Op Fietse

Deze vrijdag moest ik in Limburg zijn en ik zou blijven slapen. Er was voor de daaropvolgende zaterdag zon voorspeld en het zou 20 graden worden, dus wat doe je met die wetenschap als je vanuit Amsterdam vertrekt? Juist! Je zet je racefiets op de achterbank, plukt een bidon en je helm uit je meterkast, flikkert die erbij en zet vervolgens koers richting het zuiden.

Vrijdag lekker gegeten bij de gastvrouw en een verdomd goeie wijn gedronken.

Op zaterdag hoefde ik helemaal niks (hemme neks op z'n Tiels, wat tijdens het jaarlijkse Liverpooluitje met mijn Tielse vrienden nogal eens voor verwarring zorgt; "Wat wil jij voor ontbijt?" – enfin, je snapt 'm).
Hoe zo'n dag beter in te vullen dan door bijtijds op te staan, voordat iedereen wakker wordt een kop oploskoffie te bereiden, een plak suikerbrood uit de broodtrommel van je gastvrouw te snaaien, en vooruit: nog maar 2 plakken voor onderweg, je aardbeienmelkjes in een rugzakje te doen, je bidon te vullen met kraanwater, je racefiets uit de auto te vissen en er zonder verder een exact plan te hebben, vandoor te gaan.

Lekker rammen op de pedalen. Op de bonnefooi, maakt niet uit waar naartoe. Je ziet wel waar je uitkomt. Als een vers gelanceerde raket schoot ik door de woonwijken van het voormalige mijnwerkersstadje. Zo snel mogelijk de ruimte in was het parool.
Out of the blue begon ik 'I'll follow the sun' van The Beatles te neurien. En kijk aan, daar had ik mijn plan al te pakken. Ik ga gewoon de zon volgen, bedacht ik.
Wat nog niet meeviel, want het was die ochtend verdraaide grijs en mistig voor een zonnig voorspelde dag.
Maar wat maakte het uit. Ik moet blijkbaar alleszins richting het oosten zijn gefietst, want al snel kwam ik een roodwit fietsersbordje tegen waarop Aken stond aangegeven. 'Aken!' dacht ik, 'dat is in Duitsland! Gaaf!'

Dus ik dat bordje volgen. Eerst kwam ik door Kerkrade. Roda JC! dacht ik, en tuurde de omgeving af op zoek naar iets van een stadion. Mais non. Het enige wat ik zag was deze godverlaten doorgaande weg met Belgisch aandoende (lees: allerlei verschillende soorten bouwstijlen) huisjes erlangs. Op zich houd ik enorm van Belgisch aandoende huisjes, begrijp me niet verkeerd. Als ik iets verschrikkelijk vind dan zijn het Nederlands aandoende huisjes. Met hun frigide tuintjes. Toch vond ik het een vreemd idee dat zich hier ergens een professionele voetbalclub moest begeven. Ik moest denken aan Babangida, die volgens mij ooit nog eens voor Roda JC heeft gespeeld. Moet toch een teleurstelling zijn geweest voor die jongen. Vlieg je helemaal over uit Afrika om in de Nederlandse eredivisie te gaan spelen, is je vaste standplaats zo'n gehucht.
Want een gehucht was het. Voor ik het wist reed ik Kerkrade al weer uit.

Een lange loodrechte weg leidde me dwars door de velden en de mist naar een onbestemde einder. Daar zou de grens wel eens kunnen liggen, dacht ik ieder moment. Natuurlijke grenzen lopen immers door onbestemde gebieden heen. Door niemandsland. Soms heb je strategische grenzen. Die lopen door rivieren, of over een berg. Ook te begrijpen. Maar grenzen lopen nooit dwars door een stad. Behalve onnatuurlijke grenzen. Zoals in Straatsburg. Daar is het dan ook de afgelopen eeuwen voortdurend knokken geweest. Maar ik dwaal af. Dat gebeurt als je aan het fietsen bent. Dat is het lekkere ervan. Dat je gedachten eindeloos afdwalen. Althans, zolang je niet omhoog hoeft.

