Over Appelpop, fietsen en mijn Oma

Gisteren was ik naar het vrijwilligersfeest van Appelpop. Ik zou daar nu een heel verslag over kunnen proberen te schrijven, maar dat heeft geen zin. Het meeste ben ik gisteren namelijk al vergeten wegens verregaande vermoeidheid (een Tiels eufemisme voor, juist).

Op zich jammer, want er had een leuk verhaal ingezeten. Om het voor jullie een beetje te laten leven had ik er 2 foto's bij willen plaatsen van Appelpopvrijwilligers, om hun diversiteit te illustreren. Ten eerste eentje van een jongen met een Appelpopgroene hanenkam, en daarnaast eentje van een bijna zestigjare man met lange grijze haren en een nog langere grijze baard. De eerste heeft zo'n beetje in z'n eentje de stadiongrote megatent opgezet. De tweede was verantwoordelijk voor de elektriciteitsvoorziening. Als grap had ik er dan bij willen zetten dat je het gezien de kapsels misschien eerder andersom zou hebben ingeschat (phaa!!).

Maar zoals gezegd, ik weet er helaas weinig meer van. Behalve dat ik om half 6 's ochtends samen met twee vrienden (A. en J., beiden mede-Liverpoolgangers) terug naar huis ben gefietst. En dat zulks gemakkelijker gezegd dan gedaan was gebleken. Het viel voorwaar niet mee om met een plastic beker pils in je ene, en een sigaret in de andere hand, de macht over het stuur te behouden. J. had het nog lastiger, want die reed rond met een nog bijna volle fles Bacardi rum in zijn poten. Reden genoeg voor A. om te demarreren. Wat J. en ik natuurlijk niet over onze kant konden laten gaan, dus wij in de achtervolging. Echt veel moeite hoefden we daar niet voor te doen, want A. was inmiddels in een greppel gereden.
J. en ik lachen natuurlijk. Tranen in onze ogen, waardoor we niets meer zagen, vervolgens met onze trappers in elkaar verstrikt raakten, en tegen het asfalt klapten. Schitterend. Het was weer net als vroeger, onze jeugd, de legendarische terugtochten vanuit het Tielse kroegleven op zaterdagnacht, waarbij we steevast om de beurt zo hard mogelijk op een lantaarnpaal afreden om die op het nippertje te vermijden, waarbij dat laatste niet altijd even goed lukte.
Mooie tijden. En nu beleefden we die opnieuw!
A. schudde de aarde uit zijn haren, en besteeg opnieuw zijn fiets. J. en ik bekeken onze knieen, die leefden nog, we voelden niks, heel raar, maar godverdomme, dat bier en die Bacardi waren we dus kwijt, want die sijpelde tussen de scherven door traag maar gestaag richting de goot. Heel erg lang treurden we niet, want A. was opnieuw gedemarreerd. Hij slingerde met krachtige bewegingen over het fietspad naast het Shell-station op de Nieuwe Tielse Weg. Hij slingerde zo heftig dat ie regelmatig een stukje berm meepikte. "Fietspaden zijn niet meer van deze tijd", zei ik tegen J., "ze zijn veel te smal". J. knikte, en we besloten om het gescheiden fietspad rechts te laten liggen, en daarvoor in de plaats de openbare weg te vatten. We maakten voor de zekerheid ieder gebruik van een eigen weghelft, om niet opnieuw in elkaars trappers verstrikt te raken.
Ik had er net met mijn kop over het stuur gebogen stevig de sokken in, toen ik getoeter hoorde, opkeek, en plotseling twee koplampen zag opdoemen. Ik zwenkte met een ruk aan het stuur naar rechts.
Door een krakende megafoon werd geroepen: "Wilt u gaarne terugkeren naar het fietspad!" Het bleek een auto van de politie. "Met de moederneukende justitie", om met de Osdorp Posse te spreken.
"Ja hallo", wilde ik roepen, "ik doe dit voor mijn eigen veiligheid!", maar ik hield me in, en riep: "Natuurlijk mijnheer, gaan wij doen!"
De politiewagen reed door.
"Daar komen we goed mee weg", zei J., die net als ik geen spoortje van verlichting op zijn waggelende rijwiel voerde.
Ik had weliswaar van mijn moeder lampjes meegekregen, en ik was ook echt van zinnens geweest ze te gebruiken, maar met mijn zatte kop had ik dat kleine k*tknopje waarmee je ze aan moet zetten, niet kunnen vinden.
"Lang leve de Tielse politie" zei ik, met tranen in mijn ogen van ontroering om het zich letterlijk en figuurlijk verplaatsende medeleven.

Tijdens de beklimming van het viaduct over het spoor kwamen we A. weer tegen. Hij stond geparkeerd, en klapte om. Het was inderdaad een stevige beklimming.
J. en ik raakten opnieuw met de trappers in elkaar verstrikt, en smakten na elkaar gekatapulteerd te hebben naast A. neer.
We rolden alledrie over het gras, we moesten onze buik vasthouden van het lachen.
Nadat we waren uitgesnikt en gehikt, zei A.: "Zo, en dan nu de afdaling!"
Een opmerking die voldoende munitie bood voor een nieuwe gierbui.
Je had erbij moeten zijn.

Na de afdaling, die we om de beurt volbrachten, in alle voorzichtigheid, met de knuisten stevig om de handremmen geklemd, was het tijd om afscheid te nemen. Op dit punt, midden in de velden, bevond zich het kruispunt waar onze wegen zich letterlijk scheidden.
Daar omhelsden we elkaar. Innig. Zeer innig. Alsof Nederland alsnog wereldkamioen was geworden.
Drank is machtig mooi spul.

Tot zo ver het Appelpop vrijwilligersfeest. Ik wist na een paar minuten gemorrel de deur van het huis van mijn moeder te ontsluiten, strompelde de trap op, opende de deur van het op 1 na kleinste kamertje, en naam plaats op een klaargelegd matras, onder een fris gewassen dekbed, recursief ommuurd door stellingkasten.

De volgende ochtend/middag stond ik op, nam plaats aan de ontbijt- cq lunch-tafel en begroette mijn broertje en zijn vrouw, die dit weekend de zolder aan het schilderen waren. Mijn moeder stond op de gang te telefoneren. Toen ze terugkwam vertelde ze ons een zielig verhaal.
"Dat was Y." [mijn tante-pdn], zei mijn moeder.
Y. had aan mijn moeder verteld dat mijn 91-jarige, enigszins dementerende Oma uit Nijmegen nogal overstuur was.
"Hoezo?" vroegen wij.
"Ze is gisteren met de trein naar Den Haag geweest om kleding te kopen bij Meddens. En ze heeft een pakje gekocht van 700 euro."
What else is new? dachten wij gedrieenlijk.
Nou dit dus: "en ze heeft dat pakje in de trein laten liggen."
"Nee!" riepen wij.
"Jawel", zei mijn moeder, "het is heel zielig, ze heeft toen ze thuis was meteen I. [mijn kordate aangetrouwde nicht-pdn] gebeld, en die heeft stad en land aan instanties gevraagd of het pakje misschien ergens gevonden was, maar niks. Dus Oma is erg overstuur."
Dat kon ik me voorstellen. Mijn Oma leeft van een karig pensioentje, ze spaart zich van alles uit de mond om zich eens per zoveel maanden aan haar kledingverslaving te buiten te kunnen gaan, krijgt ze dit. Zo sneu.

Maar het bleek nog veel sneuer.
"Het kwam waarschijnlijk doordat ze een beetje in de war was", vertelde mijn moeder.
What else is new? dachten wij gedrieenlijk.
Nou dit dus: "omdat de conducteur boos op haar was geworden", zei mijn moeder.
"Boos op Oma?" vroegen wij verbaasd.
"Ja, ze had het verkeerde kaartje. Of ze zat in de verkeerde trein."
Jeetje.
"Misschien door de omleidingen", zei ik, "er rijden dit weekend geen treinen tussen Arnhem en Nijmegen, je moet voor Nijmegen omrijden via Den Bosch."
"Dat zal het zijn", zei mijn moeder, "enfin, ze was nogal bang geworden van die conducteur, je kent Oma, die kijkt op tegen gezag, en ze is toen zo snel mogelijk de trein uitgestapt. Tot ze zich realiseerde dat dat pakje nog binnen lag. Ze wilde de trein weer instappen, maar de deuren sloten zich net voor haar ogen."

