Vogelhuisje

In het Zwitserse chalet waar ik vorige week bivakkeerde bevond zich een open haard. Uiteraard, zou ik bijna willen zeggen, want ten eerste stookt zo'n beetje heel Zwitserland nog op hout en ten tweede geldt voor die paar chalets die wel over een normale verwarming beschikken, dat daarnaast ook nog altijd een ouderwets vuurtje kan worden gestookt. Ik bedoel, een chalet zonder open haard is geen chalet.
Weinig is fijner dan na een wandeling door de eeuwige sneeuw op de Alpentoppen, tegen de schemering terug te keren in een steenkoude houten hut, en er eens goed de fik in te zetten. In de open haard welteverstaan.
Normaal was dat de taak van mijn vader. Hij was daar goed in. Die kreeg zonder aanmaakblokjes of andere oneigenlijke hulpmiddelen, als het moest zelfs nog de hens in een doorregende massieve spoorbiels.

Dit jaar was het de taak en mij en mijn broertje om de boel te verwarmen. Erg goed ging ons dat in eerste instantie niet af. We kregen nog geen krant in de brand. We zagen de propjes van een oude Gelderlander smeulend verkrompelen en een chemische groene gloed afgeven. No way dat ze de bovenliggende, in wigwam-opgestelde houtblokken, ook maar een splinter vlam lieten vatten.
"Wat een kut-openhaard", zei mijn broertje.
"You can say that again", zei ik, terwijl ik voor de zoveelste keer de doos met lucifers per ongeluk op zijn kop opentrok, waardoor we weer mikado op de vloer konden gaan spelen.

Mijn broertje kwam op het slimme idee om de haardblokken iets kleiner te hakken. "Ik heb buiten een bijl zien staan", verklaarde ie.
5 minuten kwam ie trots binnen met een mand vol houtjes, afkomstig van een zojuist geduizenddeelde boomstronk.
"Het is Superklover!" zei ie triomfantelijk, Supergrover uit Sesamstraat parafraserend.
Wij zijn een familie van dichters.

Met de fijngehakte houtjes, niet veel groter dan uit de kluiten gewassen lucifers, probeerden we het opnieuw. Wederom in wigwamopstelling. En zowaar, even leek er iets van een vuurtje te onstaan, eventjes hadden we een vlammetje. Maar al snel verkoolde de constructie en steeg er een assige rook op uit het gedoofde geheel.
Mijn zusje zat ons verkleumd met een fleecetrui om haar schouders gade te slaan. "Ik ga even buiten roken", zei ze.
Ze had groot gelijk. Buiten was het waarschijnlijk warmer dan binnen. En minder rokerig bovendien.
Mijn moeder en mijn schoonzusje waren nog slimmer. Die stonden zich te warmen bij het elektrische fornuis onder het mom dat ze de avondmaaltijd aan het voorbereiden waren.

"Jij hebt thuis toch een openhaard?" vroeg mijn broertje.
"Ja, maar ik koop bij de ijzerwinkel om de hoek altijd van die aanmaakblokken zo groot als een melkpak. Ideaal. Kaminscheit. Brent 2 zu 3 stunden. Helemaal vanzelf. Aansteker erbij en hoppakee. Nog makkelijker dan een sigaret."
"Hmmm", zei mijn broertje.
Toen viel zijn oog op een fles lampenolie.
Hij twijfelde even, maar draaide daarna toch de dop eraf.
"Doen jullie wel een beetje voorzichtig?" vroeg mijn moeder, die poolshoogte kwam nemen.
"Jawel", mompelde mijn broertje.
"Hij zit bij de brandweer", zei ik, "hij weet waar ie mee bezig is."

En dat was waar. Een voor een besprenkelde Superklover de houtjes bedachtzaam met een kleine hoeveelheid zwaar ontbrandende vloeistof. Opnieuw de wigwamconstructie. Vervolgens voorzichtig een lucifertje erbij. En WOESJ!!!
Het hele zaakje in lichterlaaie.
"Yes!" riepen we.

