Ziek

Sorry lieve lezers. Ik ben al een paar dagen ziek. Niets ernstigs hoor, maar daarom dus even geen stukje deze week.

Advertisements

Feestjes

Ik word een ouwe lul. Voor zover ik het al niet was. Vrijdag moesten L. en ik naar een feestje. Een hip feestje zelfs. Persoonlijk heb ik het daar nooit zo op. Dingen die hip zijn, bedoel ik. Of het nu gaat om cafees, clubs of feestjes, hip is meestal slecht nieuws waar het normaal kunnen zitten, mogen roken of elkaar kunnen verstaan betreft. Bovendien ben je er altijd te vroeg, ken je de meeste mensen niet, en is iedereen zeventien generaties jonger dan jezelf.

Het feest was in de Badcuyp, vlak naast de Albert Cuyp-markt. Om 20.30 zou de een of andere hippe band gaan spelen. Daarna zou er vanaf 22.30 een hippe DJ plaatjes draaien.
"We gaan niet te vroeg", zei ik tegen L.
"Natuurlijk gaan we niet te vroeg", zei L., "we gaan zo laat mogelijk."
"We kijken thuis eerst wel de X-factor ofzo", zei ik.
"Of een goeie film", zei L.
Voor de televisie aten we asperges. Daarna een kopje koffie, terwijl op het beeldscherm The Bad Boys in ontblote torso op de jurytafel sprongen in een poging om het thema van de avond, ‘Rock’, luister bij te zetten.
"Het is niet veel dit jaar", zei L., "X-factor."
"Inderdaad", zei ik, "en dan zijn The Bad Boys nog de leuksten van de kandidaten, kun je nagaan."
"Toch maar een filmpje?" vroeg L.
"Nee, we gaan de tram vatten", zei ik, "volgens mij zijn we nu niet meer te vroeg."

Even later liepen we over de verlaten Albert Cuypstraat, ik met een irritant zware tas die gevuld was met drie champagne-flessen. Cadeautjes voor de drie jarigen die het gebeuren iets verderop organiseerden. In het donker naderden twee gestaltes.
"Volgens mij zijn dat…", zei L.
Het waren inderdaad de dichter Sander K. en dichter/muzikant Robin B.
"Is het feest al afgelopen?" vroeg ik.
"Nee hoor", zei Sander, "integendeel. De mensen beginnen nu langzaamaan binnen te druppelen, dus misschien dat het zodadelijk wel zo’n beetje op gang gaat komen."
"Waarom gaan jullie dan alweer naar huis?"
"Wij gaan niet naar huis", zei Robin, "we lopen even gezellig een blokje om. We komen wat later wel terug."
En daar verdwenen ze weer in de duisternis.

"Kut", zei ik tegen L., "3 uur te laat, maar dus toch te vroeg."
We besloten alvorens ons op het feest te begeven, eerst nog maar even een kroeg in te duiken. Het liefst een zo onhip mogelijk cafe. Maar het valt tegenwoordig nog niet mee om die in de Pijp te vinden. Elke uitspanning puilde uit van de brallende yuppen die zelfs buiten rijen dik alle ruimte in beslag hadden genomen.
Uiteindelijk vonden we een cafe dat volkomen verlaten was. Enkel een Turkse barkeeper achter de toog en twee vette Amsterdammers voor de gokkast. Eentje had een sigaret in zijn mondhoek hangen. Uit de boxen klonk een jaren 80-hitje op bescheiden volume, de rest van de zaak bood een desolate aanblik van lege tafeltjes en stoeltjes waarvan het schuimrubber hier en daar uit het corset van nepleer was ontsnapt.
"Deze maar doen?" vroeg ik hoopvol aan L.

We deden het. Ik ben verzot op dit soort cafees. Ik heb er toen ik twintiger was dagboeken in en over vol geschreven. Die behelsden trouwens voornamelijk uiteenzettingen van zo’n 150 ‘winnende’ systemen inclusief empirische bewijsvoering. Met hier en daar een zinnetje tussendoor over hoe het met me ging enzo. Zoals "in andere dingen ben ik dan weer heel goed. Zoals profiteren. Ik profiteer de verf van de muren als het moet" of "al mijn geld weer uitgegeven aan fruit(goed zo!)machines(oh..)".
Grootse literatuur vond ik dat, want het ging tenminste ergens over. Namelijk over mij.
"Wat ben je aan het schrijven?" vroegen regelmatig serveersters.
"Een roman", zei ik dan, terwijl ik noteerde: "Trea ziet er goed uit vanavond en heeft weer echt een geile stem, schor. Op de Randomrunner staat ouwe trouwe Dirk inmiddels op 86,50 verlies en heeft op de multimeter 17 keer achterelkaar geen prijs gehad, dus die staat niet op geven, maar op de Joker-kast staat de klimladder al op de citroen, en kun je boven straks 2 mysteries vasthouden, dus die ga ik zo even checken."
Ooit heeft een dronken gokker een schrift van me gejat, terwijl ik naar de WC was. Toen ik terugkwam zat ie erin te bladeren. "Godverdomme man", zei ie, "dit moet je laten uitgeven, dit is geweldig! Dit is precies zoals het is!"
Daar had ie gelijk in. Ik schreef het precies op zoals het was. En persoonlijk kan ik die schriften nog altijd met liefde herlezen. Maar, en dit hoef ik niet eens uit te leggen, voor de niet-(ex-)gokverslaafde is er gene ene reet aan. 1-dimensionele lectuur van de beroerdste soort.

