Mijn Oma

Sinds ongeveer een maand bel ik elke woensdagavond mijn Oma uit Nijmegen. Mijn Oma, die 90 jaar is, maar nog volledig bij de pinken, heeft het namelijk niet makkelijk. In november 2009 overleed haar oudste zoon aan de gevolgen van alvleesklierkanker, en vlak daarna, in februari 2010, compleet onverwachts haar jongste, mijn vader.

Ik bel nooit voor zessen, want dan kijkt ze naar haar favoriete televisie-series (‘The bold and the beautiful’ en ‘As the world turns’). Ik bel zo rond half zeven. Bang dat ze dan net zit te eten of staat te koken hoef ik niet te zijn, want eten doet ze voornamelijk ‘s middags, en koken al helemaal zo min mogelijk ("Ik ben niet zo’n Mina Bakgraag").

De gesprekken die we voeren beginnen meestal zo:
"Ja? Hallo?"
"Hallo, met Sven."
"Ach Sven… Wat leuk dat je belt!"
"Hoe gaat het met u?"
"Ja, goed! Ik ben er vandaag maar weer eens uit geweest. Naar Den Haag."

Mijn Oma gaat namelijk als het ook maar even kan naar Den Haag. Met de trein. En dan stapt ze vanaf het station regelrecht door naar modezaak Meddens. En vervolgens naar de Bonneterie. Jurkjes kijken. En kopen. Wat Imelda Marcos heeft aan schoenen, dat heeft mijn Oma aan jurkjes. En setjes. En schoenen, die ook. Stuk voor stuk van topkwaliteit en superduur.
Waar ze het geld vandaan haalt is me een raadsel. Mijn Opa was maar een eenvoudige douanier, en van zijn weduwepensioen moet ze zien rond te komen. Okay, ze tikt ook sporadisch wat op de kop door verlaten winkelwagentjes terug te karren naar de supermarkt, teneinde 50-eurocentmuntjes te cashen. En sowieso is ze enorm bedreven in het vinden van muntjes op straat. Ze vindt gemiddeld dertig euro per maand aan kleingeld op stoeptegels, en daarbij is ze geen mietje. Beroemd binnen onze familie is het verhaal waarin ze ondanks haar angst voor honden een stuiver onder de bek van een hijgende Duitse Herder heeft weggegraaid.
Maar toch. Hoe doet ze het? Hoe krijgt ze het voorelkaar om regelmatig voor 700 euro aan kleren aan te schaffen? Intrigerend.

"Hoe was het in Den Haag?"
"O, geweldig! Ik heb een nieuwe zaak ontdekt. Met Italiaanse kleding, echte kwaliteitsstof. Want dat vind ik belangrijk, dat het van goeie kwaliteit is."
"Duur?"
"Peperduur, maar niet zo duur als Meddens. Dus daar boffen we dan maar weer mee."
"Nog iets gekocht?"
"Ja, vandaag wel. Gisteren was ik ook al even wezen kijken, maar ik wilde er nog een nachtje over slapen. Er nog even over nadenken. Maar vandaag heb ik toch zo’n leuk setje gekocht! Het is groen, maar dan met gouden stikseltjes erop, echt heel chique. En ook echt iets voor de lente."
"Ja, het was ook heel mooi weer he?" vroeg ik, "vandaag?"
"Wat zeg je?"
"Lekker weer", zei ik, "vandaag."
"Een andere keer een vraag?"
"Nee, LEKKER WEER!" riep ik "VANDAAG!"
"Sorry, ik versta je niet zo goed. Ik heb mijn gehoorapparaat niet in. Want ik ben zo bang dat ik het verlies. Het is namelijk een nieuwe. Van Yvonne (mijn tante – pdn) gekregen. En hij is heel ingewikkeld, dus vast heel duur. Maar wat vroeg je nou?"
"Bent u nog langs de BOLLENVELDEN gereden?" vroeg ik, "op de terugweg, want dat doet u toch altijd in de lente?"
"O, de bollenvelden! Ja, inderdaad. Ik was vanmorgen al vroeg geslaagd, dus toen dacht ik: Ik heb vandaag toch een kaartje Vrij Reizen, dus ik ben via Haarlem en Amsterdam teruggegaan naar Nijmegen. Langs Lisse. Maar er was nog niks te zien. Nog geen enkele tulp. Dat komt waarschijnlijk omdat het zo’n lange winter is geweest. Niet streng, zoals vroeger, maar wel lang."
"Dat zal het zijn", zei ik, "maar ze komen vanzelf. Ik had er vandaag al eentje op mijn dakterras. Een tulp."
"Wat zeg je? Zat je vandaag op het terras? Met je wat? Je gulp? Moest je niet werken?"
"Ja, nee, op mijn DAKterras. Een TULP! Maar ik moest gewoon werken hoor. Bij de ABNAMRO, bij de bank."
"O ja! Je werkt bij de bank! Net als Mischa (mijn neefje – pdn). Nou, dan zul je wel lekker afentoe wat kunnen meesnaaien he? Ha ha! Nou, groot gelijk hoor, ik vind het fijn. En ik ben blij dat je belt. Hoe gaat het trouwens met de kat? Met Drieske? (Grieske, Oma, GGGGGrieske! – maar dat zei ik niet). Die vind ik toch zo snoezig, met al die haren! Ik ben zo blij met die foto’s die je hebt gestuurd. Ik zit er elke dag naar te kijken. Want je weet, ik ben een kattenmens."