We wierpen er een groot houtblok op, om de boel extra te stimuleren. Waarop de wigwam ineen stortte, maar wel gesteund door een laag tot gloeiende barbequekooltjes vergane houtjes.
"Als je eenmaal kooltjes hebt is het een eitje", zei mijn zusje, die inmiddels weer terug was van haar rookpauze.
Dat klopte. Het grote blok vatte vlam en een aangename warmte kwam ons tegemoet.
"Lang leve lampenolie!", zei ik.
"Hou jij 'm brandend?" vroeg mijn broertje, "dan ga ik even douchen."
"Maak je geen zorgen", zei ik. Ik trok mijn trui uit en een pils open. En voelde me een met de natuur.

Werken voor je vuurtje. Ik had nooit geweten dat dat zo leuk kon zijn. Eenmaal terug in Nederland deed ik mijn Kaminscheit-aanmaakblokken in de ban, en besloot tijdens een lunchpauze van mijn werk naar een naastgelegen filiaal van de Praxis in Amsterdam Zuid-Oost te rijden, waar ze in mijn herinnering voorgekloofde houtjes verkochten. En zoniet, dan toch op zijn minst een bijl.
Ik kon de voorgekloofde houtjes maar niet vinden. Ik keek op mijn telefoon hoe laat het was. De tijd begon te dringen. Enigszins gestresst schoot ik een Praxis-medewerker aan: "Verkopen jullie misschien ook bijlen?" vroeg ik, "of hebben jullie alleen kettingzagen?"
Hij nam me angstig op.
"Of voorgekloofde houtjes?" vulde ik aan.
Dat maakte zijn blik niet minder gespannen.
"Open haard-hout?" vroeg ik.
"O, dat", zei ie, "dan moet u in het tuincentrum-gedeelte wezen."

Dus ik naar het tuincentrum-gedeelte. En daar zag ik 'm staan. In de aanbieding. Iets wat ik als kind altijd al had willen hebben, omdat mijn oma er ook eentje had, maar dat ik van mijn ouders nooit mocht: Een vogelhuisje. Op een paal.
Ik wist niet hoe snel ik weer naar buiten moest rennen om een karretje te halen. Gaaf! Een vogelhuisje! Met een groen dakje!
Ik kocht er ook direct een bak met een stuk of twintig vogelvoerballen bij. Geweldig!

Die rest van de middag op mijn werk was zwaar. Ik wilde zo graag naar huis. Het was alsof ik weer op de lagere school zat en met, weetikveel, mijn nieuwe playmobiel-postkoets wilde spelen. Het is zo'n tijd geleden dat ik een dergelijk verlangen heb gevoeld. Ik wilde zo graag dat vogelhuisje op mijn balkon zetten.
En dan kijken.
Kijken of er een vogeltje komt.

De volgende ochtend toen ik opstond, zat er een duif in. Eigenlijk veel te groot voor het huisje. Z'n vleugels uitslaan was onmogelijk. Maar het regende hard en hij zat droog. Daar ging 't 'm om. De voerbal liet ie onaangeroerd. Je zag 'm denken als ras-Amsterdammer: "waarom verkopen ze hier godverdomme geen kranten. En nu we het daar toch over hebben, een cappuchinootje zou er ook wel ingaan. Maar nee, de gemeente heeft besloten dat we het moeten doen met voerballen. Fuck off met je voerballen. En waar blijft godverdomme die kuttram, altijd hetzelfde gezeik met vertraging als het eens een keer een klein beetje regent."
Ik vond het schitterend.
Diezelfde avond zat er een koolmeesje. Nog nooit eerder gezien op mijn balkon. Ze pikte er met haar nerveuze koppie lustig op los. Zo schattig.

Ik ben gek op dieren. En volgens mij hebben alle volwassen mensen dat ergens wel in zich zitten. Toen ik een jaar of 9 was, in de strenge winter van 1978, ben ik samen met mijn zusje en mijn beste vriend langs de huizen in Tiel-West gegaan om brood te collecteren voor de eendjes in de vijver bij 'het eilandje'. Iedereen gaf. Iedereen gaf veel.
Eendjes blij, wij blij, iedereen gelukkig.

