Even helemaal weg

Een paar maanden geleden was ik uit eten bij mijn ex-vrouw. "Hoe zit het met die vrije dagen van jou?" vroeg ze.
"Daar heb ik er dit jaar weer een hoop van gekocht", zei ik.
"Om te schrijven?" vroeg ze.
"Om te schrijven."
"Heb je eigenlijk daadwerkelijk wel eens wat geschreven in die vrije dagen?"
"Nog nooit."
"Wat heb je er dan mee gedaan?"
"Goeie vraag. Vakantie mee gevierd."
"Waar?"
"In de bergen van Zwitserland, aan de riviertjes in Frankrijk en op de stranden van Texel."
"Maar dus niks geschreven daar?"
"Nada."

Het is waar. Ik ben een hedonist. Een gewaarwordingstype. Actuele genotszucht wint het bij mij al snel van scheppingsdrang.
"Wat zou je er van denken om met mij een huisje in the middle of nowhere te boeken, om een midweekje puur en alleen te gaan schrijven?" vroeg mijn ex-vrouw, "want ik heb dat ook nodig om tot resultaten te komen op schrijfgebied: Geen stad in de buurt, totale afzondering."
"Geinig plan", zei ik.
Dus wij onze agenda's trekken.
Het werd maandag 28 juni.
"Boek jij iets?" vroeg mijn ex-vrouw.
"Prima", zei ik.

Tot op vorige week zondag hadden we nog niets geboekt. Ik keek naar de 14-daagse weersvoorspelling van het KNMI. Het zag er verdomd tropisch uit voor maandag 28 juni. Ik besloot op een lastminute-site een huisje aan het strand te zoeken. Mijn search-request leverde 5 opties die binnen het budget lagen.
2 op Texel, eentje in Zeeland, eentje in Egmond en ten slotte een 6-persoons chalet in Kijduin bij Den Haag.
Ik stuurde de zoekresultaten door naar mijn ex-vrouw.
"Welke zullen we doen?" vroeg ik.
"Doe maar Den Haag", zei mijn ex-vrouw.

Dus daar ga ik morgen naartoe voor een midweek. Een huis vlakbij een grote stad, en toch aan het strand.
Enorm schrijven.

Kijkduin

Advertisements

Ei

Gisteren Japan. We zouden gaan kijken bij J., een goser die ook mee was naar Liverpool en die woont in Kapel-Avezaath. Waar? zullen de meesten van jullie nu denken. Well, Kapel-Avezaath is een gehucht van 3 straten dat ingesloten ligt tussen de snelweg A15, een morsdood riviertje (de Linge) en de oprukkende bebouwing van Tiel-West. Klinkt pitoresque nietwaar? Toch is het dat wel degelijk. Serieus. Als je in Kapel-Avezaath niet in de verte kijkt, dan lijkt het op een zonnige dag net alsof je op Franse platteland verkeert. Compleet met autowrakken in de grasvelden achter de vervallen boerderijen en huizen die er grotendeels uitzien alsof ze gelukkig niets met kritische woningbouwcommissies te schaften hebben gehad.

J., een eenvoudige arbeider, heeft er een kast van een optrek, vrijstaand, met een tuin zo groot als een half voetbalveld en 4 (vier!) schuren. Oorspronkelijk stonden er 3 schuren, maar hij heeft er voor de zekerheid eentje bij laten bouwen. Waarvoor precies, dat weet geen mens. Maar het kwam goed uit, want nu had ie in ieder geval genoeg plek om een groot scherm neer te planten waarop wij mannen om 13.30 de wedstrijd konden zien.
Wij mannen, inderdaad, want dat was ik nog vergeten te vertellen: J. vierde gisteren tegelijkertijd zijn 40e verjaardag. Dus een hoop familie, vrouwen en kinderen over de vloer.
Familie, vrouwen en kinderen drinken om 13.30 geen bier, zelfs niet in Tiel en zelfs niet in Kapel-Avezaath. Die drinken een koffie of een Dubbelfris. Ook eten ze om 13.30 geen droge worst en/of hardgekookte hele eieren los uit de hand in 1 hap. Die eten een puntje van de verjaardagstaart en/of een ijsco. Over roken zal ik het niet eens hebben, maar dat bedoel ik ook allemaal niet. Wat ik wilde zeggen: Familie, vrouwen en kinderen houden vooral niet van voetbal. Althans niet op de manier waarop wij er van houden.

De volksliederen klonken. Mijn goeie vriend A. slikte een ei in. Ik zag 't door zijn slokdarm naar zijn maag plonzen. "Weet je eigenlijk wel hoe dat smaakt, zo'n ei?" vroeg een andere vriend.
"Geen flauw idee", zei A., "ik heb er eerlijk gezegd nog nooit op gebeten."

