Broeders

Een van de allermooiste dagen die ik ooit heb meegemaakt met mijn 8 jaar jongere broertje was een Paasmaandag in de negentiger jaren. Het was de dag waarop we voor het eerst samen naar een popfestival gingen. Het onvolprezen Paaspop in Schijndel. Mijn broertje was in de puberteit en in zijn kamer hing het, naast een enkel exemplaar van de band ‘Life of Agony’, vol met posters van Kurt Cobain.
Hij had er zin in, in Paaspop. Okay, Nirvana stond niet op het programma, want Kurt had reeds dat geintje met die shotgun uitgehaald, maar ‘Greenday’ was ook goed. En verder, zo zei ie, zou er nog een band spelen waar ie ook een CD van had. Een punkband uit Drenthe, genaamd Skik, waarvan de frontman Daniel Lohues zong met authentiek accent. Mijn broertjes lievelingsnummer van de CD was "Betonpoaltjens", een tekst over de ellende van het kanonzat terugfietsen uit de kroeg op het platteland en waarvan het simpel mee te zingen refrein luidde: "Betonpoaltjens, Betonpoaltjens, Betonpoaltjens benn’n kut! (2x)".
We hebben voor het eerst samen gepogoed toen, mijn broertje en ik, op dat nummer. In de pit. We spaarden elkaar niet. Probeerden elkaar diverse keren omver te springen. Maar evenzoveel malen hielden we ons aan elkanders shirts overeind en beschermden elkaar in het massageweld. Want wij, wij waren broeders.
Na afloop van het festival moest hij terug naar mijn ouders in Tiel. Ik naar mijn kamertje in Amsterdam. Op station Den Bosch namen we afscheid van elkaar.
Terwijl ik me reeds in de intercity bevond, zwaaide hij me vanaf het perron grijnzend uit. Hij wapperde triomfantelijk met een poster die ie blijkbaar zojuist van een stationsmuur had gestript: de affiche van het festival.
Dat ontroerde me. Dat ie het zo’n mooie dag had gevonden dat ie als souvenir die affiche van het festival had meegejat.

Afgelopen donderdag, bijna 15 jaar later, zaten mijn broertje en ik opnieuw bij een concert van Daniel Lohues. Dit keer was ie solo. Dit keer was het geen punk. Dit keer speelde hij in een schouwburg. Dit keer waren het gevoelige liedjes. De liedjes waar mijn vader van hield. En waarvan er 1 op zijn begrafenis is gedraaid (waaruit een tekstfragment sinds 10 weken bovenaan dit web-log staat). En dit keer waren ook mijn moeder, mijn zusje en onze vriendinnen erbij.
Het was een goed concert. Eindeloze staande ovatie van het Leidse schouwburgpubliek, en terecht.
Na afloop dronken we nog een drankje in een cafe. Ik had ‘m inmiddels al stevig hangen, dankzij de wijn bij het dineetje vooraf en de gratis drankjes van het vriendelijke schouwburgpersoneel (geloof het of niet, in Leiden krijg je gratis pils in de pauze – aanrader!). En voor ik het wist had ik het al voorgesteld aan mijn broertje: "Zeg, zullen we morgen als we in Tiel zijn samen gaan hardlopen?"

Nooit moeten doen natuurlijk. Ik moest denken aan jurylid R. de L. van Festina, waarmee ik het twee dagen daarvoor nog had gehad over een grote bek. R. de L. gaat namelijk volgend jaar de Ronde van Vlaanderen rijden.
"Weet je wel hoe zwaar die is?" vroeg ik.
"280 kilometer", zei R., "niet te doen".
"Ja, en met een hoop geniepige steile kutbergen erin", zei ik, "vooral aan het eind, als je sowieso al totaal naar de kloten bent."
"Vertel mij wat", zei R., "maar ik heb het nou eenmaal beloofd."
"Waarom beloof je zoiets?" vroeg ik.
R. de L. maakte met een veelbetekende blik een drinkbeweging.
Ik knikte. Om aan te geven dat ik het snapte. Zo beloof ik ook altijd dingen.
En voor mij geldt bovendien dat ik graag de illusie koester dat ik geen drankprobleem heb, dus kom ik die beloftes meestal maar gewoon na. Wel zo gemakkelijk.

"Ja, leuk", zei mijn broertje, "ik zal mijn spullen meenemen."
Dus daar zaten we de volgende dag in Tiel. Bij mijn moeder.
Het betrof een middag waarop het woord zonovergoten niet als cliche maar als understatement mocht worden gekenschetst en mijn zusje en haar vriend trokken wijselijk reeds om 13.00 een pils open in de achtertuin.
Eigenlijk had ik dat ook moeten doen. Ik had tegen mijn broertje moeten zeggen: "Weet je wat, gegeven de kennis van nu", etc.
Maar zo werkt dat niet met beloftes. Wil je een beetje geloofwaardig overkomen dan moet je begrippen als voortschrijdend inzicht vergeten. Aan de bak is het parool. Geen woorden maar daden. Voor ik het wist had ik mezelf in mijn joggingbroek gehesen.
"Wou je echt gaan hardlopen?" vroeg mijn broertje.
"Natuurlijk", zei ik, "wat dacht jij dan?"

