Stress

‘Vandaag ga ik eens proberen om de hele dag niet gestresst te raken’, beloofde ik mezelf op zaterdagmorgen terwijl ik mijn rugzakje inpakte om naar Rotterdam af te reizen, alwaar ik een spelletje Risk zou gaan spelen met 2 oude studievrienden.
"Pomtiedomtiedom", neuriede ik. Plukte 5 halve liters uit de koelkast voor onderweg – ongestresst zijn is een keuze – en wandelde vol goede moed richting de tramhalte.

Dat ik de tram net voor mijn neus weg zag rijden, iets waar ik normaal razend van kan worden, liet ik me glimlachend welgevallen. "Ha fijn", mompelde ik, "heb ik tenminste ruim de tijd om nog even een shaggie te roken."
En ik moet zeggen: dat shaggie smaakte goed.
Zo makkelijk is het dus, bedacht ik. Het is gewoon een kwestie van jezelf voornemen om je nergens druk om te maken.

Toen het vervolgens meer dan 5 shaggies, ergo een half uur (winterdienstregeling) duurde voordat de volgende propvolle tram verscheen, en ik mijn oorspronkelijk geplande trein allang had gemist, begon er ergens diep in mijn brein iets te knagen, maar van stampvoeten was nog lang geen sprake.
Integendeel. Met een zo monter mogelijk gezicht wurmde ik me naarbinnen, liet bij een onverschillige conductrice twee strippen afstempelen, en probeerde leunend tegen twee kleutermeisjes het Volkskrantmagazine te lezen.
De kleutermeisjes probeerden bij wijze van spelletje de hele weg springend de hangende steunlusjes te bereiken die aan de staaf boven mijn hoofd hingen. Daarbij landden ze regelmatig met hun versgepoetste lakschoentjes op mijn tenen.
Ik gaf geen krimp. Ik grijnsde zo opgewekt mogelijk naar hun dikke moeder die het tafareel vanuit een onterecht bezette invalidezitplaats vertederd aanzag.
Mij kregen ze niet gek. Als ik zeg dat ik niet gestresst raak, dan raak ik niet gestresst.

Instappende toeristen op het Leidseplein, heel veel koffers, gedoe met wisselgeld, eindeloos oponthoud, berekenen dat ik de volgende trein inmiddels ook had gemist, etc, ik hield me nog steeds groot.

Anderhalf uur nadat ik mijn woning had verlaten, arriveerde ik op Amsterdam Centraal. Maar nog steeds maakte ik me niet te sappel. Het kost dan weliswaar veel tijd, bedacht ik, dat ontstressen, maar daar krijg je een hoop innerlijke rust voor terug.
Bovendien had ik nog 10 minuten voordat de volgende trein naar Rotterdam zou vertrekken, dus voldoende tijd om een kaartje te kopen, en als het even mee zou zitten, nog een sigaret te kunnen roken bij een rookpaal op de koop toe.

Ik aansluiten in een 5-mans-rij bij een kaartjes-automaat. Een van de weinige automaten die het deed. Omdat de OV-chip-kaart is ingevoerd vertikt de NS het al een poosje stelselmatig om defecte oude kaartjesautomaten te repareren/vervangen.
Maar goed, 10 minuten, 4 man voor me, dat zou normaal gesproken moeten kunnen lukken.

Om een lang verhaal kort te maken: dat deed het dus niet. Uitgerekend de man voor me, een toerist, schepte er bijzonder veel lol in om zijn 3-jarige zoontje de knopjes te laten bedienen. Ze hadden er een hoop schik in met z’n tweetjes, die grappige kaartjesautomaat.
"And now you press ‘pay’", zei de vrolijke papa, toen zijn zoontje eindelijk, na 8 keer proberen, de juiste combinatie van vier enkeltjes Schiphol, zonder korting, valid for today, had weten aan te tikken.
Het zoontje presste echter op ‘wissen’.
De papa lag dubbel van het lachen.
Pas moi.

"GODVERDOMME!!!" schreeuwde ik, "GODVERDEGODVERDEGODVER!!!"
De mensen in de stationshal, ze keken verbaasd mijn kant op. Allemaal. (vrij naar Dik Bleek).
En ik, ik hoorde op het spoor boven me de trein vertrekken.

Een half uur later (met de auto had ik al heen en weer kunnen zijn, nu bevond ik mij pas op slechts 4 hemelsbrede kilometers van mijn vertrekpunt) zat ik dan toch eindelijk in een trein richting Rotterdam. Met een geldig vervoersbewijs. En een pils.
Ik bedacht: De kunst tot ontstressen mag men voorwaar niet onderschatten. Het heeft alleszins een hoop meer voeten in de aarde dan men zou verwachten. En deze eerste poging mijnerzijds kunnen wij als dapper edoch grandioos mislukt beschouwen.

———————————————————————————————————
Bon. Tot zover stukje 1. Ik schrijf weinig de laatste tijd. Daarom nog een stukje.
Voor wie er zin in heeft.
———————————————————————————————————-

Ontstressen is een keuze. Op zich geloof ik daar wel in. Ik zat in de trein naar Rotterdam, luisterde naar mijn walkman, dronk een pils, en staarde uit het raam. Ik mijmerde. Mijmeren is de beste manier van ontstressen. Mijmeren is jezelf verliezen in geromantiseerde beelden van vroeger. Mijmeren is een state of mind waarin je een dromerig schijnverleden creert, en daar oprecht in gaat geloven.
Beats anything.
Het mythologiseren van een zwerfhond die je 10 jaar geleden op een verlaten boerenlandweggetje over z’n kop hebt gekrabbeld bijvoorbeeld, of in de illusie blijven verkeren dat het mooiste meisje van de klas op een bepaalde avond tijdens een examenfeestje in een weiland, je vanuit de verte vroeg of ze later die nacht met jou mee naar huis mocht fietsen. Wat waarschijnlijk een misverstand was, maar dat heb je nooit kunnen achterhalen, want je lag voortijdig kotsend in een greppel, net als je vrienden. Maar in een mijmering is het allemaal waar, althans dat verzoek, en als je dan decennia later weer in dat weiland staat (ik doe dat soort dingen), dan voel je je goed.
Ik wel.

In de trein naar Rotterdam mijmerde ik over mijn studentenleven. Over de zee van tijd die ik destijds tot mijn beschikking had. En over het gebrek aan dingen om me zorgen over te maken. Ik maakte goeie muziek toen. En ik kon het weten, want ik luisterde er nu naar op mijn walkman.