Maar daar had ik het niet over. Ik had het over feestjes. Om 12 uur stapten L. en ik over de drempel van de Badcuyp. We deelden op de dansvloer de flessen champagne uit aan de jarigen. Daarna liet ik L. achter op de dansvloer, bestelde aan de bar 2 pils voor mezelf en ontvluchtte de massa, ging naar buiten, waar onder het afdakje van de Badcuyp een klein kluitje feestgangers stond te roken. Ik trof er mensen die ik kende. Ook kwamen Sander en Robin weer aanwandelen. Ze deelden sleutelhangers uit met een afbeelding van hun tweeen erop. Die hadden ze zoeven laten maken in de 1 of andere zaak. Misschien iets hips, ik weet het niet. Vaag. Verder weet ik er weinig meer van, van die hele avond niet. Behalve dat L. en ik om een uur of half 4 een taxi naar huis hebben genomen. En dat ik me 100 jaar oud voelde.

Waarna ik weer vroeg op moest voor het volgende feestje. Dat van mijn ex-vrouw. Die was 40 geworden, en daarom gingen we wandelen in de Waterleiding-duinen bij Haarlem, met een leuke heterogene club van 10 verschillende mensen. Varierend van oude dispuutsvriendinnen tot en met reunisten waarmee ze ooit eens een groepsreis in Noorwegen had gemaakt.
Terrasje, 9 kilometer wandelen, vogels spotten, weer een terrasje, en dan aan het eind van de middag met de auto weer terug naar Amsterdam om op haar dakterras aan het Vondelpark olijven en dat soort dingen te eten. Met andere veertigers. Zoals het hoort als je 40 bent. Met de hele groep luchtig discussieren over de aanstaande verkiezingen. Of over de nieuwe burgemeester van Amsterdam.
Iemand die een anekdote vertelt over Eberhardt van der Laan ("Wist je dat Eberhardt ooit eens aan zijn Turkse buurman die nogal fanatiek een tapijt stond uit te kloppen, schijnt te hebben gevraagd: "Goh, wil ie niet starten?").
Iemand die stiekem een sigaretje bietst terwijl zijn vrouw even naar de WC is en vertelt dat de straf die ‘m boven ‘t hoofd hangt vreselijk is, als ie wordt betrapt (want dan moet ie namelijk een heel jaar lang ‘overblijfmoeder’ wezen op de school van zijn kinderen, zo heeft ie beloofd – "vandaar dat ik tegenwoordig zoveel voor zaken in het buitenland zit *knipoog knipoog*", als geruststellend teken dat ie dat laatste niet meent, maar bedoelt als geintje).

En dat je daarna met z’n allen verkast van het dakterras naar de binnenwoning en aan een grote tafel gaat zitten om het voedsel van de traitteur te verorberen, veel te veel wijn drinkt, iedereen inmiddels allang openlijk rookt zonder schaamte, en dat het zaterdagavond en ontzettend gezellig is. Maar ook dat iedereen om 1 uur zo’n beetje weer naar huis gaat, terwijl het feestje van gisteren op dat tijdstip eigenlijk nog moest beginnen.

En dat je denkt aan twee dingen. Efficientie en duidelijkheid. Dat je daar behoefte aan gaat krijgen. Als je ouder wordt.
Zelfs bij feestjes.
Vooral bij feestjes.

