Statcounter in 2009

Geheel volgens de traditie geef ik aan het eind van het kalenderjaar een overzicht van de 10 grappigste/vreemdste/sneuste zoekopdrachten waarmee mensen dit jaar op plukdenacht zijn beland.

In de categorie "vreemd" was dat:
7 Jul 01:16:34 www.google.nl plaatjes van boze mensen die slaan kikker met hamer

In de categorie "poezie":
5 Jan 22:06:13 www.google.nl simon vinkenoog coupe penalty stip

In de categorie "toeristisch leed":
29 Mar 03:30:59 www.google.nl godverdomme klote google vertel iets goeds over hamburg

"Autoleed" of "De man die nooit weg reed":
25 Jan 13:22:56 www.google.nl wat betekent (!) rode lampje in auto 

Mannenleed:
3 Nov 13:24:21 www.google.nl enfin kom thuis, wijf pleite

Vrouwenleed:
31 Jan 10:22:55 www.google.nl menstruatie erg gieteren

Dierenleed:
15 Mar 10:29:55 www.google.nl bewusteloze kat begraven in paniek

Familieleed:
23 Dec 18:51:32 www.google.nl mijn vader is een vieze vuile klootzak gedicht

Sex:
16 Dec 15:05:36 www.google.nl elektrishe tandenborstel in kut 5min

Plaatjes zoeken:
9 Sep 16:19:21 www.google.com foto van generatie kloof

Maar het meest heb ik te doen met de persoon die op 28 februari om 17.25 googlede op:

28 Feb 17:25:46 www.google.nl tieten zuigen met stofzuiger

Waarna diezelfde persoon op diezelfde dag, 3 uurtjes later wanhopig(?) de volgende zoekopdracht inklopte:

28 Feb 20:42:38 www.google.nl tieten in stofzuiger gezogen

Een fijne jaarwisseling you all!

Advertisements

Tussen Kerst en Oud & Nieuw

It was 20 years ago today, de periode tussen Kerst en Oud & Nieuw in 1989. Het was godverlaten stil in de Wiskunde-faculteit van de VU en ik stapte dagelijks om 10 uur ‘s ochtends de verduisterde kantine binnen om een bekertje diepzwarte koffie te tappen uit de automaat. Uit het apparaat ernaast betrok ik een in plastic verpakte gevulde koek. Vervolgens nestelde ik me aan een tafeltje naast de onverlichte kerstboom, trok de asbak binnen comfortabeler handbereik, stak een shaggie op en genoot van de serene rust die heerste.
Het ritueel van koffie halen en een sigaret roken in de verlaten kantine herhaalde ik elk uur. Afentoe plukte ik een kerstbal uit de boom, voetbalde er eventjes mee, en als ie dan nog heel was hing ik ‘m terug. In de andere gevallen moffelde ik de scherven onder het feestelijke rode crepepapier aan de voet van de boom.

Let op, ik kwam niet voor mijn lol in die Wiskunde-faculteit tijdens het algehele academische kerstreces. Ik had wel degelijk activiteiten te verrichten. Te weten: strafwerk. Eerder dat semester had ik bij het onbeduidende kloterige kutcomputervak ‘Inleiding Programmeren’ de zaak proberen te flessen. En ik was gesnapt. Voor de eindopdracht had ik het digitale equivalent van 40 matrixprinterpapiervelletjes aan computercode praktisch letterlijk gekopieerd van een studie-genoot die dezelfde eindopdracht ("sleutel een programma in elkaar dat invoerbestanden van weggedraggegevens automatisch omzet in geadresseerde facturen voor snelheidsovertreders"), een jaar eerder met vlag en wimpel had gehaald.
Uiteraard had ik hier en daar de naam van een variabele consequent veranderd, wat nog best veel werk was, want je had toen nog geen "zoek en vervang" (alles ging nog in de vi-editor op unix), maar voor de rest was het dus precies dezelfde computercode die ik had ingeleverd.

Computervakken stonden nog in de kinderschoenen, ik had gedacht: dat merken ze niet. Bovendien had ik gedacht: de uitwerking van een oplossing voor een wiskundig probleem is ook vaak relatief eenduidig, dus deze schaamteloze jat-exercitie valt niemand op. En zo toch, wie kan me dan wat maken?