Totdat we een maand later, aangemoedigd door het succes, besloten om op eigen houtje geld te gaan collecteren voor de arme kindertjes van Unicef.
Ook toen gaven de mensen.
En wij telden na afloop de cash. Daar konden we best ook nog een kauwgombal voor kopen bij de drogist, voor onszelf. En een zwartwit-lolly. En een Bounty. En een Raider.
"Hoe moet je dat geld eigenlijk storten naar Unicef?" vroeg mijn beste vriend, terwijl ie zijn kaalgezogen zwartwitlolly-stokje met een achteloos gebaar over zijn schouder wierp, "hoe gaat dat precies in zijn werk? Moet je daar niet een bankrekening voor hebben?"
Ik wist het niet. Laat staan mijn jongere zusje.
Waarop wij besloten het complete verdere bedrag dan maar bij de drogist te besteden ter eigen c
onsumptie.

Aan dat laatste moest ik denken toen ik vanmorgen geen vogeltjes meer ontwaardde in mijn vogelhuisje. Wel zat er iemand anders op mijn balkon (met excuses voor de beroerde foto, ik weet nog steeds niet hoe ik de automatische flits uit moet zetten op mijn camera):

Kat + vogelhuisje 

De kat van de buren.
Ook wel weer grappig, eigenlijk.
Katten. Het zijn net kinderen.

Advertisements

Zwitserland 2010

Vorige week donderdag. Ik had een W.O.W.(wacht op werk)-dag, en was betaald vrij. Dat zijn goeie dagen kan ik je verzekeren. De allerbeste dagen om leuke dingen te doen. Weinig is prettiger dan naar een museum te gaan, en te weten dat ondertussen op de achtergrond nog steeds 30 euro netto per uur op je bankrekening wordt bijgeschreven.

Vorige week donderdag ben ik echter niet naar een museum gegaan. Daar had ik geen tijd voor. Ik moest inpakken. Voor Zwitserland. Altijd een hectische aangelegenheid, want je moet dingen meenemen waar je je hier in het vlakke Nederland, met zijn voorspelbare klimaat, totaal geen voorstelling van kunt maken. Ik bedoel, wie denkt eraan om zowel een zwembroek als wanten in te pakken, zowel hemdjes als fleecetruien, zowel zonnebrand als een zaklamp. Geloof me als ik zeg dat je ze allemaal nodig hebt.

Maar wat ik persoonlijk ook altijd nodig heb, voor Zwitserland, is een goed boek. Een boek met ballen, een boek waar je een beetje houvast aan hebt. Een vriendje voor de nacht.
God, dat klinkt wel erg homo-erotisch besef ik, terwijl ik dit neertik, maar zo bedoel ik het niet. Wat ik bedoel is dat ik op de eenzame momenten dat mijn familie al ligt te pitten en ik tegelijkertijd 1000 kilometer verwijderd ben van mijn geliefde, L., behoefte heb aan een zielsverwant.

Alle Salingers, Hemingways en Bukowski's heb ik al gelezen, en herlezen, ken ik inmiddels uit mijn kop, en om iets dichter bij huis te blijven: ook Nescio, of iets verder weg, Hamsun en Solzjenitsyn heb ik wel zo'n beetje in de smiezen.
Veel meer heb ik totnutoe niet weten te ontdekken, in mijn smaak, qua wereldliteratuur die ik waarachtig goed vind.

Dus heb ik me de afgelopen jaren maar min of meer toegelegd op nieuw verschenen Nederlandse schrijvers. Debutanten. Waarom weet ik niet. Misschien opdat ik dan tenminste ergens verstand van had, of iets dergelijks.

Anyway.

Zo ben ik dus ook ooit begonnen in een boek van Alex Boogers. Een goser uit Vlaardingen. Hij schreef over vechtsport, ziekenhuizen en sappelende ouders. Dat deed ie niet slecht. Daarna schreef ie nog een aantal boeken over vechtsport, ziekenhuizen en sappelende ouders. Ook niet slecht. Maar hij wilde er mee kappen, met schrijven, want ze verkochten voor geen meter, zijn boeken.
Vind je het gek, dacht ik, ze gaan alleen maar over vechtsport, ziekenhuizen en sappelende ouders.
Toch was zijn toon me in zijn boeken dusdanig bevallen, dat ik zijn nieuwste vorige week donderdag ook weer aanschafte. Ik plukte 'm vandaan uit een van de boekenkasten van boekhandel Athemeum op het Spui. Ik moest wel. Want het was traditie. In Zwitserland lees ik altijd de nieuwste van Alex Boogers.