Lelystad

Vanmiddag zat ik om half 4 in de trein richting Lelystad. Buiten scheen de magistraal stralende zonne over het magistraal stralende IJsselmeer en ik, ik moest denken aan de magistraal stralende Waal waarmee de ene dichter (Pim te Bokkel) de andere (Johnny van Doorn) had geparafraseerd tijdens zijn bundelpresentatie, twee dagen eerder.
Maar ik dacht aan veel meer. Eerlijk gezegd dacht ik nog het meest aan het overvolle programma dat ik dit weekend had doorlopen en nog steeds doorliep. Het sloeg helemaal nergens op, die agenda van mij. Daar waar zich eindelijk eens een keertje schitterende weersomstandigheden hadden aangediend, had ik mijzelf weten vast te leggen om grotendeels te verkeren binnen de muren van zowel private als publieke gebouwen, en coupe’s van dito vervoersmiddelen.
Sukkel, dacht ik, en rolde Almere Muziekwijk binnen. Vrienden en familie zijn leuk, en culturele aangelegenheden eveneens, maar je moet oppassen de zaken te overschatten.

Lelystad. Het is de titel van een boek dat ik van mijn vader heb gekregen. Het laatste. Afgelopen Sinterklaas. "Het is non-fictie", zei ie.
"Duh", zei ik, "De titel is Lelystad. Wat zou je daarover in godsnaam kunnen verzinnen."
"Ik weet dat je niet van non-fictie houdt", zei mijn vader.
"Ik haat non-fictie", verduidelijkte ik, "en Flevoland nog meer."
"Weet ik, weet ik", zei mijn vader, "maar dit is erg goed geschreven. Zo goed dat het eigenlijk fictie is."

Het had niet veel gescheeld of ik was er geboren, Lelystad. Mijn vader kon toen ie 21 was kiezen uit een baan in Tiel of in, juist. Ik was op dat moment bezig met het ontwikkelen van vingertjes om mee tegen de baarmoederwand te boksen. Ik was erg gemotiveerd. "Niet in Lelystad", bokste ik.
Serieus, ik hou van oud. Niet van nieuw. En al helemaal niet van aangelegd. Flevoland is een en al aangelegd. Boompjes in rijtjes van precies gelijke tussenafstanden, asfalt dat eindeloos rechtdoor gaat en schaarse maar uniforme horeca die permanent gesloten lijkt. Kortom de hel, maar dan lelijk.

Ik ben er 1 keer eerder geweest, in Lelystad. 30 jaar geleden. Voor een schaaktoernooi. We werden gebracht door de voorzitter van de Tielse schaakclub (een atheist die later nog eens in opspraak is gekomen omdat ie jonge jongetjes had misbruikt – mij trouwens niet hoor) in zijn Citroen BX. Die had een hele fascinerende snelheidsmeter. Een tollende horizontale draaischijf waarvan je maar een kwart kon zien, waarbij de snelheid die je zo ongeveer reed dappere maar veelal vergeefse pogingen deed om in het blikveld te geraken.
"Mooie kilometerteller", zei ik. Ik mocht altijd voorin zitten omdat ie mij het liefste vond. Omdat ik het beste kon schaken natuurlijk, dacht ik, dus dat is logisch.
"Je bedoelt snelheidsmeter", zei de schaakclubvoorzitter, "wil je hem eens aanraken? Kom maar even op schoot."
"Aanraken?" vroeg ik, "dat kan toch helemaal niet? Hij zit achter glas!"
"Wat ben jij toch slim!" zei de schaakclubvoorzitter dan.
Ik vond er niks slims aan. "Moet jij niet misschien eens een bril?" zei ik.
"Hou je van brillen?"
"Natuurlijk niet! Brillen zijn stom!"
"Dan neem ik geen bril."
"Als je een bril moet, moet je een bril, daar doe je niks aan", zei ik.
"Dat zou zonde zijn van je mooie ogen", zei de schaakclubvoorzitter, "weet je dat je mooie ogen hebt? Heeft iemand dat wel eens tegen je gezegd? Je hebt echt van die onschuldige reebruine…"
"Stop! Wacht! Jij moet echt een bril! Zag je dat bord niet, net? De afslag Lelystad? Die hebben we nu gemist!"

Het was 1979 of daaromtrent. Op de autoradio draaide de Dikvoormekaarshow, buiten regende het pijpenstelen. De schaakclubvoorzitter maakte bij het eerste de beste stoplicht een U-turn, we parkeerden bij een betonnen gebouw aan een kruispunt, de stadskern, ik speelde remise in mijn partij aan het eerste bord tegen Hemanth Ramanna uit Doorweth, het mede-talent uit de regio (leef je nog? Laat het me weten, ik vertrouw erop dat je jezelf afentoe wel eens googlet, ik ben benieuwd hoe het met je gaat), deelden met de 4 leden van het Tielse team een 0,2 literminipakje Appelsientje dat de 3e bordspeler van zijn moeder had meegekregen, stapten weer in de BX, en dat was Lelystad.
Tijdens de terugweg op de radio Jan Rietman met zijn Allstar-band en speciale gast Peter Koelewijn.