Mijn broertje verdween naar boven. Een kwartiertje later stond ie weer beneden. In een kekke outfit. Ik moest denken aan een gedicht van het andere mede-jurylid van Festina, EJH. Die ene over die man die ie tegenkomt, en die een fuik bij zich draagt, een klapstoeltje en een hengel. En over dat je het dan onvermijdelijk voor elkaar weet te krijgen om te vragen: "Ga je vissen?"
Want zo zag mijn broertje eruit. Als een variant daarop althans. Wat ik zag was iemand die klaar was voor het centrecourt van Wimbledon. Onberispelijk wit Slazengershirt, korte broek met zakken en spierwitte sportsokken.
"Goh, ga je tennissen?" vroeg ik.

Dat had ik misschien beter niet kunnen zeggen. Even later zetten we het rondje in van 6 kilometer. Het rondje dat ik heb aangeraden, omdat het zo leuk langs het pitoresque dorpje Zoelen voert. Mijn broertje heeft er direct stevig de sokken in.
Godverdomme, denk ik, we gaan veel te hard. Maar ik wil me niet laten kennen, ik klamp aan, nestel me naast hem, en probeer niet te hijgen. Ik ben bang dat als ik ga hijgen, hij er nog een tempoversnelling bovenop zal gooien om me te laten zien wie de baas is.
Na 1 kilomter moet ik de niet-hijg-strategie laten varen. Hij kost me te veel zuurstof, te veel energie vooral.
Dan komt er bij het riviertje de Linge een Citroen Picasso voorbij rijden. Er hangt een applaudiserend meisje uit het raam. Eerst denk ik dat het een grapjurk is, maar het is de vriendin van mijn broertje. Ze is samen met mijn moeder op weg naar het tuincentrum om grondbedekkers te scoren. Ze moedigt ons luidkeels aan, wat mijn broetje inspireert om er nog een tandje bij te zetten.
Godverdegodver, denk ik, na 1500 meter bij restaurant de Hamsche Brug begin ik al rood aan te lopen, druipt er kwijl langs mijn wangen en klink ik ondertussen als een verrotte blaasbalg uit de Middeleeuwen. En we moeten nog 4 keer zo ver, dit gaat niet goed.
Want mijn broertje geeft geen krimp. Geen zweetdruppeltje te zien. Fuck. Fuckerdefuck. Kijk nou toch eens hoe hij relaí om zich heen zit te turen, loopt te genieten van het landschap onderweg, ow kut, en nu krijgen we ook nog dat viaduct over de A15, omhoog.

Aan de andere kant: ik hou van omhoog. Op de 1 of andere manier ben ik ontzettend goed in omhoog. Het maakt voor mij eigenlijk niet zoveel uit of de weg vlak is of naar boven gaat. Voor mijn broertje wel. Hij mindert zijn moordende tempo.
In de afdaling laat hij me sympathiek de binnenbocht nemen. Ik kom weer op adem. In de verte zien we het kerkje van Zoelen liggen.
"Hoe moeten we vanaf hier?" vraagt ie als we een splitsing naderen.
Ik heb een hekel aan praten tijdens het hardlopen. Het breekt je adem, je ritme, je alles.
Ik probeer te wijzen.
Hij ziet het niet.
"Links of rechtdoor?" vraagt ie.
Eigenlijk moeten we links, langs de molen, om het mooiste gedeelte van het rondje te lopen, maar we kunnen ook rechtdoor langs de Betuwelijn om een stuk af te snijden. Ik zie mijn kans schoon. "We kunnen hier rechtdoor", hijg ik, "dat is korter."
"Dat maar doen?" vraagt mijn broertje.
Yes! Verlossing! Genade!
Maar dan hijg ik met mijn stomme kop: "links is mooier".
Hoe krijg ik het voorelkaar?
Mijn broertje slaat linksaf. Het is nu onvermijdelijk. We zijn definitief de lu
l. 6 kilometer. In een veel te ziedende vaart.

We lopen langs de molen. Ik zie hem niet eens. Het is zwart voor mijn ogen. Het enige wat ik nog waarneem zijn de spierwitte sportsokken van mijn broertje. Ik herhaal binnensmonds een mantra in mezelf: "Zoelensche Brug, Zoelensche Brug, Zoelensche Brug", waarmee ik voor mezelf bedoel: als je het haalt tot de Zoelensche Brug, 200 meter verderop, dan mag je vragen of we even zullen uitrusten. Of op z’n minst tempo minderen. Maar eigenlijk wil ik dat helemaal niet vragen. No way.
We kruisen opnieuw de Linge. En dan zijn we bij de Zoelensche Brug. Ik werp een blik op het voorhoofd van mijn broertje, en zie voor het eerst een zweetdruppel. Bij mezelf denk ik: misschien toch nog even doorlopen. We zijn nu in ieder geval op de helft. Probeer het nog even vol te houden tot mijn broertje wellicht voorstelt dat we kunnen uitrusten in de schaduw, onder de bomen op de weg naar Zoelmond.