Ik stapte uit op station Rotterdam Alexander. Het was er grijs, koud, natte sneeuw dwarrelde op mijn kop. Ik klapte mijn cappuchon over mijn schedel en stak een sigaret aan. Een neger vroeg om een vuurtje. Dat gaf ik ‘m.
Daarna liep ik naar de Metro, maar daar mocht je alleen in met een OV-chipkaart, en die had ik niet. De OV-chipkaart-automaat was kapot en het plaatselijke loket onbemand. Ik besloot een voettocht in te zetten.
Door de eindeloze lanen zonder bomen, langs onverlichte nochtans behuisde blokkendoosjes, langs vaarten waar families meerkoeten over het bijna gesmolten ijs probeerden te schuifelen.

Zomaar een buitenwijk in Rotterdam. Ik trok een pils open. Liep tegen de wind in. Passeerde een flatgebouw. In een woning op de eerste verdieping zat een Charles Buwkowski-achtige ouwe vent met achterover gekamd haar en een pokdalige kop in z’n hemdje voor het raam een halve liter te zuipen. Hij zwaaide naar me. Ik zwaaide terug.
Toekomstig mijmermateriaal.

Ik vroeg de weg in een squash-centrum. Daarna vroeg ik de weg bij een Shell-station. Uiteindelijk vond ik het adres van mijn vriend. Voor de deur rookte ik nog even een sigaret, alvorens aan te bellen.
Aanbellen bleek niet nodig. Hij kwam al naar buiten.
"Ik heb slecht nieuws", zei ie.
Hoe kun jij, behalve deze locatie, slecht nieuws hebben, dacht ik.
"De elektriciteit is uitgevallen", zei ie.
"Okay", zei ik, op zo’n modern toontje waar ik een hekel aan heb.

Wij aan de slag om de boel te herstellen. Eerst maar eens naar de meterkast. Waarvan de vloer bezaaid lag met stoppen.
"Ik heb ‘t wel vaker", verklaarde mijn vriend zich nader, "dat de stroom uitvalt. Maar ik heb zojuist opnieuw alle stoppen vervangen, dus daar ligt het niet aan. Volgens mij moeten we een monteur bellen. De storingsdienst van Eneco. Wil jij dat doen?"
Mijn vriend is slechthorend. Voor 90% doof. Hij kan zelf niet bellen.
"Geen probleem", zei ik en pakte mijn mobiel, "wat is het nummer?"

Drie kwartier beltegoed verder kreeg ik een Eneco
-mevrouw aan de telefoon. Ze verbond me naar aanleiding van mijn vriend zijn postcode door met de plaatselijke energie-verstrekker. TDS-nogwat. De man die ik daar aan de lijn kreeg, liet me wat kloten met de aardlekschakelaar.
"Hij komt telkens weer naar beneden", zei ik.
"Dat klinkt als goed nieuws", zei de man, "dan heeft u gewoon een kortsluiting in uw woning. Ik kan u adviseren alle stekkers eruit te halen en daarna te proberen opnieuw de aardlekschakelaar omhoog te duwen, en daarna een voor een…"
"Gaan we doen", zei ik, "bedankt alvast."

"We moeten alle stekkers eruit halen", zei ik tegen mijn vriend.
"Maar dat heb ik al gedaan", zei ie.
"Zeker weten?" vroeg ik.
"Absoluut."
"Vind je het okay als ik het toch even controleer?" vroeg ik.
Hij twijfelde.
Het was ondertussen koud aan het worden, de verwarming was ook uitgevallen. Ik besloot zijn antwoord niet af te wachten en liep de stopcontacten af. Trok er een ongeaarde stekkerdoos uit waarin zowel flatscreen-TV, computer, als elektrisch kacheltje waren ingeplugd. Iets verderop het orgel.

De aardlekschakelaar gaf echter nog geen sjoege.

Daarna doorgelopen naar boven. De wasmachine. Trok ik er ook uit.
"Verder niks?" vroeg ik.
"Echt niet", zei mijn vriend. Hij keek schuldig.
Dat vond ik wel zielig.
"Dan gaan we opnieuw bellen", zei ik, terwijl ik er in de keuken stiekem nog een lampje uit trok.
"Graag!" zei mijn vriend, "ik wil gewoon dat er iemand komt!"

Uiteindelijk is er ook iemand gekomen. Niet van Eneco. En ook niet van TDS-nogwat. "Daar zijn we niet voor", zeiden ze, terwijl mijn telefoon inmiddels bijna leeg was, "u moet gewoon de woningbouwvereniging bellen."
"Bij welke woningbouwvereniging zit jij?" vroeg ik aan mijn vriend.
Hij gaf me de papieren. Zijn woningbouwvereniging bleek in Heerlen (Limburg) te zitten.
"What da fuck!" zei ik, "je woont in Rotterdam! Hoe kun je dan een woningbouwvereniging in Limb…"
"Lang verhaal", zei mijn vriend, en hij gaf me de Gouden Gids. "Bel maar een electricien, het maakt me niet uit hoeveel het kost. Ik wil echt gewoon alleen maar dat er iemand komt."
"Okay", zei ik, wederom op die irritant moderne toon.

Maar goed, hij kwam. Een mannetje. 300 euro. Heeft ie wel een hele nieuwe aardlekschakelaar voor aangelegd, en de meterkast voor gemoderniseerd, waardoor mijn vriend niet meer elke dag naar de Hema hoeft om nieuwe stoppen te kopen.
Mijn vriend was blij.
En ik ook. Want de verwarming deed het weer. En de koelkast. En ik kreeg een Duvel. En ik mocht binnen roken(!).
Ik dacht: Jij hebt het goed bekeken, vriend. Jij leeft nog gewoon zoals toen. Toen we op ons gelukkigst waren.

Daarna kwam ook onze andere studievriend. En zijn we toch nog gaan Risken. Ik won. Maar dat deed er niet toe. Vervolgens chinezen (eten t.i., niet de narcotische variant, sorry flauw) in het winkelcentrum een kilometertje verderop. Slecht voedsel. Maar een verdomd aardige serveerster. Mijn vriend kreeg de restanten van de rijsttafel, en dat waren er veel, mee in plastic zakken.
"Hoef ik morgen niet te koken", verontschuldigde mijn vriend zich tegenover ons.
"Hoeft u molgen niet te bestellen", knipoogde de serveerster.

Het was perfect burgerlijk allemaal, helemaal in de hokjes, precies in de vakjes, niet buiten de lijntjes. En ik moet toegeven: ik voelde me goed.