Het zijn lange gesprekken, die op woensdagavond met mijn Oma. Best gezellig ook. Ik ga er altijd goed voor zitten. Met twee halve liters en vijf voorgedraaide shaggies.

Mijn Oma. Ze is altijd gewoon benijdenswaardig zichzelf. Het mooist kwam dat tot uiting toen ze vlak nadat mijn vader was overleden bij ons langskwam. Ze had het moeilijk, vocht tegen haar tranen. Maar is ook nooit de beroerdste om de boel op te monteren.
Toen ze wegging aaide mijn schoonzus haar over haar schouder, over haar bontjas.
"Pas maar op", zei mijn Oma, "zodadelijk begint ie te miauwen."
"Ha ha!", zei mijn vegetarische schoonzus, "hij is toch niet gemaakt van poesjes?"
"Ha ha", zei mijn Oma, "nee, inderdaad, deze is gemaakt van nertsjes."
"Dat is toch wel een beetje fout he?" zei mijn vegetarische schoonzus.
"Hoezo fout?", zei mijn Oma, "nee hoor kind, deze is echt."

Het is een schat.

Advertisements

Boom

Zaterdag zat ik in de trein naar Tiel, net als op zo’n beetje alle andere zaterdagen van de afgelopen anderhalve maand. Het was 2 uur ‘s middags en de zon deed voor het eerst zijn best. Ik trok een pils open. De tweede van de dag. Ik probeerde te lezen in "Het waanzinnige van sneeuw", van Alex Boogers. Het is geen slecht boek, integendeel, maar ik kon mijn gedachten er niet zo goed bij houden. Altijd als ik in de trein van Utrecht naar Tiel zit, wil ik naar buiten kijken. Naar het veranderende landschap. Naar de ondefinieerbare grens waar randstad in provincie overgaat.

Soms, meestal in de winter, als de bomen kaal zijn en ik somber, heb ik het idee dat die grens allang niet meer tussen Utrecht en Tiel ligt, maar daar reeds ver voorbij. Bij Kesteren ofzo, of Amerongen. Daar waar een dorp nog een dorp is, en de natuur in de verte nog iets weg heeft van natuur.

Feitelijk is het allang geen lolletje meer, die aanblik vanuit de 13.58 stoptrein Utrecht-Tiel. Houten is het ergst, met z’n wannabee ‘nostalgische’ nieuwbouwwijken, waarbij het nostalgische bestaat uit een Romeins boogje boven de voordeur hier en Griekse pilaartjes in de carport daar. Zo droevig word ik daarvan. Wat dat betreft kun je beter Culemborg hebben, de volgende halte, waar ze tenminste niet meedoen aan de vaart der volkeren en de boel gewoon, heel anti-burgerlijk, lekker laten verslonzen. Helaas heeft dat verghetto-ing tot gevolg gehad, waardoor ze nu ongewild regelmatig de landelijke voorpagina’s halen, kortom vuurrood op de kaart staan, en er van een gemoedelijke provinciesfeer verre van sprake is.
Geldermalsen dan misschien? Als je het binnen rijdt met de trein ziet het er in eerste instantie niet slecht uit. Geldermalsen is net als Tiel gelegen aan de mooiste dode rivier van Nederland, de Linge. Maar toch. Sinds het Landelijke Distributie-centrum van Ahold zich ter plekke heeft gevestigd, is Geldermalsen wat mij betreft alle aanspraak op de titel ‘idyllisch lieflijk provinciedorpje’ verloren. Geldermalsen bestaat tegenwoordig voor de helft uit industrie-terrein, en voor de andere helft uit rotondes. En dan heb ik het nog niet eens over de regionale vuilnisbelt, die onvermijdelijk binnenkort door de expanderende Geldermalsense stadsgrenzen zal worden opgeslokt.