"Er staat een harde tegenwind", zegt mijn broertje terwijl we de bomen naderen.
Persoonlijk ben ik er blij mee, want die tegenwind zorgt ervoor dat ik de zuurstof sneller binnenkrijg, maar dat zeg ik niet tegen mijn broertje. Ik knik alleen maar, en hoop ondertussen dat ie het er zwaar mee heeft.
Zijn probleem zijn niet de longen, maar zijn benen, besef ik opeens. Met nog een lange weg vol tegenwind voor de boeg stijgt mijn motivatie om door te gaan. Zolang er zuurstof is kan ik’m wel laten draaien, die molen die mijn eigen onderlijf is. Ca va, ca marche, ca roule. I love tegenwind.

We zijn de bomen voorbij. We lopen over de opgebroken weg door Zoelmond, die bestaat uit een langgerekt lint met pakweg 20 huisjes ernaast. Grint en stofwolken, daar lopen we doorheen. Mijn broertje zoveel mogelijk over de stoep, ik over het aan diggelen gegraafmachinede plaveisel. In de volle zon. De tegenwind is weg.
Ik heb de kracht niet meer om net als mijn broertje de stoep op de lopen. Ik kan niet meer coordineren. Ik kan alleen nog maar rechtdoor. Ik heb een kop als een peper, longen als ballonnen op knappen en ben bang dat ik nu ieder moment aan een hartaanval kan sneven. Het enige wat me nu nog op de been houdt is het besef dat mijn broertje in het bezit is van een EHBO-diploma en verstand heeft van reanimaties in voorkomende gevallen.
Ik ben bezig iedere stap te tellen tot ik bij 100 ben. En dan weer opnieuw te beginnen. En voor de rest het verstand op nul te houden. Een truc die ik heb geleerd van Alex Roeka, die ooit een schitterend boekje heeft geschreven over het rijden van de Marmotte, de zwaarste wielerwedstrijd in Europa.

En dan komen we opnieuw bij de A15, opnieuw bij een viaduct. Dit keer er niet overheen, maar eronderdoor. Ik ben bijna bij een nieuwe mijlpaal van 100 stappen, en wil net tegen mijn broertje zeggen dat dit toch echt de laatsten zijn, dat ik echt niet meer kan, als hij stil houdt.
"Wat?" vraag ik.
"Pfoe", zegt mijn broertje, "sorry hoor, maar ik moet echt even stoppen."
"Ah man, ik dacht dat je het nooit zou zeggen", zeg ik.

Broeders.
Samen hebben we uitgerust en zijn de laatste kilometer naar huis gewandeld. Thuis hebben we een hoop glaasjes water gedronken.
En toen mijn moeder en zijn vriendin thuiskwamen van het tuincentrum, alle dozen met grondbedekkers de auto uitgesjouwd.

Daarna had hij nog de energie om ze allemaal te planten. Poe. Pas moi. Ik pakte een pils.

Advertisements

Zoo

Afgelopen vrijdag was ik jarig. Voor de 41e keer alweer. Als kind kon ik me altijd enorm verheugen op de 14e mei. Op de dag zelf stond ik vaak al voor zessen op, om de overige gezinsleden uit bed te trommelen, teneinde mij zo vroeg mogelijk te laten vergasten op een etmaal vol cadeaus en overige vertroetelingen.

Nu doe ik dat niet meer. Bijvoorbeeld omdat ik alle cadeaus die ik zou willen hebben en die binnen de bekostigingsmogelijkheden van mijn naasten liggen, allang in een eerder stadium zelf heb gekocht. Dat is een nadeel van volwassen zijn: dat je genoeg geld hebt. Okay, niet voor een Rolls Royce Silvercloud uit 1962 (hint/cadeautip!), maar wel voor het nieuwste boek van je smaak. Of de nieuwste CD. Of een pak speculaas. Dat laatste heb ik in de hongerwinter van onze studietijd wel eens gegeven aan een jarige vriend. Hij was er blij mee. Hij was dol op speculaas en had, wie niet destijds, te schaften met een structureel tekort aan 99 cent.