Enfin, dat konden ze dus wel degelijk. De docenten bleken over revolutionaire software te beschikken die twee digitale bestanden met elkaar kon vergelijken. Dat een dergelijk geavanceerd hulpmiddel ooit zou worden ontwikkeld had ik nooit bevroed, laat staan zo snel. Ik dacht: als dat allemaal mogelijk is, dan gaan computers nog eens heel belangrijk worden. Maar dat terzijde.
Mijn verweer, dat van die eenduidige wiskundige oplossingen, zette ook niet echt zoden aan de dijk.
"Hoe gek het misschien ook klinkt", zei een van de docenten, de hoogste, een professor, "in computercode kun je wel degelijk een uniek handschrift herkennen. En die computercode van jou is, hoe zal ik het stellen, helaas niet bepaald *ingewikkelde acadamische term*
"Quoi?" vroeg ik.
"Niet uniek", zei de professor.
"Dat zegt niks", probeerde ik nog even, "een groot wijs man heeft ooit eens gezegd: ‘All great minds think alike’, dus het zou toch prima kunnen dat ik…"
"En wie precies heeft dat gezegd?" onderbrak de professor me.
"Nou, iemand", zei ik, "een groot wijs man… heb ik gelezen."
"Waar heb je dat gelezen?"
"Ik bedoel gehoord", zei ik.
"En waar heb je dat gehoord?"
"Euh, op een feestje… geloof ik… ofzo…", zei ik.
"Kijk Sven", zei de professor, "hoezeer ik ook waardeer dat je een citaat van Voltaire probeert aan te wenden tijdens je verdediging, we zullen toch echt moeten stellen dat je in deze casus, te weten de eindopdracht van het edele vak ‘Inleiding Programmeren’, de docenten voor het blok hebt gezet door ze in aanraking te brengen met een hypothetisch fraude-geval dat door de ondersteundende software voor meer dan 99% significant bewezen wordt geacht."
"Tsja", zei ik.

Om een lang verhaal kort te maken: ik was vies de lul. En moest voor straf mijn kerstvakantie doorbrengen met het programmeren van een ‘Romeinse calculator’, oftewel software die rekensommetjes a la MCXLIV + XIX kon laten uitmonden in oplossingen als MCLXIII.
Best veel werk. Nog meer dan die oorspronkelijke eindopdracht.
Bovendien: geloof maar niet dat ik hiermee alsnog de studiepunten voor het (doctoraal verplichte) vak binnen zou hebben, ben je gek! Het was 1989, en de acadamische eisen waren streng en nog niet aan een vrije val onderworpen. Ik moest deze strafopdracht volbrengen om volgend semester de kans te krijgen om helemaal van voren af aan, dit vak uberhaupt opnieuw te mogen volgen.

Ik heb goed leren programmeren though, in die tijd tussen Kerst en Oud & Nieuw. En ik had er tot mijn stomme verbazing nog lol in ook. Zoveel lol, dat ik bedacht dat ik hier later eventueel best wel mijn vak van zou willen maken.
Which I did. In the end.

Ik ventileer hier op dit weblog regelmatig dat ik een hekel heb aan mijn werk. En dat heb ik ook. Begrijp me niet verkeerd. Met mijn stomme kop heb ik destijds de serene rust die heerste in de kantine tijdens de kerstvakantie, verward met een toekomstige leuke baan.

Een cruciale vergissing in mijn leven. Want zoals ik inmiddels heb ontdekt kenmerkt je werkomgeving als programmeur zich als volgt:
Je zit in een kantoortuin met 40 andere collega’s, waarvan de helft driftig zit te bellen en de andere helft slap aan het ouwehoeren is. Dus serieus nadenken is er niet bij. Laat staan intelligente software ontwerpen, of desnoods onderhouden.
Dus dan denk je: fuck them, ik ga wel een potje lopen internetten, maar ook dat kun je vergeten want iedereen kan op je beeldscherm kijken en de sociale controle is groot, waarbij geldt: slap ouwehoeren mag, want dat is teamgeestbevorderend, maar elke particuliere activiteit is een ‘no go’, want dat doe je dus gewoon niet in ‘de tijd van de baas’.
Dus wat doe je? Je doet maar wat. Je lult mee. Je haalt nog eens een rondje koffie, vlucht afentoe het rookhok in, lacht ook daar mee om de belegen grappen. Weer terug op je werkplek staar je naar je beeldscherm, peinst een uur over een probleem dat je normaal gesproken binnen 5 minuten stilte zou hebben opgelost.

20 jaar later doe ik het nog steeds, dat programmeren. Of in ieder geval zoiets. Een beetje schrijver had in de uren die ik nutteloos op kantoren heb doorgebracht het complete oeuvre van Vestdijk bij elkaar kunnen schrijven.
Die kon trouwens zoals bekend ook niet tegen rumoer. Onvoorspelbare bijgeluiden. Dus zette hij zijn stofzuiger maar aan. Heb je tenminste allesoverstemmend monotoon rumoer. Leidt minder af. De freak.