In de rust, de man 5 flesjes verder, waren we het er allemaal over eens: we spelen dit tournooi tot nu toe eindelijk eens slecht genoeg om wereldkampioen te worden.
Vervolgens luisterde ik een lokaal gesprek af tussen de bejaarde vader van J. en een 70-jarige fruitboer uit de buurt, naast ons de enige andere mannen in de schuur.
"Komde dit joar nog helpe karse plukke, zoal-de ha gezech?"
"Wanneer he'k da gezech? Da he'k heul nie gezech! Wanneer war da dan? Dunne moandag? Toen war ik zat!"
"Joa joa, gij bin altaid zat, dus nou motte ge nie doen terugkrabbele he. 'T bin trouwes un steffig joar dit joar, vooral met dunne peren."
"Door de vors, sekker?"
"Door de vors."
Daarna kregen ze het over het transport. In Tiel krijgt iedereen het uiteindelijk altijd over het transport.
"Ik kan het duuzend keer zeche, hoe het diene kjel nou okweer, hij zit vlak noas Moas, bij dunne eerstenen afslag…"
"Joa, ik wit, en dan dunne tweede links, ik kan 't ok duuzend keer zeche, kom, hoe het-ie okweer?"
"Als gij nog een pils hoal, dan wit ik 't voorda-de terugbin. Wedde?"
"En al-de ut dan nie wit, komde ge dan helpe karse plukke?"
"Dan kom ik helpe karse plukke. Da's beloof! Op munne erewoord!"

Mooi duo. Een perpetuum mobile op pils en slechte sigaren.
En voetbal niet te vergeten.
De wedstrijd begon weer. Het bleef een waardeloze vertoning. Op een gegeven ogenblik kreeg Sneijder de bal per toeval voor z'n poten en gaf 'm een knotter. De Jabulani maakte zijn reputatie waar en via een vreemde capriool belandde ie dankzij de vuisten van een verbouwereerde Japanse keeper in het net.
1-0.
We hosten door de schuur en zongen dat we wereldkampioen gingen worden.
"Slechte goal", grijnsde ik.
"Slechter kan niet", grijnsde iemand anders, "we worden wereldkampioen!", waarna hij nog maar eens een ei inslikte.

Na de wedstrijd, 10 pils verder, liepen we de schuur uit, de tuin in. We moesten wennen aan het zonlicht. En aan de vrouwen en vooral aan de kindertjes die ineens om ons heen dwarrelden.
"Wij willen ook voetballen!" riepen de peuters.
Godverdomme, dacht ik, hier heb ik dus echt totaal geen zin in.
Maar daar dachten mijn vrienden anders over, dus wij met onze flesjes Grosch en de peuken in onze bek tesamen met het grut naar het grasveldje in de hoek naast J.'s vijver met koikarpers (geen cliffhanger, gebeurt verder niks mee, die vissen, maak je geen zorgen).

Je weet hoe dat gaat, wanneer kinderen voetballen, of misschien weet je het niet, maar daar mis je dan ook niks aan. De code is dat je als volwassene niks doet, behalve af en toe een balletje in de voeten schuiven van een totaal kansloze zuigeling die voor open goal de bal met beide handen oppakt en dan het doel inwerpt, zodat iedereen, vooral de moeder, begint te lachen omdat het zo schattig is.
Persoonlijk kijk ik nog liever naar een vriendschappelijke wedstrijd tussen Luxemburg en Liechtenstein. Wat ik bedoel: dat gaat vervelen. Zelfs voor mijn vrienden. Mijn dronken vrienden.
Al snel ontpopten zich enkele topcoaches onder ons, die de kindertjes aanwijzingen gaven waar je nog eens wat aan hebt in het leven. Zoals:
"Schup 'm kapot!"
"Op de enkels trappen 'm!" (Tiel kent zijn eigen grammaticale vervoegingen)
"Hij leef nog, harder schuppen 'm!"
Aanwijzingen die gretig aftrek vonden onder de achtjarigen binnen het gezelschap. De echte jonkies hadden het speelveld inmiddels allang huilend verlaten omdat ze stuk voor stuk met 50 km/u een lederen bal tegen hun tere hoofdje geknoerd hadden gekregen. Ook met dank aan adviezen van ons dronken mannen aan de zijlijn ("Zal ik eens even voordoen hoe je op goal moet schieten? Zoooo moet je dat doen…. Oh sorry…. Wat? WAT? Mijn schuld? Hoezo? Ja Jezus, ik heb dat kind daar toch ook niet neergezet?")
Wat ik wil zeggen: de Tielse school is hard.

Veel heeft dat overigens nooit opgeleverd. Behalve misschien dat de bekendste club uit onze regio, FC Lienden, het ooit eens heeft geschopt (sic) tot ik meen de kwartfinales van de KNVB-beker, anderhalf jaar terug. Met als coach Hans Kraaij Jr, algemeen erkend als de gemeenste voetballer die ooit op de Nederlandse velden heeft rondgelopen.
Okay, Simon Tahamata. Die komt ook uit Tiel. Maar dat was een Molukker. De sierlijke aanvaller van de Tielse club Theole en daarna Ajax en het Nederlands elftal. Wat past er niet in het rijtje, zou ik zeggen.

Maar misschien is het een kwestie van volhouden. Je mag het niet uitsluiten. We zijn immers nog nooit wereldkampioen geworden met dat oogstrelende Nederlandse voetbal. Wellicht kan iets meer Tiel in de gelederen voorwaar geen kwaad.

