueel. Louter toegespitst op die plaats, die tijd en die handeling.

Er zat kortom niets anders op dan opnieuw speciaal voor deze avond een vers gedicht te schrijven. Een ultiem gelegenheidsgedicht. Voor precies die plek, voor dat specifieke publiek, voor exact dat moment.

Ergens stond me dat tegen. Zo'n hele week ploeteren, want dat kost het me. Waarvan overigens 80% opgaat aan non-produktieve zenuwslopende stress vanwege zoiets gruwelijks als een deadline.
Maar wat ik wilde zeggen: je hebt er voor de rest van je leven niets meer aan, zo'n gedicht. Ik kan het nooit ergens anders voordragen. Het gaat om die 3 minuten, en dat was het dan. Het is net als met een surprise voor Sinterklaas. Of een liedje voor een bruiloft. Of een afscheidsspeech.
Aan de andere kant heeft het ook wel iets charmants. Juist door die eendagsvlindermoraal.
Misschien zijn het paradoxaal genoeg juist door dat tijdelijke karakter wel de dingen die bijblijven.

Toen ik vrijdag de 22 binnenkwam, in mijn rokkostuum (want hey, ik was de nachtburgemeester), riep er meteen iemand in de coulissen: "Hey, ben jij er ook weer!"
Ik knikte, herkende de beste man voor geen meter.
Hij stak zijn vinger omhoog: "Jazz we can!" riep ie grijnzend.
Ik grijnsde terug, en dacht ondertussen: ow kut, daar gaat mijn nieuwe gedicht het nooit bij halen.

In de kleedkamer begroette ik mijn beste vriend. Hij verzorgde zoals vanouds de artiesten, zo ook mij.
"Goeie timing", zei ie, "ik heb net een krat bier koud gezet. Of had je al gegeten, ha ha!"
Met de klemtoon op 'had'.

Ik maakte kennis met de presentatrice. Ene Margien. Een lieverd. Een lang, knap, maar opvallend bleek meisje uit Amsterdam, in een strakke rode glitterjurk. Ze zou later door de organisator op z'n Tiels aan het publiek worden voorgesteld als 'Het Bekendste Lijk van Nederland'. Dat was trouwens omdat ze zowel in Baantjer als in Flikken Maastricht, enfin. Lachen voor het publiek.

Buiten miezerde het. En binnen in mijn kleedkamer mocht ik niet roken, omdat ik die deelde met Margien en een 20 koppen tellende jazzband. In de andere kamer resideerde de hoofdact. Ook daar mocht je niet roken.
Dus ik de regen in. Oefenen. Want fuck, ik moest echt oefenen, ik had gemerkt na een korte repetitie op het toilet dat ik het slotakkoord, mijn klapper, mijn gelegenheidsgedicht, toch nog niet goed genoeg uit mijn hoofd kende. En daar werd ik zo zenuwachtig van, dat ik danig moest roken. En oefenen, zoals gezegd.

Eindeloos rookte en oefende ik. Een half pakje Marlboro verder en compleet doorweekt stapte ik de kleedkamer weer in. Ik zag er ondanks mijn rokkostuum niet meer echt uit als een nachtburgemeester. Eerder als de kat Sylverster, nadat ie door Tweety door de WC is gespoeld, drie kilometer door het riool heeft gezwommen, weer omhoog is geklommen, een putdeksel opzij heeft geschoven, door een Amerikaanse animalcop in de kraag is gevat en vervolgens met een knijper ondersteboven is opgehangen aan een waslijn.
Daar zat Margien. Ze grinnikte. "Hoe zal ik jou straks aankondigen?" vroeg ze.

Maar goed. Om kort te gaan: Het optreden ging geweldig. Voor het eerst sloeg zelfs mijn oude materiaal aan, dat ik deed als opwarmertje. Ik legde vooraf veel uit, normaal een doodzonde tijdens poetische optredens, maar ik geloof oprecht dat ik er in dit geval goed aan deed. Ik oogstte zelfs applaus met een sonnet. I rest my case.