Hartverscheurend.

Mijn Oma. Min of meer uit de trein gezet. Ik dacht aan de lieve conducteur van vorige week. Ik dacht aan de lieve politie van gisterenavond. Ik dacht: Waarom kunnen ze niet allemaal zo zijn? Het zou het leven zo veel aangenamer maken. Voor ons allemaal.

Fuck dat Zero Tolerance-gesodemieter. Incidenten kunnen onderscheiden van c
hronische overlast. Daar gaat het om. Ik stel het voor als verplicht vak voor iedereen met een uniform.

 

Advertisements

Uit het dagboek van een slamveteraan

Ongeveer een half jaar geleden kreeg ik een mailtje van Gina van de Berg, van het Poeziecircus. Ze schreef dat ze dit jaar weer 's lands beroemdste dichtersfestival 'De Nacht van de Poezie' gingen organiseren, in de Utrechtse Stadsschouwburg, en dat ze in een van de zalen ook een poetryslam op touw wilden zetten. En Gina vroeg of ik daar, als oud Nederlands slamkampioen, aan mee wilde doen. "Wij zouden het een hele eer vinden", besloot ze haar mail.

Uit principe doe ik al jaren niet meer mee aan poetryslams. Officieel omdat ik vind dat als je eenmaal Nederlands kampioen ben geweest, je de ruimte moet geven aan nieuwe lichtingen. Klinkt nobel nietwaar? Maar als ik eerlijk ben, dan doe ik voornamelijk niet meer mee aan poezie in wedstrijdverband omdat het bijna mensonterend zenuwslopend is.
Voor mij wel, athans. En ik zal niet de enige zijn. Weinig is verschrikkelijker dan na je optreden met 5 andere kandidaten in een rijtje op het podium te moeten gaan staan, om vervolgens stuk voor stuk aan de onverbiddelijke applausmeter te worden onderworpen.

Cijfers liegen niet, dat is het beroerde. Waar je na een normaal optreden je brein nog stiekem voor de gek kunt houden door bijvoorbeeld een gebrek aan respons vanuit het publiek te vertalen met 'diep onder de indruk', daar word je bij poetryslams dankzij de applausmeter genadeloos geconfronteerd met een keihard kwantitief waardeoordeel.
Publiekelijk.
Brrr.

Bovendien wordt tegenwoordig de finale van een poetryslam beslist door een zogeheten 'battle'. Waarin het doorgaans neerkomt op het (mild) voor lul zetten van de medefinalist. Reageren op elkaar door om en om met korte adremme gedichten de ander te overtroeven.
In mijn tijd was dat nog niet. In mijn tijd draaide eerst de ene finalist zijn programma af, en daarna de ander. Niks op elkaar reageren. Gewoon een mooi gedicht, verder geen gelul.

Mijn eerste gedachte toen ik Gina's mailtje las was: Sven, niet doen!
Toch had ik voor ik het wist een toezegging gereplied. Waarschijnlijk was ik dronken. Ik had er ook nog achteraan geschreven: 'Ik heb alleen geen battle-gedichten, maar maak je geen zorgen, dat komt goed!'
Dat is het verneukeratieve van uitnodigingen die je een half jaar vantevoren krijgt. Dat je denkt: ach, what the hell, Gina is een lieverd. Doe maar! Komt goed! En vooral: dat zien we dan wel weer.

Afgelopen zomervakantie in Frankrijk zat ik met de pen in de aanslag om mijn eerste battle-gedicht te schrijven. Maar er schoot me niks te binnen. Geen inspiratie.
De zon scheen. Het riviertje lonkte.
Wat maakt het ook uit, dacht ik, flikker op met je battle. Wie weet vlieg ik er al in de eerste ronde uit. Des te beter. Kan ik daarna lekker met mijn introduce (dat was een voordeel: als slamdeelnemer kreeg je gratis kaartjes a 36 euro) naar de rest van het programma van de Nacht van de Poezie gaan kijken.

Maar ja. Dat was van de zomer in Frankrijk. Zo lang geleden, lijkt 't. Toen afgelopen vrijdag de dag van Nacht van de Poezie dichterbij kwam (namelijk de volgende dag), begon het aanstondse optreden in mijn hersens opeens concrete vormen aan te nemen. Ik realiseerde me toen pas echt dat ik straks weer onvermijdelijk in die line-up voor de applausmeter moest gaan staan. En dat de halve Nederlandse slamscene aanwezig zou zijn bij een eventuele afgang van mijn persoontje.
Kut.
Mijn totale, ahem, legendarische reputatie naar de kloten (de meesten van de huidige slammers hebben mij nooit zien optreden). Om nog maar te zwijgen van wat dat zou doen met de geloofwaardigheid van mijn verschijning in de vaste jury van de Festina Poezieslag.

Oftewel: ik moest presteren.

Nog 24 uur till showtime. No way back. Ik besloot mijn totale repertoire eens te inventariseren. Uit diverse oude computers verzamelde ik mijn langvergeten korte gedichten op een memorystick, en las ze in alle rust door op het stokoude laptopje hier in de glazen opbouw op mijn dakterras. Ik wist niet dat ik er zoveel had geschreven. Ik scande ze stuk voor stuk op battle-proofness. Een stuk of 8 kwamen er door de screening. Er zaten een hoop geinige dingetjes bij.
Dat was het goede nieuws. Het slechte nieuws was dat ik ze niet meer uit mijn hoofd kende.
Dus ik stampen.
En stampen.
En oefenen.
En oefenen.
Dat ging goed. Ik had ze weer in mijn hoofd. Ik had er vertrouwen in.

Een paar uur later de ultieme test. Realistische omstandigheden nabootsen. Net zoals de Engelsen, die in WO II 10% van hun soldaten verloren in de trainingskampen. Dat werk. In mijn geval: Ken je ze nog steeds uit je kop als je 10 pils achter de kiezen hebt?
Antwoord: negatieve zoemer.

Fuck.

Change of plans. Dan maar de evergreens. De Greatest Hits. Het setje van pakweg 10 exact 3-minuten-durende gedichten (old-school-slam) waar ik al 13 jaar lang op teer. Teksten die ik met pas kwijt raak na 20 pils, maar tot die tijd prima weet te herproduceren. Mits ik ze even oefen.
Ik had de hele zaterdagochtend nog om die er weer een beetje in te stampen.

Gedaan. Met een pils erbij. Het moet wel leuk blijven, natuurlijk.

Op naar Utrecht. In de trein nog een pils. Daarna met L. naar een restaurantje. Halve salade gegeten, meer kreeg ik van de zenuwen niet door mijn keel. Karaf wijn erbij. Die lukte beter.
In een cafeetje tegenover de Stadsschouwburg nog een wijntje, en toen naar binnen. Artiesten polsbandje omgehangen gekregen, consumptiebonnen in ontvangst genomen, en linea recta door naar de bar. 2 pils mee de zaal ingenomen, en het eerste van de 4 blokken van de slam gekeken.

Slamnight, kort verslag

1e poule

In een schitterende battle-finale tussen de 2 overgebleven kandidaten uit de 1e poule, oud NK poetrykampioen Bernhard Christiansen en het duo Kila en Babsie, werden de laatsten woordelijk omver gekegeld. Bernhard had zijn gedicht 'Schrijnend' voor de gelegenheid omgetoverd naar de meervoudsvorm, en knalde er even later nog eens overheen met zijn 'lepel'-gedicht. Dat gaat over een duo lepels, waarvan er eentje 'harig' is, heel zielig, enfin, je had erbij moeten zijn. Bernhard moet je meemaken: absurdistisch cabaret van hoog niveau met een geweldig gevoel voor taal.