Ik weet het niet. Aan het eind van de middag gingen we er ons toch actiever mee bemoeien, met voetbal, wij gingen het veld in. Wij mannen. Wij 40+ers. In het grasveldje naast de koikarpers. De heg van J. was al aan flarden geschoten door de 8-jarigen en er was geen levende hortensia meer te bekennen in de zorgvuldig aangelegde perkjes. Nu was het aan ons om ten slotte met onze lompe poten ook het gazon definitief te mollen.

Ik stond tegenover mijn beste vriend. Probeerde 'm te poorten.
"Ik dacht 't niet, vriend", zei ie, sloot z'n benen, en counterde. Tegendoelpunt.
Kut.
Een minuut later probeerde ik een schaar. Verdraaid mooi uitgevoerd, al zeg ik het zelf. Ik was 'm voorbij. Alleen vergat ik de bal mee te nemen. Tegendoelpunt.
Fuck!
"Ha ha!", zei mijn beste vriend, "een schaar, dat moeten wij op onze leeftijd niet eens meer willen proberen."
"Ha, ha!" zei ik, &quot
;inderdaad."

Weer een minuut later deed ik een dubbele schaar. Dit keer de bal mee, en ik was er langs, de weg naar het doel lag open.
Net toen ik wilde uithalen om het mooiste doelpunt van de middag te scoren voelde ik mijn gewicht kantelen.
Ik schuurde met mijn smoel over de grasmat, de pollen vlogen eruit. Zwaar onrechtmatig getackeld door mijn beste vriend. Vol op de enkel, zonder ook maar enig oog voor de bal. Onmiskenbaar rood. Uit automatisme gebaarde ik theatraal naar de scheidsrechter. Die er niet was.

Mijn beste vriend trok me grijnzend overeind. "Ha, ha!", zei ie, "Tcheu la Ling, dacht je nou echt dat je er lang zou komen?"

Nee, natuurlijk niet. In Tiel kom je er nooit langs. In de trein terug naar Amsterdam keek ik naar mijn enkel. Ik nam er zo ongeveer een foto van:

Enkel 
Toen ik thuis de trap was opgestrompeld was ie zo dik als een ei.
Een ei.
"Waar hebben we het over?", zou mijn goede vriend A. zeggen.

Het is maar het leven

Serieus nog een stukje produceren is op dit moment een hopeloze zaak, want ik ben dusdanig fucked up beyond any regocnition, dat ik niet eens meer weet hoe je dat schrijft, in het Engels bedoel ik, dus maak er maar totaal naar de kloten van.

Fussbal, dames en heren, jongens en meisjes. "Waar ga je kijken" sms-te vorige week een Tielse vriend, zonder te vermelden welk onderwerp het betrof. Niet dat zulks nodig was, want als in Tiel het onderwerp achterwege wordt gelaten, dan kan dat maar 1 ding betekenen: voetbal.
"Weet niet", sms-te ik terug, "jij?"
Zijn antwoord was kort en lag voor de hand: "Bij Dirk."

Dus ik zei tegen de ABNAMRO: "Maandag neem ik vrij". Mijn leidinggevende knikte, blij als ie was dat er tenminste 1 iemand op legale wijze een vakantiedag opnam. Het merendeel van mijn collega's had reeds te kennen gegeven maandag om 13.30 een 'afspraak buiten de deur' te hebben.
"Met wie?" vroeg mijn leidinggevende dan.
"Met een klant."
"Wat voor klant?"
"Een mooie klant, een welriekende klant, een grote, een sterke, ja, een nuttige klant…"
Sorry, ik dwaal af.

Vanmorgen zat ik om 11 uur in de trein. Oranje shirt aan, halve liter in de vensterbank en ondertussen in de gratis kranten de voorbeschouwingen lezen. 3 keer hetzelfde rechtstreeks van het ANP overgenomen verhaaltje, het kon me geen fuck schelen, ik las het alle malen. Daarna de tot het laatst bewaarde Volkskrant, voor de diepgang.
Gelul.

Om half 1 stapte ik in Tiel uit de trein en liep richting het centrum. De Waterstraat, waar de winkels zijn, was uitgestorven. Ik sloeg de zijstraat in, waar Dirk in zijn eentje tamelijk onhandig een gigantisch oranje spandoek stond op te hangen aan de pui van zijn cafe.
"Hoi Dirk", zei ik.
Dirk zag me niet, zijn hoofd was verstrikt geraakt in het canvas. "Hey, hoi", zei ie op de gok.
5 minuten later kwam ie zijn eigen cafe binnen.
"Jezus", zei ik, "wat is er met jou gebeurd?" Ik wees naar zijn neus en zijn voorhoofd, die beiden dropen van het bloed.
"O, dat", zei ie, "de hond heeft me gegrepen, niks bijzonders."
Tiel.
"Wat wil je drinken?" vroeg Dirk, terwijl ie een pils voor me tapte.