En toen kwam het spannende moment. Het moment van het nieuwe gedicht. Ik had het dertig keer geoefend, maar alle gebaren en alle geinige dingetjes (zoals vingerknippen tijdens het terugkerende begin, in de hoop dat het publiek klappend de beat zou overnemen) en de aankondiging die ik er bij had willen doen (iets met Churchill, en over dat ie had gezegd tijdens de 2e wereldoorlog, toen het begrotingstekort door militaire uitgaven danig begon op te lopen en er door het parlement gevraagd werd om bezuinigingen op cultuur, had geantwoord: "Ja maar, want waar vechten we dan voor?") was ik op slag vergeten.
Ik was zo nerveus. Ik deed iets anders, ik deed gewoon wat op dat moment in me opkwam. Ik sprak het tafeltje van de Tielse gemeenteraadsleden van Groen Links aan dat vlak voor me zat. En deed nog wel meer dingen, ik weet het niet meer.

In ieder geval deed ik ook het gedicht. En dat ging goed. Het ging geweldig. Er werd een hoop gelachen tussendoor op de bedoelde momenten. Het ging zelfs zo goed, dat ik nog niet eens aan het einde was, toen er een schitterend applaus uitbarstte.
Dat was na de zin: "En dit was mijn tekst dan&q
uot;.
Waarna ik inderdaad even haperde. Gelukkig als ik was, dat ik het tot daar had weten te schoppen, moest ik voor een nano-seconde verstek laten gaan.
Er hoorde nog een stukje slotrap achter, maar daar kwam ik gevoeglijk dus niet meer aan toe.
Ik liet het zo.
Het was mooi.

Okay, voor de cynische medemens: je kunt natuurlijk denken: Ha ha, als er wordt geklapt na de zin: 'En dit was mijn tekst dan', en je bent nog niet eens klaar, dan is dat een duidelijk bewijs van dat ze eigenlijk willen zeggen: "Blij dat je oprot".
Maar zo was de sfeer niet.

De sfeer deed me vooral denken aan de drumsolo die een van mijn andere beste vrienden, A., ooit gaf in de Stoof in Tiel, tijdens een van de eerste optredens van onze band Turn Left. Dennis had in een 20 minuten durende blues (we hadden nog amper repertoire, dus dan krijg je dat) net zijn zoveelste gitaarsolo gegeven, toen A. besloot het over te nemen, door dusdanig flink op zijn trommels te beuken dat de rest van schrik stil hield. Het publiek vond het geweldig, en jutte 'm op.
Wij, de rest van de band, stonden versteld van de voet- en vingervlugheid waarmee A. zijn base, snare en toms zat, nee stond te teisteren.
De temperatuur in de Stoof steeg tot het punt waarop we inderdaad bijna als sudderlapjes konden worden afgevoerd. En toen gebeurde het. Toen verloor ie een stokje.
Een abrupt einde van de drumsolo.
A. had alweer een nieuw stokje tevoorschijn getoverd, maar dat had geen zin meer. Het publiek had zich inmiddels getransformeerd in een oorverdovend gejuich.
A. koos eieren voor zijn geld, en hield zijn stokjes stil, nam het applaus grijnzend in ontvangst.
Waarna Dennis van de gelegenheid gebruik maakte om zijn volgende gitaarsolo in te zetten.
Zo mooi, de popmuziek.

Enfin.

Margien vond het 'super' en 'top'. Ze wilde graag de tekst hebben. Maar ik had de A4tjes al gegeven aan mijn beste vriend, want die wilde 'm ook graag hebben.
"Je had ze goed te pakken", zei de organisator backstage, doelend op de vele plaatselijke politici die in de zaal zaten. En waarvan hij er zelf overigens ook een was.

Ik was blij. Ik was blij dat de organisator blij was. En ik was blij dat het publiek blij was. Maar vooral was ik blij dat ik niet was afgegaan als een gieter.

Tot zover. Man, het is laat. Het is godverdomme al over drieen. Morgen weer werken.
Ik zal niet lullig doen. Ik ga dat gedicht gewoon online zetten. Een gelegenheidsgedicht.
Om alsnog af te gaan als een gieter.
Kan mij het bommen.

