Tussen Kerst en Oud & Nieuw

It was 20 years ago today, de periode tussen Kerst en Oud & Nieuw in 1989. Het was godverlaten stil in de Wiskunde-faculteit van de VU en ik stapte dagelijks om 10 uur ‘s ochtends de verduisterde kantine binnen om een bekertje diepzwarte koffie te tappen uit de automaat. Uit het apparaat ernaast betrok ik een in plastic verpakte gevulde koek. Vervolgens nestelde ik me aan een tafeltje naast de onverlichte kerstboom, trok de asbak binnen comfortabeler handbereik, stak een shaggie op en genoot van de serene rust die heerste.
Het ritueel van koffie halen en een sigaret roken in de verlaten kantine herhaalde ik elk uur. Afentoe plukte ik een kerstbal uit de boom, voetbalde er eventjes mee, en als ie dan nog heel was hing ik ‘m terug. In de andere gevallen moffelde ik de scherven onder het feestelijke rode crepepapier aan de voet van de boom.

Let op, ik kwam niet voor mijn lol in die Wiskunde-faculteit tijdens het algehele academische kerstreces. Ik had wel degelijk activiteiten te verrichten. Te weten: strafwerk. Eerder dat semester had ik bij het onbeduidende kloterige kutcomputervak ‘Inleiding Programmeren’ de zaak proberen te flessen. En ik was gesnapt. Voor de eindopdracht had ik het digitale equivalent van 40 matrixprinterpapiervelletjes aan computercode praktisch letterlijk gekopieerd van een studie-genoot die dezelfde eindopdracht ("sleutel een programma in elkaar dat invoerbestanden van weggedraggegevens automatisch omzet in geadresseerde facturen voor snelheidsovertreders"), een jaar eerder met vlag en wimpel had gehaald.
Uiteraard had ik hier en daar de naam van een variabele consequent veranderd, wat nog best veel werk was, want je had toen nog geen "zoek en vervang" (alles ging nog in de vi-editor op unix), maar voor de rest was het dus precies dezelfde computercode die ik had ingeleverd.

Computervakken stonden nog in de kinderschoenen, ik had gedacht: dat merken ze niet. Bovendien had ik gedacht: de uitwerking van een oplossing voor een wiskundig probleem is ook vaak relatief eenduidig, dus deze schaamteloze jat-exercitie valt niemand op. En zo toch, wie kan me dan wat maken?

Enfin, dat konden ze dus wel degelijk. De docenten bleken over revolutionaire software te beschikken die twee digitale bestanden met elkaar kon vergelijken. Dat een dergelijk geavanceerd hulpmiddel ooit zou worden ontwikkeld had ik nooit bevroed, laat staan zo snel. Ik dacht: als dat allemaal mogelijk is, dan gaan computers nog eens heel belangrijk worden. Maar dat terzijde.
Mijn verweer, dat van die eenduidige wiskundige oplossingen, zette ook niet echt zoden aan de dijk.
"Hoe gek het misschien ook klinkt", zei een van de docenten, de hoogste, een professor, "in computercode kun je wel degelijk een uniek handschrift herkennen. En die computercode van jou is, hoe zal ik het stellen, helaas niet bepaald *ingewikkelde acadamische term*
"Quoi?" vroeg ik.
"Niet uniek", zei de professor.
"Dat zegt niks", probeerde ik nog even, "een groot wijs man heeft ooit eens gezegd: ‘All great minds think alike’, dus het zou toch prima kunnen dat ik…"
"En wie precies heeft dat gezegd?" onderbrak de professor me.
"Nou, iemand", zei ik, "een groot wijs man… heb ik gelezen."
"Waar heb je dat gelezen?"
"Ik bedoel gehoord", zei ik.
"En waar heb je dat gehoord?"
"Euh, op een feestje… geloof ik… ofzo…", zei ik.
"Kijk Sven", zei de professor, "hoezeer ik ook waardeer dat je een citaat van Voltaire probeert aan te wenden tijdens je verdediging, we zullen toch echt moeten stellen dat je in deze casus, te weten de eindopdracht van het edele vak ‘Inleiding Programmeren’, de docenten voor het blok hebt gezet door ze in aanraking te brengen met een hypothetisch fraude-geval dat door de ondersteundende software voor meer dan 99% significant bewezen wordt geacht."
"Tsja", zei ik.