2e poule

Van de zes deelnemers uit de 2e poule kwamen uiteindelijk medeslamveteraan Peter M van der Linden en Festina-presentator Sander Meij in de battle-finale terecht. Sander had nog nooit een battle gedaan, en veinsde in 1e instantie onbeholpenheid. Maar nadat Peter had afgetrapt, ging Sander er vol in met een authentiek Amsterdams scheldgedicht. "Krijg nou wat! Sander gaat voor goud!" riep een collegaslammer die later in het 4e blokje nog aan zou treden. Het klonk lekker, inderdaad. Maar Peter M ging er na het gedicht van Sander dodelijk te hebben gedegradeerd met de opmerking: "Sander heeft waarschijnlijk een moeilijke jeugd gehad" vet overheen, met zijn evergreen "Flipper" waarin alle Nederlandse TV uit de jaren 70 voorbijkomt. Peter won. Maar zou later heel nobel, als een echte veteraan, zijn plaats in de Grande Finale afstaan aan Sander.

3e poule

Showtime. Pour moi. Ik stond in een blokje met oud-Buddingprijs genomineerde en Festina verslaggever Pim te Bokkel, de podiumervaren zanger/dichter Boris de Jong (Winterjong), de vriendin van Poeziecircus-presentator Alexis de Roode, Anne Broeksma, Nienke Esther Grootten en de ouwe trouwe cultheld ACG Vianen.
In de eerste ronde meteen maar 2, kuch, klassiekers erin geknald. 'De Metro' en 'Poezie-synthese'. Net als in het gewone leven geldt in poetryslam de wet: De eerste indruk is het belangrijkst. Moeiteloos door naar ronde 2 van het 3e blokje. Daarin aangehaakt op het gedicht van ACG dat eindigde met 'Raak me'. Dus 'Picknick in het Vondelpark' gedaan, dat over precies hetzelfde ging, maar dan anders.
Ook die ronde overleefd, dus door naar de b
attle. Tegen ACG. De herhaling van de finale NK Poetryslam uit 2004. We hadden er zin in, veteraan ACG en ik. We spraken af dat we gewoon ieder een lang gedicht zouden voordragen. Niks geen gebattle. Ik deed 'de Reuni', over dat het altijd net als het maatschappelijk slecht met je gaat, er een brief op de mat ligt van je middelbare school voor, precies. Hij ging lekker. Ik was in vorm. Strak als de neten. ACG deed vervolgens zijn bekendste, misschien wel het bekendste Nederlandse slamgedicht: WOORD.
De applausmeting.
Ik won nipt. Oftewel: door naar de Grande Finale! De avond was gered. Of in ieder geval mijn eigen reputatie. Tiet veur een hoop pils!

4e poule

Vantevoren was deze sterkbezette poule door kenners bestempeld als de poule des doods. Gevestigde namen als regerend NK-slamkampioen Ellen Deckwitz en Buddingprijs-winnaar Bernard Wesseling moesten het o.a. opnemen tegen nieuwe sterren als Daniel Vis en Justin Zaaijer (artiestennaam: Logos). Maar zoals het vaker gaat in poules des doods, ging op curieuze wijze een outsider met de winst aan de haal. Wat mij betreft volkomen onterecht, maar goed. Ik wil niet lullig doen. De winnaar werd, na o.a. een briljante eerste ronde van Bernard Wesseling en een intrigerend gedicht van Daniel Vis, uiteindelijk toch Peter Knipmeijer.

Grande Finale

Het was 1.15 's nachts. Ik had inmiddels omgerekend zo'n 22 pils achter de kiezen. Serieus in de gevarenzone kortom. De zaal zat goed vol. Bekende dichters als Menno Wigman en Hagar Peeters bevonden zich in het publiek. Fuck. Ik was nerveus als de pokken. En als ik nerveus ben, dan weet ik maar 1 oplossing: nog een pils. Dus ik opende een van huis meegenomen lauwe halve liter, en nam plaats op het bankje met de finale-kandidaten. Voor deze situatie had ik een gedicht geoefend.
"Welke ga je doen in de Grande Finale?" vroeg Peter M v/d Linden me toen we buiten stonden te roken.
"Fleris", zei ik.
"Jezus, Fleris?" zei Peter, "die duurt toch 6 minuten?"
"Ik heb 'm ingekort", zei ik, "voor de gelegenheid. Vanmorgen tot 3.00, maar zojuist in de kleedkamer naar 2.40, want die DJ begint er sinds blokje 2 al na 2.30 doorheen te stoempen, heb ik gemerkt."
Het was waar. Ik weet van elk gedicht tot op de seconde hoe lang ie duurt. En had gemerkt dat ons niet de voltallige 3 minuten werd gegund. Doordat de slam achter lag op schema, had de DJ blijkbaar opdracht gekregen om na 2.30 de dichters langzaamaan af te kappen.
"Dus je hebt er rekening mee gehouden dat je in de Grande Finale kwam?" vroeg Peter.
Ik haalde mijn schouders op.
"Vlerk", grijnsde Peter.
"Fleris", grijnsde ik terug.

Fleris ging geweldig. Fleris was fanstastisch. Precies toen na 2.30 de muziek van de DJ erin kwam kon ik mijn toepasselijke slotzinnen uitspreken. Voorbereiding is alles. Dan kun je anticiperen. In de tussenstand, tijdens de line-up, haalde ik de hoogste applausmeterscore van de avond.
Ik stond in de finale van de Grande Finale!
Dat was het goeie nieuws. Het slechte nieuws was dat ik tegenover Bernhard Christiansen stond. De beste battlelaar van Nederland. Lezers van 'de Renner' van Tim Krabbe weten al hoe dit gaat aflopen.

Final Battle

Bernhard was heel lief. "Zeg, heb jij eigenlijk wel korte gedichten?" vroeg ie aan mij toen we weer even op het bankje zaten, terwijl de presentatoren een zoveelste good-cop/bad-cop-sketch deden (Alexis speelde de cultuurliefhebber die principieel vond dat er geen sprake van een wedstrijd kon zijn in de kunsten, en de andere presentator een PVV-er die poezie maar een linkse hobby vond, waarbij efficient met de tijd moest worden omgegaan, en de winnaars van de verliezers moesten worden gescheiden).
"Nee", loog ik.
Ik had inmiddels 24 pils achter de kiezen, een complete krat, no way dat ik nog ook maar 1 zin uit mijn op vrijdagavond geoefende battle-gedichten kon herinneren.
"Okay", zei Bernhard, "dan begin ik gewoon. En doe jij daarna een lange. En dan doe ik er 2, en jij dan weer eentje, en dan ik weer…"
"Prima", zei ik.
En zo werd het een mengeling van old-school en battle. Ik weet er verder weinig meer van. Behalve dat het goed ging. Op de een of andere manier wist ik er een aardige versie van 'Emily' uit te gooien en ratelde ik op het laatst 'de Waterval' er ook nog vloeiend uit.
Bernhard was heel respectvol en heeft me voor zover ik dat nog heb kunnen bevatten, niet serieus gedist. Heel vriendelijk. Groots.

Enfin. Tijd voor de laatste line-up van de avond.

Raar genoeg voelde die niet meer als spannend. Alles was best. Ik had het goed gedaan. De avond was alleszins geen afgang geweest. Daar ging het om.
Ik verloor, werd tweede. Bernhard won, en mocht direct door naar het Hoofdpodium van de Nacht (de hoofdprijs voor het winnen van de slamnight), om daar nog een toegift van 8 minuten te doen voor de laatste bezoekers. Nadat ik buiten een sigaret had gerookt, ben ik daar naar gaan kijken. Hij deed het goed. Het was mooi dat hij daar stond. Ik had het niet meer gekund. Ik was op. Op, op en oh voorgoed op, voor deze avond dan tenminste.

Maar vooral was ik voldaan. Mission accomplished. Roger. Out.

Einde korte verslag slamnight.