De jazz-service

Dit is de jazz-service
in de 22 te Tiel
En het zingt en het swingt
ja, met hart en ziel
Zonder subsidie van een rechts kabinet
Ja, zonder belasting van Jan met de Pet
Ik rijm als een trein, zonder randje vet
Dus dames en heren, opgelet

Ik weet dat jullie rijk zijn
Dus het lijkt mij fijn
Dat als jullie blij zijn
met mijn erbij zijn
straks van de zijlijn
sponsor van de rijm zijn

Want daar moet het naartoe van de VVD
En ook het CDA en de PVV
Want kunst is een hobby van de linkse elite
Het volk moet het maar doen met bier en tieten
Niet dat ik daar zelf niet ook enorm van kan genieten
Maar soms wil ik wat anders dan een pornofilm en pizza

Jazz bijvoorbeeld, en een vleugje poezie
Het Fruitcorso en Appelpop, en soms een symphonie
De 9e van Beethoven, of iets van Mahler
is als het even tegenzit straks niet meer te betalen
maar ook het cabaret en het serieus theater
zijn straks iets om je neus voor op te halen

Pech voor de Agnietenhof *)
Het doek omlaag, het slot er op
Drink er nog een vodka op
En ga maar naar de coffeeshop

Dit is de jazzservice
in de 22 te Tiel
En het zingt en het swingt
Ja, met hart en ziel
En ik ga steeds sneller
met 130 op de teller
en ik rook weer in cafees
en dat is ook wel gezellig
maar kijk ik naar mijn ziektenkosten
moet ik eens gaan bellen
want mijn eigen risico
stijgt meer dan de helft

Lachen man, die marktwerking
Alles wordt steeds duurder
De service slechter
je wacht vaak uren
Maar wat zegt de landsbestuurder?
"Kan het mij bommen,
want links wordt steeds zuurder!

Moet je die Cohen zien staan
'Euh euh'
Hij stottert als een lekke kraan
'Euh euh'
Verlos die man maar van zijn baan
'Euh euh'
want hij kan het niet meer aan
'Euh euh'

En dan die Femke Halsema
die kaakklem met die valse lach
Of Pechtold die het niet meer snapt
Of Roemer met een wanhoopsgrap"**)

Van de oppositie heeft ie niets te verliezen
Erg serieus krijgt ie het toch niet voor zijn kiezen
Want hoezeer Mark Rutte ook de boel zal gaan verkutten
Iedereen gelooft 'm, dat het zinnig is en nut heeft

Maar 'Snoeien om te groeien?' Lik mijn reet
Het is een mooie slogan, maar alleen voor de TV
Het enige wat groeit is mijn lege portemonnee
En stap ik in een Sprinter, kan ik niet eens naar de WC!

En bezuinigen op onderwijs, hoe vind je die?
Nee, dat komt wel goed met die kenniseconomie
En niet meer investeren in die groene energie
want de wereld is al schoon genoeg, vinden jullie niet?

En dat is niet het enige wat dom en ridicuul is
Het lijstje is nog langer dan een boek van Harry Mulisch

Dit is de jazzservice
in de 22 te Tiel
En het zingt en het swingt
Ja, met hart en ziel
Maar ik kap nu maar
Ik ben geen debiel
Het is nu tijd
voor een andere stiel

Want dit is niet het podium voor diepe politiek
Het is hier ook niet nodig om te doen aan retoriek
Laat staan om te gaan toveren met vette poezie
Het gaat hier toch tenslotte om de jazz-muziek

Want dit is Tiel, het zit prima in elkaar
De kwaliteit van Jazzy Tiel is groter dan Den Haag
Dus Laura en the Vipertones, komt u maar
De stage is yours, de zaal zit klaar

En dit was mijn tekst dan
en ik ben weer weg man
ik rook hier nog een shaggie
want daar word ik relaĆ­ van
En voor de vent die mij niet herkent
Ik ben Sven van 'Jazz, we can'
De dichter met de beat op de laatste tel
Een schitterende avond Tiel, dankuwel!

–//–

*) Tielse schouwburg

**) Die 12 zinnen (zei Pilatus) zijn zoals jullie aan de aanhalingstekens kunnen zien, fictieve woorden van Mark Rutte, niet van mij.