Het was inmiddels 13.00 uur. 1 voor 1 kwamen de klanten binnendruppelen. Af en toe iemand die ik kende. En op een gegeven ogenblik een vriend. En nog een. En nog veel meer. Het halve bestuur van Appelpop. De enige die er nog niet was, was mijn beste vriend. Wat ergens wel begrijpelijk was. Mijn beste vriend heeft een belangrijke baan in Deventer. Hij is uitvoerend directeur van een firma in sanitair en maakt werkweken waar Polen bij verbleken.
Ik sms-te 'm: "Kom je nog?"
Hij antwoordde: "Kut, file! Kut kut kut!"
"Vluchtstrook", tipte ik 'm, en meldde en passant dat van Bronkhorst de toss had gewonnen, zodat we niet tegen de zon in hoefden te spelen, althans niet in de 1e helft.

De 1e helft die ongelooflijk slecht was. Van Persie raakte geen bal behoorlijk, Sneijder was onzichtbaar, net als van der Vaart en Kuijt. Het enige positieve was dat de Denen er ook geen flikker van bakten.
Het was rust. En kijk aan, daar was mijn beste vriend. "Godverdomme", zei ie, "waar is het bier."
Standaard entree.
En daarna: "Jezus, wat is er met jou gebeurd?" richting Dirk.
"De hond", riepen wij.

Terwijl de 2e helft begon en wij het 12e rondje van de middag bestelden, griste mijn beste vriend zijn oranje shirt uit zijn tas, en probeerde het over zijn kop te trekken.
"Hoe spelen ze", vroeg ie ondertussen aan mij.
"Bagger", zei ik.
Op hetzelfde moment presteerde een Deen het om de bal in eigen doel te koppen.
Gejuich steeg op in het cafe. Mijn beste vriend zat nog altijd met zijn kop verstrikt in zijn oranje T-shirt.
"Wie scoort er?" vroeg ie.
"Een neger", zei ik.
"De Jong?" vroeg mijn beste vriend.
"Nee, een Deen", zei ik.
"Waarom juichen we dan?"
"Eigen goal."
"Dat meen je niet!"
"Toch wel. Knap ingeknikt. Werelddoelpunt. Kan van Persie nog een puntje aan zuigen."

Heel spannend wil de rest van de wedstrijd niet meer worden. Van der Vaart doet nog een doelpoging die op een biljartlaken niet had misstaan, en Elia manoevreert zich fenomaal tussen twee tegenstanders heen, maar dat was zo'n beetje. En nadat Kuijt in de rebound een bal op de paal van Elia heeft verzilverd, is het gedaan. 2-0. Een nette overwinning. Maar de wereld zullen we er geen schrik mee hebben aangejaagd. Het spel was pover. Middelmatig. Traag. De leeuw heeft niet gegromd, laat staan gebruld.

We vragen de rekening op bij Dirk. 245 euro. Voor 7 man. Dat was dus ongeveer 20 pils per persoon. Eentje per 5 minuten. Oftewel eentje per sigaret. Fair enough.
"Wat vinden jullie trouwens van mijn leeuw?", vraagt Dirk.
Hij wijst naar de cafemuur links van het beeldscherm. "Ben ik een tijd mee bezig geweest", zegt Dirk.

Leeuw

"O, ik dacht dat dat je hond was", zegt iemand.
Echt, wij zijn ontzettend grappig.
Zo grappig dat we besluiten om onze kroegentocht nog even voort te zetten. Maar daar kan ik me voor de rest niet zo gek veel meer van herinneren. Behalve dat we het in een of ander Turks biljartcafe over politiek kregen. En dat, zelfs onder mijn vrienden, de meerderheid VVD bleek te hebben gestemd.
"Godverdomme", zei ik.
Mijn beste vriend, gelukkig een fervent SP-stemmer, stootte me aan onder tafel, "laat maar zitten joh", zei ie, "dat wordt toch een zinloze discussie."
Misschien heeft ie gelijk, bedacht ik, laat ik me inhouden.
"Wat heb jij dan gestemd?" vroeg een VVD-vriend, "of durf je dat niet te zeggen?"
"Dat durf ik wel degelijk te zeggen!" riep ik verbitterd, "ik heb enorm Femke gestemd!"
Mijn volkse, laaggeschoolde, uit het arbeidersmilieu afkomstige Tielse VVD (godverdomme!)-vrienden knikten begrijpend: "Femke is inderdaad goed te neuken."
Ik haalde diep adem en wilde zwaar verontwaardigd…
"Ze lopen je te dollen", zei een stemmetje in mijn hoofd. Of misschien was het mijn beste vriend die dat zei, daar wil ik vanaf wezen. Mijn beste vriend, de directeur die SP-er is en die altijd alles betaalt als er iemand iets tekort komt.
"Iemand nog bier?" vroeg ik.

Want waar hebben we het ook eigenlijk over. Salonsocialist die ik er rond loop. Wij zijn stuk voor stuk mannen die weinig te klagen hebben. We leven alle zeven ruim boven de armoedegrens, hebben begripvolle vrouwen, en lusten een pils. Een beter recept voor een gelukkig leven kan ik niet verzinnen.

Dus. "Een auto is geen bus", zouden ze in Tiel zeggen.

Zaterdag Japan. Waarover mijn oude Tielse buurjongen ooit een goeie grap wist die nergens op sloeg. Dat zijn de besten. Hij gaat zo: "In Japan hebben ze ook de N.S."
"O ja?"
"Ja! De Njapanse Spoorwegen."

Slapper kun je ze niet maken. En liggen ook niet.