Wat boeit mij dat? zullen jullie misschien denken. Ik bedoel, de Betuwe, wie komt daar ooit?
En op zich jullie hebben gelijk. Vorige week zondag mocht er gratis gereisd worden met het Boekenweekgeschenk. "Denk je dat het extra druk zal zijn in de trein?" vroeg L.
"Naar Tiel?" zei ik, "ben je gek."
En dat klopte. Het was verdomde rustig. Als mensen reizen, ook als het gratis is, gaan ze of naar de stad, of naar de natuur. Niet naar iets er tussenin.
Okay, toegegeven, behalve als er ter plekke een healing van Jomanda is. Maar Jomanda is uit Tiel vertrokken naar Limburg. Want ook een medium denkt groot.

In Geldermalsen staat de stoptrein naar Tiel altijd een paar minuten stil. Precies lang genoeg om buiten snel een sigaret te roken.
Ik nam mijn pils mee. De zon deed nog altijd haar best (ja inderdaad, de zon was in 1 keer een ‘zij’ geworden, vraag me niet hoe dat komt, het was gewoon zo), en ik stond op het perron heerlijk te zwelgen in mijn ellende. Ik voelde me fantastisch.
De conducteur blies op zijn fluit. Ik sprong de trein in. En we gingen weer rijden. Op het stuk waar we langs het distributiecetrum van Ahold zouden komen, dook ik de WC in. Pissen. Toen we voorbij de vuilnisbelt waren kwam ik er weer uit. Ik nam plaats aan het raam in de verder verlaten coupe.
En keek naar de Betuwe. Naar de boomgaarden die nog over waren. Naar de knullige en daardoor des te charmantere vogelverschrikkers die er in stonden.
En naar de kersenbomen van een boer die hetzij gemeenteraadslid moet zijn geweest, danwel een dergelijk iemand al dan niet sexuele gunsten heeft verleend, want zijn boomgaard in the middle of nowhere was compleet omringd met lantaarnpalen. Zomaar. In het open veld, zonder openbare weg in de buurt. Gemeentelijke lantaarnpalen opdat er ook ‘s nachts kersen kunnen worden geplukt. Cool.

Om half 3 kwam ik aan op Tiel Centraal. Zo mag ik dat tegenwoordig zeggen, want Tiel heeft sinds een paar jaar 2 stations. Ik werd opgehaald door mijn moeder in de veel te grote auto die mijn vader vlak voor zijn dood had gekocht.
Ik gaf haar drie kussen.
"Je hebt zeker al een pilsje gedronken", zegt ze dan normaal gesproken, want mijn moeder ruikt altijd alles.
"Eentje", antwoord ik dan gewoonlijk, "een kleintje."
Maar nu zei ze niets.

"We gaan naar het tuincentrum", zei ze, "viooltjes kopen voor Oma, dan kunnen we die morgen bij haar langs brengen. Voor op haar balkon."
"Want dat deed papa altijd", beaamde ik, "in het voorjaar."

We kochten 24 viooltjes. En een zak potgrond. Daarna reden we naar huis. En gingen we ‘de boeken doen’. Mijn vader had zo ongeveer 10.000 boeken. Daarvan staan er 2000 in de huiskamer in een 8 meter brede boekenkast. De rest ligt op zolder in dozen. Mijn moeder wilde een hernieuwde indeling. Dus ik sjouwde de vliegtuigboeken, de pocket-enceclopedy, en de Oud-Hollandsche Toneelstukken naar boven. En kwam weer naar beneden met de boeken die mijn moeder en ik samen boven hadden uitgekozen uit een schat aan literatuur.
Dat waren vooral boeken met rimpeltjes. Mijn vader kon ontzettend slecht tegen boeken met rimpeltjes. Hij las zijn boeken met de spanwijdte van een parkiet. Verder dan 10 centimeter mochten ze niet worden opengeslagen. Want anders ging de boekrug naar de kloten, en dan kon het boek dus wat hem betreft niet meer in de huiskamer.