"Wat ben je aan het lezen?" vroeg mijn vader dan altijd.
"De nieuwste van Alex Boogers."
"Wie?"
"Boogers, een groot talent."
"Interessant", zei mijn vader dan, en noteerde voor de zoveelste keer de naam.
Hij vroeg me nooit of ie er eentje mocht lenen. Zo was mijn vader niet. Mijn vader wilde alles zelf kopen.
Uiteraard is dat hem nooit gelukt, want boeken die niet direct verkopen verdwijnen tegenwoordig meteen uit de schappen. Zo ook Alex Boogers.

Tot afgelopen donderdag.
"Waarom heb je hem uit de boekenkast gehaald?" vroeg de verkoper bij Atheneum, "nu moet ik hem weer terugleggen! Ze liggen hier potverdorie in stapels op de toonbank!"
"Godverdomme!", zei ik, "heeft ie het geflikt!?"
Alex Boogers bleek 't 'm inderdaad te hebben geflikt. Een wervende tekst op de cover van Herman Brusselmans, een aanbeveling van Robert Vuijsje op de achterflap en last but not least, een tweet van Kluun, hadden de massa in beweging gebracht.

'De Tijger en de Kolibrie' is een hit. En terecht. Beter heeft Alex Boogers nog nooit over vechtsport, ziekenhuizen en sappelende ouders geschreven. Dit is zijn magnum opus. Ik zeg: Kopen! En vooral: Lezen!

Tot zover.

Het is een traditie binnen ons gezin (en daarmee bedoel ik voor de duidelijkheid dat van mijn ouders): Sinds 1999 gaan we elk jaar in oktober een weekje naar Zwitserland.
Dit jaar, de 12e keer, was de eerste keer dat mijn vader, die afgelopen februari onverwacht overleden is, er niet bij was.

Dat was best moeilijk. Voor iedereen. Veel dieper wil ik er niet op in gaan, want dat is te prive.

Maar dit was dus mijn reden. Het praten over literatuur.
O.a.
Godverdomme, ik mis hem.

Desondanks hebben we een mooie week gehad.

Zo word ik altijd weer vertederd door het lieve vertrouwen in de mensheid van de Zwitsers. Op een drukke wandelroute van Hohtenn naar Ausberg, met onderweg schitterend uitzicht op de toppers van de Zwitserse 4000-plussers, lag op een bankje een met steen geborgd rood-wit geruit kussentje, met daarop een verrekijker voor publiek gebruik. Om met Sylvia Witteman te spreken: "Ik verzin dit niet":

Verrekijker 

Ik bedoel, hoe vriendelijk is dat? Een algemeen te gebruiken verrekijker van 100 euro neerleggen op een wandelroute waarop nog zoveel meer is te zien, en er dan vanuit gaan dat ie niet wordt gejat. En dat dat dan ook gevoeglijk niet gebeurt! Geweldig.

En ik heb genoten van het fantastische chalet dat mijn broertje en schoonzus hadden geboekt. Met uitzicht op de trots van Bern-Oberland, de hoogste berg in de regio, de Bietschhorn. Die laatste schitterende letterlijk bij zonsondergang:

Bietschorn by night 

En een andere foto wil ik jullie ook niet onthouden. Het was de laatste dag. De laatste wandeling. We hadden de hele week fantastisch weer gehad, maar op het laatst sloop er mist in ons dal. Mijn broertje maakte de grap dat we opti-mist-isch moesten blijven. Hij wist nog wel een tocht waar we kans maakten op zon. Ruim 60 minuten rijden, maar dan konden we een kabelbaan vatten, en wie weet kwamen we dan boven de wolken.
Het was de kabelbaan from hell:

Kabelbaan to hell 

Focus even op het midden van de foto, daar staat op een bergtop een kabelbaanmast. Links daarvan zie je een klein zwart loshangend puntje. Dat is de kabelbaankabine.
Doodeng.
Maar we hebben het gedaan. Kwamen boven op de Gemmipas. En daar waar het beneden loodgrijs was, bleek het boven de wolken schitterend helder blauw.