Met het Festina-clubje, plus M.W. en vriendin, wandelden L. en ik om half 4 terug naar Utrecht C.S om de nachttrein van 4.07 te halen.
We waren er een kwartier te vroeg. Dus de mannen wilden nog wat eten. Bij de stationskiosk (lang leve stationskiosken die om 4 uur 's nachts nog open zijn) werden kaassoufflees gescoord, sauzijsenbroodjes. Voor L. bestelde ik een bruin broodje kaas. Ik kreeg een krentenbol.
"Het kan aan mij liggen", zei ik, "maar volgens mij is dit geen bruin broodje. Laat staan met kaas."
"Jawel hoor meneer", zei de verkoper, een Turkse vent van een jaar of 50, oververmoeid, "kijk maar, het staat op de verpakking."
Ik keek naar het opschrift op de doorzichtige verpakking. Daar stond inderdaad op: "Fromage".
"Maar het is volgens mij toch echt een krentenbol", zei ik, "kijk maar door de verpakking, dat zijn toch krenten? En hij is wit! En rond!"
"Ja, dat zijn krenten", zei de man, "krijgt u er gratis bij, bij broodje kaas!"
"Ja maar.."
Achter me begon de rij de morren. De mensen wilden hun nachttrein halen.

Het leven kan ingewikkeld zijn om 4 uur 's nachts. Pas pour moi. "Doe maar een ander broodje kaas", zei ik. De Turk pakte het volgende broodje uit het schap. Dat was er wel een. Bruin. Met kaas. Langwerpig. Zonder krenten. Ik rekende af.

Daarna het gebruikelijke gedonder bij de roltrappen naar de nachttrein. Toegangscontrole. Dagretourtjes zijn maar tot 4.00 's nachts geldig. We waren te laat. Martijn, Pim, ik, L., M.W. en zijn vriendin, werden doorgelaten. Maar Bernard Wesseling en Sander Meij waren de lul. Moesten terug naar de automaten om een nieuw kaartje te trekken. Raar. De waanzinnige willekeur van de nacht.

Maar we haalden 'm toch. Tenauwernood. Hij zat behoorlijk vol. Met de gebruikelijke vreemde types. Zo stond er een surfplank aan het uiteinde van een gangpad geparkeerd, met een nette rode hoes erom, en ernaast een neger die op een ingewikkelde manier lag te pitten (zijn voeten op de ene bank, zijn lijf op de tegenoverstaande, en zijn kop op de grond).

We besloten eerste klas te gaan zitten. Die was toch leeg. "En ze controleren nu toch niet meer", zei iemand van ons, "dat doen ze nooit in de nachttrein."
"We hebben sowieso geen geldige kaartjes", zei een ander, "dus het maakt geen fuck uit of we nu 2e of 1e klas gaan zitten."
"We kunnen net zo goed een sigaret opsteken", zei weer iemand anders, "het is hier toch leeg!"
Kijk, dat vond ik nou n
og eens goed plan.
Maar net toen ik de hens in een Marlboro wilde zetten, stond er vanuit het voorste gedeelte in de eerste klas een vent op, en stak zijn kop boven de banken uit. En niet zomaar een vent. Een vent in conducteurstenue.
Hij zwaaide lachend naar ons: kijk hier ben ik.

Bon. We wachtten enige seconden af. Godzijdank ging hij weer zitten en leek niet van zinnens ons nader lastig te vallen.
Goeie vent.
Zo ga je met de zaken om. Die sigaret hebben we uiteraard niet opgestoken. Een soort van onuitgesproken deal. Niemand wilde per se problemen.
Vervolgens hebben we drie kwartier geroddeld over de Poeziewereld (de nachttrein reed om via Hilversum).

Op Amsterdam CS stapten we uit. Op het perron staken we een sigaret op. Toen de deuren van de nachttrein weer sloten, wuifde de conducteur vanuit het raam.
Ik zwaaide terug.

Goeie dag!

Mijn Appelpop 2010

Het zit er weer op, de 19e editie van  Appelpop. Recordomzet gedraaid. Hard gewerkt. Bijkans blaren op mijn poten van het geld tellen.
Tussen de bedrijven door gelukkig nog wel een paar fragmentjes van bandjes kunnen kijken. Dit is wat ik gezien heb:
(NB: de bekende namen heb ik grotendeels geskipt, ik ben tijdens mijn schaarse vrije minuten voornamelijk gegaan naar wat mij persoonlijk interessant leek).

Vrijdag 10 september 21.00 Blossom Stage (3e podium)

Urf 
Urf Runt & Rukvet nr 8

Tielse veteranenrock van mannen die nog net een generatie ouder zijn dan ikzelf. De meeste van de mannen ken ik persoonlijk. Bij drummer Vic moesten wij vroeger altijd de sleutel halen als we met ons eigen bandje de oefenruimte van de gemeente in wilden. En zanger Henk kwam ik in mijn jeugd nog wel eens tegen op feestjes, waar hij iedereen onder de tafel zoop. Tegenwoordig is hij, net als ik, ook dichter. We hebben nog niet zolang geleden samen opgetreden tijdens het jaarlijkse Back Alley Poetry-festival in Tiel. Fijne kerel.
Grootste hit van de band: "Je bent een beest" ("altijd geweest"). En die titel dekte ook dit optreden perfect de lading van hun muziek.

Vrijdag 10 september 22.30 Blossom Stage (3e podium):

All missing pieces Toetsen 
All Missing Pieces

De jongste nationaal bekende band van Nederland. En de beste, wat mij betreft. Zeker nu de 3 broertjes een toetsenist bij de band hebben gehaald met een vette Hammond-sound. Hammond is na wahwah mijn lievelingsgeluid.
Zanger/gitarist Camiel was dit jaar weer explosiever dan de jonge Mick Jagger en de huidige Jack White bij elkaar. 1 brok energie en voortplantingsdrift. Geweldig.

En dat was het alweer, voor wat betreft de vrijdag. Daarna door met centjes tellen en alles in stelling brengen voor de tweede festivaldag: zaterdag 11 september.

Waar het op vrijdag nog flink geregend had, was het zaterdag stralend blauw en een dikke 23 graden. Ideaal festivalweer. We verzamelden ons om 12.55 traditioneelgetrouw met de organisatie voor de mixtafel van het hoofdpodium, om elkaar 'een prettige wedstrijd' te wensen. Dit jaar niet onopgemerkt gebleven door regiokrant de Gelderlander, die daarover schreef (klik!):
De start van het festival op zaterdag wordt altijd gemarkeerd door een kleine bestuursvergadering van de organiserende stichting Muziekstad Tiel. Zo ook deze keer. Midden voor het hoofdpodium wensten de bestuursleden elkaar een leuke dag, een helder hoofd en sterke benen voor de twaalf uur werk die ze voor de boeg hadden. En daar dronken ze een pilsje bij.

Mooie laatste zin. En daarom hou ik ook zo van dit werk. Van mij mogen ze het landelijk instellen. Gewoon bij aanvang van werktijd 1 pilsje (geen twintig, gewoon: eentje) drinken. Dat maakt het leven een stuk aangenamer. Tel daarbij op dat arbeidsvreugde en produktiviteit hand in hand gaan, en zie daar: de oplossing voor de econo.., sorry ik ben aan het afdwalen. Ik had het over muziek. En over wat ik op Appelpop gezien heb.

Zaterdag 11 september 13.30 Blossom Stage (3e podium):

Punctuals 
The Punctuals

Als het om echte lekkere gore wahwah gaat ben ik net een heroinejunkie. Ik heb gewoon elk festival minimaal een shot nodig. Zolang dat niet is gebeurd, loop ik toch een beetje onrustig rond. Op deze editie van Appelpop stond er 1 bandje waarvan ik in ieder geval zeker wist dat de gitarist regelmatig de Cry Baby intrapte: The Punctuals. Hoeveel mooier wil je het hebben dat ze dan al als eerste bandje op het 3e podium staan geprogrammeerd?
Na afloop van hun optreden direct hun EP aangeschaft, getiteld 'In the middle of this mess', waarop hun oefenruimte staat afgebeeld. Veel flesjes Heineken en volle asbakken.
Zojuist draaide ik de EP.
"Het zijn nog jonge gosertjes", zei ik tegen L.
"Hoe komt het dan dat ze zulke doorleefde stemmen hebben?" vroeg ze.
"Kijk maar naar het hoesje", zei ik.
Jongens naar mijn hart.

Zaterdag 11 september 13.50 Music Mayday Stage (2e podium):

Revamp 
Revamp

Gothic-Metal. Moet ik ook altijd minimaal een beetje van hebben. Dit keer van ex-After Forever-zangeres Floor. Precies wat je ervan verwacht. Niks mis mee, behalve misschien dat.