Op een gegeven ogenblik doemde er uit het niets een gebouw op in de nevel. Een groot gebouw. (Vrij naar Doe Maar:) Een vervallen gebouw. Ja, een bedompt, een onwelriekend, een nutteloos gebouw, of-te-weeeel: Een zoll-station.
Niet meer in gebruik. De slagbomen lagen in hoopjes opgestapeld langs de afbrokkelende muren. Hier werd niet meer gecontroleerd op de smokkel. Van boter. Of Nederwiet.
Wel was het gebouw ingericht als Zoll-museum, stond op een bordje aangegeven. Het bordje hing op half 7. Het museum zag er ook niet echt uit alsof het serieus in bedrijf was, tenzij het een gratis zelfstandig openlucht museum was, zonder personeel.
Ik kreeg een beetje medelijden met het gebouw. Potverdorie, voordat het helemaal is weggerot zou ik het best willen kopen, dacht ik. Zeker als het een beetje te betalen is. Volgens mij valt er best iets leuks van te maken. Net zoals die Kooistra ooit van plan was die Duitse nooit afgebouwde kerncentrale Kalkar te transformeren tot pretpark. Aan de andere kant: met Kooistra is het slecht afgelopen, psychisch gezien, om over het lichamelijke nog maar te zwijgen.

Enfin, al te lang dacht ik er niet over na, want inmiddels had ik het liedje van de Drentse band Skik in mijn kop, 'Op Fietse', waarvan een strofe luidt:

want ik wul aal wieder ik wul alles zien
de leste mooie dag van 't joar misschien

3 kilometer na het verlaten zoll-station reed ik het Duitse plaatsje Hornbach binnen. Verrek, heet niet de een of andere Gamma-achtige bouwketen zo? dacht ik, met die irritante reclames die eindigen met "Van je Ai jai jippie jippie jee?"
Volgens mij wel. Maar geen filiaal te zien, van de firma, laat staan het hoofdkantoor. Het betrof net zo'n gehucht als Kerkrade. Gelukkig maar. Wel hadden ze een goeie backerei. Serieus, je kon de versgebakken brotchen al een kilometer vantevoren ruiken (oostenwind, okay, slimmerik). Dus daar heb ik er eentje van gekocht.

Toen door naar Aken. De Dom, die wilde ik zien. Maar ik kon 'm niet vinden. Nergens bordjes. Kutzooi. Stervensdruk verkeer, en gigantisch veel stoplichten. Duitsers stoppen daarvoor. Dus ik ook maar. Ik bedoel, ik ben zo iemand die zich aanpast, zolang het niet te gek wordt.
Op een gegeven ogenblik werd het te gek.
Sowieso, als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het stoplichten. En al helemaal aan stoplichten die niet efficient functioneren. Dus dat iedereen 3 minuten staat te wachten op rood, en er van alle kanten totaal geen beweging is op het verkeersplein. Fuck off.
En toen hoorde ik plotseling een diep gegalm van kerkklokken, ik dacht: dat moet de Dom wezen, ik dacht: de groeten, en speerde dwars door rode lichten zo snel mogelijk richting het geluid. Ik had precies 12 lange kerkklokslagen de tijd.
En verdomd. Alle lichten negerend, afgaand op mijn gehoor, bevond ik me precies binnen die 12 slagen op het plein voor de Dom.
Er was een marktje gaande, waar je een glas prosecco kon kopen voor 1 euro. Verleidelijk. Niet gedaan though. Heel verstandig. Wel heb ik een foto van de Dom gemaakt:

Dom Aken 
En daarna op een bankje een sneetje suikerbrood gegeten en een aardbeienmelkje gedronken.
Suss, nichtwahr?

Vervolgens om de Dom heengelopen. Aken is dichtbebouwd. Een beter uitzicht op de Dom dan dat ik vanaf het marktpleintje had, kreeg ik niet meer. Wel zag ik middenin de stad een roodwit fietsbordje. Met Vaals (NL) erop. Slechts 5,2 km.
Ik had kortom een nieuwe bestemming: het Drielandenpunt.