Een half uur later stapten ik en de andere vriend op, om een nette trein terug naar Noord-Holland te halen. Ik voor Amsterdam, hij voor Heemstede. Kortom dezelfde kant op, dus reisden we samen.
Toen we eenmaal in de trein zaten vroeg ie of ik een extra pils bij me had.
Dat had ik.
We dronken er eentje.
We hadden een goed gesprek over wat er het afgelopen jaar in ons leven was gebeurd. Ik had het over mijn reet. Hij had het over een van de commissies waar ie in zit voor de grote bezuinigingsoperatie van 36 miljard waar het Kabinet in juni mee te schaften gaat krijgen. Heel interessant, want die vriend is een van de rechterhanden van Wouter Bos. Maar we gingen verbazingwekkend genoeg door op het eerste.
En hij had weer iets met zijn grote teen ofzo. Enfin, net toen we er lekker in kwamen, stokte de trein.

"Een aanrijding met een persoon", meldde de conducteur via de omroepinstallatie.
"Fuck", zei mijn andere vriend, "dat gaat wel even duren. Want ze hebben protocollen."
Hij is ervaringsdeskundige op het traject.
"Weet jij hoe laat het is?" vroeg ie.
Ik keek op mijn telefoon en zei: "Half 12."
"Dan gaat Heemstede een lastig verhaal worden", zei mijn andere vriend.

Ik was zo zat als een kanon, ik dacht: Het hele leven is een lastig verhaal. Maar ik vond die constatering een te verdachte filosofische inslag hebben, en in een poging mijn dronkenschap niet te verraden riep ik dus maar "Ja, dat wordt inderdaad een lastig verhaal, maar nu we het er toch over hebben, hou jij meer van tie.."
"Ajax", zei mijn andere vriend.
"Over lastige verhalen gesproken", zei ik.
"Precies, want.."

Op dat moment liet de conducteur weer van zich horen. Met een opmerkelijke mededeling. Hij zei: "We hebben nog steeds niets gehoord van de centrale, maar omdat wij weten dat er protocollen zijn die de nodige tijd in beslag gaan nemen, openen wij nu even de deuren zodat mensen die een frisse neus willen halen naar buiten kunnen. En als de rokers buiten een sigaret willen roken, dan mag dat natuurlijk ook."
"Krijg nou wat!" riep ik tegen mijn andere vriend.
"Wat?" vroeg ie.
"Ze denken aan de rokers!"
"Ja?"
"Dat is nieuw!" juichte ik, "hier moet ik gebruik van maken!"
"Mag ik je telefoon dan even lenen?" vroeg mijn andere vriend, "ik moet nog even wat belletjes plegen."
"Go your gang", zei ik en overhandigde ‘m mijn mobiel. De zijne was inmiddels leeg.

Ik liep het weiland in. En stak een sigaret op. Met mijn collega-rokers besprak ik de situatie.
Zelfmoord.
"Het is wel romantisch", zei een meisje, "zo in de sneeuw."
Er werd instemmend geknikt.
"Fijn dat we mogen roken", zei ik appelig.
"Vind je het gek?", vroeg het meisje.
"Gek is niet het goeie woord", zei ik.
"Als ik ooit zelfmoord zou plegen, dan zou ik het ook in de sneeuw doen", zei het meisje.
"Hoezo?" vroeg ik, "zou je dat willen dan?"
"Ooit", zei ze, "misschien."
Er werd wederom instemmend geknikt.

Ik had mijn sigaret op. Trapte de peuk uit. Liep de trein weer in. Kreeg mijn telefoon terug van mijn andere vriend. Hij had geregeld dat ie bij zijn schoonouders kon logeren. In Delft.
"Wil je ook?" vroeg ie.
"Nee", zei ik, "ik kom wel thuis."
We namen afscheid.
Hij ging lopen richting bewoonde wereld.

Ik dronk nog een pils. De conducteur meldde dat de situatie ‘onveranderd’ was. Ik liep weer naar buiten. Rookte nog een sigaret. In het weiland was inmiddels geen roker meer te bekennen. Sowieso geen levende ziel meer aanwezig. Zwarte lucht, witte sneeuw.

Man, ik voelde me geweldig.

Advertisements

Noorderslag 2010

In november, op de zaterdag dat de voorverkoop van Noorderslag van start ging, wandelde ik aan het begin van de middag, na boodschappen te hebben gedaan bij de Albert Heijn, ook eventjes langs het postkantoor om mijn jaarlijkse ticket te kopen. Normaal gesproken deed ik dat altijd pas een paar weken later, wanneer ik een keertje tijd over had in mijn lunchpauze, maar dit keer dacht ik: Weet je wat, ik doe het meteen, dan is het maar gedaan.
"Mag ik van u een kaartje voor Noorderslag?" vroeg ik aan de lokettiste.
"Een biljet voor wat voor toeslag?" vroeg ze.
"Nee, Noorderslag", zei ik, "een popfestival dat plaatsvindt op 16 januari in de Oosterpoort te Groningen."
"Nooit van gehoord", zei de lokettiste.
Ik dacht: mooi, blijkbaar loopt het geen storm.
De lokettiste typte de datum en naam in op de ticketcomputer. "Aha!", zei ze, "ik heb het evenement gevonden."
"Fijn", zei ik.
Daarna keek ze nog eens goed op haar scherm. Vervolgens draaide ze zich weer naar mij en zei: "Sorry meneer, maar dat evenement is uitverkocht."
"Wat!" riep ik, "dat is onmogelijk! De voorverkoop is vandaag pas begonnen! Wilt u alstublieft nog eens kijken?"
Ze typte nogmaals ‘Noorderslag’ in en ’16 januari’, drukte op enter en bekeek het resultaat. "Het spijt me meneer", zei ze, "maar het is toch echt uitverkocht, zegt de computer."
"Dat lijkt me sterk", zei ik, "ik kom er al 15 jaar en nog nooit was het binnen 3 weken uitverkocht, laat staan binnen 3 uur. Kijk nog eens een keertje, en nu echt goed."
Ik zei er nog net geen ‘stomme muts met je gebrekkige kutcomputerkennis’ achteraan. Maar ik dacht het wel.
"Meneer, het is druk, er staan andere mensen te wachten, als de computer zegt dat het uitverko.."
"Laat maar", zei ik, "ik regel het thuis zelf wel. Via internet."

Boos beende ik naar mijn woning en opende een internetsessie. Uit gewoonte klikte ik eerst even op nu.nl, om te checken of tijdens mijn afwezigheid niet ondertussen de wereld was vergaan, of een soortgelijke ramp had plaatsgevonden. Dat bleek niet het geval. Er stond iets over Sinterklaas en verder wat over de laatste economische cijfers. Ik wilde al doorsurfen naar de homepage van de ticketservice toen mijn oog viel op een ander nu.nl-artikeltje. Eentje met een onheilspellende kop. Er stond: "Noorderslag binnen 3 uur uitverkocht."
WTF!?