Zaterdag 11 september 15.45 Music Mayday Stage (2e podium):

Blackbox The Black Box Revelation

Beldisch duo dat momenteel furore maakt in heel Europa. Basic rock, stevige drums, nog stevigere gitaar. Helaas enigszins monotone teksten en zang. Ging mij persoonlijk tamelijk snel toch een klein beetje vervelen.

Zaterdag 11 september 18.00 Blossom Stage (3e podium):

Bazzookas 
Bazzookas

Nederlandstalige ska. Altijd leuk. Met de ex-zanger van Van Katoen. Maar vooral: Op een afstandje lekker in het gras zitten met je vriendin, je ex-vrouw en je zusje, met de zon op je kop. Ondertussen een beetje ouwehoeren. Pilsje erbij, sigaretje in je snavel, misschien wel de mooiste minuten van de dag. Het ware festivalgevoel.

Zaterdag 11 september 21.15 Blossom Stage (3e podium):

Pikeys 
The Pikeys

Het was stervensdruk qua geldtelwerk. Eigenlijk kon ik niet weg. Maar ik wilde even een minuutje kijken naar de sensatie uit Utrecht. Het klonk goed. Maar helaas, veel meer kan ik er niet over zeggen. Ik moest na 2 minuten echt weer terug.

Zaterdag 11 september 20.50 Main Stage (hoofdpodium):

K's Choice 
K's Choice

Laatste minuutjes van het concert meegepikt. Vanaf de VIP-tribune, waar vandaan je een schitterend uitzicht hebt over de mensenmassa. Het was druk. De tent stond bomvol. Er waren op dat moment meer dan 100.000 mensen aanwezig op het terrein. Bernabeu in Tiel.
Daarna direct door naar:

Zaterdag 11 september 21.55 Stage (2e podium):

Moke 
Moke

Alles bij Moke is esthetisch verantwoord. Zelfs het rijtje versterkers, dat perfect matcht met de gitaren en de pakken van de mannen.
Het is ze vergeven. De muziek is heerlijk.
Terwijl ik met L, mijn ex-vrouw, een andere vriendin en mijn zusje op het VIP-deck bij het Music Mayday-podium stond te wachten tot Moke zou beginnen, werd onder ons een signeersessie gehouden door Di-rect. Zo'n 100 meisjes van 18 jaar en jonger stonden te dringen tussen de dranghekken voor de signeer-ingang die werd bewaakt door twee kleerkasten van kerels met kale koppen. De kleerkasten lieten maar mondjesmaat meisjes door. Vooral dikke meisjes en gehandicapte meisjes. Dat vond ik wel lief van die kleerkasten.
Maar de mooie meisjes die op kansloze plekken achter de dranghekken verbleven waren vindingrijk. Ze trokken met routineuze bewegingen hun BH onder hun T-shirt vandaan en schreeuwden naar Spike. Die ving de BH's vervolgens van grote afstand op, signeerde ze, en gooide ze over grote afstand weer terug. En zo was iedereen gelukkig.
Het leek wel een sprookje.
Ik voelde me goed en besloot nog maar eens een shaggie te draaien op het VIP-deck in de open lucht.
"Steek je er nu alweer 1 op?" vroeg een jongen in een roze polo-shirt naast me, met een ongelooflijk kakaccent.
Ik zei: "Ja, hoezo? Heb je er last van?"
"Ik heb er ongeleuflijk veel last van", zei de goser, terwijl ie me een beetje naar achteren probeerde te duwen, om zelf vooraan op het VIP-deck te kunnen staan.

Eikel.

Maar ik had geen zin om me er verder al te sappel over te maken, want het was eigenlijk sowieso al tijd om weer te gaan. Ik zei doei tegen mijn gezelschap en ging standte pede weer terug naar de kassa-unit. Warken, zoals dat heet in Tiel. Het geld tellen van de recordomzet die we aan het draaien waren. Zodat die eikel, waarschijnlijk een sponsor, volgend jaar ook weer vooraan kan staan om bandjes te kijken vanaf het VIP-deck.
Enfin, daar betalen ze voor. Dus wie ben ik. Etc. Je zal mij er verder niet over horen.

Toen ik de achterstallige zaken bij de kassa-unit weer op orde had, ben ik nog even een laatste nummer gaan meepikken op het 3e podium:

Zaterdag 11 september 22.45 Blossom Stage (3e podium):

Inspector Cluzo 
The Inspector Cluzo

Frans duo. Erg geinig. Cabarock. Maar na het laatste nummer was de zanger/gitarist van het duo zichtbaar geemontioneerd door het enthousiasme van het publiek.
"You know", zei ie, "what we should do? We should unite our soulzz from zzhe nice countries! From you, from Holland! and from zzhe France! And zzhe other Europianszz! You know? I mean: Fuck England! Fuck zzhe United States! We should keep our own identity!"
Daarna sloeg ie met de vuist op zijn hart.

Ik weet niet of ie het meende. Daarvoor had ik het te kort gezien. Misschien maakte ie een geintje. Je weet het nooit met cabarock. Maar ik vond het sowieso wel mooi om te zien. Hij had vochtige ogen van ontroering door de Appelpopmenigte.

Het is ook een leuk publiek. En een divers publiek.

Publiek

100.000 mensen op 1 dag. Dat is meer dan Pinkpop. Meer dan Lowlands. Zelfs meer dan op www.plukdenacht.web-log.nl.
Dus dan weet je weer waar je het voor doet.

Na afloop zat ik kwam ik op het backstageterrein onze vaste Appelpoppresentator Harry tegen.
"Hey Sven, schrijf je nog?" vroeg ie aan me.
"Ik schrijf altijd", zei ik.
"Gedichten?" vroeg ie.
"Ook", zei ik.
"Wat dan nog meer?"
"Een weblog", zei ik.
"O, doe je dat ook nog steeds", zei ie met een Paul de Leeuw-stem.

We zwegen even.
"Ook over Appelpop?" vroeg Harry toen.
"Misschien", zei ik.
"O, leuk!"
"Mooie schoenen", zei ik toen, wijzend naar Harry's zebrakleurige … enfin, schoenen.
"Goed he!" zei Harry, "gekocht in New York! Ik zag ze, en ik dacht meteen: die zijn voor mij! Die zijn voor Appelpop!"
Ik pakte mijn telefoon tevoorschijn, en maakte er een foto van. Dit zijn ze:

Schoenen Harry

Daarna begon het te regenen, en ging ieder zijns weegs. Wat erop neerkwam dat we met alle vrijwilligers massaal in de VIP-tent gingen zuipen.
Tot we uiteindelijk met een busje werden thuis gebracht.
Goed geregeld.
Maar dat is Appelpop.

 

Op Fietse

Deze vrijdag moest ik in Limburg zijn en ik zou blijven slapen. Er was voor de daaropvolgende zaterdag zon voorspeld en het zou 20 graden worden, dus wat doe je met die wetenschap als je vanuit Amsterdam vertrekt? Juist! Je zet je racefiets op de achterbank, plukt een bidon en je helm uit je meterkast, flikkert die erbij en zet vervolgens koers richting het zuiden.

Vrijdag lekker gegeten bij de gastvrouw en een verdomd goeie wijn gedronken.

Op zaterdag hoefde ik helemaal niks (hemme neks op z'n Tiels, wat tijdens het jaarlijkse Liverpooluitje met mijn Tielse vrienden nogal eens voor verwarring zorgt; "Wat wil jij voor ontbijt?" – enfin, je snapt 'm).
Hoe zo'n dag beter in te vullen dan door bijtijds op te staan, voordat iedereen wakker wordt een kop oploskoffie te bereiden, een plak suikerbrood uit de broodtrommel van je gastvrouw te snaaien, en vooruit: nog maar 2 plakken voor onderweg, je aardbeienmelkjes in een rugzakje te doen, je bidon te vullen met kraanwater, je racefiets uit de auto te vissen en er zonder verder een exact plan te hebben, vandoor te gaan.