Uitzicht Gemmipas 

We konden ruim honderd kilometer ver zien, en ontwaarden alle beroemde toppen. Van de Dente Blanche tot en met de Matterhorn. En alles eromheen.
We maakten een mooie wandeltocht rond de hoogtevlakte van de Taubensee, pakten een pils op het terras van de berghut waar Picasso ooit schijnt te hebben gedineerd, en liepen met knikkende knieen weer terug naar de kabelbaan.

Eenmaal veilig thuis prepareerden we een kaasfondue in het chalet. En voor mij een enchillada, zoals altijd, want ik lust geen kaasfondue, maar dat terzijde.

Zwitserland.
Ik hecht aan traditie. En dit is een mooie.
Misschien wel de mooiste.

 

 

Knetter-rechts

Stel: Koppejan zegt 'ja'. Stel Ferrier doet dat ook. En zoniet, stel dan dat de SGP 'ja' zegt. En stel dat vervolgens Wilders, Rutte en Verhagen elkaar het komende half jaar geen slinkse loeren draaien, en geen van de drie in de verleiding komt om de boel met het oog op electoraal gewin tussentijds op te blazen. En stel bovendien dat zich niet al te veel ongemakkelijke akkeftietjes meer zullen voordoen, waarbij bijvoorbeeld een PVV-er wegens een kopstoot een nachtje in de cel moet doorbrengen.
Stel dat dat allemaal lukt. En stel dan ook nog eens dat de combinatie VVD-PVV-CDA (en eventueel SGP) bij de Provinciale Statenverkiezingen van maart 2011 een meerderheid krijgt toebedeeld in de 1e kamer. Hoogst onzeker, vooral wanneer je al deze eventualiteiten op een rijte zet, maar je weet het nooit.

Toch, stel dat dit allemaal gebeurt. Dan is het zover. Dan is er eindelijk een functionerend kabinet, dat wetsvoorstellen door zowel de 2e als de 1e kamer kan loodsen, kortom effectief kan gaan besturen.

Een rechts kabinet.

Wat de gevolgen daarvan precies zullen zijn weet niemand. Laat staan ik. Natuurlijk, ik heb ook de cijfertjes uit het regeerakkoord gelezen in de krant. En die vormen waarschijnlijk een goede indicatie voor zowel de begrotingssectoren (o.a. zorg, de overheid zelve, cultuur, etc) alsmede de mensengroepen (ambtenaren, huurders, gehandicapten, bijstandsgerechtigden, kunstenaars, studenten, moslims, etc) waar de klappen zullen gaan vallen.

Maar hoewel de intentie duidelijk is, leert de geschiedenis dat een regeerakkoord in de praktijk nooit linea recta wordt gerealiseerd. In het verleden bleek steevast dat via een hoop gelobby en gesteggel van belangengroeperingen, de meeste rampzalige voornemens uit zo'n akkoord een kansloze dood stierven, en dat aantoonbaar stupide maatregelen werden afgewend.

Toch maak ik me dit keer zorgen. Voor het eerst serieus eigenlijk, sinds ik de parlementaire democratie als 12-jarig jongetje in 1981 ben gaan volgen

(Bestek '81  (klik op die link van Bestek 1981, stelletje gekken! Is de moeite waard!) wie kent het nog? Okay, 1981 is iets korter dan Maxime, die 34 jaar lid is van het CDA, maar hey, ik kan ook de emo-kaart spelen, ook al ben ik geen lid van het CDA en flink wat jonger).

En dat komt niet zozeer door de inhoud van het huidige regeerakkoord. Een inhoud die ik overigens verafschuw, maar daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde het hebben over de manier waarop alles werd en wordt gepresenteerd.