Enfin. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb die beslissing om te gaan schrijven nooit durven nemen. Misschien door de drank. De drank die ik wellicht nodig had om de kantoor-ellende te compenseren maar die tegelijkertijd mijn capaciteiten decimeerde.
Waarschijnlijker is dat ik eigenlijk bang ben helemaal niet te kunnen schrijven. Misschien was het allemaal een vlucht, ik weet het niet. Ik wil het ook niet weten.

Wel weet ik dat het nu tussen Kerst en Oud & Nieuw is. Dat de kantoortuin morgen, als ik op mijn werk verschijn, leeg zal zijn.
Net als ieder jaar.
Dit zijn mijn dagen. Dit is alles wat ik wil. Alles wat ik wil is stilte. In de stilte ben ik snel. In stilte gedij ik. In de stilte wel. Stil. Waar het stil is zal ik slagen.

Right.

Feestje

Gisteren liep ik met L. door de barre kou (-10, maar vanwege de stevige Noordenwind was de gevoelstemperatuur minstens -20). We waren op weg naar de housewarmingparty van Ome Bennie in Oud-Zuid en doorkruisten het Vondelpark.
"Moet je zien hoe mooi het erbij ligt, met die sneeuw en alles", zei ik, "kijk nou toch eens hoe schitterend!"
"Ik kijk helemaal niks", zei L., "ik heb het veel te druk met oppassen dat ik niet op mijn muil ga."
"Stel je niet aan", zei ik, en beng, daar lag ik. Niet door een rechtse hoek van mijn meisje, maar vanwege de verraderlijke laag doorzichtige ijzel die het asfalt bedekte.
"Fuck!", zei ik en keek beteuterd toe hoe een paar meter verderop mijn bierblik lag leeg te gulpen.
"Stel je niet aan", grijnsde L terwijl ze me overeind trok.

Het was koud. Bitterkoud. Te koud om mijn handen uit mijn wanten te halen om een sigaret op te steken. Tijdens onze dappere voettocht door de hel van 2009 stopten we 2 keer om een horeca-uitspanning in te vluchten (Welling en Wildschut), waarna we, weer enigszins ontvroren, om 23.15 eindelijk aanbelden bij Ome Bennie.
Binnen was het druk. Stampvol.
"Bier staat op het balkon", had Ome Bennie me verteld.
Ik checkte het balkon. Daar stonden inderdaad nog anderhalf treetje met halve liters. Daar gaan ze het eind van de avond niet mee halen, bedacht ik, en plukte 5 blikken van een tree, verstopte er 4 onderin de zak met oud-papier die in de keuken stond, en met de 5e begaf ik me in de menigte.

Het was een leuk feestje. Veel ga ik daar verder niet over zeggen. Veel kan ik er ook niet over zeggen, omdat ik er weinig meer van weet. Maar dat het een leuk feestje moet zijn geweest weet ik wel. Anders was ik niet zo lang gebleven.

Flarden die ik me nog herinner zijn o.a. de volgenden:

– Dat Dik Bleek, de dichter, toch weer kans heeft gezien om me op mijn ‘plexus’ (een plekje ongeveer net onder je ribbenkast, geloof ik) te slaan. Dik Bleek doet aan de een of andere vecht-, of misschien beter gezegd: verdedigingssport, en laat geen gelegenheid glippen om de belangrijkste vaardigheden in kwestie lijfelijk te doceren. Als ie bijvoorbeeld zegt: "Probeer me maar eens een rechtse hoek te geven", dan weet je al hoe laat het is: dan krijg je een klap op je plexus.
Want het is altijd de plexus.
Waarna je nog 3 kwartier naar adem happend ligt bij te komen.
Zo ook gisteren. "Pak me maar met twee handen om mijn keel", zei ie.
Ik ben niet helemaal achterlijk, dus ik zei: "Dikke lul", en hield mijn armen angstig voor mijn middenrif.
"Heel verstandig", zei Dik Bleek, "want als je iemand met twee handen om z’n keel grijpt, dan geef je je wapens weg."
Ik knikte gedwee.
"Ik herhaal: Geef nooit je wapens weg", zei Dik Bleek.
"Precies", zei ik, "goed gesproken", en nam een slok van mijn pils.
"Want voor je het weet…", zei Dik.
Bats!
Toch weer een klap tegen mijn plexus.

– Dat ik met een lieve architect heb gepraat die van lage gebouwen hield, want dat was ‘een veel grotere uitdaging’.

– Dat iemand op een gegeven ogenblik riep dat het bier op was. En dat ik toen in het oud-papier ben gaan snuffelen, en naast mezelf een paar vrienden heb blij gemaakt.