Harry

Ik vernam het nieuws vanmiddag via nu.nl: "Afgelopen zaterdagnacht is Harry Mulisch overleden". Dat zei niets natuurlijk, want Mulisch is al eens eerder doodverklaard, een paar jaar geleden, middels een in memoriam op teletekst. En toen bleek er niets aan de hand, de volgende dag zat der Harry in de live-uitzending van een of ander programma en maakte zich vrolijk om de 'canard'.
Vele jaren eerder had ie overigens al gesteld: "Dat ik sterfelijk ben moet eerst maar eens worden bewezen."
Hij had recht van spreken. Hij had een hartaanval, een herseninfarct en diverse soorten kanker overwonnen, en was eens bijna neergestort met een vliegtuig. Ook overleefd.
"Misschien is het gewoon een kwestie van talent", zei hij zelf eens over zijn wonderbaarlijke ontsnappingen aan de dood.

Maar toen ik vanmiddag ter check op andere nieuwssites keek, en op twitter, en er bovendien op zowel radio als televisie kond werd gedaan van zijn verscheiden, begon ik de mededeling toch serieus te nemen.
Hoewel. Had er op nu.nl niet gestaan dat ie op zaterdagnacht was overleden?
Ik zag het helemaal voor me:

God die tegen Harry Mulisch zegt: "Waarde zoon, u bent wel degelijk sterfelijk en zult vannacht om 2.15 komen te overlijden."
En Mulisch die tegenwerpt: "Dat zullen we nog wel eens zien!"
En verdomd, als het 2.15 is, kijkt Mulisch nog eens goed op zijn klokkie. En om 2.30 nog eens. "Zie je wel!" roept ie tegen God, "niets aan het handje, blaaskaak!"

Een half uur later, om 3.00, wordt de klok een uur teruggezet. Wintertijd.
'Kut', hoor je Mulisch denken, 'die smiecht!'
Maar Mulisch is niet voor een gat te vangen. Als ie om 2.15 wintertijd uiteindelijk toch het loodje legt, persoonlijk de hemel ontdekt en Petrus ontmoet bij de poort, kan ie het niet laten.
"Naam graag", zegt Petrus.
"Mulisch", zegt Harry, "Harry Mulisch".
"Gecondoleerd met uw overlijden", zegt Petrus.
"Wat is dat voor een onzin", zegt Harry, "ik ben helemaal niet overleden. Hoe komt u daar nu bij. Wanneer is dat dan gebeurd?"
"Euh", zegt Petrus, terwijl hij zijn formulieren checkt, "vannacht om 2.15."
"Klopt niets van", zegt Harry, "draait u die Aarde-bewakingscamera meer eens helemaal terug naar 2.15."
Petrus drukt op rewind.

Enfin, dat soort tafarelen. En dat Mulisch dus nu in de hemel zit op te scheppen dat hij de enige is die daar feitelijk nog in leven is.
"Gelul", zegt WF Hermans, waarna hij in een hoestbui uitbarst en na enige wegwerpgebaren een nieuwe Gauloise opsteekt.
"Weet u zeker, gezien de welhaaste onmogelijkheid van het beweerde, dat u thans niet weder te veel geheime drankjes door uw pronte lipjes hebt laten vloeien?" vraagt Reve.
"In het geheel niet", zegt Mulisch, "ik leef nog, zowel op als na het tijdstip van mijn overlijden, en ik heb daar videobewijs van, vraag maar aan Petrus. Weten jullie trouwens wat dat is? Videobewijs, of is dat van na jullie tijd? *besmuikt lachje*
"Heinh? Hebben jullie het over video's?", roept Jan Wolkers die een plekje aan het tafeltje probeert te bemachtigen, "Ach gut, die vind ik toch altijd zo leuk, video's, ik heb eens een keer een hele geile…"
Waarna Jan wordt neergehoekt door WF Hermans.
Reve knikt instemmend. "De grote 3 zijn de grote 3", zegt ie, "men moet daar eensluidend en consequent in zijn, anders raakt het volk maar in verwarring."

Jan krabbelt overeind, en heeft een kevertje in zijn klauwen, dat hij zojuist op de grond heeft zien krioelen. "Wat ben jij een mooi kevertje", zegt ie.