Een stad uit is makkelijker dan erin, en binnen notime had ik Aachen verlaten en reed ik alweer in de heuvels. Alles op het grote blad, kon mij het bommen, ik had 3 weken Franse Tourcols achter de kiezen, ik was getraind. Binnen een kwartiertje was ik in Vaals. Veel terrasjes in de hoofdstraat. En veel toeristen. Maar nergens bordjes met drielandenpunt. Terwijl ik uit mijn jeugd wist dat dit zich hier ergens moest begeven. Met 40 in het uur zoefde ik langs de VVV. Er stond althans iets van een teken. Was dat de VVV? Ja, waarschijnlijk was dat de VVV.
Ik keren.
De VVV bevond zich in de plaatselijke Bruna. Met mijn fiets de Bruna in? Of 'm zonder slot buiten laten staan? Ik besloot buiten te wachten tot er geen rij meer was voor de balie.
En liep na 10 minuten naar het meisje van
de VVV.
"Weet u misschien waar ik het drielandenpunt kan vinden?" vroeg ik.
"Vanaf hier richting Duitsland, is het de eerste straat rechts", zei ze.
"Okay", zei ik.
Ze zag mijn omgegespte rugzakje en concludeerde daar blijkbaar uit dat ik niet met de auto was. Ze zei: "Maar vanaf daar is het nog wel 3 kwartier."
"Lopend?" vroeg ik, "of met de fiets?"
"Allebei", zei ze, "het is een steile weg."
Dat klonk goed. Ik was toe aan steile wegen.
"Dankjewel", zei ik, en liep naar buiten.
Mijn racefiets stond er nog. Lang leve Limburg.

Ik reed terug en sloeg in de eerste straat rechtsaf. Na een paar honderd meter, in the middle of nowhere, was er eindelijk een goochemerd op het idee gekomen om een bordje te planten: 'Drielandenpunt: 2 kilometer.'
Ik moest lachen om die drie kwartier. Op het grote mes zette ik de beklimming in. Jezus, wat ging ik hard. Ik haalde een complete wielerclub in.
Daarna werd het echt steil.
In eerste instantie vertikte ik het om terug te schakelen. Dat ging na verloop pijn doen. Ik reed een veel te zwaar verzet. Maar pijn is fijn. 'Pijn is genot' zelfs, schrijft Jan Siebelink, AKO-literatuurprijswinnaar, in de titel van een boek dat ik recent van L. cadeau heb gekregen. En zo is het. Pijn zorgt ervoor dat je je gedachten op nul kunt zetten. Moet zetten. Pijn maakt dat je je de luxe van een complexe gedachtenwereld niet meer kunt permitteren. Het maakt je overspannen hoofd leeg. Het is een stofzuigerbeurt voor je harses.
Zegt hij niet hoor. Zeg ik.

God, wat was ik goed bezig. God, wat was ik enorm aan het doodgaan. Kijk mij eens een mongool zijn, een 10%-helling op het grote blad!
Waanzin.
Niet vol te houden.
Nadat de wielerclub mij weer had ingehaald, ging ik toch over op de kleine.

Dat ging beter. Maar net toen ik de oudste vent van de wielerclub weer voorbij was gesjeesd, en een tandje wilde bijschakelen om vlak voor de finish bij het Drielandenpunt ook nog wat andere veteranen te snaaien, deed mijn ketting ratelderatel. Fuck.
Kortom: Einde heroisch verhaal. Het betekende: vlak voor het eind van de helling m'n fiets op de kop zetten, en m'n poten in het smeer. Meewarige blikken van voorbijgangers. Ze denken op dat moment allemaal: Die kon de top niet halen, en doet net alsof ie een defect aan zijn rijwiel heeft.
Het is de lulligste smoes die er bestaat, materiaalpech. Alex Roeka heeft daar schitterend over geschreven in 'De Kloten van de Marmotte', wat mij betreft het allerbeste wielerboek ooit.