Enfin. Als je het niet meer van de cadeaus moet hebben, dan blijft er maar 1 ding over om je enigszins jarig te voelen, en dat is vertroeteling. Op zich een ruim begrip. Want zoveel mensen, zoveel wensen. Mijn ex-vrouw, die pas jarig was, had een heel expliciete: ze wilde zoveel mogelijk echte verjaardagskaartjes ontvangen. Dus geen felicitaties middels olijke ecards of hartelijke sms-jes, maar fysieke post in de brievenbus. Ik moet toegeven: weinig is gezelliger dan op je verjaardag in je badjas, met een glas in je hand van het champagne-ontbijt, een bedolven deurmat aan te treffen.
Helemaal geweldig. Niks mis mee. Maar mijn voornaamste wens is sinds een paar jaar dat L. en ik een dagje samen naar de dierentuin gaan. Vind ik leuk, om met facebook te spreken.

Ik weet niet precies wat het is met mij en dierentuinen. Want eigenlijk is het natuurlijk verschrikkelijk zielig, al die gekooide beesten op veel te weinig vierkante meters. En ook in Ouwehands Dierenpark in Rhenen, waar we deze 14e mei waren (we kiezen elk jaar een andere uit), mocht diverse fauna zich met recht beklagen over de hen toebedeelde ruimte. Het ergst was de Ijsbeer. Wie wil weten waar het werkwoord vandaan komt moet eens een kijkje gaan nemen op de Grebbenberg. Godsamme.
Als je ooit de tijgers hebt gezien in Artis dan weet je wat kooineurose inhoudt, maar deze Ijsbeer overtrof ze in het kwadraat. Alsmaar hetzelfde rondje liep ie, uren achtereen.
Van de rotswand naar het hek, wezenloze blik, knikje met de kop naar niets in de verte, terug naar de muur, kop steken in de te kleine grot in de rotswand, met een wanhopige hoofdbeweging zijn kop terugtrekken, en weer op naar het hek. Sjok, sjok, sjok.
Wezenloze blik, knikje met de kop naar niets in de verte, terug naar de muur, kop steken in de te kleine grot in de rotswand, met een wanhopige hoofdbeweging zijn kop weer terugtrekken. En weer op naar het hek.
Heel triest. Ik probeerde ‘m op te vrolijken. Zwaaide naar ‘m bij het hek. Trok een gekke bek, Joehoe!
Hij zag het niet eens. Alles ging compleet langs ‘m heen.
Toen L. en ik 3 uur later op de terugweg weer langs zijn hek liepen, ijsbeerde ie nog steeds exact hetzelfde rondje, inclusief de angstaanjagende herhaling van zijn motoriek.

Ik moest denken aan mijn werkdagen. Over hoe ik altijd op exact dezelfde tijd binnenkom op kantoor. Mijn computer aanzet. Een cafe au lait tap uit de koffie-automaat, terwijl ik mijn computer opstart. Hoe ik altijd in dezelfde volgorde mijn programma’s open. Steevast als de eerste kop koffie op is naar het rookhok ga, een sigaret tot me neem, om daarna weer verder te werken. Precies een uur na aankomst tap ik een nieuwe koffie. Rook een kwartier later weer een sigaret. Elk uur opnieuw. Een repeterend Groundhog-hour. Net zolang tot het half 6 is.
Ik krijg er mijn geld voor. De Ijsbeer zijn vreten. Maar bepaald gelukkig met de situatie kun je ons niet noemen.

Wie ook niet gelukkig was met haar situatie, is deze leeuwin:

Leeuw

Het was Hemelvaartsvakantie. Het was stervensdruk in het dierenpark met ouders en kinderen. Deze leeuwin had een hekel aan kinderen. Op de foto gromt ze vervaarlijk vanachter het plexiglas naar een angstig meisje van 6 jaar dat door haar vader naar voren werd geduwd: "Hier kun je de leeuwen van heel dichtbij zien", zei ie.
‘Neus aan neus’ noemden ze dat in de folder die we bij de kassa hadden gekregen.
De meeste leeuwen hadden geen zin om neus aan neus met de mensen te bivakkeren en lagen op hun rug te soezelen in de zon op de grasweide erachter, maar deze leeuwin was van het actiebereide slag, en vond dat ze een punt moest maken. Vlak voor dit moment had ze een 3-jarig jongetje de stuipen op het lijf gejaagd door rechtop tegen het raam te gaan staan en haar klauwen te tonen, terwijl ik haastig mijn fototoestel uit mijn rugzakje probeerde op te duikelen.
Te laat voor de worldpress. Niet dat ik een hekel heb aan kinderen, maar ik vond het wel een heldin, die leeuwin. Hart voor de goeie zaak. Een opstandig type. "Daar heb je tenminste wat aan, in de oorlog", zou mijn Oma uit Arnhem zeggen.