We zijn op zolder verscheidene pareltjes tegengekomen, mijn moeder en ik. Een 0-de druk van ‘Op weg naar het Einde’ van Gerard Reve, een stukgelezen exemplaar van de eerste druk van Turks Fruit, een zeldzame uitgave van Nabokov, enzovoort, etc.

Bij elk boek op zolder zat ik me af te vragen waarom mijn vader het niet in de huiskamer had gezet. En bijna alle malen heb ik die kunnen achterhalen.
Dat neemt niet weg, juist niet, dat ik het eerlijk gezegd een beetje als heiligschennis heb ervaren, gisteren, om de boekenkast te herschikken.
Maar dat ben ik. Gelukkig is mijn moeder nuchterder. Mijn moeder is een type dat de koe bij de horens vat. Net als haar eigen moeder. Mijn Oma dus. Niet die van de viooltjes, maar de andere. Die komt uit Rotterdam. En was verpleegster in de oorlog. Dus dan weet je het wel, qua geen woorden maar daden.

Ikzelf ben daar iets minder goed in. In daden. En met de woorden wil het de laatste tijd ook al niet zo vlotten. Ik voel me lamgeslagen. Stuk.
Het is zaak om weer op te krabbelen. Zoals mijn zusje. Mijn zusje heeft een boom gered. In Tiel. Met brieven aan de gemeente en alles. Was ze al maanden mee bezig.
Gisteren in de achtertuin van mijn ouderlijk huis, waar we even stonden te roken, terwijl Good old Patrick, haar lieve vriend, voor ons allen aan het koken was, deed ze verslag.

En daar waar ik de hele middag, toen ik in de trein vanuit Utrecht naar Tiel zat, nog zwelgend het volgende sonnet over mijn geboortegrond zat te prevelen, zo van ziejewel (even overslaan als je niet van poezie houdt, hoor):

Voormalige Parel der Betuwe

Ik sta bij de droevige flats waar mijn ouders
mijn lichaam verwekten, mijn botten, mijn ziel
Ontloken skeletten, toen blozende nieuwbouw
De trotse begrenzing van bloesemstad Tiel

Geboren aan de rand van de Parel der Betuwe
keek ik als baby op boomgaarden uit
De andere kant toont een mogelijk leven:
Een school, een fabriek, een bejaardentehuis

Ik had kunnen blijven op deze hectares
voor de rest van mijn leven, net als mijn vader
Misschien zou ik dan thans gelukkiger zijn

Maar de boomgaard ligt plat, er staan nieuwe geraamtes
en waar de rand van de stad is verkast met de jaren
is de parel verzand in ee
n spookparadijs

daar werd ik oprecht opgevrolijkt door wat mijn zusje voor elkaar had gebokst. Middenin de burgemeesterswijk, wat al niet bepaald het opwekkendste stadsdeel van Tiel is met z’n flats, desolate brievenbus en brandweerkazerne, staat een boom. En niet zomaar een boom. En oude boom. Die alle nieuwbouwdrift uit die lang vervlogen tijden reeds toen al heeft weten te overleven. Een boom met karakter. Een boom bovendien waarin het dagelijks leven plaats vindt van zo’n twintig vogels.
Iedereen is gek op die boom. Behalve de aannemer van het bedrijf dat de riolering moest vernieuwen. En als de aannemer van een een door de gemeente ingehuurd bedrijf ergens niet gek op is, dan is de gemeente dat al helemaal niet.

Kortom omhakken die kutboom, zullen ze hebben gedacht. Nog wel even een aankondiging plaatsen via de krant, zonde van het geld, want wie leest er nu nog een krant, aan de andere kant juist maar goed ook, want op zeikerds zitten we sowieso niet te wachten, maar het is wettelijk verplicht, dus enfin.