Noorderslag, het sympathieke festival dat ooit was bedoeld als een etalage van nieuw te boeken talenten voor een paar honderd organisatoren van pop-evenementen, en waar je vroeger voor 10 gulden naartoe kon, was blijkbaar nu dus zo populair geworden onder het grote publiek, dat de inmiddels 8000(!) kaarten a 50 euro(!!!) per stuk, binnen mum van tijd massaal via internet waren opgekocht.
Door zwarthandelaren en gewone mensen.
Sorry, dat laatste klinkt misschien misplaatst arrogant. Maar ik dacht het op dat moment wel. Ik dacht: Dit Noorderslag is duidelijk een gevalletje ‘doel voorbij geschoten/tenonder gegaan aan zijn eigen succes’.

Enfin. Dat nam niet weg dat ik er uiteraard toch naartoe wilde. Net als een hoop andere Appelpopmedewerkers die achter het net hadden gevist. Dus heb ik de afgelopen weken eindeloos rondgehangen op marktplaats.nl. Een hoop rare dingen meegemaakt in de categorieen louche en vaag, maar daarover misschien een andere keer meer.

Uiteindelijk heb ik voor mezelf een kaartje weten te bemachtigen via ene Henk **** uit Groningen. Het leek me een betrouwbare goser. Hij mailde me n.a.v. mijn advertentie het volgende: "Ik heb je gegoogled. Ben jij Sven A****, de dichter?"
"Ja, die ben ik", mailde ik terug.
Hij mailde dat hij een kaartje over had. Dat ik mocht hebben voor de normale verkoopprijs.  Heel schappelijk. Want hij had een hekel aan zwarthandelaren, zei ie. Ik mocht het kaartje tijdens de middag voorafgaand aan het festival thuis bij ‘m komen ophalen. Daartoe gaf hij mij zijn adres in Groningen-Zuid en zijn 06-nummer.
Dus ik dacht: Dat zit wel goed, want huisadressen en telefoonnummers zijn zeldzaam op marktplaats.nl. Als het om concerttickets gaat althans. Bovendien had ik Henk **** teruggegoogled. Wat mij leerde dat er in die contreien 3 bleken rond te hangen. Eentje deed iets met auto’s en een garage, de andere 2 waren werkzaam in de financiele dienstverlening.
Het leek me wel betrouwbaar. Daar kwam bij dat ik erg blij was met die voorgestelde prijs van 50 euro, want op marktplaats deden de kaartjes inmiddels minimaal het dubbele.

Gisteren kwam ik om 15.12 aan op Groningen Centraal. Met een uitgeprint googlemaps-A4-tje in mijn klauwen die terstond bevroren, zette ik koers richting de componistenbuurt 3 kilometer verderop. Te voet door de diepe sneeuw (ja, daar in Groningen lag ie nog). Best romantisch vond ik.
Het zal toch geen homo zijn, bedacht ik op dat moment, die behalve die 50 euro misschien nog het een en ander in natura verlangt? 
Nee, natuurlijk niet, wimpelde ik die gedachte meteen weer weg. Maar dat was vooral om mezelf gerust te stellen.

Na drie kwartier ploegen en glibberen betrad ik het begin van de lange straat waarin ie woonde. De straat lag in een nette buurt, met mooie huizen, maar net aan zijn kant van de straat, de even huisnummers, wemelde het van de aftandse flatgebouwtjes.
Dat vond ik geweldig. Ik dacht: als ie echt in zo’n krotwoning bivakkeert, en het kortom niet al te breed zal hebben, vind ik het extra mooi dat ie z’n overtollige kaartje uit principiele motivatie voor de kostprijs van de hand doet, en ook nog eens aan een dichter.
Ik dacht: als zodadelijk nummer **, Henks adres, daadwerkelijk zo’n afgebladderde sociale huurwoning betreft, dan loop ik terug naar dat winkelcentrum waar ik net langs kwam, en koop een fles vodka voor ‘m bij de slijter, een doosje toostjes bij de Super de Boer en een potje pseudo-kaviaar bij de visboer.
Ik hoopte erop. Ik hoopte er echt op. In mijn hoofd was ik al een nieuw Communistisch Manifest aan het schrijven, waarin ik repte over de moedige solidariteit van kameraden die tijdens de zwarte kapitalistische jaren zus en zo en waarin ik roemde: het linkse bolwerk Groningen in het algemeen dat nooit had versaagd, en Henk in het bijzonder, de man die ondanks de vernederingen die de verwerpelijke westerse markteconomie ‘m had laten ondergaan, nooit aan opgegeven dacht, ja Henk inderdaad, de man die altijd trouw is gebleven aan de superieure weldenkendheid, het intellect, precies, de literatuur, ja de poezie zelfs, Henk die ooit in 2010 onder barre rechtse omstandigheden een Noorderslag-kaartje verkocht voor de kostprijs aan onze Grote Leider Sven A****.
En dat ik Henk dan in mijn paleis op de Dam een hele rits medailles op zou spelden.

Toekomstmuziek.

Nee, geintje natuurlijk. Maar toch. Voor mij was Henk toen ik die straat in liep, en die woningen zag, een regelrechte held.

En dat vind ik ‘m nog steeds. Ook toen bleek dat ie net in dat blokje bleek te wonen tussen de flats in, dat uit netjes aangeharkte eengezinshuizen bestond. En dat Henk een keurige V-trui droeg met een kek gestreken kraagje eronder. En dat ie geen homo was. Dat ie een vrouw had. En dat ie jong, zeg maar gerust een yup was. Waarschijnlijk een van die 2 financiele dienstverleners. Hij was gewoon normaal, om maar eens een pleonasme te bezigen.
Een beetje een teleurstelling, maar toch een held. Ziedaar de definitie van de gemiddelde Nederlander.

Ik zag geen noodzaak om alsnog die vodka en pseudo-kaviaar aan te schaffen. Wel heb ik hem enorm bedankt.

Later die avond zag ik ‘m nog eventjes bij Noorderslag. Op de toiletten. Waar het net als op de rest van het festival veel te druk was. Henk kwam uit een van de zeldzame afsluitbare hokjes zetten. Waarschijnlijk lopen dirken. Of net als ik niet kunnen plassen in urinoirs als er andere mensen op je vingers/lul
staan te kijken.
"Hey hoi!" zei ik.
Hij keek me aan maar zei niets terug tot mijn verbazing. Liep snel door naar de spoelbakken om zijn handen te wassen.
Misschien schaamt ie zich, dacht ik, omdat ie heeft gedirkt.
"Heb je soms lopen dirken?" riep ik onhandig.
Hij ging er zonder z’n handen af te drogen vandoor.
"Henk!" riep ik.
Pleite.
Misschien was het ‘m niet. Misschien vergiste ik me en was het iemand anders. Die kans is groot. Ik was namelijk inmiddels al kanonzat.