– Maar vooral herinner ik me dus dat ik heel lang gebleven ben. Echt belachelijk lang. Er waren weinig mensen meer over. Alleen Ome Bennie, Dik Bleek, L. en mijzelve zaten er nog. Met op de tafel waar we omheen zaten alle cadeautjes die Ome Bennie en zijn vriendin deze avond hadden gekregen, te weten een onnoemelijke voorraad flessen rooie en witte wijn. Waarvan de meesten inmiddels leeg. Maar niet allemaal. We deelden de restjes op in onze koffiekopjes (het glastijdperk was al uren eerder geeindigd) en ontkurkten de laatste paar vollen.
Wat ook op tafel lag was de in plukjes verdeelde zware shag van Dik Bleek, die eerder die avond in een plas wijn was gevallen (de inhoud van dat pakje shag, niet Dik), die strategisch te drogen was gelegd onder de hanglamp.
Ik had nog een pakje vloeitjes over en om de beurt zochten we een opgedroogd plukje uit om op te rollen en op te roken.

Best gezellig. Meer is eigenlijk ook niet nodig in het leven. Restjes wijn in koffiekopjes, een plukje zware shag, plus hier en daar wat prettige aanwezigheid om je heen.

Niet dat er verder niets gebeurde. Ome Bennie zette het zoveelste muziekje op, en voor ik het in de smiezen had probeerden we met z’n allen de knoeperthoge spookzang van "Wuthering Heights" – Kate Bush, in hoogte te overtreffen.

Ooh, it gets dark

Dat vonden we leuk.
Dus dat deden we nog een keer.
En nog eens.
En toen kwam E., de vriendin van Ome Bennie, uit bed om het volume iets naar beneden te draaien.
Ook best. Wij schonken nog eens in.

En grabbelden onder de lamp naar tabak.
Waarna ongetwijfeld enorm diepzinnige gesprekken zijn gevoerd.
I was perfectly happy.

Wel werd het ondertussen steeds kouder.
"Staat de verwarming eigenlijk aan?" vroeg ik op een gegeven ogenblik aan Ome Bennie.
"Volgens mij wel", zei ie.
Maar toen m’n vingers op een gegeven ogenblik begonnen te trillen van de kou, en ik niet meer normaal een shaggie kon draaien, werd het me toch te gek. Ik pakte mijn winterjas van de gang, knoopte mijn sjawl om, zette mijn muts op, en nam weer plaats aan tafel.
"Ga je naar huis?" vroeg Dik Bleek.
"Ben je gek", zei ik, "ik heb het alleen maar een beetje koud. Is er nog wijn?"

Die was er. Net zolang tot L. op een gegeven ogenblik opmerkte dat het al licht was.
"Licht?" vroeg Dik Bleek.
"Onmogelijk", zei ik, "het is half december, dan wordt het pas licht om half 9."
"Ja, maar het is ook half 9", zei Ome Bennie.
Ik keek op mijn mobiele telefoon. Het was inderdaad half 9.
"Krijg nou wat", zei ik. Daarna pas keek ik naar buiten. Daar was het inderdaad licht. Bovendien zag ik toen dat de balkondeuren wagenwijd openstonden. Hence de koude.
Tegelijkertijd checkte Ome Bennie de thermostaat: "Je hebt toch gelijk", zei ie, "wat gek, de verwarming staat inderdaad maar op 5 graden."

Dat had E. knap gedaan.

En misschien had ze ook wel gelijk. Ik belde een taxi. Door een schitterend sneeuwlandschap werden L. en ik terug gereden naar Oud-West.
Alwaar de kat in alle staten was omdat ze haar nachtelijke maaltijd had gemist.
Ik gaf haar een schoteltje brokjes, en ging naast L. in bed liggen.

"Dat was nou nog eens een mooi feest", zei ik.

Aankondiging

AANKONDIGING

MAANDAG 21 DECEMBER,  Aanvang 21.00

FESTINA LENTE POEZIESLAG

Cafe_festina_lente

JURY: ERIK JAN HARMENS, RICK DE LEEUW, SVEN ARIAANS

Ejh_2 Rick_de_leeuw_2 Sa   

PRESENTATIE: SANDER MEIJ, LIVE INTERNET VERSLAG: MARTIJN DEN BAKKER

Sander_en_martijn

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

Wie goed heeft gelezen valt een aantal dingen op. Inderdaad. De Festina Poezieslag is in dit nieuwe seizoen verplaatst van de 3e dinsdag van de maand naar de 3e MAANDAG van de maand.