We rookten.
"Ik las het toevallig", zei mijn zusje.
"Goed man!" zei ik.
"Ach ja", zei mijn zusje.
"Normaal lukt dat niemand", zei ik.
"Inderdaad", zei mijn zusje.
We zwegen even.
"Weet je", zei mijn zusje, "ik had het graag aan papa verteld."
"Dat kan ik me voorstellen", zei ik, "het is een mooi verhaal".
We zwegen weer. En rookten.
"Van de vogels verwacht ik geen credits", zei ze.
Toen moesten we lachen.
"Mag ik die quoten?" vroeg ik.

Dat mocht.
Ik ben trots op je zus.

Update: mijn zusje staat op de voorpagina van de Gelderlander!

Tiel, 0.43

Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen, behalve dat ik snel moet schrijven. Mijn moeder ligt te woelen in haar bed omdat beneden de lichten nog branden, en boven haar zoon nog achter de computer zit.

Dat maakt een moeder een onrustig. Ik snap dat wel. We hebben net een goed gesprek gehad. Om klokslag twaalf uur getoost. Op mijn vaders verjaardag. We missen ‘m enorm. Dat zeiden we. En dat deden we.

Ik zit hier te schrijven, maar het lukt me niet, want ik mag hier niet roken. Dus ik moet zo naar beneden. Daarom heb ik de lichten aan gelaten. Opdat ik mijn nek niet breek.

Nu ga ik roken.

5 jaar

Vandaag bestaat plukdenacht precies 5 jaar. Op 11 maart 2005 schreef ik mijn eerste stukje. Het ging over mijn moeder die ik altijd belde op donderdag, en kipfilets die ik dan vaak tegelijkertijd aan het bakken was.
Nog steeds bel ik elke donderdag mijn moeder. Je zou kunnen denken dat er dus niet veel veranderd is.
Maar dat is er wel.

Er is een hoop gebeurd in de periode dat ik die 781 stukjes schreef. Enfin, dat hebben jullie allemaal kunnen lezen.

De recente gebeurtenissen maken dat ik niet zo in de stemming ben voor champagne. Wel voor een stevige pils. Dus die ga ik zodadelijk maar eens drinken. En lieve trouwe lezers, neem er zelf ook een. Want dat hebben jullie verdiend.

na zdorovje!

Treetje_hollandia

Krokus

Langzaam maar zeker begint het gewone leven weer zijn aanvang te nemen. Twee weken geleden ben ik al begonnen met werken, maar vanaf morgen ga ik ook echt weer dingen doen. Niet dat ik op mijn werk geen flikker uitvoer, integendeel, maar mijn werk is niet waarvoor ik ben geboren. Ik ben geboren voor de avond en de nacht. En de weekends niet te vergeten, en vrije dagen en vakanties, maar helaas is de gemiddelde dag een werkdag, en in dergelijke omstandigheden heb je enkel de avond en de nacht tot je beschikking om je bestaan enigszins zinvol in te vullen.

Dus morgenavond naar theater Bellevue, dinsdagavond naar het Bladenbal op kunstenaarssocieteit de Kring, woensdagavond optreden in cafe ‘Het einde van de wereld’ en donderdagavond met mijn beste vriend naar Paradiso om een zangeresje te scouten voor Appelpop.
Dat zijn de dingen waarvan ik normaal gesproken houd. Dat zijn de dingen waarvoor ik leef.

Aan de andere kant moet ik toegeven dat de invulling die ik de afgelopen vier weken aan mijn avonden en nachten heb gegeven, ook best goed is bevallen.
Fotoboeken kijken. Pilsje drinken. Sigaretje roken. Nog meer fotoalbums kijken. Nog meer pilsjes drinken, nog meer sigaretjes roken en ondertussen de LP omdraaien danwel verwisselen op de pick-up. Let op, ik draaide niet mijn normale smaak, maar die uit mijn herinneringen. Dus veel Robert Long. "Ideale muziek op een tekst op te schrijven voor het cabaret", zei mijn vader altijd, met zijn pen in de aanslag. Een hoop John Denver ook. Simon & Garfunkel. Clapton (Herman van Veen ging me net iets te ver).
Tot diep in de nacht verdrietig zijn en mijmeren.
Want daar had ik behoefte aan.

Dit weekend zijn mijn krokussen uitgekomen. Ik zie het maar als een teken. Ik weet ook niet wat ik er anders mee kan.
Ik vrees dat ik maar moet beginnen met de rest van mijn leven.