Maar wat ik wilde zeggen: Het zijn niet louter dieronterende toestanden die de klok slaan in Rhenen. Zo is er bijvoorbeeld het Berenbos. Prachtig initiatief. Stel je een paar voetbalvelden voor. Zet daar een hele hoop loofbomen in. En een kabbelend riviertje, inclusief hier en daar een watervalletje. Maak een paar heuveltjes en graaf er holen in. En ga dan naar het voormalige Oostblok, bevrijd daar de allerzieligste beren van hun dagelijkse plicht tot het dansen op verhitte metalen platen en geef ze een relatieve vrijheid terug door ze mee te nemen naar Rhenen. Naar het Berenbos van Ouwehands.

Beer

Als bezoeker wandel je er over een loopbrug doorheen.
"Ik heb hoogtevrees papa", zei een meisje dat voor ons liep, "zullen we terug?"
"Ben je gek", zei haar vader, "dit heeft papa nog nooit gezien, een beer zo hoog in een boom! Ik wil even blijven kijken of ie eruit valt."
Voor de zekerheid snorde hij zijn filmcamera op uit zijn heuptas. In zijn hersens de prijs voor de funniest homevideo.
Ook ik pakte opnieuw mijn toestel tevoorschijn.
De beer nam haar tijd. Ze knabbelde rustig aan de jongste blaadjes. Balancerend op takken die veel te dun voor haar schenen. Maar het niet waren.
Een half uurtje later klom ze soepeltjes weer naar beneden.
"Godverdomme", zei de man met zijn filmcamera, "alles voor niets". Zijn dochtertje was er al een kwartier geleden met haar moeder vandoor gegaan.
De rest van de mensen applaudiseerden.
Voor de beer. Dat was mooi.

Op een bordje verderop las ik de gegevens van de pakweg 12 aanwezige beren in het Berenbos. En leerde dat ik zojuist blijkbaar Bjorna had gezien. ‘Een meisjesbeer. Erg ondeugend. Ze houdt van aandacht, en klimt graag in bomen. Hiervoor was ze danseres in dienst van een brute Bulgaarse dompteur.’
Of zoiets.
Zou je er niet verliefd van worden?
Ik bijna wel.

Maar het allermooiste moet nog komen. Extra, extra! Stop de persen, ik heb een nieuw lievelingsdier! Voordat ik in Rhenen kwam had ik er nooit van gehoord, maar het schijnt al 2 millenia een geliefd beest te zijn, want hij stond al op het menu bij de Romeinen. Hij is groen en ziet eruit als een wezen dat je kan nadoen met een sok om je hand. Een Muppet-figuur. Een Sesamstraat-personage. Maar het is een waterslang die 2,5 meter lang kan worden. En waarvan de beet bepaald niet onschuldig is. Het is er een die groot respect geniet onder duikers.
Maar bovenal vind ik het een lieverdje. Dit exemplaar zag ik in Ouwehands. En was direct verkocht. We hadden contact. Ik had het idee dat we elkaar iets wilden zeggen.
Neus aan neus met de Koningsmurene.
"Wat wil je vertellen?", vroeg ik.
En toen zei ie eigenlijk alles wat ik al de hele tij
d wil zeggen, namelijk dit:

Murene_2

Giro

Afgelopen zaterdag was de Giro in Amsterdam. Een uitgelezen kans dus om het profpeloton weer eens van dichtbij te bekijken. De laatste keer dat ik een echte wielrenner had gezien was alweer bijna een jaar geleden (te weten Steven Rooks, die aan de start van de ‘Steven Rooks Classic’) ons, amateurs, vriendelijk had uitgezwaaid) en teneinde alvast een beetje gemotiveerd te geraken om straks in de zomer weer een aantal Alpencols te beklimmen, kon het wellicht geen kwaad enige inspiratie op te doen bij de beroeps.
Want zo werkt het bij mij. Van kijken naar fietsen krijg ik zin om te fietsen. Geldt overigens ook voor voetbal. En pizza. Eigenlijk misschien wel voor alles.

Behalve voor regen, bedacht ik. Buiten regende het. Niet overdreven hard, maar geniepig genoeg om binnen een uurtje of twee compleet doorweekt te zijn. Ik twijfelde. En besloot eerst maar eens de TV aan te zetten. Kijken naar fietsen kan immers ook gewoon vanuit een comfortabele stoel naast de verwarming. Met een gezellig drankje erbij.

Op Nederland 1 was Mart Smeets in gesprek met de organisator van het gebeuren. Een kale vent met een knoepert van een rooie bril. De bril hield een enthousiast verhaal over alle problemen die hij het afgelopen jaar had moeten oplossen. Met name over de keuze van het parcours. De Italianen hadden de proloog eigenlijk willen laten beginnen vanaf het hoofdpodium van het Concertgebouw(!), om dan dwars door de Grote Zaal richting het Rijksmuseum te rijden en vervolgens ‘de tien mooiste ansichtkaarten’ van Amsterdam aan te doen, inclusief het Anne Frank-huis. "Waanzin natuurlijk", zei de bril, "veel te gevaarlijk met al die smalle steegjes en glibberige bruggetjes. Als ik alle eisen had ingewilligd was geen enkele renner levend bij de finish gekomen."
Mart Smeets knikte: "Tsja, zo zijn die Italianen, dat zijn showmensen, compleet maf." Hij zei er niet eens zijn stopzinnetje "Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen" achteraan, zo duidelijk was het blijkbaar dat ‘Italianen’ en ‘maf’ twee woorden zijn voor hetzelfde.