Of misschien dacht Henk wel dat ik een homo was. Je mag homofobie nooit onderschatten. Dat bleek ook later die nacht toen ik mezelf ruim na 4.00 am, het tijdstip waarop Noorderslag is afgelopen, terugvond met de laatste 2 Appelpopdiehards in een shoarmatent, omdat zij voor het slapengaan "nog eventjes de man een dood schaap wilden eten".
Probleem 1: voorin de tent was geen plek meer. Dus wij naar het achterzaaltje. Probleem opgelost.
Probleem 2: "Ik hoef geen dood schaap", zei ik, "ik wil alleen een pils en volgens mij doen die kut-islamieten daar niet aan." Een blik op de koeling was echter voldoende. Volop Heineken. Probleem opgelost.
Probeleem 3: ik moest na het bestellen even pissen en toen ik terugkwam van de WC waren mijn vrienden weg. Wel zat in het achterzaaltje een groepje van zo’n 8 Marokkanen. Ik keek met dubbele blik de ruimte rond.
"Ben je soms iets kwijt?" vroeg een gosertje.
"Ja, mijn vrienden", zei ik, "en mijn stoel."
Dat klopte. De stoelen waar mijn vrienden op hadden gezeten waren leeg, maar diegene waar ikzelf op genesteld was, bevond zich nu onder de reet van het gosertje.
Op zich geen punt, er stonden verder nog lege stoelen zat. Ik hoefde er alleen maar eventjes eentje over het hoofd van dat gosertje heen te tillen, naar ons tafeltje toe.
"Wat ben je aan het doen man!" riep het gosertje.
"Een stoel over je hoofd aan het tillen", zei ik naar waarheid.
"Doe normaal man!" zei het gosertje, "je hebt stoelen zat man! En je hebt geen vrienden, man!"
Ik zei: "Volgens mij zaten hier net 2 vrienden van mij, en zijn ze even pissen ofzo, of dirken, wie zal het zeggen, maar zodadelijk hebben wij 3 stoelen nodig, en aangezien jij net de mijne hebt gejat, pak ik over je hoofd heen even een andere terug. Geen probleem toch?"
"Wat is dirrken man? Denk je dat ik gek ben ofzo? Zet die stoel terrug man, ik meen het! Echt waarr, serrrieus man! Doe norrrmaal man!"

Toen maakte ik een fout. Ik dacht in mijn dronkenschap, een soort van positieve Alzheimer die 20 jaar integratieproblematiek rigoreus uit mijn geheugen had gewist, oprecht: Jeetje, wat ben jij opgefokt, zeg." En pakte intuitief zijn schouders beet.
"Rustig maar", zei ik tegen het Marokkaanse gosertje terwijl ik mijn vingers om zijn sleutelbeenderen klemde en milde knijpende bewegingen maakte teneinde ‘m te laten ontspannen.
Hij sloeg wild om zich heen en schreeuwde: "BLIJF VAN ME AF MAN!!!"
De rest van het Marokkaanse gezelschap zat me met grote ogen en open gevallen monden aan te kijken.
"Wat?" vroeg ik.
"Vieze homo! Blijf van me af man!" gilde het gosertje.
"Homo?" zei ik, "ik? Echt niet."
"Jawel man!" zei het gosertje.
"Goh", zei ik, "dat wist ik niet. Nooit geweten ook. En wat nou dan? Moeten we dan nu gaan vechten ofzo?"
Ik nam een vechthouding aan. Ik had er wel zin in. Ik voelde me ontzettend sterk. Vooral doordat ik wist dat ik toch niks zou voelen. Ik wist dat ik enorm veel zou kunnen incasseren zonder een sjoege te geven. Dat is het voordeel van drank.
"Kom maar op", zei ik, terwijl ik in bokshouding heen en weer wiegde op mijn poten.
Het gosertje was blij dat ik ‘m had losgelaten en nam met angstige ogen een hap van zijn broodje falafel en een snelle slok uit zijn glas cola.
"Laten we verstandig zijn", zei een ander, "Die man is geen homo, hij is gewoon dronken."
"Precies!" riep ik, "correct opgemerkt! En nu we toch weer in dialoog zijn, hebben jullie soms gezien waar mijn vrienden naartoe zijn gegaan? Zitten ze nog op de WC, maar dat kan niet, want dan zou ik ze gezien moeten hebben, of zijn ze gewoon pleite?"
"Die zijn in het voorgedeelte gaan zitten", zei een van de Marokkanen.
"Hoezo?" vroeg ik oprecht verbaasd.

Waaaah, man, de wereld. Het is een wereld vol met problemen die er allemaal volgens mij helemaal niet zouden hoeven zijn. Ga ik nu verder even niks over zeggen. Dat wordt veel te ingewikkeld. Ik bedoel, je kunt best over aardbevingslachtoffers zomaar gaan roepen dat het niet al te snugger is om op een breuklijn te wonen, maar wat zouden wij dan wel niet voor een knuppels wezen door als enigen ter wereld een land te stichten onder zeeniveau. Snap je, vogel?

In zo’n stemming kom ik altijd tijdens popfestivals. One world. Iedereen met elkaar het beste voor. Iedereen lief. En verder niet te moeilijk doen.
Bier! Sigaretten! En voor de rest zoveel mogelijk wahwah-solo’s beluisteren.
Dat laatste was mogelijk.
Want: Vorig jaar op Appelpop, en reeds nu al op Noorderslag: Dewolff.

Dewolff

Henk, jongen, echt, en dat meen ik, serrrieus man: ontzettend bedankt!

Aankondiging

UPDATE: FESTINA 18-1 AFGELAST WEGENS RECORD AANTAL ZIEKMELDINGEN

AANKONDIGING

MAANDAG 18 JANUARI,  Aanvang 21.00

FESTINA LENTE POEZIESLAG

Cafe_festina_lente

JURY: ERIK JAN HARMENS, RICK DE LEEUW, SVEN ARIAANS

Ejh_2 Rick_de_leeuw_2 Sa   

PRESENTATIE: SANDER MEIJ, LIVE INTERNET VERSLAG: MARTIJN DEN BAKKER

Sander_en_martijn

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

Wie goed heeft gelezen valt een aantal dingen op. Inderdaad. De Festina Poezieslag is in dit nieuwe seizoen verplaatst van de 3e dinsdag van de maand naar de 3e MAANDAG van de maand.

Daarnaast hebben we twee nieuwe juryleden. Ten eerste is dat oude bekende Erik Jan Harmens. Maar ook hebben we Rick de Leeuw bereid gevonden. Simon Vinkenoog is uiteraard onvervangbaar, maar met deze 2 grote nieuwe namen hopen we het gemis zo veel mogelijk goed te maken.