Ik kreeg de ketting er weer om. En ben door naar het Drielandenpunt gereden. En heb er een foto van gemaakt:

3lp Vaals 
Daarna heb ik weer een sneetje suikerbrood gegeten en een aardbeienmelkje gedronken. Als troost.
En een sigaret gerookt. Dat hielp. Verdorie, dacht ik, waar ik ben ik mee bezig? Ik doe dit toch voor mijn lol, of niet soms? Waarom zo competatief? Geniet lekker van de omgeving, of zoiets! Net als vanmorgen met dat Zoll-station!

En gelijk had ik. Ik besloot na de afdaling terug naar Vaals, de route te nemen door het Geuldal. Langs allemaal plaatsjes met een 'W'. Ik kan me de precieze benamingen niet meer herinneren, maar er kwamen dingen voorbij als 'Weildergem Wilde' oid en nog een hoop 'W's' en op een bepaald moment het prachtige plaatsje 'Wittem'.
Daar werd ik vrolijk van, van Wittem.
Al was het maar omdat ik er nu weer eentje bij had in mijn categorie van Tielse dialect raadsels, die beginnen met een halve vraag, en waarvan de tweede helft van de vraag het antwoord is.
Voorbeeldje:
"Het is wit en het staat in de wei. Witte gij 't?"

En nu had ik er dus weer eentje bij: "Een plaatsnaam in Limburg. Wit 'm?"
Sorry, het is misschien triest met me gesteld als ik dat soort dingen nodig heb om vrolijk van te worden, maar eerlijk gezegd kon me dat geen hol schelen.
Ik had er weer zin in. En toen na Schoonbron, vlak voor Schin op Geul, linksaf de Keutenberg lonkte, bedacht ik me geen moment. Hossa! Vol gas die laan in, en hoppakee naar boven. Stukbijten die tanden, wraak nemen, laten zien wie er hier kan klimmen godverdomme. 20%. Ratata Ratata, al die recreanten je hielen laten zien. Toedeledokie. Opzouten!
Daar ging ik.
Snoef snoef.
Voorbij. Allemaal.
Als ik nog harder had getrapt was ik op die berg achterover gekukeld, zoveel kracht zette ik op de pedalen.
Totaal buiten adem, maar met een slagveld achter me, kwam ik boven bij het verlossende bordje.

Daarna via een hoop plaatsjes met een "IJ" (het eind van het alfabet bevindt zich blijkbaar allemaal in het Zuiden) weer afdalen naar Valkenburg om nog even de Cauberg mee te pikken.

Als een malloot naar boven. Op de top, in het bushokje tegenover het casino mijn laatste aarbeienmelkje opgedronken.
Geen zin in een sigaret, zo naar de kloten was ik.
Maar ik had het gered. Ik had het toch weer laten zien.

Aan mezelf.

Zoals dat geldt voor iedere eenzame fietser.
Ik daalde af naar een van de vele terrassen in de bocht onderaan de Cauberg. Nam plaats en bestelde een pils. Rookte vele sigaretten achter elkaar. Keek vanaf mijn stoeltje naar de andere fietsers die aan de voet van de beklimming routineus alvast terugschakelden naar hun kleinste verzet.
Het was 3 uur 's middags. De zon stond op mijn kop. Ik nam een slok van mijn pils en dacht aan weinig anders dan: Wat heb ik toch een ontzettend mooi leven.

Advertisements

3 thoughts on “Op Fietse

  1. beterschap gozer. als je binnenkort weer op de been bent, zou ik graag van je horen wat je zoal op mijn ms aan te merken hebt! (nogmaals: geen haast, he)

  2. Mooi verhaal, zo werkt dat inderdaad met die racefiets: bestemming bereikt, je neus achterna, naar een nieuwe bestemming. Ik kan het beste maar een rondje fietsen, anders kom ik helemaal niet thuis. Kwam zelf zondag mooi langs paleis Noordeinde en zag later die avond een prachtige zonsondergang. Proost! Maar van Kalkar, was dat niet Hennie van der Most? Of was Kooistra eerst? Hartelijke groeten!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s