Daarnaast hebben we twee nieuwe juryleden. Ten eerste is dat oude bekende Erik Jan Harmens. Maar ook hebben we Rick de Leeuw bereid gevonden. Simon Vinkenoog is uiteraard onvervangbaar, maar met deze 2 grote nieuwe namen hopen we het gemis zo veel mogelijk goed te maken.

Komen dus! Tot maandag!

NK Poetryslam 2009

Als je zoals L. en ik erg houdt van uit eten gaan, maar over een niet al te grote maag beschikt, en je bent toevallig in Utrecht, dan kan ik je zeker restaurant "Pronto! Pronto!" aanraden. Ze serveren daar louter kleine gerechten, stuk voor stuk voorzien van smakelijke omschrijvingen waarin sausjes met stroop en kruidkoek een voorname rol spelen, voor een schappelijke prijs (9 euro). En belangrijker: ze hebben er voor weinig geld de lekkerste wijnen van de stad. Mocht je er zitten dan kan ik je zeker de Negroamora uit 2006 (rood) aanbevelen.
Ik weet trouwens niet zeker of dat exact de goeie naam is, maar ik probeer ‘m altijd op die manier bij wijze van ezelsbruggetje uit mijn geheugen op te duikelen, omdat de sommelier een lieve neger is. Die overigens sprekend lijkt op die receptionist uit de TV-serie Hotel Babylon, maar dat terzijde.

Want daar wilde ik het helemaal niet over hebben. Ik wilde het hebben over het NK Poetryslam dat gisteren (zaterdag) voor de achtste maal werd gehouden. Dit keer in Tivoli de Helling te Utrecht. Dat ligt ergens op een verlaten terreintje buiten de Utrechtse slotgracht, maar is desondanks nog best te belopen vanaf het station. En ook vanuit Pronto Pronto, waar L. en ik dus vantevoren zaten te eten. Met een derde glas Negroamora 2006 in onze handjes bespraken we de serieuze kanshebbers voor de zege. Dat waren er een hoop.
"Ellen Deckwitz", zei L.
"Of Peter M. van der Linden", zei ik.
"Of die sympathieke Belg", zei L., "Jee Kast".
"Of Jeroen Naaktgeboren. Je weet nooit."
"Ja, of Boris de Jong."
"Misschien wel Daan Doesborgh."
"En Martijn Teerlinck is ook niet kansloos."
"Maar de rest wel", zei ik.

We hadden slechts 4 namen niet genoemd. Te weten die van Martin Beversluis, David Boelee, Lennart Pieters en ten slotte de man die ik, zou ik bookmakerquotes mogen maken, rustig op 1 tegen 1000 zou durven te noteren: Melvin van Eldik. Een oude vent die elke gelegenheid aangrijpt om oeverloos te dichten over vagijntjes en gristenspleetjes.

Maar goed, binnen die 11 deelnemers 7 goeie slammers, 7 kanshebbers dus. Ergo: een enorm spannende aangelegenheid, dit 8e NK. Direct bij binnenkomst in Tivoli de Helling kwamen we Festina-winnares Ellen tegen. Ze was er met haar ouders.
"Ik ben ontzettend zenuwachtig", zei ze tegen ons. Haar ouders knikten: "Ze is heel zenuwachtig."
"Dat is mooi", zei ik, "zenuwen kunnen nooit kwaad."
"Zenuwen zijn een goed teken", beaamde L.
"Als je voor de rest gewoon jezelf bent en verder geen rare dingen doet, dan werkt zichtbare nervositeit doorgaans alleen maar in je voordeel bij zowel publiek als jury", zei ik.
"Denk je?" vroeg Ellen.
"Zeker weten", zei ik.
"Zenuwen zijn sympathiek", zei L.
"Wat heb je eigenlijk geloot?" vroeg ik aan Ellen, "op welke plek moet je optreden?"
"Als vijfde", zei Ellen.
"Perfect", zei ik, "in het midden. Dan maak je een goeie kans."

Degene die minder gunstig had geloot was Festina-afgevaardigde Martijn Teerlick (de nr 2 van onze jaarfinale). Hij moest als eerste. Wanneer je als eerste moet ben je de lul. Eigenlijk al bij voorbaat kansloos. In het begin worden namelijk nog geen hoge punten gegeven door de jury (dit jaar bestaande uit Jules Deelder, Janita Monna (een poezie-recensente van de Groene Amsterdammer) en Jacques Kloters (radiopresentator van de Sandwich)). Ze weten immers niet wat ze voor de rest nog kunnen verwachten. Wanneer je als eerste moet krijg je automatisch een 7. Ongeacht of je nu briljant bezig bent geweest of juist superslecht. En een 7 blijkt in de praktijk nooit genoeg om door te gaan naar de tweede ronde. Martijn stond er bedrukt bij. Hij was er trouwens ook met zijn ouders. Die keken eveneens bedrukt.