Lekker rammen op de pedalen. Op de bonnefooi, maakt niet uit waar naartoe. Je ziet wel waar je uitkomt. Als een vers gelanceerde raket schoot ik door de woonwijken van het voormalige mijnwerkersstadje. Zo snel mogelijk de ruimte in was het parool.
Out of the blue begon ik 'I'll follow the sun' van The Beatles te neurien. En kijk aan, daar had ik mijn plan al te pakken. Ik ga gewoon de zon volgen, bedacht ik.
Wat nog niet meeviel, want het was die ochtend verdraaide grijs en mistig voor een zonnig voorspelde dag.
Maar wat maakte het uit. Ik moet blijkbaar alleszins richting het oosten zijn gefietst, want al snel kwam ik een roodwit fietsersbordje tegen waarop Aken stond aangegeven. 'Aken!' dacht ik, 'dat is in Duitsland! Gaaf!'

Dus ik dat bordje volgen. Eerst kwam ik door Kerkrade. Roda JC! dacht ik, en tuurde de omgeving af op zoek naar iets van een stadion. Mais non. Het enige wat ik zag was deze godverlaten doorgaande weg met Belgisch aandoende (lees: allerlei verschillende soorten bouwstijlen) huisjes erlangs. Op zich houd ik enorm van Belgisch aandoende huisjes, begrijp me niet verkeerd. Als ik iets verschrikkelijk vind dan zijn het Nederlands aandoende huisjes. Met hun frigide tuintjes. Toch vond ik het een vreemd idee dat zich hier ergens een professionele voetbalclub moest begeven. Ik moest denken aan Babangida, die volgens mij ooit nog eens voor Roda JC heeft gespeeld. Moet toch een teleurstelling zijn geweest voor die jongen. Vlieg je helemaal over uit Afrika om in de Nederlandse eredivisie te gaan spelen, is je vaste standplaats zo'n gehucht.
Want een gehucht was het. Voor ik het wist reed ik Kerkrade al weer uit.

Een lange loodrechte weg leidde me dwars door de velden en de mist naar een onbestemde einder. Daar zou de grens wel eens kunnen liggen, dacht ik ieder moment. Natuurlijke grenzen lopen immers door onbestemde gebieden heen. Door niemandsland. Soms heb je strategische grenzen. Die lopen door rivieren, of over een berg. Ook te begrijpen. Maar grenzen lopen nooit dwars door een stad. Behalve onnatuurlijke grenzen. Zoals in Straatsburg. Daar is het dan ook de afgelopen eeuwen voortdurend knokken geweest. Maar ik dwaal af. Dat gebeurt als je aan het fietsen bent. Dat is het lekkere ervan. Dat je gedachten eindeloos afdwalen. Althans, zolang je niet omhoog hoeft.

Op een gegeven ogenblik doemde er uit het niets een gebouw op in de nevel. Een groot gebouw. (Vrij naar Doe Maar:) Een vervallen gebouw. Ja, een bedompt, een onwelriekend, een nutteloos gebouw, of-te-weeeel: Een zoll-station.
Niet meer in gebruik. De slagbomen lagen in hoopjes opgestapeld langs de afbrokkelende muren. Hier werd niet meer gecontroleerd op de smokkel. Van boter. Of Nederwiet.
Wel was het gebouw ingericht als Zoll-museum, stond op een bordje aangegeven. Het bordje hing op half 7. Het museum zag er ook niet echt uit alsof het serieus in bedrijf was, tenzij het een gratis zelfstandig openlucht museum was, zonder personeel.
Ik kreeg een beetje medelijden met het gebouw. Potverdorie, voordat het helemaal is weggerot zou ik het best willen kopen, dacht ik. Zeker als het een beetje te betalen is. Volgens mij valt er best iets leuks van te maken. Net zoals die Kooistra ooit van plan was die Duitse nooit afgebouwde kerncentrale Kalkar te transformeren tot pretpark. Aan de andere kant: met Kooistra is het slecht afgelopen, psychisch gezien, om over het lichamelijke nog maar te zwijgen.

Enfin, al te lang dacht ik er niet over na, want inmiddels had ik het liedje van de Drentse band Skik in mijn kop, 'Op Fietse', waarvan een strofe luidt:

want ik wul aal wieder ik wul alles zien
de leste mooie dag van 't joar misschien

3 kilometer na het verlaten zoll-station reed ik het Duitse plaatsje Hornbach binnen. Verrek, heet niet de een of andere Gamma-achtige bouwketen zo? dacht ik, met die irritante reclames die eindigen met "Van je Ai jai jippie jippie jee?"
Volgens mij wel. Maar geen filiaal te zien, van de firma, laat staan het hoofdkantoor. Het betrof net zo'n gehucht als Kerkrade. Gelukkig maar. Wel hadden ze een goeie backerei. Serieus, je kon de versgebakken brotchen al een kilometer vantevoren ruiken (oostenwind, okay, slimmerik). Dus daar heb ik er eentje van gekocht.

Toen door naar Aken. De Dom, die wilde ik zien. Maar ik kon 'm niet vinden. Nergens bordjes. Kutzooi. Stervensdruk verkeer, en gigantisch veel stoplichten. Duitsers stoppen daarvoor. Dus ik ook maar. Ik bedoel, ik ben zo iemand die zich aanpast, zolang het niet te gek wordt.
Op een gegeven ogenblik werd het te gek.
Sowieso, als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het stoplichten. En al helemaal aan stoplichten die niet efficient functioneren. Dus dat iedereen 3 minuten staat te wachten op rood, en er van alle kanten totaal geen beweging is op het verkeersplein. Fuck off.
En toen hoorde ik plotseling een diep gegalm van kerkklokken, ik dacht: dat moet de Dom wezen, ik dacht: de groeten, en speerde dwars door rode lichten zo snel mogelijk richting het geluid. Ik had precies 12 lange kerkklokslagen de tijd.
En verdomd. Alle lichten negerend, afgaand op mijn gehoor, bevond ik me precies binnen die 12 slagen op het plein voor de Dom.
Er was een marktje gaande, waar je een glas prosecco kon kopen voor 1 euro. Verleidelijk. Niet gedaan though. Heel verstandig. Wel heb ik een foto van de Dom gemaakt:

Dom Aken 
En daarna op een bankje een sneetje suikerbrood gegeten en een aardbeienmelkje gedronken.
Suss, nichtwahr?

Vervolgens om de Dom heengelopen. Aken is dichtbebouwd. Een beter uitzicht op de Dom dan dat ik vanaf het marktpleintje had, kreeg ik niet meer. Wel zag ik middenin de stad een roodwit fietsbordje. Met Vaals (NL) erop. Slechts 5,2 km.
Ik had kortom een nieuwe bestemming: het Drielandenpunt.

Een stad uit is makkelijker dan erin, en binnen notime had ik Aachen verlaten en reed ik alweer in de heuvels. Alles op het grote blad, kon mij het bommen, ik had 3 weken Franse Tourcols achter de kiezen, ik was getraind. Binnen een kwartiertje was ik in Vaals. Veel terrasjes in de hoofdstraat. En veel toeristen. Maar nergens bordjes met drielandenpunt. Terwijl ik uit mijn jeugd wist dat dit zich hier ergens moest begeven. Met 40 in het uur zoefde ik langs de VVV. Er stond althans iets van een teken. Was dat de VVV? Ja, waarschijnlijk was dat de VVV.
Ik keren.
De VVV bevond zich in de plaatselijke Bruna. Met mijn fiets de Bruna in? Of 'm zonder slot buiten laten staan? Ik besloot buiten te wachten tot er geen rij meer was voor de balie.
En liep na 10 minuten naar het meisje van
de VVV.
"Weet u misschien waar ik het drielandenpunt kan vinden?" vroeg ik.
"Vanaf hier richting Duitsland, is het de eerste straat rechts", zei ze.
"Okay", zei ik.
Ze zag mijn omgegespte rugzakje en concludeerde daar blijkbaar uit dat ik niet met de auto was. Ze zei: "Maar vanaf daar is het nog wel 3 kwartier."
"Lopend?" vroeg ik, "of met de fiets?"
"Allebei", zei ze, "het is een steile weg."
Dat klonk goed. Ik was toe aan steile wegen.
"Dankjewel", zei ik, en liep naar buiten.
Mijn racefiets stond er nog. Lang leve Limburg.