Ik wilde nu eigenlijk typen: Those were the days. Feitelijk was het zo, maar bij nader inzien klinkt dat misschien een beetje raar. Net zo raar als die kilometerteller snelheidsmeter.
Wat ik wil zeggen: de dingen leken duidelijk. Leystad was lelijk, dus daar regent het altijd, net zoals het in Rotterdam continu waait met al die wolkenkrabbers, en voor de rest hoef je er niet al te veel woorden aan vuil te maken.

Ik zat in de trein naar Lelystad en rolde Almere Centrum binnen. En daarna Almere Buiten, en Almere Oostvaarder, en weetikveel hoeveel Almere-stations tussendoor nog meer. Almere is voorwaar een uitgestrekte stad. En een echte Flevolandstad. Gepland in al zijn voegen en kieren wilde ik schrijven, maar Almere heeft niet eens voegen, laat staan kieren, zo netjes ziet alles eruit. Het is een stad waarbij je eerste associatie is: O ja, kut, morgen weer werken.

En toch. Toch werd ik vanmiddag blij verrast. Je moet het doen. Je moet het echt voor de grap eens doen: de trein vatten tussen Almere Oostvaarder en Lelystad. Want aldaar bevindt zich het mooiste natuurgebied dat ik in jaren heb gezien. Flevoland is volwassen geworden. Om niet te zeggen: beminnelijk. Ongeveer anderhalve kilometer na Almere Oostvaarder begint de prairie. En als ik zeg prairie, dan bedoel ik prairie. Met kleine van dorst snevende boompjes die schuin staan in de wind, en zwaar hun best doen om toch nog een dappere groene kruin te kweken, maar vooral een heleboel dood hout. Een massaal kerkhof aan verdorde blanke stammen en uitgedroogde dikke takken. Met daar tussenin een hele hoop wilde paarden. Echt een miljoen. In kuddes. Verder veel zand. Enorm veel zand.

Nul asfalt. Nul huizen. Levende natuur met een hoop dood op de loer. Wow, dacht ik. Daar zou ik best willen wonen. Als ik mezelf hier de trein uit steggel, een kilomter verderop mijn tent opzet, is er behalve de paarden, de vogels, niemand die er ooit achter komt. Wat wil je nog meer?

In Lelystad-Centrum werd ik opgehaald door mijn neef. Met zijn knalgele Suzuki-auto. We reden naar zijn woning. Hij liet zijn kasten zien die ie zelf had gebouwd. Zijn schilderijen. Hij, die niets moet hebben van alcohol, had speciaal voor mij bier in huis gehaald. Ik vond het geweldig. Het was gezellig. We zaten op zijn balkon op het zuiden, de magistraal stralende zonne vol op onze kop. Hij rookte sigaren, ik shaggies. We namen 4 decennia aan persoonlijk beleefde familiegeschiedenis door. We hadden een hoop in te halen.
Hij vond het knap dat ik altijd zo aardig was.
Ik heb altijd de omstandigheden mee gehad, zei ik.
Hij had dat iets minder.
Dat waren nog eens ware woorden.
We wisselden levenservaringen uit tot zonsondergang terwijl hij garnalen kookte in drie liter olijolie en acht teentjes knoflook.
"Morgen gaan ze blij met je zijn op je werk", grijnsde ie.
"Tsja", zei ik beleefd.

We aten met stokjes. Althans hij. "Wil je ook?" vroeg ie, "stokjes? Of liever…"
"Nee, doe maar stokjes", zei ik.
De eerste de beste garnaal die ik trachtte te liften flikkerde terug in mijn bord met knoflook-olijfolie-soep en maakte een flinke spat op het placemet. De tweede wist ik wel tot mijn lippen te brengen, maar glibberde mijn mond uit. Een nog grotere spat.
"Het is een tijdje geleden", mompelde ik, "dat ik met stokjes heb gegeten."
Mijn neef had het niet in de gaten. Hij
was al halverwege zijn maaltijd. Hij had er zin in, dat kon je zien.
Toen ie de garnalen op had wreef ie hompen stokbrood door zijn bord heen en werkte ze naar binnen. De knoflook-olijfolie-soep werd in gestaag tempo geheel geabsorbeerd.
Ik hield het bij de garnalen.
Erg lekker. Precies goed.
Mijn bord olie liet ik staan.
"Ben je soms een kleine eter?" vroeg mijn neef.
"Ik ben een kleine eter", zei ik.
En dat is waar.
"Dan is het maar goed dat ik ben vergeten om mokka te kopen", zei mijn neef, "want ik had eigenlijk als toetje een gefrituurde pannenkoek met chocoladesaus en mokka-slagroom gepland. Maar zonder die mokka is het niet zoals het zou moeten, dus als alternatief heb ik chipolatapudding. Hou je daar van?"
Ik was allang blij. Ik bedoel: gefrituurd. Pannenkoek. Chocola. Slagroom. You might as well meteen reserveren voor een grafheuvel extra large (Heb ik wel eens verteld dat ik nogal anorexia-achtig ben aangelegd? – geloof het niet, enfin, bij dezen).
Ik lepelde glimlachend de mij toebedeelde grootste helft (mijn neef is een goeie gastheer) van de omgekeerde kuip naar binnen.