Daarna was Johan van der Velde te gast. Johan van de Velde is een van mijn lievelingsrenners allertijden. Met zijn hoekige lijf dat altijd veel te groot leek voor zijn fiets. Een klimmer bovendien die grotendeels stond op de pedalen. Ik hou van staande klimmers die dansend op hun trappers de cols bedwingen. Op souplesse. Op techniek. In tegenstelling tot saaie diesels als Indurain en Ullrich die het zittend op hun zadel, louter moeten hebben van domme spierkracht. Die het doen ‘op de macht’. Boring.
Nee, dan van de Velde. Er werden beelden getoond van Johans beroemde bedwinging in 1988 van de Gavia, een van de zwaarste bergen uit de Ronde van Italie. Hij had onderaan de col al zijn overbodige kleding van zich afgegooid. Hij kwam als eerste aan de top, waar het sneeuwde en diverse graden vroor. In de afdaling was ie vervolgens bevangen geraakt door de kou. Hij kwam uiteindelijk als laatste over de finish. Roekeloos. Dat was van der Velde. En daar hou ik van. Later, na zijn profcarriere is ie verslaafd geraakt aan amfetamine en in het criminele circuit beland. Kijk, dat zijn de interessante renners. Daar kan je nou nog eens een verhaal over schrijven.
Enfin, toen ik die van der Velde zo zag op TV, dacht ik: ‘Sven, wat ben je toch eigenlijk een mietje. Voor het eerst in je leven is er vlak om de hoek een grote wielerronde aan de gang. Trek je jas aan en ga naar buiten, gek!’

Vandervelde_johan_ms

Van der Velde op de flanken van de Gavia

Dus daar ging ik. Ik stapte op mijn taxi-gele Opoe-fiets en koerste richting de Apollolaan. De chique lange straat in Oud-Zuid die ik de afgelopen 23 jaar honderden, zoniet duizenden keren heb bereden en waar deze middag de renners stuk voor stuk langs zouden komen, met tussenpozen van een minuut.
Het was een gemoedelijke bedoening daar in de duurste laan van Amsterdam. op de stoepen van huizen die praktisch allemaal meer dan 1.000.000 euro doen op funda.nl, stonden de welgestelde bewoners met hun glaasjes prosecco achter de dranghekken langs het parcours. Veel mannen hadden voor de gelegenheid een roze overhemd of poloshirt aangetrokken. Meisjes op lakschoentjes droegen roze jurkjes en roze strikken in hun haar.
Best gezellig op zich, maar niet bepaald een wielersfeer. Telkens als er een renner voorbij kwam werd er beleefd geapplausiseerd. En dan vroegen de mensen aan elkaar: "Wie was dat?"
En dan werd er geantwoord: "Geen flauw idee."

Ik besloot verder te lopen. In de richting van de finish, 1300 meter verderop, bij het Olympisch Stadion. Bij de rooie vlag van de laatste kilomter was het al aanmerkelijk drukker langs de route. Mensen dronken blikjes Heineken en aten broodjes worst. Veel hadden een van internet uitgeprinte lijst met de volgorde van de deelnemers in hun handen. Iedere renner werd luidkeels aangemoedigd. Ook werd er veelvuldig geklepperd met castagnettes in de vorm van roze handjes. Hier moest ik zijn. Ik wurmde me door de menigte naar een dranghek, zette mijn rugzakje op de grond, trok er een halve liter uit, en ging er eens goed voor staan.

   Kilometervlag_5

"Zodadelijk komt er weer een Rabo!" riep een man. Dat had hij op zich niet hoeven doen, want het was al te merken aan het geluid. Als een soort wave naderde een golf van enorm gejuich. Daar kwam de motoragent. Zoef. Dat was de Raborenner. Het bordje op de motorkap van de volgauto leerde me dat ik zojuist Pieter Weening had gezien.
Wow, dacht ik, Pieter Weening!

Volgauto_pieter_weening

Even later Vinokoerov. Cadel Evans. Etc, enz. Als enerlaatste kopman van de Rabo, Bauke Mollema. Daarna nog een Duitser geloof ik, en dat was het dan weer. Ik wandelde terug naar mijn fiets. Onderweg werd ik aangehouden door een jongen met een roze regenjack aan en een schrijfblok in zijn hand. Een enqueteur. "Mag ik u een paar vragen stellen?" vroeg ie.
"Natuurlijk", zei ik.
Ik voelde me goed.
De laatste vraag op het formulier was wat voor cijfer ik wilde geven aan "de Giro in Amsterdam".
"Een 10!" riep ik.
"Meent u dat nou?" vroeg de jongen.
Ik meende het.