Komen dus! Tot maandag!

Rijden in de sneeuw

Ik zie op tegen morgenochtend. En dat is niet eens zozeer vanwege mijn werk zelf, hoewel ik dat ook bepaald geen lolletje vind en al helemaal niet op maandagmorgen als iedereen bij de koffie-automaat z’n doodsaaie weekend met je wil doornemen, maar meer vanwege de reis er naartoe.

De tocht naar mijn werk bestaat uit 15 kilometer spekglad asfalt. Op zomerbanden. Die bovendien geen profiel meer bevatten. Dat laatste zit zo: tijdens de laatste APK-keuring (nu bijna een jaar geleden), vertelde mijn garage-mannetje dat mijn banden moesten worden vervangen.
"Allevier?" vroeg ik.
"Ja", zei mijn garage-mannetje.
"Is dat alles?" vroeg ik, "of is er nog meer aan de knikker?"
"Nou", zei mijn garagemannetje, "de uitlaat, het remlicht rechtsachter en beide ruitenwissers inclusief aansturingsbevestiging, moeten ook worden vervangen."
"Wordt dat een duur geintje?" vroeg ik.
"Dat denk ik wel", zei mijn garage-mannetje.
Ik zei: "Hmmm. Dan weet ik niet of het nog wel zin heeft."
"Tsja", zei mijn garage-mannetje.
"Tsja", zei ik.
"Weet je", zei mijn garage-mannetje toen, "misschien valt er met die banden iets te regelen. Ik zag dat je nog een spiksplinternieuwe reserveband in de kofferbak hebt liggen. Als ik daar nou de verrotste band mee vervang, dan kan de rest misschien nog wel een jaartje mee. Het is op het randje, maar als jij het aandurft dan durf ik het ook. Hoef je alleen maar die uitlaat, remlicht en ruitenwissers te betalen. Teken ik die APK-keuring. Wat zeg je ervan. Deal?"
"Deal", zei ik.
Ik bedoel, het was maart. De lente kondigde zich al aan. Banden zijn duur. Daarbij: Who needs profiel? Profiel is voor mietjes.

Dacht ik toen. Op dit moment denk ik daar anders over. Afgelopen maandag, tijdens het verkeersinfarct op de A10 rond Amsterdam, was ik een van de weinigen die tijdens het vele optrekken en remmen in de file, ruim 2 uur lang alle kanten op zwabberde. Het was een doodenge rit. Ondertussen was ik ook nog eens als een gek in de weer om continu van binnen alle ruiten te lappen, want die beslaan bij mij dus om de haverklap als ik niet kan doorrijden, doordat mijn verwarming niet functioneert onder de 10 km/uur. Ook zoiets. Maar goed, mijn gordel had ik dus ook de helft van de tijd niet om, want probeer maar eens een fatsoenlijk surroundzicht voor elkaar te zemen als je ingesnoerd zit.

Iemand wiens auto ik bijna had geramd tijdens het remmen, draaide een raampje naar beneden en maakte wapperende gebaren.
Terwijl ik mijn eigen raampje naar beneden draaide teneinde zijn contactpogingen te kunnen beantwoorden, moest ik denken aan een ouwe mop. Een scenario van miscommunicatie waarin die man nu tegen mij zou zeggen: "Ook een scheet gelaten?"
Maar dat zei ie niet. Hij zei: "Koop eens een fatsoenlijke auto druiloor! Je ken niet eens normaal uitkijken in die beslagen bende van je, vieze gevaarlijke milieu-vervuiler dat je er bent, met je ouwe barrel!"

Enfin. Uiteindelijk ben ik veilig thuisgekomen. Of althans, toen ik eenmaal de zone had bereikt waarbinnen mijn parkeervergunning geldig was heb ik de Purple Haze, zoals mijn auto heet, in de eerste beste parkeerhaven gemanoevreerd, gaf ‘m een schouderklopje voor zijn geweldige inspanningen (want naar vermogen), en ben de rest gaan lopen.

Ik zie op tegen morgen. De fiets is met deze gladheid geen alternatief, dan kan ik net zo goed de hele weg gaan lopen (180 minuten). Het OV ook niet. Los van dat ik er met het OV veel te lang over doe (90 minuten), kom ik er niet in omdat ik nog geen OV-chipkaart heb, en die is onontbeerlijk voor de metro in Amsterdam.
De auto dus. Reistijd normaliter slechts 20 minuten.

Ze zeggen altijd: Tijd is geld. Maar veel seccer geldt: Tijd is leven. En met tijd/leven bedoel ik dan: dingen doen die je leuk/prettig/nuttig vindt. En niet dingen doen die je kut/saai/uitermate irritant vindt. Onder die laatste categorie vallen wat mij betreft voornamelijk alle soorten van wachten. Maar ook werken op een kantoor, in het ziekenhuis liggen en sinds je niet meer mag roken in de trein: reistijd.

Aan de andere kant: wanneer ik morgenochtend weer in die paarse doodskist stap, bespaar ik mezelf op basis van een retourtocht slechts een lousy 140 minuten (OV) danwel 320 (lopen) aan verloren tijd. Aan potentiele Tijd van Leven. Terwijl ik er het risico mee loop decennia aan gezonde levensjaren in het verschiet mee om zeep te helpen.

Zo gaat het in principe iedere dag, maar op dagen als deze net iets meer. Het is een serieus dilemma. Of het nu om roken en drinken gaat, of autorijden, om met Janis Joplin te spreken: "It’s all the same fucking thing."

10 jaar geleden ben ik eens 3 maanden gestopt met drinken. Dat was sowieso een kuttijd. Maar tenminste nog nuttig. En om mezelf te belonen voor mijn doorzettingsvermogen trakteerde ik me halverwege die periode op een puntgave hagelwitte BMW 316. Een oldtimer, en een auto waar ik als kind altijd al verliefd op was geweest.
Omdat ik ‘s avonds na mijn werk geen zak te doen had (want ik kon niet drinken en meed dientengevolge elke vorm van sociaal contact), ging ik er regelmatig met de auto op uit. Domweg wat rijden over de snelwegen en wachten tot ik moe genoeg zou worden om straks te kunnen slapen.
Op een avond had het gesneeuwd. De wereld zag eruit als een groot avontuur dat beleefd moest worden. Ik trapte ‘m flink op z’n staart en reed in 1 ruk door naar Bergen aan Zee. Dat leek me namelijk wel grappig: doordeweek middenin de nacht naar het strand gaan wanneer het gesneeuwd had. Precies het tegenovergestelde doen van wat die verdomde logische kutmensheid normaliter uitvreet. Man, ik was echt krankzinnig in die periode dat ik niet dronk. Ik haatte de wereld en ik wilde dood, maar niet echt, want ik dacht: als die 3 maanden voorbij zijn, dan mag ik weer een drankje en dan is alles weer normaal.