Mijn neef bracht me ‘s avonds naar het station. Het was inmiddels donker. Daarna zat ik in de trein. Keek uit de ramen. Zwart. Geen paarden meer. Geen prairie. Ik las in mijn dagboeken uit de negentiger jaren. Niet best geschreven. Eerlijk, dat wel.

Ik dacht een hoop. Maar vooral dacht ik: ik ben een aardig iemand. Net als mijn neef. En dit, dit was een mooie dag.

TV

Op de begrafenis van mijn vader sprak ik een oude vriendin van mijn moeder.  R., heet ze. Ze woonde vroeger in een schitterend huis in Oosterbeek, samen met haar man, P., die ooit de befaamde Duval-vloeitjes in Nederland heeft geintroduceerd. Daar is hij overigens behoorlijk rijk mee geworden. "Puissant rijk", zei mijn vader altijd als we bij P. en R. op bezoek waren geweest, en in ons Renaultje 4 terug reden naar onze sociale huurwoning in een achterbuurt van Tiel-West, "kijk maar naar hun huis."
"Puissant?" vroegen mijn zusje en ik dan vanaf de achterbank.
"Een ingewikkeld woord voor ‘enorm’", zei mijn vader, waarna hij doceerde: "Moeilijke woorden zijn belangrijk. Met moeilijke woorden kun je het ver schoppen in het leven."
"Maar kun je er ook puissant rijk mee worden?" vroeg ik dan. Ik was serieus een irritante wijsneus in die dagen.
"Precies!", zei mijn vader, terwijl hij me een knipoog gaf via de binnenkijkspiegel, "zo mag ik het horen!"

Later is het niet zo goed gegaan met die P. Hij raakte arbeidsongeschikt. Rugklachten. Wat ik vreemd vond als kind, want hoewel ik nog niet rookte had ik wel degelijk in de smiezen dat vloeitjes nou niet direct het zwaarste materiaal vormden om te hoeven tillen.
"Kun je nagaan hoeveel ie er van moet hebben verkocht", zei mijn vader dan.
In mijn verbeelding zag ik op dat moment denkend aan vloeitjes talloze truckers traag door oneindig laagland gaan.
Jezus, dacht ik, en besloot dat ik maar beter als een gek moeilijke woorden kon gaan leren.

Enfin, nu stond ik in de rookruimte van een uitspanning, de ‘Zoelense Brug’, oog in oog met een gekromde man en zijn vrouw.
Ik draaide een shaggie en hield mijn merk vloeitjes (Rizla rood) behendig achter mijn duim en wijsvinger verscholen.
"Ken je me nog?" vroeg de vrouw.
"Jazeker", zei ik, "jij bent toch R.?"
"Ja, dat ben ik", zei ze.
Ze stak een sigaret op. "Je hebt mooi gesproken in de kerk", zei ze, "ik moest weer helemaal denken aan vroeger. Vooral toen je het had over die moeilijke woorden die je vader je altijd leerde. En dat je op je tweede verjaardag al aan iedereen kon vertellen dat je die ochtend naar het consultatiebureau was geweest, ha, ha! Dat weet ik nog."
Ik vertelde dat ik nog wist in wat voor mooi huis ze woonden. En dat ze het hele jaar gebroken (afgekeurde) chocoladeletters in huis hadden, omdat P. naast in de vloeitjes, ook in het snoepgoed zat. En dat ik me als kind altijd enorm kon verheugen om weer naar ze toe te gaan.
Ze monsterde mijn gestalte. "Volgens mij snoep je nu niet meer zoveel."
"Nu rook ik", zei ik, "en ik drink."
"Wie niet", zei ze.
Voorwaar een sympathieke vrouw.
Ze nam een slok van haar drankje. Ik wilde eigenlijk ‘sherry’, of nog beter: ‘rode port’ typen, want het was echt zo’n klassiek type, van goede afkomst, met stijl, verantwoorde smaak en zichtbaar een hoop intrigerende persoonlijke vraagstukken. Maar in feite dronk ze gewoon een pils. Geloof ik.
Ze zei: "Je schrijft ook, nietwaar?"
"Ik?" vroeg ik. Ik voelde me een beetje ongemakkelijk.
"Ja, een weblog!" zei ze, "ik lees het wel eens."
Fuck.
"Nee hoor", wilde ik zeggen, "dat ben ik niet!"
"Althans, vroeger", zei ze, "een paar jaar geleden. Want toen schreef je altijd van die leuke stukjes over televisieprogramma’s. En ik was het altijd met je eens. Maar op een gegeven ogenblik ben ik afgehaakt, want toen ging het daar nooit meer over."