Bij het Hilton Hotel ontgrendelde ik mijn fiets. Ik had er zin in. Trapte ‘m stevig op z’n staart. Staande op de pedalen zoefde ik door het Vondelpark. Ik reed een rondje. En nog een. En nog een.
Nat kwam ik thuis. Niet zozeer van de regen. Maar van het zweet.
"Was het leuk?" vroeg L.
"Het was geweldig", zei ik.

Bis morgen

Ik zei net tegen L.: "Ik ga een kort stukje schrijven over waarom ik vanavond geen stukje kan schrijven."
"Ja,ja, dat ken ik", zei ze.
"Nee, serieus", zei ik, "ik ben binnen een kwartiertje klaar. Ik ga alleen maar zeggen dat het morgen wel komt, dat stukje."
"Right", zei L., zonder er al te veel fidusie in te hebben.

Normaal gesproken bewijst de praktijk dan inderdaad haar gelijk. Gewoonlijk ga ik in de omstandigheden waarin ik heden verkeer juist onverdroten los en zit ik tot diep in de nacht, om met Dirk uit Tiel te spreken, ‘mijn hart uit te kotsen’.
Ter verduidelijking: Ik ben zo zat als een kanon. En dronken schrijven is het lekkerste wat er is. Want dan is alles waar. Alles klopt. Alles wat je noteert is naar je eigen inzicht godverdomde briljant. Tenminste wanneer de procenten je eenmaal stevig bij de lurven hebben gegrepen.
Ik bedoel, je draait er niet omheen.
Klare taal.
Geen slap gelul.

Helaas, das war einmal. En dat mis ik. Niet dat ik niet dronken ben, maar ik mis de moed van vroeger. Er zijn honderd verhalen die ik wil vertellen. En evenzoveel waarvan ik het gevoel heb dat het niet mag. Niet kan. Om uiteenlopende redenenen. Maar vooral uit beschaving.

Vannacht las ik Poesjkin. Normaal heb ik het niet zo op oude schrijvers. Want hopeloos gedateerd, vooral de vertalingen. Zo ook de oude Rus. Maar sommige dingen had ie verdomd goed in de smiezen, die Poesjkin, wat mij betreft. Zoals zijn uiteenzettingen over bezit en dergelijke flauwekul.

Poesjkin was een communist in de dop, maar dat terzijde. Want daar wilde ik het niet over hebben. Eigenlijk wilde ik het nergens over hebben.
Het is wel goed zo. Want "Och vadertje", zou Poesjkin (in vertaling) schrijven, "maak je niet druk!" (inclusief tijdgebonden uitroepteken)

Waar hebben we het immers over (zonder vraagteken). Het bestaan stelt geen reet voor, althans niet hoe ze er in de negentiende eeuw mee omgingen. En misschien ook niet in de 21e. Ik bedoel, hier en daar een vuurpijl en een krantenkop over deze of gene, en daarmee heb je het wel gehad.
En terecht.

Met deze afgebroken stelling, als ware het een schaakpartij, ga ik verblijven in mijn bed.
Morgen verder.
Tot dan!

Geen 3e ster

Het is 5 uur ‘s middags. De regen klettert tegen de glazen wanden van de opbouw op mijn dakterras. Amsterdam ziet er troosteloos uit. Stil en verlaten. Tweeenhalf uur geleden was dat nog heel anders.

Het is half 3 en Ajax staat klaar voor de aftrap in stadion de Goffert, bij mijn Oma uit Nijmegen om de hoek. En ik, ik sta als zoveel mannen in een willekeurig Amsterdams cafe. Het voelt als een geheime afspraak. Normaal komen die mannen hier nooit. Sommigen hebben een Ajax-shirt aan, anderen zijn net als ik in dagelijks tenue. De mannen, ze bestellen voor hun doen veel te vroeg een pils bij Ruud achter de bar. Er zijn er die een sigaar opsteken. De rest houdt het bij sigaretten. De spanning is te snijden. Er worden wetenswaardigheden uitgewisseld over de 22 poppetjes op het veld, maak daar 23 van, de scheidsrechter is vooraf ook onderwerp van discussie, maar vooral wordt er gezwegen.
"Het gaat om Twente", zegt iemand. Die heeft er niets van begrepen. Natuurlijk gaat het om wat Twente doet, maar dat zeg je niet. Niet hier. Want dat weet iedereen al. Voorlopig eerst maar eens kijken wat Ajax presteert.