In Bergen aan Zee keek ik naar het besneeuwde strand. Het was een sprookjeslandschap. Hier zou nu goed een pilsje bijpassen, was het enige wat ik kon denken.
Ik stapte na 2 minuten alweer in mijn auto voor de terugweg. Trapte ‘m wederom flink op z’n staart, het spaarzame lolletje dat ik had in mijn destijdse leven.
Op de een of andere N-honderzoveel-weg ging het mis. Voor ik het in de smiezen had vloog ik in een bocht rechtdoor, daar waar het asfalt lichtjes naar links boog.
Ik schoof met 140 k/m uur door een besneeuwd weiland en probeerde tegen te sturen, zoals ik ooit had geleerd op een anti-slipcursus van mijn werk. Het zette geen zoden aan de dijk.
Ik stuurde nog harder tegen, trok de handrem aan, en zette er vol het gas op, zoals ik in Tiel had geleerd van mijn vrienden, maar ook dat mocht niet baten. Geen enkele reactie van het chassis. Ik pirouetteerde in gestaag tempo op een ringvaart af, plus een rijtje boomdikke.. nou ja bomen dus.
Jezus, dacht ik, ik ga de pijp uit! Ben ik daarvoor gestopt met drinken, Christus!

Het was een verloren zaak. Er was geen redden aan.
Ik nam nog een laatste trekje van mijn sigaret en dacht aan de theorieen die ik ooit in gedachten had ontwikkeld. Van: Stel je dondert met een kabelbaan van 50 meter hoogte naar beneden. Wat nou als je vlak voordat ie de grond raakt, je plotseling krachtig opspringt? Opdat je de valversnelling neutraliseert en die fatale dreun niet hoeft mee te maken? Terwijl je je ondertussen opkrult zodat je je kop niet stoot tegen het plafond van de cabine, maar hooguit je rug? En als je het echt goed doet: je kont? Zou je het dan overleven?
Volgens mij moest dat kunnen.

Het was een lang weiland. En ik bleef maar aan die handrem op en neer rukken en het gas erop houden. En op een gegeven ogenblik kreeg ik grip. Te laat om de bomenrij te ontwijken, maar op tijd om de zoveelste pirouette dusdanig te kunnen besturen dat ie eindigde met een berekende doffe knal tegen een achterflank.
Ik stond stil.
Ik
had het overleefd.
Naast me de brede loodgrijze vaart. En de Killing Trees, waarvan er eentje me paradoxaal genoeg het leven had gered.
Aan de andere kant het weiland. En heel, heel in de verte de N-honderdzoveel.

Ik stak een nieuwe sigaret op. Dankte de heer. Stotterde vervolgens met mijn auto richting asfalt, en eenmaal veilig thuis nam ik een pils.
De eerste sinds 3 maanden.
Dit nooit meer, dacht ik, ik ga nooit meer rijden in de sneeuw.

10 jaar geleden.
Ik zie op tegen morgenochtend.

Identiteit

Zoals vaste lezers wel weten ben ik opgegroeid in de Betuwe. In Tiel om precies te zijn, destijds een stadje van zo’n 27.000 inwoners. Wat dat betreft is het Tiel uit de jaren 70 van de vorige eeuw qua inwonertal vergelijkbaar met de huidige omvang van een plaatsje dat daar niet zo heel ver vandaan ligt, genaamd Culemborg.
Of eigenlijk ‘Kuilenburg’, maar de Betuwse verbastering daarvan heeft uiteindelijk overwonnen op het officiele plaatsnaambordje. Niets zo onbeheersbaar, maar ook krachtig en levendig, als de spreektaal.

Het gaat, zoals eenieder die wel eens een krant leest, TV kijkt of op internet rondhangt wel weet, op het moment niet zo goed in Kuilenburg. Het is al dagen knokken geblazen, en as we speak is er een noodverordening van kracht, staan er complete pelotons ME paraat en is praktisch iedere weg in de Oostelijke wijk Terweijde hermetisch afgesloten.
In Kuilenburg! Met z’n lousy 27.000 inwoners! Djiezus! What the fuck is happening overthere?

"Rassenrellen", meldde de Telegraaf vanmorgen in vette letters, "Zij zijn begonnen, dat staat vast", kopte de Volkskrant er nog eens quasi-subtiel overheen.
Want dat is wat er aan de hand is volgens de verslaggevende media: Marokkanen tegenover Molukkers. Zo simpel is het. Of om met die irritante lijzige yuppenstem uit die huidige radio-commercial van de Rabobank te spreken: "Dat is de gedachte, dat is het idee."

En misschien hebben ze gelijk. Want op zich klopt die constatering uiteraard. Het zijn nou eenmaal Marokkanen en Molukkers die elkaar daar in de haren vliegen. Maar bijdragen aan een oplossing doet die constatering naar mijn bescheiden mening geenszins.

Laat me dat uitleggen.
Ik weet dat het de laatste tijd enorm in de mode is om dingen ‘te benoemen’. Vooral in de politiek duikelt iedereen tegenwoordig over elkaar heen om zo snel mogelijk hardop te zeggen wat de problemen zijn, en met name door wie ze veroorzaakt worden.
‘Durven te zeggen waar het op staat’, heet het dan, en ‘niet langer de ogen sluiten.’
Met dat laatste is niks mis.
Alleen moet je volgens mij enorm uitkijken met de conclusies die je daaruit trekt voor het te volgen beleid. Voor de, ahem, oplossing. Want dat is natuurlijk waar iedereen op zit te wachten.
Een courante populaire gedachtengang is om consequent elke raddraaier achter slot en grendel te zetten, het liefst zo lang mogelijk, en als het even kan op water en brood. Het idee daarachter is: als je weet dat je een onmenselijk hoge straf boven het hoofd hangt, dan laat je het wel mooi uit je bolle kop om vernielingen te plegen/de buren te kloten/een kraakje te zetten.

Vergeet het maar. Verklaring, en ik wil nu niet meteen met Wetenschappelijk Onderzoek gaan schermen dat stelselmatig aantoont dat deze redenering niet opgaat, want zelfs dat wordt tegenwoordig als een zwaktebod gezien in de argumentatie, dus ik probeer het op een andere manier, met m’n boeren-Tielse-verstand: Groepsdruk.