Werk

Het was een rare week. Voor het eerst weer gewerkt. Mijn collega’s waren heel lief. De meesten lieten me na een kort condolerend handjeschudden met rust in het stille hoekje van de kantoortuin, waar ik me had teruggetrokken achter een PC en een berg werk van 10 dagen achterstallig onderhoud. Maar sommigen kwamen voorzichtig een wat uitgebreider praatje maken.
Vreemd genoeg precies de collega’s waar ik normaliter amper een woord mee wissel.
Het liefste was de mevrouw uit Zoetermeer. Ze kwam maandagochtend op me afgelopen, pakte een stoel, ging naast me zitten en keek me zonder iets te zeggen heel droevig en diep in mijn ogen.
Daar werd ik best een beetje nerveus van. "Wat is er?" vroeg ik.
Ze glimlachte haar allervriendelijkste glimlach, daarna keek ze weer droevig en zei: "Hoe is het nou met je?"
"Tsja", zei ik, "wat zal ik zeggen."
"Ik weet wat het is", zei de lieve mevrouw, "om je vader te verliezen. Het is vreselijk."
"Ben je ook je vader verloren?" vroeg ik.
"Pas nog", zei ze, "en mijn man. Mijn man ben ik ook verloren."
"Je man!" zei ik, "jeetje."
"Het is vreselijk", zei de lieve mevrouw.
"Dat is het woord", zei ik, "was ie nog jong, je man?"
"Hartstikke jong. In de 50. En je vader? Was die nog jong?"
"Ook best jong", zei ik, "62."
"Vreselijk", zei de lieve mevrouw.
"Tsja", zei ik.
We zwegen.
Ze bleef me echter maar diep in mijn ogen kijken, dus ik had het gevoel dat ik iets moest zeggen. Ik zei: "Maar het was een mooie begrafenis."
"Dat is fijn", zei de lieve mevrouw, "waren er veel mensen?"
"Heel veel", zei ik, "mijn vader was een populaire leraar. Hij was nog maar net met pensioen."
"Mijn man is gecremeerd", zei de lieve mevrouw, "want dat wilde hij het liefste. Ik was blij dat ik dat in ieder geval wist."
"Ja", zei ik, "dat is fijn, als je dat weet."
We zwegen weer een tijdje.

"Vind je het niet moeilijk om nu te werken?" vroeg de lieve mevrouw.
Ik wilde ‘ja’ zeggen, maar zei het niet. Ik zei: "Nee hoor, ik vind het wel prettig. Om even wat afleiding te hebben. En bovendien: Er is genoeg te doen."
Ik zag aan haar blik dat ze me niet geloofde. Dat vond ik voor haar pleiten.
Ze keek me nog eenmaal diep aan. Toen zei ze: "Okay, dan laat ik je nu met rust, maar ik kom later vandaag nog een keertje bij je langs. Als je het goed vindt."
"Prima", zei ik.
Ik viste een pakje Marlboro uit mijn jaszak en verdween naar het rookhok.

Een paar dagen later zat ik opnieuw in het rookhok.
"Wat een ellende he?" zei een mannelijke collega tegen me.
"Tsja", zei ik.
"Heb jij een beetje kunnen slapen?" vroeg ie.
"Jawel", zei ik, "dat begint zowaar weer een beetje te lukken."
"Nou, ik niet. Godverdomme zeg, wat een nachtmerrie."
"…"
"Ik had net mijn zoon aan de lijn. Weet je wat ie zei?"
"Je zoon?" vroeg ik.
"Ja, mijn zoon. Hij zei dat ie dit het ergste vond sinds Ajax in 1996 de finale verloor van Juventus. En gelijk heeft ie. Jezus Christus, wat een druiloor zeg, die Kemkers."
"O dat", zei ik.

Diezelfde woensdagmiddag kwam de lieve mevrouw uit Zoetermeer weer bij mijn bureau zitten. Ze had een koffie verkeerd voor me meegenomen. Heel attent.
"Hoe gaat het?" vroeg ze.
En ondanks dat we er weer een vol uur aan rouwverwerkingscliches doorheen draaiden, wil ik bij dezen toch zeggen dat ik ongelooflijk blij was met haar verschijning. Oprecht. Het is een schat. Met het perfecte gevoel voor tijd, plaats en handeling.

Misschien zeg ik het nu een ietwat onhandig. Dat zijn de omstandigheden. Maar wat ik bedoel: Dank je P.
Lieverd.