De scheidsrechter blaast op zijn fluit en daar gaan we. Direct zien we dat het wel goed zal komen met Ajax. NEC wordt compleet van de mat getikt. Het is wachten op de eerste goal. Kijk, daar is ie al, Suarez lepelt de bal listig over de keeper in de rechterbovenhoek.
Ik pak plichtmatig mijn mobiele telefoon tevoorschijn en sms naar mijn beste vriend in Kerk-Avezaath om ‘m iets te vertellen wat ie zojuist al heeft gezien op z’n betaalkanaal: "Het is hangen!"
"We vatten de dubbel!" smst ie praktisch tegelijkertijd naar mij.

Maar dan, een paar minuten later, het grafnieuws. Twente heeft gescoord in Breda. En dat is nog niet eens het ergste. Een NAC-speler heeft een rode kaart gekregen. Collectief voelen we aan dat de titelstrijd gestreden is. Geen derde ster. Geen bordesscene op het Leidse Plein. Ruud achter de bar strompelt prompt naar zijn bakpan en flikkert er twintig gezinsverpakkingen braadworst in, die ie straks gratis zal uitdelen ter troost. Hij beseft dat ie iets moet doen om z’n klanten vast te houden. Het leven valt niet mee voor een horeca-ondernemer.

Het wordt 2-0 (Demy de Zeeuw) en zelfs 3-0 door een schitterende passeeractie en dito schot van Pantelic. Nu weten we het wel, is de stemming in het cafe aan de Jan Pieter Heije Straat.
"Zet liever NAC-Twente op", klinkt het uit het publiek.
"Want daar gaat het om!" zegt iemand.
"Precies!", schreeuwen wij in koor.

Ruud vist zijn worsten uit het vet, lift ze op een plateau met een hoop schaaltjes mosterd en laat de boel rondgaan. Daarna pakt ie tot grote opluchting van iedereen zijn afstandbediening en switcht op het Mega-scherm van kanaal naar de wedstrijd in Breda.

Het is kansloos, zien we direct. Twente is heer en meester. Maar bij iedere bal die een NAC-speler naar voren trapt klinkt er een hoop gejuich op in het cafe. En bij iedere teen die een Twente-speler uitsteekt naar een bewegend geelzwart figuur, roepen we allemaal: "Rood! Rooie kaart! Godverdomme! Scheids!". En om de haverklap claimen we tegen beter weten in een penalty.
Ik geloof dat we oprecht denken dat zulks helpt. Naast me staat de dichter M.S. Kortom niet de minste. Hij draait een shaggie van me en bestelt een Icethee. Hij is moslim, denk ik. Of nog niet helemaal geintegreerd. "Hoe gaat het met het schrijven", vraagt ie aan me.
"Goed", zeg ik, "en met jou?"
Hij is bezig met een toneelstuk.
"Interessant", zeg ik.
"Penalty!" schreeuwt ie.
Ik kijk naar het scherm. Niks aan de hand. Dus toch wel geintegreerd.

Buiten heerst de miezerregen, binnen zet Ruud een verse pan worsten op het vuur. Alsof ie het al wist. Want daar is de 2-0 voor Twente. De nekslag.
"Het is gedaan" sms ik naar mijn beste vriend.
Vanuit Kerk- Avezaath blijft het vervolgens stil. Iemand gaat daar nu verdomd vroeg naar bed, weet ik uit ervaring.

106 doelpunten voor, slecht 20 tegen, 85 punten en geen kampioen. Ik veeg de mosterd stevig aan en neem een hap van mijn worst.
De dichter rekent zijn Ice-thee af aan de bar. Ik doe hetzelfde met mijn zes bier.
In het cafe worden ondertussen Tukkerse accenten nagedaan. "Kom op, we goan naar Ensghedeeh", zegt een vrouw die een misplaatste zachte G probeert na te doen, "feest vier’n".
"Heb oe misschien voor mijn ‘n plakj’n Oet-Twents’n kruudkoek" vraagt een ras-Amsterdammer aan Ruud.
"Zout op", zegt Ruud.

Dan klinkt in Breda het eindsignaal. Nu weten we het zeker. Er is niets meer aan te doen. En verrek, we applaudiseren. We staan massaal op en klappen in onze handen. Heel chique. Uit respect. Uit respect voor die domme boeren.

Ons zullen ze niet betrappen. Wij zijn geen Rotterdammers. Wij zijn groots genoeg om een sporadische nederlaag te nemen zoals ie komt. Zoiets. Zoiets willen we graag geloven. En uiteraard gaan we straks uit frustratie Feyenoord helemaal afmaken in hun eigen stadion. En dan winnen we de beker. En bovendien mogen we ook nog meedoen met de Champions League. Dus waar hebben we het over.

Inmiddels is het droog. Ik kijk vanuit mijn glazen opbouw uit over Amsterdam. Op mijn dakterras bloeien de tulpen.
Ik denk aan de dichter die nu bezig is met zijn toneelstuk, een straat verderop. Ik kan zijn woning zien. Net als de toppen van de bomen in het Vondelpark. En het Rembrandtpark.

Ik voel me niet verkeerd.