Bon. We konden beginnen. Maar voordat het slamgeweld losbarstte, en Martijn zijn rijtje zeventjes mocht incasseren van de jury, was er eerst nog een mooi gebaar van de organisatie. Edith Ringnalda, de weduwe van de dit jaar overleden nestor van de Nederlandse slampoezie Simon Vinkenoog, mocht de nieuwe hoofdprijs van het NK slam dopen. In de kooi waar vroeger de Gouden Albatros huisde, nestelde nu een naar Simon vernoemde Gouden Vink, en Edith mocht ‘m overgieten met een fles Moet Chandon. Op professionele wijze liet ze de kurk in het publiek knallen en gutste daarna de inhoud over de kooi heen. Niet een scheutje, niet een halve fles, maar gewoon the full work met nadruppelen en al. Op het podium vormde zich een vijver waar de slammers nog de hele avond in zouden kunnen pootjebaden.

En toen dus het NK zelf. Veel ga ik daar nu niet over schrijven. Ergens anders op internet, op pomgedichten, is al min of meer liveverslag gedaan door Marcel Linssen en Mike Platenkamp.

Er was een terechte finale. Eentje tussen Peter M. van der Linden (de publiekswinaar van de Festina jaarfinale) en Ellen Deckwitz (onze jurywinnares). Beiden hadden reeds in de eerste ronde, waarin ze respectievelijk als 4e en 5e mochten optreden, een gapend gat geslagen op de concurrentie. Peter opende met zijn prachtige, zowel dynamisch als gevoelige, Alzheimer-gedicht, Ellen met het schitterend beeldende en originele ‘Octopus’.
Ik heb het wel eens eerder gezegd, maar zeg het nu opnieuw: op een NK gaat het om de eerste klap(per). Die is meer dan een daalder waard. Nergens anders is een eerste indruk zo belangrijk als daar. Dat komt doordat je direct na je eerste optreden een keiharde cijfermatige feedback krijgt van de jury. Wanneer die je hoge punten geeft, dan krijg je even later, bij de line-up met de andere dichters voor het publieksapplaus, doorgaans ook een hogere score op de decibelmeter. En een hoge score op de decibelmeter zorgt ervoor dat de jury geneigd is je in de volgende ronde ook weer hoge cijfers toe te bedelen. Even kort door de bocht: Een NK winnen is een selffullfilling prophecy, waarbij je eerste gedicht het beste van de avond moet zijn.

Er was 1 iemand die er nog tussen had kunnen komen, en dat was Daan Doesborgh. Een 21-jarige goser uit Venlo, die in de verte lijkt op Giel Beelen (die trouwens ook in de jury zou zitten, ware het niet dat ie was verhinderd omdat ie het Glazen Huis in is gestemd). Met zijn eerste ronde, waarin ie aangenaam ratelend het fenomeen TellSell belichtte, haalde ie een verdomd hoge publieksscore. Maar hij verknalde zijn tweede ronde door al te zeer in niveau te dalen. Wat dat betreft is een eerste goeie klapper een noodzakelijke voorwaarde, maar niet afdoende: je moet natuurlijk wel over genoeg kwalitatief toereikend materiaal beschikken om het tot en met de finale-battle uit te zingen.

Peter en Ellen hadden dat. En Ellen ging daar weer net iets handiger mee om dan Peter. Op Poms site las ik dat Peter van zinnens was geweest om de gedichten "Smoor" en "Flipper" te doen. Had ie het maar gedaan. Die laatste is een regelrechte evergreen. Een van de hoogtepunten uit de Nederlandse slamhistorie.
Maar dat deed ie dus niet. In het het heetst van de strijd, tijdens de battle tegen Ellen, liet Peter zich toch verleiden om in plaats van "Flipper" het gedicht "Letterslet" te doen.
Terwijl ie ‘m inzette dacht ik: hier verlies je ‘m op. Daar gaat je NK. Net als Gijs ter Haar vorig jaar, ga je ‘m hier verliezen op sympathie. Gijs disde daar in de finale de latere winnares Najiba Abellaoui. O.a. vanwege haar jeugdelijke vrouwzijn. Najiba disde ‘m dodelijk terug met een counteropmerking: "chagrijnige ouwe lul."
Game, set en match.
Dissen in poetryslam kan alleen als het abstract en elegant wordt gedaan. Zoals Bernard Christansen dat kon bij Marlies Somers met zijn gedicht ‘schrijnend’. Dissen verliest in d
e poeziewereld zijn kracht als het geschiedt op eendimensionale wijze, als het gaat met de botte bijl en/of grove termen. Dan werkt het averechts.
‘Letterslet’. Zelfmoord.
Als Peter ‘Flipper’ had gedaan, dan had ik het nog willen zien. Daar staat tegenover dat Ellen weergaloos in vorm was.