Paris

Twee jaar geleden, tijdens onze zomervakantie, waren L. en ik in Chatillon en Diois. Chatillon is een middeleeuws dorpje aan de voet van de Col de Grimones en de Col de Menee (2 ideale trainingsbergjes, van respectievelijk 1300 en 1500 meter met gemiddelde stijgingspercentages van ca 8%). Er bleek die dag in het dorp een atelierroute te zijn georganiseerd door de plaatselijke kunstenaars.
"Weet je wat", zei ik tegen L., "ga jij lekker kunst kijken, dan pak ik ondertussen even een colletje."
Zo gezegd zo gedaan.
Twee uur later zaten we op het terras van het cafe aan de fontein op het centrale pleintje.
"Ging ie?" vroeg L. aan mij.
"Appeltje eitje", zei ik met een roodverhitte kop, compleet buiten adem.
Ik bestelde een pils demi bij de garcon. "En de kunst?" vroeg ik aan L., "was 't wat?"
Ik verwachtte dat L. zou repliceren: "Ach, wat zal ik zeggen? Laten we het erop houden dat het over het algemeen eh.. goedbedoeld was."
Maar dat zei ze niet. Ze zei: "Je moet zodadelijk echt even mee naar het gemeentehuis. Daar hangt geweldig werk."

Dat hing er inderdaad. Van ene Alain Trioen. Een in Parijs geboren en getogen knakker uit de vorige eeuw, die net een paar jaar geleden was overleden, hier in Chatillon, waar hij de laatste decennia van zijn leven had gewoond. En daar was de gemeente maar wat blij mee getuige de expositie, waar in alle vitrines krantenknipsels lagen tentoongesteld over de grote onbekende schilder die op een dag de voorkeur had gegeven aan het plattelandsleven, boven dat in de grote stad. Op de muren hingen zijn schilderijen. Een aantal situationele schetsjes uit het dorpje zelf, maar voor de rest voornamelijk afbeeldingen van het Parijse park Jardin de Luxembourg. Waarschijnlijk opdat je als bezoeker zou denken: 'zie je wel, dat plattelandse zat er altijd al bij em in.'

Ik wilde een foto nemen van mijn favoriete schilderij, dat van een 2CV geparkeerd in het dorp op de steile weg naast de fontein, zonder fontein. Dat vond ik geweldig, dat ie die pitoresque fontein de fontein had gelaten om die 2CV beter tot zijn recht te laten komen.
Net voordat mijn toestel *klik* kon zeggen, werd ik op mijn schouder getikt door een gepensioneerde gemeentelijke vrijwilliger die was neergeplant als suppoost. "Pas de photographes", zei ie, "c'est interdit".
Ik vroeg of er dan misschien een catalogus was.
"Nee."
Iets op internet dan wellicht? Een website?"
"Une quoi?"

Terug in Amsterdam hebben L. en ik behoorlijk zitten google-en. Niks konden we vinden, behalve dat zijn naam af en toe als voetnoot werd vermeld bij verhalen over de werkelijke groten uit zijn tijd. Voor de rest: Nada, noppes, niks. Die schilderijen zouden we dus nooit meer zien. Alain Trioen was van Chatillon en van Chatillon alleen.

Dachten we. Vorig jaar waren we opnieuw in Chatillon. Opnieuw tijdens de atelierroute. Dit keer liet ik de cols de cols, en liep het rondje mee. "Laten we als eerste naar het gemeentehuis gaan", zei ik. Dat bleek gesloten. Deed dit jaar ook niet mee aan het programma, las ik in het boekje. Mooi kut.
We liepen verder. Langs alle 62 blauwe vlaggetjes met witte nummertjes die uit de ramen hingen in de diverse steegjes. Overal gingen we naarbinnen. En ik moet zeggen: die steegjes mochten er wezen, met al hun authentieke charme

Chatillon 
maar de schilderijen in die ateliers, man, breek me de bek niet open, die waren ontzettend eh.. enfin, goedbedoeld.
Het was 38 graden. De zon brandde op onze kop. "Ik heb het wel gehad", zei ik tegen L., "kom, we gaan een pils vatten op het pleintje bij de fontein."
"Maar we hoeven nog maar twee vlaggetjes!" zei L.

Dus wij toch maar naarbinnen bij atelier nummertje 61. Een bedompte kelder. Nou ja, dacht ik, in ieder geval lekker koel.
"Krijg nou wat", zei ik na een blik op de muren.
Horlepiepend danste L. door de ruimte.
Hier hing ie. Hier hing Alain Trioen.
"Zo staat het anders niet in het programmaboekje", wierp ik nog even tegen, "dit atelier zou van een heel andere persoon moeten zijn."
Het bleek op naam te staan van zijn weduwe, Nadine.
En wij, wij waren gelukkig. We bekeken een drie keer zo grote collectie dan die we vorig jaar in het gemeentehuis hadden gezien. En keken daarna samen met Nadine weetikniethoeveel fotoboeken door. Ze bleef ze maar aanslepen.
Ze was ontroerd door ons enthousiasme.