Ik reed terug en sloeg in de eerste straat rechtsaf. Na een paar honderd meter, in the middle of nowhere, was er eindelijk een goochemerd op het idee gekomen om een bordje te planten: 'Drielandenpunt: 2 kilometer.'
Ik moest lachen om die drie kwartier. Op het grote mes zette ik de beklimming in. Jezus, wat ging ik hard. Ik haalde een complete wielerclub in.
Daarna werd het echt steil.
In eerste instantie vertikte ik het om terug te schakelen. Dat ging na verloop pijn doen. Ik reed een veel te zwaar verzet. Maar pijn is fijn. 'Pijn is genot' zelfs, schrijft Jan Siebelink, AKO-literatuurprijswinnaar, in de titel van een boek dat ik recent van L. cadeau heb gekregen. En zo is het. Pijn zorgt ervoor dat je je gedachten op nul kunt zetten. Moet zetten. Pijn maakt dat je je de luxe van een complexe gedachtenwereld niet meer kunt permitteren. Het maakt je overspannen hoofd leeg. Het is een stofzuigerbeurt voor je harses.
Zegt hij niet hoor. Zeg ik.

God, wat was ik goed bezig. God, wat was ik enorm aan het doodgaan. Kijk mij eens een mongool zijn, een 10%-helling op het grote blad!
Waanzin.
Niet vol te houden.
Nadat de wielerclub mij weer had ingehaald, ging ik toch over op de kleine.

Dat ging beter. Maar net toen ik de oudste vent van de wielerclub weer voorbij was gesjeesd, en een tandje wilde bijschakelen om vlak voor de finish bij het Drielandenpunt ook nog wat andere veteranen te snaaien, deed mijn ketting ratelderatel. Fuck.
Kortom: Einde heroisch verhaal. Het betekende: vlak voor het eind van de helling m'n fiets op de kop zetten, en m'n poten in het smeer. Meewarige blikken van voorbijgangers. Ze denken op dat moment allemaal: Die kon de top niet halen, en doet net alsof ie een defect aan zijn rijwiel heeft.
Het is de lulligste smoes die er bestaat, materiaalpech. Alex Roeka heeft daar schitterend over geschreven in 'De Kloten van de Marmotte', wat mij betreft het allerbeste wielerboek ooit.

Ik kreeg de ketting er weer om. En ben door naar het Drielandenpunt gereden. En heb er een foto van gemaakt:

3lp Vaals 
Daarna heb ik weer een sneetje suikerbrood gegeten en een aardbeienmelkje gedronken. Als troost.
En een sigaret gerookt. Dat hielp. Verdorie, dacht ik, waar ik ben ik mee bezig? Ik doe dit toch voor mijn lol, of niet soms? Waarom zo competatief? Geniet lekker van de omgeving, of zoiets! Net als vanmorgen met dat Zoll-station!

En gelijk had ik. Ik besloot na de afdaling terug naar Vaals, de route te nemen door het Geuldal. Langs allemaal plaatsjes met een 'W'. Ik kan me de precieze benamingen niet meer herinneren, maar er kwamen dingen voorbij als 'Weildergem Wilde' oid en nog een hoop 'W's' en op een bepaald moment het prachtige plaatsje 'Wittem'.
Daar werd ik vrolijk van, van Wittem.
Al was het maar omdat ik er nu weer eentje bij had in mijn categorie van Tielse dialect raadsels, die beginnen met een halve vraag, en waarvan de tweede helft van de vraag het antwoord is.
Voorbeeldje:
"Het is wit en het staat in de wei. Witte gij 't?"

En nu had ik er dus weer eentje bij: "Een plaatsnaam in Limburg. Wit 'm?"
Sorry, het is misschien triest met me gesteld als ik dat soort dingen nodig heb om vrolijk van te worden, maar eerlijk gezegd kon me dat geen hol schelen.
Ik had er weer zin in. En toen na Schoonbron, vlak voor Schin op Geul, linksaf de Keutenberg lonkte, bedacht ik me geen moment. Hossa! Vol gas die laan in, en hoppakee naar boven. Stukbijten die tanden, wraak nemen, laten zien wie er hier kan klimmen godverdomme. 20%. Ratata Ratata, al die recreanten je hielen laten zien. Toedeledokie. Opzouten!
Daar ging ik.
Snoef snoef.
Voorbij. Allemaal.
Als ik nog harder had getrapt was ik op die berg achterover gekukeld, zoveel kracht zette ik op de pedalen.
Totaal buiten adem, maar met een slagveld achter me, kwam ik boven bij het verlossende bordje.

Daarna via een hoop plaatsjes met een "IJ" (het eind van het alfabet bevindt zich blijkbaar allemaal in het Zuiden) weer afdalen naar Valkenburg om nog even de Cauberg mee te pikken.

Als een malloot naar boven. Op de top, in het bushokje tegenover het casino mijn laatste aarbeienmelkje opgedronken.
Geen zin in een sigaret, zo naar de kloten was ik.
Maar ik had het gered. Ik had het toch weer laten zien.

Aan mezelf.

Zoals dat geldt voor iedere eenzame fietser.
Ik daalde af naar een van de vele terrassen in de bocht onderaan de Cauberg. Nam plaats en bestelde een pils. Rookte vele sigaretten achter elkaar. Keek vanaf mijn stoeltje naar de andere fietsers die aan de voet van de beklimming routineus alvast terugschakelden naar hun kleinste verzet.
Het was 3 uur 's middags. De zon stond op mijn kop. Ik nam een slok van mijn pils en dacht aan weinig anders dan: Wat heb ik toch een ontzettend mooi leven.

jusqu'ici tout va bien

Er zijn een hoop dingen waarover ik kan schrijven. Het liefste zou ik dat doen over de uitkomst van de CDA-fractie-vergadering, en met name de eventuele gevolgen daarvan voor de kabinetsonderhandelingen, maar op dit moment is op TV nog enkel het gesloten eikenhout van 'De deur'  te zien van de kamer waar de fractie nog altijd in vergadering verblijft, dus helaas.

Dedeur 

Tiel dan maar. Waar ik het afgelopen lange weekend was. Eerst op vrijdag om met mijn broertje mijn moeders zolder te slopen (wat ook de bedoeling was, ik bedoel, niet dat jullie denken dat we ruzie hadden ofzo), daarna op zaterdag voor de Appelpopvrijwilligersbriefing, en ten slotte op zondag voor mijn moeders verjaardag.

Dit zijn de highlights:

1. De stort.
Nadat op vrijdagmiddag mijn jonge 'dat muurtje kan er volgens mij ook nog wel uit' broertje zijn breekijzer om het zoveelste gipswandje klemde, en mijn moeder angstig had gevraagd of ie dat wel zeker wist en vervolgens maar boodschappen was gaan doen om niet langer te hoeven kijken, probeerden mijn zusje en ik naar de tuin te sneaken om een welverdiende pils te drinken en een shaggie te roken.
Terwijl we op onze tenen de trap afliepen riep mijn broertje vanaf zolder: "Kunnen jullie anders alvast even met de auto het sloopafval van totnutoe naar de stort brengen? Ze gaan namelijk om half 5 dicht en met 1 ritje redden we het niet."
Ik dacht: 'kut', en riep terug: "Maar natuurlijk!"
Dus mijn zusje en ik naar de stort met een Citroen Picasso vol verbrokkelde gipsplaten en houten balken met verraderlijke spijkers erin.
"Weet jij waar ie is?" vroeg ik aan mijn zusje terwijl ik de motor startte, "de stort?"
"Vroeger zat ie in Geldermalsen", zei mijn zusje, "maar tegenwoordig zit er ook gewoon eentje in Tiel, bij de sluizen, op het nieuwe industrieterrein. Ik zeg wel hoe je moet rijden."
Ze loodste me langs zielige boerderijtjes die inmiddels waren ingesloten door mega-showrooms van auto-dealers en grote grijze grimmige filialen van voormalige middenstandszaakjes uit de Tielse binnenstad van mijn vergane jeugd.
'Vroeger kon je krek op deze plek verse kersen plukken', dacht ik, 'en stond er een roodwitte paddestoel met dat het nog maar 35 kilometer fietsen was naar Arnhem'.
Nu lag er een vers industrieterrein langs de al bijna net zo verse Betuwelijn. Geen fietspad meer.
Als je optimistisch bent zou je het vooruitgang kunnen noemen.