Om een lang verhaal kort te maken: ik was vies de lul. En moest voor straf mijn kerstvakantie doorbrengen met het programmeren van een ‘Romeinse calculator’, oftewel software die rekensommetjes a la MCXLIV + XIX kon laten uitmonden in oplossingen als MCLXIII.
Best veel werk. Nog meer dan die oorspronkelijke eindopdracht.
Bovendien: geloof maar niet dat ik hiermee alsnog de studiepunten voor het (doctoraal verplichte) vak binnen zou hebben, ben je gek! Het was 1989, en de acadamische eisen waren streng en nog niet aan een vrije val onderworpen. Ik moest deze strafopdracht volbrengen om volgend semester de kans te krijgen om helemaal van voren af aan, dit vak uberhaupt opnieuw te mogen volgen.

Ik heb goed leren programmeren though, in die tijd tussen Kerst en Oud & Nieuw. En ik had er tot mijn stomme verbazing nog lol in ook. Zoveel lol, dat ik bedacht dat ik hier later eventueel best wel mijn vak van zou willen maken.
Which I did. In the end.

Ik ventileer hier op dit weblog regelmatig dat ik een hekel heb aan mijn werk. En dat heb ik ook. Begrijp me niet verkeerd. Met mijn stomme kop heb ik destijds de serene rust die heerste in de kantine tijdens de kerstvakantie, verward met een toekomstige leuke baan.

Een cruciale vergissing in mijn leven. Want zoals ik inmiddels heb ontdekt kenmerkt je werkomgeving als programmeur zich als volgt:
Je zit in een kantoortuin met 40 andere collega’s, waarvan de helft driftig zit te bellen en de andere helft slap aan het ouwehoeren is. Dus serieus nadenken is er niet bij. Laat staan intelligente software ontwerpen, of desnoods onderhouden.
Dus dan denk je: fuck them, ik ga wel een potje lopen internetten, maar ook dat kun je vergeten want iedereen kan op je beeldscherm kijken en de sociale controle is groot, waarbij geldt: slap ouwehoeren mag, want dat is teamgeestbevorderend, maar elke particuliere activiteit is een ‘no go’, want dat doe je dus gewoon niet in ‘de tijd van de baas’.
Dus wat doe je? Je doet maar wat. Je lult mee. Je haalt nog eens een rondje koffie, vlucht afentoe het rookhok in, lacht ook daar mee om de belegen grappen. Weer terug op je werkplek staar je naar je beeldscherm, peinst een uur over een probleem dat je normaal gesproken binnen 5 minuten stilte zou hebben opgelost.

20 jaar later doe ik het nog steeds, dat programmeren. Of in ieder geval zoiets. Een beetje schrijver had in de uren die ik nutteloos op kantoren heb doorgebracht het complete oeuvre van Vestdijk bij elkaar kunnen schrijven.
Die kon trouwens zoals bekend ook niet tegen rumoer. Onvoorspelbare bijgeluiden. Dus zette hij zijn stofzuiger maar aan. Heb je tenminste allesoverstemmend monotoon rumoer. Leidt minder af. De freak.

Enfin. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb die beslissing om te gaan schrijven nooit durven nemen. Misschien door de drank. De drank die ik wellicht nodig had om de kantoor-ellende te compenseren maar die tegelijkertijd mijn capaciteiten decimeerde.
Waarschijnlijker is dat ik eigenlijk bang ben helemaal niet te kunnen schrijven. Misschien was het allemaal een vlucht, ik weet het niet. Ik wil het ook niet weten.

Wel weet ik dat het nu tussen Kerst en Oud & Nieuw is. Dat de kantoortuin morgen, als ik op mijn werk verschijn, leeg zal zijn.
Net als ieder jaar.
Dit zijn mijn dagen. Dit is alles wat ik wil. Alles wat ik wil is stilte. In de stilte ben ik snel. In stilte gedij ik. In de stilte wel. Stil. Waar het stil is zal ik slagen.

Right.

4 thoughts on “Tussen Kerst en Oud & Nieuw

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s