Later die middag zaten we opnieuw op het terras. L. bestelde een thee en ik bestelde wederom een demi, want op 1 demi kun je niet staan. Een demi staat trouwens misleidend genoeg niet voor een halve liter, maar voor een lullig glaasje van 25 cl. Feitelijk is het een half halfje. Dus eigenlijk moet je er 4 van drinken wanneer je ronde cijfers hoog in je vaandel hebt staan (in de wiskundige wetenschap worden die niet voor niets als de verzameling van de natuurlijke getallen gedefinieerd), maar ik dwaal af.
Het was nog altijd bloedheet. Bij de fontein vulden wielrenners en fanatieke Grand Randonnee-wandelaars respectievelijk hun bidons en aluminium drinkbussen bij, en wij, wij verkasten op het terras telkens weer naar de nieuwe stoeltjes in de schaduw.
Op een gegeven ogenblik kwam Nadine aangelopen. Ze voegde zich bij de vrouw alleen, die aan het tafeltje voor ons zat.
We zwaaiden bescheiden naar elkaar. Enigszins betrapt. Of misschien is verlegen een beter woord. Het was raar om elkaar in een andere omgeving te zien dan dat atelier.
Ik voelde me alleszins een beetje ongemakkelijk. Een gevoel waar ik overigens een erg pragmatische oplossing voor wist. Ik wenkte de garcon.
"Encore une demi?" vroeg ie.
Ik knikte.
"Et une the pour Madame?"
L. knikte ook.

Daar zaten we dan. De vrouw alleen bleek de zus van Nadine. Eentje van het kordate slag. Ze draaide zich om en stelde zich aan ons voor. Ze vertelde trots dat ze Engels kon spreken.
"Ik spreek ook Frans", zei ik.
Ik geloof niet dat ze die opmerking erg serieus nam.
"My sister tell me, you like zze work of Alain great much!" vervolgde ze.
"We do!", zeiden wij.
"Beaucoup!" probeerde ik tussendoor tegen Nadine te glimlachen.
"Zzatz great!" zei de zus.
Er volgde een conversatie van pakweg drie kwartier waarbij de zus mij in beslag nam. Best gezellig. We bestelden nog het een en ander.
Toen de zon achter de bergen was verdwenen en het tijd werd om weer eens op huis aan te gaan, zei de zus: "You know, maybe you can come to Paris zizz zummer in zjuun. Becozz, maybe zenn zerr izz an expozzizzion of Alain."
"Une exposition?" vroeg ik, "dans Paris?"
"Oui, un expozzizzian. You know what zzat iezz, an expozzizzion?"

L. was ondertussen in gesprek geraakt met Nadine. Ondanks dat ze elkaars taal niet beheersten, kwamen ze er met de spreekwoordelijke handen en voeten een stuk beter uit dan de zus en ik. Ze lachten er vrolijk op los. L. had zelfs een telefoonkaart van haar gekregen met een afbeelding erop die haar man ontworpen had. Het was er 1 uit een genummerde oplage, naar ik begreep uit de allereerste serie van het allereerste elektronische betalingsverkeer binnen Europa ever.
"Wow", brak ik in, in hun gesprek, "dat is nogal wat!"
"Oui", zei Nadine.
"Maar waarom is hij dan eigenlijk niet beroemd?" vroeg ik, "waarom kent niemand hem?"
"Vroeger kende iedereen hem", zei Nadine, "nu kennen ze hem alleen nog in Chatillon. Maar volgend jaar,
als ik tenminste genoeg geld heb, komt er misschien in juni een expositie in Parijs, in de wijk waar ie geboren is, in Meudon."
"Geweldig!", zei ik.
De zus maakte een dramatisch gebaar op z'n Frans, met wanhopige armen in de lucht en alles, rollende ogen: "Alors, j'ai dit ca, I ghave already told you zzat! Une expozzizzion!"
"Ook een catalogus?" vroeg L.
"Als ik genoeg geld heb", zei Nadine.
Dat klonk vrij kansloos. Toch lieten we voor de zekerheid een emailadres achter. Bij de zus. Want die had daar verstand van, van email. Zei ze.

Nooit meer iets van gehoord natuurlijk.

Afgelopen woensdagmiddag, op 2 juni, om 12.51, kreeg ik een mailtje. Van ene Nadine. Ik had 'm bijna weggeklikt, want ik kende voor zover ik wist geen Nadines.
Wacht, dacht ik toen, wacht es even. Ik opende de mail. Die vertelde dat er op donderdagavond 3 juni om 19.00 in Meudon, een voorstadje van Parijs, een expositie zou worden geopend met het werk van Alain. We waren van harte welkom.

Jezus, dacht ik, dat meld je dan ook lekker op tijd.  Ik hield de zus verantwoordelijk. "Wat denk je nou zelf?", mompelde ik, "dat we nu halsoverkop..?"
En toen ging ik naar het rookhok van de ABNAMRO. Ik stak een sigaret op. Ik keek naar buiten waar het schitterend weer was. En de komende dagen ook zou blijven. Ik dacht aan mezelf, opgesloten binnen deze kantoormuren. En ik dacht: Waarom eigenlijk ook niet? Ik belde L. "Zullen we eens iets geks doen?" zei ik.