En daar had ze gelijk in. Ik schrijf nooit meer over TV.

Ziedaar een mooi einde van een stukje. Een pointe. Een punchline. Het beste zou ik het hierbij laten. Dat zou wel zo verstandig wezen, want ik moet morgen weer werken, en ik heb L. ook al het hele weekend amper gezien, en zit bovendien te popelen om de laatste 30 bladzijden van ‘Het meten van de wereld’ van Daniel Kehlman uit te lezen, dus ik heb wel iets beters te doen dan op dit tijdstip nog, mijn persoonlijke bevindingen inzake het tegenwoordige aanbod aan instant troost-gebeuren uiteen te zetten.

Toch ga ik dat even doen. Aan de ene kant voor die ouwe trouwe R., die ik ondanks dat ze mijn weblog allang niet meer leest, een enorm (puissant! – nee, dat kan alleen bij ‘rijk’ zou mijn vader zeggen) warm hart toedraag, aan de andere kant als ‘note to self’, opdat Ich nie vergesse dass es mehr gibt ins Leben o.i.d. gewichtigs, cliche-achtigs en internationaals, en dan met goeie naamvalvervoegingen enzo, als Fernsehn.

Vanavond heb ik van 19.00 tot 24.00 TV gekeken. Als volgt:

19.00 Studio Sport (Ned 1), waar de lol eigenlijk al een beetje vanaf was, omdat ik die middag in cafe Eijlders onvrijwillig van het buurtafeltje de uitslagen al had gehoord. Een samenvatting kijken als je de uitslag al weet, is zelden leuk. Ik moest denken aan de grap die mijn vader ooit vertelde aan de eettafel. Mijn vader vertelde elke avond een mop aan de eettafel, dus ik heb er bijna 10.000 in mijn kop. Eentje ging als volgt: "Een man drukt zijn vrouw op het hart om alsjeblieft niks te verklappen, terwijl hij met zijn favoriete maaltje, bloemkool met een gehaktbal, voor Studio Sport aanschuift om de belangrijkste samenvatting van de dag te bekijken. Hier heeft hij zich het hele weekend op verheugd. En dat zegt ie ook. "Hier heb ik me de hele dag op verheugd. Niks verklappen he?"
Zegt die vrouw: "Ik zal niks aan de uitslag verklappen, maar verheug je niet te veel, want doelpunten krijg je toch niet te zien."
Bon.

20.05 de Tudors (RTL8) Geweldige serie. Ik ben een sucker voor Engels drama over de historie van hun Koningshuis, vooral als het door de BBC wordt gedaan. Vandaag 19 mei 1536, een dag van pakweg 6 onthoofdingen onder Hendrik VIII. Waartussen die van zijn grote liefde, Anna Boleyn. Die overigens tamelijk liefdevol werd onthoofd. Had ie speciaal een beul voor laten overkomen uit Calais. De beste beul uit die tijd. Hele theorieen die man, over hoe het zo pijnloos mogelijk kon. Met z’n zwaard, en afleidingsmanoeuvres. Echt zoveel beter dan verdrinken in een vat kokend water, zoals een paar afleveringen geleden (waarbij ‘head first’ een teken van genade was). Kijk naar de Tudors en je prijst jezelf gelukkig dat je uberhaupt in de 21e eeuw leeft, of je nu woont in Nederland of in Bangladesh.

22.00 Spartacus (RTL5) Waar in de Tudors het bloedvergieten nog enigszins discreet wordt weergegeven, daar wordt in Spartacus alles uit de kast getrokken om de eertijdse moraal zo plastisch mogelijk in beeld te brengen. Bloedspuitende schouders na afgehakte armen, gulpende fonteinen uit koploze rompen, en een juichend arena-puliek dat schreeuwt om meer.  Kill Bill extended.
En een hoop sex. Er wordt veel geneukt in Spartacus, waarbij de erotische scenes het stuk voor stuk kunnen schudden om door de Amerikaanse censuurcommissie te komen. Een hoop tieten in beeld, billen, en zelfs snikkels. Maar dat is niet de essentie. Het gaat om de persoonlijke intriges. Die veelal politiek van aard zijn. Zoals alles bij de Romeinen. Het waren voorwaar geen debielen. Het waren schakers. Die minstens dertien zetten vooruit dachten, en hun tegenstander altijd net een stapje voor probeerden te zijn.
Het klinkt misschien vreemd, maar telkens als ik Spartacus kijk, dan denk ik: ‘Goh, ze waren toen toch eigenlijk al een stuk verder dan die Hendrik de VIIIe anderhalf millenium later.’