Het komt wel goed, daarboven, denk ik zo.

Harry Mulisch. Het is niet mijn favoriete schrijver. Eigenlijk ken ik niemand wiens favoriete schrijver Harry Mulisch is. Ja, mijn vader misschien, leraar Nederlands, hoewel ie Hermans en Wolkers volgens mij toch net iets hoger had zitten.
Maar dat Mulisch het goed doet op literatuurlijsten van middelbare scholen staat buiten kijf. Vooral de boeken waarin de symboliek er duimendik bovenop ligt, zoals 'de Aanslag'.
Een gezin wordt tijdens een dobbelspelletje, ik meen 'Mens erger je niet', maar zeker weten doe ik dat niet meer (25 jaar geleden dat ik het gelezen heb), in de Tweede Wereldoorlog opgeschrikt door de Duitsers die erop los schieten in de buurt. Er vallen een paar dooien. Er zijn ook overlevenden. Er is sprake van willekeur. Het is een kwestie van toeval. Van mazzel of pech. Net als met een dobbelspel.
Ideaal materiaal om scholieren het concept literatuur te onderwijzen. Op toegankelijke wijze iets van het idee van gelaagdheid te tonen.

Op de ochtend van mijn mondeling examen voor Nederlands, dat zou gaan over mijn gelezen literatuurlijst, stond in mijn ouderlijk huis de TV aan. Het was 1987. Er was sinds kort ontbijt-televisie. Het ochtendjournaal opende met de mededeling dat 'de Aanslag' een Oscar had gewonnen in de categorie 'Beste buitenlandse film'.
Nog geen uur later werd ik door mijn leraar Nederlands, de heer Raats, in een klaslokaal aan het gevreesde mondeling onderworpen. Van de 30 boeken die ik had moeten lezen, koos hij er 3 uit om me nader over aan de tand te voelen.
Te weten 'De Avonden' (Reve), 'Lucifer' (Vondel), en ten slotte 'de Aanslag'. Ik was in vorm. Ik gaf spitse antwoorden, en wist bijna meer over de boeken dan de beste man zelf.
"Nou, nou", zei Raats, "Jij weet er veel van!"
"Och", zei ik terwijl ik mijn schouders ophaalde, "had u trouwens al dat laatste nieuwtje over 'de Aanslag' al gehoord?"
Had ie niet. Hij had geen TV, laat staan ontbijt-TV. Zelfs geen walkman met radio. Als een havik het nieuws volgen was in 1987 nog zooo 1940.
Ik kreeg een 10 met een griffel.
Toen wel. Toen was Harry Mulisch wel even mijn favoriete auteur.

En dat was ie ook toen ie 'De Ontdekking van de Hemel' uitbracht. Ik kreeg het ruim 900 pagina's dikke boek van mijn vader toen ik in augustus 1993 afstudeerde. Vlak daarna moest ik in militaire dienst.
Daar las ik het boek.
Het is altijd moeilijk om in een nieuwe groep respect te verkrijgen, maar met die dikke van Mulisch had ik het binnen notime voor de bakker.
Wat Laurent Fignon (een wielrenner die wel eens een boek las, overigens ook recent overleden) was binnen het peloton van de Tour, was ik binnen het 3e peloton van de Charlie-Compagnie in Oirschot. 'De professor', en dan op een goeie manier. Niet zozeer een studiebol, maar gewoon een goser die flink kon presteren (lees zuipen en roken), en die op de koop toe blijkbaar over hersens beschikte. Ik werd prompt unaniem gekozen als groepsvertegenwoordiger namens de dienstplichtigen tegenover het beroepskader.
En ook ten opzichte van dat militaire beroepskader werkte het perfect. Met iemand die zo'n dik (rood!) boek op zijn nachtkastje heeft liggen moet je oppassen, leken ze te beseffen. Ik was geen kat, maar werd met de spreekwoordelijke handschoentjes benaderd.
'De Ontdekking van de Hemel', als strategisch militair object om Defensie te fucken. Mulisch zou trots op me zijn geweest.

Dus ik zou zeggen: Proost Harry! Doe ze daar allemaal de groeten, en ik drink er eentje op je.

 Harry_Mulisch