We hebben het gedaan. Ik heb doei de mazzel gezegd tegen mijn werk, we hebben onze spullen gepakt en naar Parijs gereden. Onzelf ingekwartierd in Montmartre, in een fantastisch shabby rookhotel met een vaasje bloemetjes op tafel, voor verschrikkelijk weinig geld (adres op aanvraag), goedkope nepchampagne (2,70) in de avondwinkel op rue de Custine gescoord, metro 4 van Chateau Rouge naar Saint Michel gevat, overgestapt op RER C richting Versailles, en praktisch voor de deur uitgestegen op station Meudon-Val-Fleury (lang leve internet en Franse OV-planner-applicaties).

Een voorstad als Meudon heb je niet in Amsterdam. Ja, Duivendrecht misschien, maar dat is ongezellig. Je kan aan alles zien dat Meudon vroeger een dorp is geweest. Het heeft zijn eigen bouwstijl, met heel veel donkere bonkige stenen die niet recht zijn gestapeld. Meer zo op gevoel op elkaar geplempt. Zoals je een dammetje bouwt in een rivier. Dat Meudon inmiddels is opgeslokt door de metropool, maakt die architectuur alleen maar charmanter. Ik snapte toen ik uit de RER stapte, direct waarom Alain vanuit hier naar Chatillon was verkast.

Meudon is een oase van relatieve rust, tenmidden van hectometershoge flatgebouwen. En het is net als Chatillon gebouwd tegen een berg/heuvelwand. Er is een marktje, op een pleintje, met een restaurant en terrasje, waar misschien nog nooit een toerist is geweest. En Meudon heeft ook een lieflijk stationnetje waar vandaan je binnen een kwartier weer terug in de hel kunt wezen. Ik zeg: wat wil je nog meer?
Maar Alain heeft waarschijnlijk gedacht: Mwah, Meudon is leuk, alleen jammer van dat nieuwe kutstation, weet je wat, ik verhuis naar Chatillon.

Het was een man van het overwogen leven, die Alain. Tenminste, zo stel ik me pijprokers altijd voor. Denkers. Pijpen (excusez le mot) is het hogere roken. Sigarettenrokers zijn neurotische stresskikkers die de jachtigheid van hun bestaan tijdelijk een knietje proberen te geven. Pijprokers daarentegen zijn, nog meer dan hun sigaarminnende medemens, zonderlingen die het vertikken zich neer te leggen bij de waanzin van de wereld. Ze erkennen de vluchtigheid van existentie en houden zich liever bezig met belangrijkere zaken. Zoals bijvoorbeeld een goed schilderij. En als het even kan een zelfportret.

Trioen 
Het is allemaal te zien. Tot 1 juli. In Meudon. Op de boulevard des Nations Unies nummer 15. Routebeschrijving heb ik jullie al gegeven.

Wat kan ik er nog meer over zeggen? Achter de bar stonden lieve meisjes. Meisjes uit Meudon. Ze schonken perensap met kersenlikeur.

Barmeisjes 
En serveerden hapjes zoals alleen Fransen die kunnen maken. Complex en dat het smaakt. Dat het klopt. Hapjes waar je met liefde 1000 kilomter voor over hebt, geloof me:

Hapjes 

En ja, goed nieuws. Ze had geld.
Dus er is een catalogus.

 

Bier drinken en 'kut' roepen

Goed. Vrij naar Ramses:
Voor degene die mij hoog inschatte
Voor degene die dacht dat ik genuaneerd was
Voor degene die vermoedde dat ik iets kon:
Huil, bid, en laat me.

Lees niet verder, want het volgende stukje heeft niets, maar dan ook helemaal niets met kwaliteit, intelligentie of weldenkende gevoeligheid te maken. Dat komt doordat vanwege dankzij het feit dat ik afgelopen weekend met mijn vrienden in Liverpool ben verbleven en ik mijn eigen totaal kapot heb gezopen. Dus dat is in wezen logisch.

Serieus. Ik ben compleet naar de kloten.
Zoals vaste lezers misschien wel weten ga ik elk jaar zo rond eind mei met mijn beste vrienden naar The IPO (International Pop Overthrow), een bandjesgebeuren in het hart van de bakermat der rockmuziek, de Cavern Club op Matthewstreet, de plek waar de Beatles ooit zijn begonnen.
In de stad waar een gemengd huwelijk niets te maken heeft met je ras of je geloof, maar of je komt uit een blauw nest of een rood. Of je Evertonian bent (de oorspronkelijke bewoners), of Liverpoolian (import). Het is een serieus issue. In Noordwest Engeland is eerwraak bepaald geen puur Islamitische aangelegenheid.
De gemeente onderkent dat en probeert er praktisch mee om te gaan. De kliko’s in de stad zijn derhalve tegenwoordig paars. Het is een wanhopige poging tot het forceren van verbroedering. Volstrekt kansloos uiteraard. Het is knokken geblazen. Elke dag weer.

