Ei

Gisteren Japan. We zouden gaan kijken bij J., een goser die ook mee was naar Liverpool en die woont in Kapel-Avezaath. Waar? zullen de meesten van jullie nu denken. Well, Kapel-Avezaath is een gehucht van 3 straten dat ingesloten ligt tussen de snelweg A15, een morsdood riviertje (de Linge) en de oprukkende bebouwing van Tiel-West. Klinkt pitoresque nietwaar? Toch is het dat wel degelijk. Serieus. Als je in Kapel-Avezaath niet in de verte kijkt, dan lijkt het op een zonnige dag net alsof je op Franse platteland verkeert. Compleet met autowrakken in de grasvelden achter de vervallen boerderijen en huizen die er grotendeels uitzien alsof ze gelukkig niets met kritische woningbouwcommissies te schaften hebben gehad.

J., een eenvoudige arbeider, heeft er een kast van een optrek, vrijstaand, met een tuin zo groot als een half voetbalveld en 4 (vier!) schuren. Oorspronkelijk stonden er 3 schuren, maar hij heeft er voor de zekerheid eentje bij laten bouwen. Waarvoor precies, dat weet geen mens. Maar het kwam goed uit, want nu had ie in ieder geval genoeg plek om een groot scherm neer te planten waarop wij mannen om 13.30 de wedstrijd konden zien.
Wij mannen, inderdaad, want dat was ik nog vergeten te vertellen: J. vierde gisteren tegelijkertijd zijn 40e verjaardag. Dus een hoop familie, vrouwen en kinderen over de vloer.
Familie, vrouwen en kinderen drinken om 13.30 geen bier, zelfs niet in Tiel en zelfs niet in Kapel-Avezaath. Die drinken een koffie of een Dubbelfris. Ook eten ze om 13.30 geen droge worst en/of hardgekookte hele eieren los uit de hand in 1 hap. Die eten een puntje van de verjaardagstaart en/of een ijsco. Over roken zal ik het niet eens hebben, maar dat bedoel ik ook allemaal niet. Wat ik wilde zeggen: Familie, vrouwen en kinderen houden vooral niet van voetbal. Althans niet op de manier waarop wij er van houden.

De volksliederen klonken. Mijn goeie vriend A. slikte een ei in. Ik zag 't door zijn slokdarm naar zijn maag plonzen. "Weet je eigenlijk wel hoe dat smaakt, zo'n ei?" vroeg een andere vriend.
"Geen flauw idee", zei A., "ik heb er eerlijk gezegd nog nooit op gebeten."

In de rust, de man 5 flesjes verder, waren we het er allemaal over eens: we spelen dit tournooi tot nu toe eindelijk eens slecht genoeg om wereldkampioen te worden.
Vervolgens luisterde ik een lokaal gesprek af tussen de bejaarde vader van J. en een 70-jarige fruitboer uit de buurt, naast ons de enige andere mannen in de schuur.
"Komde dit joar nog helpe karse plukke, zoal-de ha gezech?"
"Wanneer he'k da gezech? Da he'k heul nie gezech! Wanneer war da dan? Dunne moandag? Toen war ik zat!"
"Joa joa, gij bin altaid zat, dus nou motte ge nie doen terugkrabbele he. 'T bin trouwes un steffig joar dit joar, vooral met dunne peren."
"Door de vors, sekker?"
"Door de vors."
Daarna kregen ze het over het transport. In Tiel krijgt iedereen het uiteindelijk altijd over het transport.
"Ik kan het duuzend keer zeche, hoe het diene kjel nou okweer, hij zit vlak noas Moas, bij dunne eerstenen afslag…"
"Joa, ik wit, en dan dunne tweede links, ik kan 't ok duuzend keer zeche, kom, hoe het-ie okweer?"
"Als gij nog een pils hoal, dan wit ik 't voorda-de terugbin. Wedde?"
"En al-de ut dan nie wit, komde ge dan helpe karse plukke?"
"Dan kom ik helpe karse plukke. Da's beloof! Op munne erewoord!"

Mooi duo. Een perpetuum mobile op pils en slechte sigaren.
En voetbal niet te vergeten.
De wedstrijd begon weer. Het bleef een waardeloze vertoning. Op een gegeven ogenblik kreeg Sneijder de bal per toeval voor z'n poten en gaf 'm een knotter. De Jabulani maakte zijn reputatie waar en via een vreemde capriool belandde ie dankzij de vuisten van een verbouwereerde Japanse keeper in het net.
1-0.
We hosten door de schuur en zongen dat we wereldkampioen gingen worden.
"Slechte goal", grijnsde ik.
"Slechter kan niet", grijnsde iemand anders, "we worden wereldkampioen!", waarna hij nog maar eens een ei inslikte.

Na de wedstrijd, 10 pils verder, liepen we de schuur uit, de tuin in. We moesten wennen aan het zonlicht. En aan de vrouwen en vooral aan de kindertjes die ineens om ons heen dwarrelden.
"Wij willen ook voetballen!" riepen de peuters.
Godverdomme, dacht ik, hier heb ik dus echt totaal geen zin in.
Maar daar dachten mijn vrienden anders over, dus wij met onze flesjes Grosch en de peuken in onze bek tesamen met het grut naar het grasveldje in de hoek naast J.'s vijver met koikarpers (geen cliffhanger, gebeurt verder niks mee, die vissen, maak je geen zorgen).