Groepsdruk als je jong bent. Het leeuwendeel van de criminaliteit wordt gepleegd door jongeren (jongens) onder de 30 jaar. Groepsdruk. Kom op, dat weet toch iedereen nog van vroeger? Iedere jongere (jongen) wil tot een groep behoren. Zonder groep ben je een loser. Iedere jongere is op zoek naar een identiteit. Marketeers van grote bedrijven weten dan al decennia lang. Ze delen niet voor niets gratis Nikes uit aan de populairste middelbare scholieren. Groepsdruk is allesbepalend. Marketeers weten dat daar de winst valt te behalen. Nu politici nog.

Want daar gaat het om: voor welke groep wordt er door de potentiele probleemjongere gekozen?
Wordt het een Marokkaanse jeugdbende die meisjes met korte rokjes verkracht, of laat ie z’n identiteit bepalen door z’n collega’s uit de Supermarkt waar ie vakken vult, en die elke zondagochtendvroeg gaan vissen in het Amsterdam-Rijn-kanaal ter hoogte van Breukelen, omdat zich daar de beste visstekjes bevinden?
Wordt het na school dagelijks met klasgenoten autoracen en gokken in een speelhal op het Rembrandtsplein, of wordt het -fuck de groep- verliefd worden op dat meisje dat altijd moeilijke films wil zien in de Rialto-bioscoop?

Kijk, en dan wordt het benoemen opeens misschien wel interessant. Interessant in de zin van een oplossing.
Benoemen zou best wel eens stimulerend kunnen werken, mits je het doet in de juiste richting. Wanneer je iemand het juiste identiteitsgevoel verschaft. En dan bedoel ik dus niet knullige eufemismen als ‘kansjongeren’ of ‘prachtwijken’, want die werken ongelooflijk averechts. En terecht. Fuck hypocrisie.
Maar doe het ook niet door iemand stelselmatig als Marokkaan te bestempelen. Of Molukker.

Doe het eerlijk, gewoon omdat het kan. Identiteit is niets anders dan dat waar je je mee verbonden voelt.

Ikzelf bijvoorbeeld ben Amsterdammer, maar voel me nog altijd evengoed Tielenaar, en geloof me, als ik thans zie wat er gebeurt in Kuilenburg, dan heeft mijn hart het moeilijk, want dat is vlak in de buurt.
Niks is zwart-wit. Ik ben roker, maar sport me de tering. Kan best samengaan. Echt waar. En
ik ben Ajacied, maar hoop in godsnaam dat oud-Feyenoorder van Persie voor het WK weer is opgelapt.

Fuck dat moeilijke gedoe. En fuck dat goedkope gestigmatiseer. Wij, ik en Mehmet, we betraden als Tielenaar en Turk op tienjarige leeftijd een speeltuin in de plaatselijke Hertogenbuurt, een Molukse wijk. Je mocht er hutten bouwen. Gereedschap was verkrijgbaar bij de door de gemeente aangestelde leiding. Planken, hamers en spijkers.
"Geef mij een hamer", zei Mehmet.
"Vergeet het maar, stomme Turk", zei een ouwe vent.
"Geef mij twee hamers", zei ik 5 minuten later tegen dezelfde man.
Ik kreeg ze.
Mehmet en ik timmeren.
We maakten een mooie hut. De mooiste van de hele speeltuin.
Daarna knokken met de Molukkers.
We waren allemaal kinderen en Mehmet had zwarte band karate.
Hij sloeg er een hoop in elkaar.
Hij oogste veel respect.
"Nu is het wel mooi geweest", zei ik tegen Mehmet.
Daarna waren we allemaal vrienden.

Identiteit. Mehmet en ik. De rest volgde.

12,25

Het is een ontzettend slecht idee om nu nog een stukje te produceren. Ten eerste ben ik kanonzat, ten tweede heb ik keihard de ouwe Clapton opstaan. Serieus, de ouwe, dus niet dat gezeik over forever women of dat doodgevallen zoontje, maar gewoon de goeie ouwe tijd waarin ie tussen de nummers door aan de zuurstof lag op het podium, snap je.
Enfin, eenieder weet dat ik niet kan schrijven met lawaai om me heen. Dus vergeet het volgende.

Ik zat vandaag in cafe de Pels, het was om een uur of zes des avonds. Zeg maar niet geheel toevallig het tijdstip vanaf wanneer er gerookt mag worden in de uitspanning.
Maar er zat een kind.
Fuck. Een kind.

Op zich vind ik het nergens op slaan dat een kind zieliger zou zijn dan een bejaarde. Of bijvoorbeeld een geheel willekeurige astmatische doofstomme blinde persoonlijkheid. Maar toch. Ook ik ben gevoelig voor reclames. En voor politieke uitlatingen.

Een kind dus. En nog een leuk kind op de koop toe. Verdwaald in een cafe. Ik doofde mijn sigaret.
"Wil je kop of munt spelen?" vroeg het kind.
"Rot op!", wilde ik zeggen, "Kutkleuter! Haal liever nog een pils!", maar dat zei ik niet.
Ik zei: "Kop."
Het kind bewoog met z’n handjes op en neer, wiegde een muntje, en ontvouwde z’n palmen.
"Het is munt", zei het kind.
"Jezus", zei ik.
"Nog een potje?" vroeg het kind.
"Kom maar op", zei ik.

Ik verloor 20 keer achter elkaar.
"Je doet het ook niet eerlijk", zei ik, "je doet telkens precies het tegenovergestelde met je handen van wat ik daarvoor heb geroepen."
"Dat komt doordat ik slim ben", zei het kind.
"Slim?"
"Jazeker. Ik kon al lopen toen ik zeven maanden was."
"Dat heeft niks met slimheid te maken", zei ik, "hoe oud ben je nu?"
"Bijna zes", zei het kind, "op 12 januari ben ik jarig."
"Dat is nog maar negen nachtjes slapen", zei ik.
"Kijk aan, jij kan ook niet onaardig rekenen", zei het kind.

Ondertussen liep het gosertje quasi-verveeld geldstapeltjes te fabriceren van z’n muntgeld.
Net als ik vroeger.
"Weet je hoeveel het bijelkaar is?" vroeg ik.
"Uiteraard", zei het kind: "12,25".
Ik telde het na.
"Klopt", stelde ik vast, en omhelsde het jochie.

Ik dacht: Ik wil er ook eentje. Ik wil ook een kind. Niet dat ik er geschikt voor ben. Absoluut niet.
Ik rolde een shaggie.
"Jij zou es naar de ouwe Clapton moeten luisteren", zei ik, "naar wahwah-pedalen."
Het jochie nam een slokje van z’n appelsap.
"Ik meen het", zei ik.
"12,25", zei het jochie.
Ik zei: "Je hebt gelijk. Je hebt enorm gelijk."

Hij gaat net zo worden als ik.