Dat komt niet alleen door het voetbal, maar ook doordat ze zoveel zuipen. Het is niet te geloven wat de bevolking daar per hoofd gemiddeld weet weg te tikken. Tiel verbleekt erbij. En juist dat maakt het zo aantrekkelijk voor mijn vrienden. Liverpool is het Vegas van Europa. Het riool van Engeland. De afvoerput van Great Brittain. De plek waar gans het vrouwvolk der lande naartoe komt om hun Hen-nights te praktiseren. Met hun spekkige lijven gesnoerd in jurkjes zo kort dat je de billen uit hun strings ziet bollen, en decolletees zo diep dat de tieten er bijkans uit ploppen. Om de haverklap. Tijdens elke meter die je loopt op straat.
Jassen hebben ze niet in Engeland. Doen ze niet aan. Laat staan garderobes. Jassen zijn voor mietjes. Voor mij dus, die jongen die zich de hele avond, heel sexy met een regenjack om zijn middel geknoopt, in een hoekje probeerde te verschuilen.
Echt waar, ook al vriest het twintig graden, Britten gaan halfnaakt de stad in. Althans in Liverpool.

En daar valt wat voor te zeggen. Voor wie zich afvroeg waar het politiek incorrecte gedeelte van dit stukje nou gaat komen: vanaf nu dus.
"Godverdomme", zei mijn beste vriend, "moet je kijken!"
"Wat? Waar?" vroeg ik.
"Op 11 uur".
Een secure militaire aanwijzing. Ik verplaatste mijn blik naar het Noord-Noord-Westen vanuit onze huidige positie. Daar barstten inderdaad de borsten van een twintigjarig meisje bijkans uit haar BH.
Ik knikte ten teken dat ik ze gezien had.
"O man", zei mijn beste vriend, "tieten, ik kan er uren mee bezig zijn."
Ik knikte opnieuw.
Mijn beste vriend zuchtte.
"Ik wou dat ik ze zelf had", zei ie.
Volgens mij meende ie het oprecht.
Ik maakte een obligate mannengrap. "Je bent anders al aardig op weg", zei ik.
Dat moest nou eenmaal. Inkoppertje. Hij zou het me kwalijk nemen als ik het niet had gezegd. Zo zijn de codes. Voor je het weet denkt zelfs je beste vriend dat je homo bent. Daar zijn ze in Tiel heel angstig in.

Persoonlijk ben ik meer van de billen, dus dat helpt wat dat betreft ook al niet mee.
En vooral van de ogen, maar om dat in Tiel uit te leggen is al helemaal kansloos. In Tiel geldt immers het misleidende adagium: "Het gaat niet om het uiterlijk."
Als je vervolgens vraagt waar het dan wel om gaat, zeggen ze: "Om de kut."

Over kutten gesproken, daar wist 1 van mijn andere vrienden nog een heel mooie plastische omschrijving voor: "een kut, dat ziet eruit als een ouwe tosti die je open trekt."
Die heeft kortom vast een geweldig sexleven.

Eten kan ie overigens wel, die vriend. Net als schijten. En hij was niet de enige. Dirken. Bouten. Kleien. Daar ging het 50% van de tijd over, afgelopen weekend.
"Even Babel uit de selectie zetten"
"Even een beer op de plamuur leggen"
"Even Mandela op de trein…"
Etc.
Of in het geval van diarree:
"Even een zak tuinaarde openscheuren", danwel "even uit mijn reet ejaculeren."
Enz.
Een punt drukken, even mijn ruggegraat verlengen, het hield niet op. Ook gewoon tijdens het eten werd de ontlasting uitvoerig aangekondigd alsmede geevalueerd.
Komt er weer eentje terug van het toilet als je net een hap pizza Sophia Loren (kaas, tomaat, ansjovis en olijven) naar binnen probeerde te werken: "Nou, ik wens de rioleringsdienst hier veel succes, na drie keer frotten met de pleeborstel kreeg ik die berg darmprut er nog steeds niet doorheen gestampt."
"O ja joh, was het van die aanelkaargekoekte klei?", zegt dan een ander, "dat heb ik ook altijd als ik gezopen heb, dat het zeg maar cement is. Dan wil die zwanenhals niet meer slikken."
"De hoer!", roept daarna degene die het bezopenst is, "Alle wijven zijn kuthoeren! Laat ze in de stront zakken met hun niet slikken!"

Enfin, zoiets.
Ik heb dit weekend niet veel gegeten. Maar des te meer gedronken. We hebben het aan de hand van onze pinautomaatactiviteiten naderhand teruggerekend: gemiddeld 8 liter (oftewel een krat bier) de man per dag. 17 pints per etmaal.
Soms is dat nodig. Mannen onder elkaar. Verstand op nul, slokdarm open, blik op oneindig.

Ik heb een enorm geweldig weekend gehad.
"Bier drinken en ‘kut’ roepen". Zo noemen ze dat in Tiel.
Oftewel: je van de rest van de wereld geen donder aantrekken.
Niet goed, niet gezond, maar wel verfrissend.

"Ik heb je nog nooit zoveel zien lachen als de afgelopen twee dagen", zei een vriend toen onze wegen zich gisteren weer scheidden op Schiphol Centraal.
Dus.
Vragen?

Dacht ik al. Sluit ik af met een foto van mijn beste vriend. Die hier live in de Cavern "I saw here standing there" zingt voor de menigte.
Als afsluiter van de zaterdagavond op het hoofdpodium. Triomf!

Dsc00256