Dat quasi-lollige gedoe, die onhandige zoektocht naar metaforen door de 3e rangs standup comedian Mark ('Ach weet u, zo'n motto is als een lolly, iedereen likt er nog aan terwijl de smaak er allang vanaf is') Rutte.
"***** ***** corpsbal, sodemieter op naar je moeder!", merkte ik heel genuanceerd op, terwijl ik voor de TV zat.
Maar toen had ik dat vossenlachje van Maxime Verhagen nog niet gezien, en dat geforceerde elkaar op de schouders tappen voor de pers.
"**** ********** katholieke huichelaar dat je er rond loopt!" schreeuwde ik naar Maxime op het scherm.
Is trouwens heel normaal hoor, dat ik dat doe. Doen ze in het politieke debat tegenwoordig ook. Hoort erbij. Is de tijdgeest. Betekent helemaal niet dat je buiten het parlement om, niet hele goeie vrienden met elkaar kunt zijn.

Last but not least was Geert Wilders aan de beurt. Hij trok zich zichtbaar van de hele poppenkast geen reet aan, en zei gewoon waar ie voor stond.

Dat laatste was best eng. Bijna nog enger dan Camiel Eurlings, die afgelopen zaterdag tijdens het CDA-congres met buitengewoon felle intonatie (geen Godwin) Maxime een steun in de rug probeerde te geven, waarbij Camiel afsloot met een militaire groet a la Pim Fortuyn.
Maar los daarvan. Serieus eng. Snapte Geert de ongeschreven spelregels soms niet? Had ie niet in de smiezen dat het de bedoeling was dat je hier enkel en alleen de pers te woord stond om alles koek en ei te laten lijken en zo min mogelijk je ware motieven te etaleren?

Mark en Maxime stonden er dom bij te grijnzen.
'Ach ja, je kent Geert', leken ze daarmee te willen uitstralen.

Ze beschouwden hem nog steeds als een nieuwe kleuter in de speeltuin. 'Die kunnen we wel aan', zag je ze denken, 'wij leveren straks ieder 6 ministers, hij 0. Wij gaan zodadelijk over de echte macht. Laat die Geert maar lekker zijn ding doen voor de media, en zijn symboolpolitieke puntjes scoren, hebben we dat tenminste ook weer gehad.'

Onderschatting. Het traditionele gevaar voor elke grootmacht. Of het nu om voetbal gaat of politiek. Je kunt als Nederlands elftal wel zeggen dat Wit-Rusland uit altijd lastig is, maar geloof je dat ook echt? Neem je het serieus?

Een grootmacht is een grootmacht. Maar neem Ajax. Of beter nog, Feyenoord. Denk je echt dat je met je CDA-fractie, bijkans gedecimeerd met 21 zetels in het parlement, en daarbovenop nog praktisch gehalveerd in de huidige peilingen, volwaardig de helft van het landsbestuur te kunnen uitmaken? Voor 50% het beleid te kunnen bepalen? Door regeringsdeelname Wilders in een gedoogzone buitenspel te zetten en zijn kiezers terug te winnen?
Think again.

Waar ik bang voor ben is dat deze keer, voor het eerst sinds 1981, Geert 'een man een man een woord een woord' Wilders wel degelijk, ondanks straks aantoonbaar betere alternatieven ('voortschrijdend inzicht', 'met de kennis van nu'), het huidige regeerakkoord tot in de details zal willen uitvoeren. Hij zal het zelfs eisen. Al was het enkel en alleen maar om de 'oude politiek' te nekken.
En hij zal daarbij, naar ik vrees, het leeuwendeel van de kiezers aan zijn zijde krijgen, vanwege zijn handelsmerk: standvastigheid.

Nou ben ik zelf totaal geen voorstander van standvastigheid, en nog minder van democratie (om de vier jaar de richting van het beleid laten bepalen door 16 miljoen sukkels die er over het algemeen de ballen verstand van hebben), maar om Churchill te parafraseren: "we hebben totnutoe helaas nog niets beters gevonden".
Kortom: we moeten het ermee doen.

Wat dat betreft zou ik tegen Koppejan en Ferrier willen zeggen:  Doe waar je democratisch voor gekozen bent. Maak van de democratie geen karikatuur, waarin een minderheid gedoogt een andere minderheid de meerderheid het zwijgen op te leggen.

Jullie hebben de grondwet aan je zijde. Vervul je democratische plicht. Doe waar je voor staat. Wees standvastig.
Stem tegen.