We kwamen aan bij de stort. Er stond een bord bij de slagboom met de tarieven. Vreemde tarieven. Absurde tarieven. Het duurste was sloopafval. 22 euro per 1/4 kubieke meter.
"Ik wist niet dat je moest betalen", zei mijn zusje, "dat is nieuw."
'Dat is altijd het kloterige van nieuwe dingen', dacht ik, 'dat ze geld kosten, ook al zeggen ze in het begin van niet.' En hier was dat gegeven extra cru, omdat je er eigenlijk alleen maar kwam om ouwe dingen te lozen.
Ik zei niks. Ik zeg nooit wat. Althans niet als ik nog geen pils heb kunnen drinken om serieus over een situatie na te denken.
De slagboom ging omhoog, en daar kwam de beheerder.
Ik zocht naar het knopje om het raam elektrisch naar beneden te laten gaan. Ik vond het.
"Wat is uw lading?" vroeg de man.
Jezus, dacht ik, ik heb echt een pils nodig. "Hout, geloof ik", zei ik.
Dat was namelijk, op tuinafval na, het goedkoopst op de tarievenlijst. Het leek me wel een slimme, of in ieder geval geloofwaardige keuze.
"Kunt u voor mij uw achterbak openen?" vroeg de snor.

"Wat is dit?" vroeg de beheerder, terwijl ie een gipsplaat omhoog hield.
"Ik denk gips", zei ik.
"Dat klopt", zei de beheerder, "en dit?"
"Ik denk ook gips", zei ik.
"Correct", zei de beheerder, "en dit?"
Hij hield een balk omhoog.
Ik krabbelde even over mijn kruin. "Volgens mij is dat hout", zei ik.
"Helemaal goed", zei de beheerder, "waar heeft u dat sloopafval vandaan?"
"We zijn op de zolder bezig geweest", zei ik.
"Van mijn moeder!" voegde mijn zusje toe vanaf de bijrijdersstoel.
De beheerder boog zich even voorover en keek naar mijn zusje. Zijn blik verzachtte.
Daarna richtte hij zich weer op en keek me streng aan: "U bent ervan op de hoogte dat er aan sloopafval kosten zijn verbonden?" vroeg ie, "namelijk 22 euro per kwart kubieke meter?"
"Nou", zei ik, "om eerlijk te zijn… Heb jij geld bij je?" vroeg ik aan mijn zusje.
Mijn zusje grabbelde in haar zakken. "Geen cash", zei ze, "maar ik heb geloof ik wel m'n pinpas. Kun je hier pinnen?"
De beheerder knikte.
"Ik weet alleen niet of er genoeg op mijn rekening staat", zei mijn zusje.

De beheerder krabbelde even over zijn kin, keek nog eens naar mijn zusje, trok aan zijn snor, en zei toen: "Ik zal jullie matsen, ik maak er gewoon een klein ladinkje hout van. Dan is het maar 7,50. Maar dan moeten jullie wel dat beetje hout in bak 5 doen, en het sloopafval, het gips, gewoon in bak 14."

Anyway, wat ik wilde zeggen: ik ben dol op matsende ambtenaren. Ze lijken me in ieder geval goed voor het milieu. Ik bedoel, als ie strikt de regels had gehanteerd, dan waren we wellicht opgescheept met een rekening van meer dan 100 euro, waarop ik gevoeglijk rechtsomkeert zou hebben gemaakt en het hele zooitje in de Waal had geflikkerd. Wel zo gemakkelijk, en zeker zo goedkoop. "Denk na", zou John Lennon zeggen.

Highlight 2. 13.00 Pilstijd
Dat er zaterdag vanaf 13.00 al pils werd geschonken op de Appelpopbriefing. Niks eerst koffie. Gewoon elkaar in de watten leggen en niet vermoeien met ellenlang pseuso-professioneel vergadergeneuzel. Resultaat. Daar gaat het om. Gemotiveerde vrolijke vrijwilligers die er zin in krijgen.

Highlight 3. Ingehaald door een naaktslak
Veel met de trein gereisd afgelopen weekend. Sinds je er niet meer in mag roken ben ik een iets minder groot fan dan vroeger van de ouwe trouwe gele veelwieler, maar drinken mag gelukkig nog altijd. Zondag, op weg naar de verjaardag van mijn moeder begon ik nog optimistisch met een koffie verkeerd. Maar direct nadat ik die ophad ging het mis. Tussen Abcoude en Breukelen begaf de trein het.
Stilstaan in een weiland.
Radeloze conducteurs die voorbij liepen met een handleiding van de machinekamer.
Niet bepaald geruststellend, maar ergens ook weer wel. Liever dat, dan dat ze zulk gedrag wegens een cursus commerciele communicatietraining uberhaupt niet meer mogen vertonen, en je als reiziger uren verblijft in een onschatbaar tijdsvlak van gekmakende radiostilte. Nu wist ik tenminste waar ik aan toe was, en trok ter troost de eerste pils van de dag tevoorschijn. Die eerste, dat is altijd de lekkerste.

En kijk aan, zowaar wisten de conducteurs het euvel te verhelpen, en met slechts een uurtje vertraging kwamen we aan in Utrecht. Alwaar we overstapten op de stoptrein richting Tiel.
Een Sprinter. Dat is een trein zonder toilet. Ik zeg: slechte uitvinding, maar goed, dus snel nog even naar de WC op Hoog Catharijne, kostte 50 cent gepast, die ik niet op zak had, dus niet naar de WC, en daarna opnieuw een geel gevaarte in.

Tussen Houten en Culemborg minderde de Sprinter vaart. Sterker nog, hij had helemaal geen vaart meer, hij stond plotseling stil.
Ik dacht: Djiezus, What are the odds? Twee keer op 1 reis!
Er klonk gekraak over de intercom in onze coupe. Niet te verstaan. Een passagier liep naar de volgende coupe om te vrag
en wat er aan de hand was en gaf ons vervolgens een briefing. Er bleken volgens de mededeling koperdieven actief te zijn. Waardoor de bovenleiding zogenaamd naar de kloten was. "Zojuist gebeurd."
Dat leek me een sterk verhaal op klaarlichte dag, op een traject waar rond deze tijd, inclusief intercities, zo'n 16 treinen per uur voorbij raasden. De zoveelste Prorail-smoes (vorst, herfstblaadjes), om het achterstallige onderhoud aan het spoor te verbloemen.
Kortom: foute boel.
Dus daar stonden we opnieuw. In een weiland.
Ik trok de 2e pils open. En ik moet toegeven: die was ook erg lekker.

Maar ondertussen moest ik dus wel verdomd nodig naar de WC.
Ik zat me met mijn benen gekruist te verbijten. Naast de vrijheid, dat kutweiland. Raampjes op slot. En roken was er dus sowieso al niet bij. Fuck.
Een meisje op de vierzitter naast ons, staarde wezenloos door het glas. Maar opeens veerde ze op.
"Wat?" vroeg ik, in de hoop dat ze een teken had ontwaard waardoor we weer zouden gaan rijden.
"Een naaktslak!" riep ze, "kijk dan! Een naaktslak!"
We keken over haar schouder mee. Ze had gelijk. Daar door het onkruid langs de rails kroop een naaktslak.
"Hij haalt ons in!" riep ze.
Dat was nog eens een goeie grap. De hele coupe lag dubbel.
En eerlijk gezegd vond ik het ook wel grappig. Maar eigenlijk tegelijkertijd ontzettend niet. Fuck it, dacht ik. Kap nou eens met die kutprivatisering van publieke diensten. Het ongelijk van die strategie is nu wel lang genoeg bewezen.

Bon. Tot zover.

Ze zijn er niet uitgekomen lees ik net op nu.nl. Ahem, verrassend. Morgen gaan ze verder vergaderen. Ik kan het niet helpen, ik moet toch vooral steeds weer denken aan die grap uit 'La Haine'. Ik blijf het een mooie metafoor vinden voor onze samenleving.