Ze won. Als enige vrouw van het Nederlandse slam-elftal.
Het was verdiend.
En de ontlading was groot, getuige een briljante foto van Ingmar Heytze (Ellen met de Gouden Vink, Edith op de achtergrond):

Ellen_en_edith

(c) Ingmar Heytze

Nadat de kruitdampen waren opgetrokken zijn L. en ik met Pim te Bokkel nog naar de zich steeds verplaatsende afterparty geweest. Van cafe naar cafe, naar nachtcafe en nog verder. Samen met de winnares die zich inmiddels had ontdaan van ouders, de presentator, de organisatrice, en nog een heel gevolg. We hebben de complete Utrechtse binnenstad gezien en onderweg continu variaties gezongen op "Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder" van Ramses Shaffy. Tot alle flauwiteiten aan toe. "Dicht, slam, huil, bid, pin, drink en bewonder".
Het was stil in Amsterdam. En Utrecht waar ik steeds weer iemand tegenkwam.

Tot L. en ik ons terugvonden op het helverlichte CS van Utrecht om, nadat de allerlaatste kroeg dicht was, de laatste nachttrein te halen. De een of andere vage Kluun-figuur in cafe Pothuys had nog geprobeerd om L. te versieren, totdat ie door kreeg dat L. en ik bij elkaar hoorden. Vervolgens vroeg ie of we dan misschien interesse hadden in een triootje.

"Pleurt op", had ik geantwoord met Jules Deelder nog in gedachten.
"Zeker weten?" vroeg ie.
"Zeker weten", zei ik.
Jesus.
Anyway. Op het CS bestelden L. en ik een koffie verkeerd bij de StationsKiosk. Dat is wel leuk van Utrecht. Dat die gewoon om half 5 ‘s nachts nog open zijn.

"Vond je het een goeie avond?" vroeg L., toen de nachttrein zich eindelijk in beweging zette.
Ik was zo brak als een grafsteen en moest denken aan de film met Jim Morisson, waarin ie dood in bad wordt aangetroffen door z’n vriendin, en dat ze toen vroeg: "is het allemaal een beetje de moeite waard geweest, Jim? Je leven?"
"Het was een schitterende avond", wilde ik zeggen, maar ik had de hik. Ik kwam sowieso niet meer uit mijn woorden.
"We hebben te weinig gegeten", zei L.; "ik 4 garnalen, jij een paar vierkante centimeter zeebaars".
"Daarom juist!", wilde ik zeggen, "Geweldig restaurant, Pronto! Pronto!", maar mijn tong blokkeerde. Ik kon niet meer. Ik was op.
Ik was stil tot Amsterdam. Waar ik een taxichauffeur tegenkwam. Die ons meenam(!). En thuis at ik een boterham. Stram, lam als een veteraan uit Vietnam. Tot ik eindelijk uit mijn woorden kwam.

"Ja", zei ik, "ik vond het een geweldig mooie avond."

Sizzling Wok

Echt in staat om te schrijven ben ik inmiddels allang niet meer. Dat wist ik reeds toen ik vanavond te Amsterdam Zuid-Oost in fastfood-keten ‘Sizzling Wok’ (met pitoresque uitzicht op de A2), een ‘Grootbier’ bestelde bij wijze van voorgerecht.

Let op: Ik verkeerde daar in het kader van het jaarlijkse familie-etentje. Georganiseerd door mijn tantes en mijn moeder, op kosten van mijn 92-jarige Oma die een paar kilometer verderop in een verzorgingstehuis dement lag te wezen. Ergo bespaar me je bijdehandte opmerkingen, het was allemaal niet mijn schuld, althans niet de locatie, en bovendien is een Grootbier in dergelijke omstandigheden welbeschouwd een verdomd slimme move. Duszz.