23.00 ShabuTV (RTL5) Ja, sorry, daar rolde ik in na Spartacus. ShabuTV, ik weet niet eens of ik het goed spel, bleek het nieuwe TV-programma van Robert Jensen. Waarin het nieuws van de afgelopen week werd doorgenomen door een panel dat bestond uit Robert Jensen zelf, zijn toeverlaat Jan Papperazzi en voor de rest uit Kelly (travo uit Big Brother) en ‘Terror-Jaap’ (Goude
n Kooi).
Ik moet eerlijk bekennen dat ik, bijna tegen mijn zin, maar toch, twee keer hardop heb gelachen. Want soms kan ie adrem zijn, die Jensen. Zoals in de rubriek waarin het ging over te koop staande huizen van bekende Nederlanders. BN-ers. Zo stond het huis van Giel Beelen op funda.nl. Wat je in beeld kreeg was daadwerkelijk zijn appartement in Haarlem. Het zag er op zich helemaal niet slecht uit. Maar ik geef toe, het was niet al te groot.
"Heeft daar niet ooit een meisje een dagboek geschreven?" zei Jensen.
Tamelijk grof, maar goed, dat is ie, dat weet je, en over kiesheid valt te twisten, maar ik moest dus per ongeluk lachen.
Waarschijnlijk vantevoren verzonnen, en misschien daardoor juist des te erger, maar toch. Soms moet je over de dingen niet te veel nadenken, en over humor al helemaal niet. Humor is nog ingewikkelder dan godsdienst. Voor je het weet blijven we voor de rest van het aardse in oorlog.
Het andere waar ik om moest lachen was toen er een foto van een flatgebouw werd vertoond. In een van de appartementen woonde ook een Bekende Nederlander. En ook die woning stond te koop. Ik kende de BN’er in kwestie niet, maar dat heeft tegenwoordig iedereen wel eens. Anyway. Het flatje kostte 219.000 euro. Kelly vroeg terwijl ze op het projectie-scherm het complete flatgebouw kreeg voorgeschoteld: "Wow, 219.000 euro! Is dat voor dat hele huis!"
"Nou", zei Jensen, "het is 26 onder 1 kap."
Vond ik een goeie.
Vergeef me.
Om het goed te maken: voor de rest heb ik tijdens ShabuTV met mijn tenen krom gezeten. Alle platidudes en alle gemakkelijke grappen over Patty Brard, Patricia Paay en Viola Holt over me heen laten komen.

Ik dacht: Ik heb mijn tijd verdaan. Had ik maar gewoon mijn boek uitgelezen. Ik dacht: wat zou de protagonist Gauss hiervan hebben gevonden, of Humboldt? Toch twee beroemde Duitse  professoren die hebben bijgedragen aan het fundament van de hedendaagse wetenschap. Met overigens een hekel aan dichters. En schrijvers. Aan fictie uberhaupt.
Waarschijnlijk zouden ze precies hetzelfde hebben gezegd.

Ze hadden geen flauw benul. Geen flauw benul dat er op universitair niveau ooit zoiets zou ontstaan als antropologie.
Lang leve mensen zoals R.

Door de pomp

Afgelopen zaterdagavond zat ik met een van mijn beste vrienden in cafe de P***. Ik had ‘m al een tijdje niet gezien, die vriend. Okay, tijdens de begrafenis van mijn vader heb ik ‘m eventjes kort gesproken, maar dat telt niet, want op zo’n dag spreek je niemand echt. Daarvoor is zo’n gelegenheid waarbij je binnen een tijdsbestek van pakweg 3 uur zo’n 250 mensen de hand moet schudden, domweg niet geschikt.

Maar los daarvan had ik die vriend sowieso al een poosje niet gesproken. En dat kwam niet alleen doordat hij een paar jaar geleden van Amsterdam naar Haarlem is verhuisd, en ook niet enkel vanwege zijn 2 jonge zoontjes die vanzelfsprekend een hoop tijd opslokken, maar vooral doordat hij zich de afgelopen maanden helemaal het schompes heeft gewerkt als hoge ambtenaar binnen het Ministerie van Financien. Hij zat in een van die belangrijke werkgroepen die met de beroemde 35 miljard aan bezuinigingsvoorstellen op de proppen moesten komen. Dus dan weet je het wel.
Of misschien weet je dat niet. Misschien ben je zo’n type dat denkt dat om het even welke ambtenaar steevast pas om half 10 binnen komt zetten, de krant leest, en na zijn lunchpauze de hele middag naar de klok zit te staren, waarna hij om precies 5 uur weer spoorslags huiswaarts keert.
Helaas. Was het maar waar. Dan had ik direct gesolliciteerd. Vannacht nog.