Je weet hoe dat gaat, wanneer kinderen voetballen, of misschien weet je het niet, maar daar mis je dan ook niks aan. De code is dat je als volwassene niks doet, behalve af en toe een balletje in de voeten schuiven van een totaal kansloze zuigeling die voor open goal de bal met beide handen oppakt en dan het doel inwerpt, zodat iedereen, vooral de moeder, begint te lachen omdat het zo schattig is.
Persoonlijk kijk ik nog liever naar een vriendschappelijke wedstrijd tussen Luxemburg en Liechtenstein. Wat ik bedoel: dat gaat vervelen. Zelfs voor mijn vrienden. Mijn dronken vrienden.
Al snel ontpopten zich enkele topcoaches onder ons, die de kindertjes aanwijzingen gaven waar je nog eens wat aan hebt in het leven. Zoals:
"Schup 'm kapot!"
"Op de enkels trappen 'm!" (Tiel kent zijn eigen grammaticale vervoegingen)
"Hij leef nog, harder schuppen 'm!"
Aanwijzingen die gretig aftrek vonden onder de achtjarigen binnen het gezelschap. De echte jonkies hadden het speelveld inmiddels allang huilend verlaten omdat ze stuk voor stuk met 50 km/u een lederen bal tegen hun tere hoofdje geknoerd hadden gekregen. Ook met dank aan adviezen van ons dronken mannen aan de zijlijn ("Zal ik eens even voordoen hoe je op goal moet schieten? Zoooo moet je dat doen…. Oh sorry…. Wat? WAT? Mijn schuld? Hoezo? Ja Jezus, ik heb dat kind daar toch ook niet neergezet?")
Wat ik wil zeggen: de Tielse school is hard.

Veel heeft dat overigens nooit opgeleverd. Behalve misschien dat de bekendste club uit onze regio, FC Lienden, het ooit eens heeft geschopt (sic) tot ik meen de kwartfinales van de KNVB-beker, anderhalf jaar terug. Met als coach Hans Kraaij Jr, algemeen erkend als de gemeenste voetballer die ooit op de Nederlandse velden heeft rondgelopen.
Okay, Simon Tahamata. Die komt ook uit Tiel. Maar dat was een Molukker. De sierlijke aanvaller van de Tielse club Theole en daarna Ajax en het Nederlands elftal. Wat past er niet in het rijtje, zou ik zeggen.

Maar misschien is het een kwestie van volhouden. Je mag het niet uitsluiten. We zijn immers nog nooit wereldkampioen geworden met dat oogstrelende Nederlandse voetbal. Wellicht kan iets meer Tiel in de gelederen voorwaar geen kwaad.

Ik weet het niet. Aan het eind van de middag gingen we er ons toch actiever mee bemoeien, met voetbal, wij gingen het veld in. Wij mannen. Wij 40+ers. In het grasveldje naast de koikarpers. De heg van J. was al aan flarden geschoten door de 8-jarigen en er was geen levende hortensia meer te bekennen in de zorgvuldig aangelegde perkjes. Nu was het aan ons om ten slotte met onze lompe poten ook het gazon definitief te mollen.

Ik stond tegenover mijn beste vriend. Probeerde 'm te poorten.
"Ik dacht 't niet, vriend", zei ie, sloot z'n benen, en counterde. Tegendoelpunt.
Kut.
Een minuut later probeerde ik een schaar. Verdraaid mooi uitgevoerd, al zeg ik het zelf. Ik was 'm voorbij. Alleen vergat ik de bal mee te nemen. Tegendoelpunt.
Fuck!
"Ha ha!", zei mijn beste vriend, "een schaar, dat moeten wij op onze leeftijd niet eens meer willen proberen."
"Ha, ha!" zei ik, &quot
;inderdaad."

Weer een minuut later deed ik een dubbele schaar. Dit keer de bal mee, en ik was er langs, de weg naar het doel lag open.
Net toen ik wilde uithalen om het mooiste doelpunt van de middag te scoren voelde ik mijn gewicht kantelen.
Ik schuurde met mijn smoel over de grasmat, de pollen vlogen eruit. Zwaar onrechtmatig getackeld door mijn beste vriend. Vol op de enkel, zonder ook maar enig oog voor de bal. Onmiskenbaar rood. Uit automatisme gebaarde ik theatraal naar de scheidsrechter. Die er niet was.

Mijn beste vriend trok me grijnzend overeind. "Ha, ha!", zei ie, "Tcheu la Ling, dacht je nou echt dat je er lang zou komen?"

Nee, natuurlijk niet. In Tiel kom je er nooit langs. In de trein terug naar Amsterdam keek ik naar mijn enkel. Ik nam er zo ongeveer een foto van:

Enkel 
Toen ik thuis de trap was opgestrompeld was ie zo dik als een ei.
Een ei.
"Waar hebben we het over?", zou mijn goede vriend A. zeggen.

Advertisements

5 thoughts on “Ei

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s