Anyway. We dronken een pils.
"Hoe is het nou?" vroeg ie.
"Goed", zei ik, "of nou ja, goed naar omstandigheden."
Vervolgens hadden we het een paar uur over mijn vader.
Mijn vriend kan enorm goed luisteren. En ik, ik kan goed zwelgen.

"En jij?" vroeg ik uiteindelijk, terwijl zijn laatste trein al bijna zou vertrekken, "hoe is het nu met jou?"
"Nou ja", zei mijn vriend, "afgepeigerd natuurlijk. Erg druk gehad de afgelopen maanden. Elk weekend moeten doorwerken. Af en toe pas om 5 uur ‘s nachts thuis. Maar het is volbracht."
"Wat precies?" vroeg ik. Ik ben een beetje verstrooid de laatste tijd. Al het wereldnieuws, maar ook alle activiteiten van naasten en bekenden zijn de afgelopen weken volledig langs me heen gegaan.
"Het rapport", zei mijn vriend.
"Verrek", zei ik, "jij zat in een van die commissies!"
"Werkgroep", verbeterde mijn vriend.
"Werkgroep inderdaad, Jezus, welke ook alweer?"
"Die van *******" [sorry, heb ik even uitgesterd, want ik vermoed dat dit vertrouwelijke info is – pdn]
"Dat is de belangrijkste!" riep ik, "in ieder geval de vetste!"
"Dat kun je wel stellen", zei mijn vriend.
"Het zou objectief natuurlijk het beste zijn", zei ik, "maar vooralsnog is jullie voorstel politiek onhaalbaar."
"Nou", zei mijn vriend, "dat zou nog wel eens mee kunnen vallen, of tegen, het is maar hoe je het bekijkt, want ****** gaat op een gegeven ogenblik vanzelf door de pomp, dat kan niet anders. Hij zal wel moeten."
"Door de pomp?" vroeg ik.
"Door de pomp."
"Grappige uitdrukking", zei ik, "kende ik niet."
"We gebruiken ‘m veel de laatste tijd", zei mijn vriend, "op het ministerie."
"Omdat er een hoop mensen door de pomp zullen gaan?"
"Zullen moeten gaan", verbeterde mijn vriend, "van alle kanten. Ze kunnen niet anders. Het wordt een interessante formatie."
"Zeker", zei ik.
Mijn vriend keek op zijn horloge.
"En hoe gaat het eigenlijk met jezelf", vroeg ik, "en met M., en de kinderen?"
"Ik moet mijn laatste trein halen", zei mijn vriend.
Hij legde een bankbiljet neer.
We spraken af elkaar binnenkort weer te zien en zeiden gedag.
Daarna vertrok ie, de regen in. Op weg naar Haarlem.

Ik wenkte de serveerster. Bestelde nog een pils en vroeg tegelijk om de rekening.
‘Door de pomp’. Ik wist nog steeds niet precies wat het betekende.
Maar het zou gegeven de inside-info die ik zojuist verkregen had, misschien niet onverstandig zijn eens na te denken over bepaalde te ondernemen acties inzake mijn persoonlijke financien, vooral waar mijn grootste post aan activa en passiva betrof.

Daar was mijn pils.
En de rekening.
Ik legde een extra bankbiljet neer en zei tegen de serveerster dat het goed was.
Ik stak een sigaret op. Nam een slok van mijn pils. En dacht na over mijn leven. In feite was er een hoop goed.
Maar een heleboel ook niet, bedacht ik. Maar daar kon je toch nauwelijks tot niets aan doen. Misschien zat er weinig anders op dan de dingen te nemen zoals ze kwamen. Wellicht was het wel beter/volwassener/wijzer om je er niet al te druk over te maken.
Aan de andere kant was dat nou juist mijn voornaamste hobby geweest, de afgelopen decennia: me druk maken over dingen waar je totaal geen invloed op hebt. Zoals dat er 2 trams vlak achter elkaar komen, en dan een half uur geen. Of de Albert Heijn. Of Ajax.
Ben ik oud aan het worden? vroeg ik mezelf af.

Ik wist het niet.
Ik dronk mijn pils leeg en doofde mijn sigaret.
Wie weet was ik wel door de pomp aan het gaan.