Sizzling Wok. Een grote lange tafel met 18 tantes, ooms, neefjes en nichtjes.
"Waarom uitgerekend daar!?" had ik vantevoren aan mijn moeder gevraagd, "wat is er mis met die leuke cocktailbar in Amsterdam Centrum, net als vorig jaar?"
"We willen het dit keer iets socialer doen", antwoordde mijn moeder.
"Socialer?" vroeg ik.
"Ja", zei mijn moeder, "zodat het voor iedereen leuk is."
"Wat is er in godsnaam leuk aan een fastfood-keten op een industrieterrein?" vroeg ik.
"Nou" zei mijn moeder, "het leuke van een wok-restaurant is dat je afentoe een loopje hebt."
"Een loopje?"
"Ja, een loopje. Je moet namelijk de hele tijd naar de keuken om je uitgekozen vlees en vis te laten wokken door een kok. Dus dat is wel gezellig, want dan hoef je tenminste niet constant met dezelfde mensen te praten."
"…"
"Bovendien ligt Sizzling Wok vlakbij de A10 en de A2, dus dan kan iedereen weer vlot thuis zijn. En dat is wel zo praktisch, want veel mensen moeten de volgende dag weer werken."
"Maar denk je dat het ook gezellig is?" vroeg ik.
"Dat denk ik wel", zei mijn moeder, "want je kunt zoveel eten als je wilt, zonder beperkingen."
"En dit alles zonder diepgaande gesprekken?" zei ik.
"Precies", zei mijn moeder.

Hence: een Grootbier. Ik had me genesteld aan het uiteinde van de tafel opdat ik met gerust hart, uit het zicht, de hele avond mijn kop tegen het raam kon bonken, onderwijl verzuchtend: "Vanwaar deze verzoeking, Here? Waarom dit verval dezer familie zo scherpgesteld op mijn netvlies? Vanwaar drappeert eenieder 20 reflecterende blauwgrijze garnalen op zijn bord, overgoten met druipende pollepels spekvette knoflooksaus, lichtgevende moten slachtzalm, bruinverpieterde paksooi en 3 kilo kernafval on the side?"
En belangrijker, waarom worden er voor 18 man slechts 2 lullige flesjes wijn besteld?

Een van mijn organiserende tantes schoof naast me aan met haar garnalen.
Ik schonk het laatste drupje uit de laatste fles wijn in haar glas.
"Vind je het goed als ik nog een nieuwe fles bestel?", vroeg ik.
"Dat kost geld", zei ze, "van mij hoeft het niet."
"Van mij wel", zei ik, en ik wenkte een Japanner. Of een Chinees. Alleszins zo’n type waar Hero Brinkman ooit eens ongelukkig over twitterde.

Ik begon een veel te lang en veel te onsamenhangend verhaal te vertellen tegen mijn favoriete tante. Over hoe ik de diepe gesprekken miste, die onze familie vroeger zo kenmerkten.
"Wat doen we hier in godsnaam aan de A2?" besloot ik mijn betoog, terwijl ik het inmiddels laatste restje van de nieuwe fles wijn in mijn zoveelste glas goot, "hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen?"
Mijn favoriete tante moest eventjes denken. Vermaalde ondertussen haar 20e en laatste garnaal. Daarna zei ze: "Zeg, moet jij niet eens een bordje gaan halen? Je weet dat het eten gratis is?"

Toen moest ik zo ontzettend roken. Niet normaal. Maar ik vezuimde het. Ik dacht: nou ga ik die fucking gifbeker voor de grap eens helemaal leegdrinken ook.

En ik nestelde me in de kern van het inmiddels uitgedunde gezelschap (de helft was al vertrokken richting de A2). Het gesprek ging over Groene Sinterklazen. Want dat is het werk van iemand van mijn familieleden. Die politiek correcte chocoladeletters enzo. Is zijn verantwoordelijkheid. Is zijn initiatief.
Best spannend. Je zou zeggen dat er een verhaal in zit. Dat ie met legio anekdotes voor de dag zou kunnen komen.
Ik zou er althans zat kunnen verzinnen. En serieus, dan hoeft het niet per se spectaculair te zijn. Voor mij hoef je niet meteen met complottheorien op de proppen te komen om mijn aandacht vast te houden. Ik bedoel, van mij hoef je niet welbespraakt te declameren dat de foute chocolade-lobby stiekem hersenloze sympathisanten van de auto-industrie aanzet om systematisch Groene Sinterklazen te fnuiken. Laat staan dat ze die laatsten ophangen aan hun macrobiotische groene ballen, aan de hoogste groene boom, met een spaarlamp in hun reet, puur en alleen om een voorbeeld te stellen.
Echt niet.

Maar kom op, een beetje pit kan geen kwaad. De groene Sinterklazenzwager daarentegen kwam met de volgende dooddoener: "Ik kan, en wil er nu niets over zeggen, we moeten eerst een evaluatie-rapport afwachten. Dus geen verdere mededelingen nu, anders kom ik wellicht in de problemen."
"Verstandig", beaamde de rest van de familie.
"Welke problemen?" wilde ik vragen. Want ik ben gek op problemen. ‘Waar problemen zijn is leven’, zeg ik altijd maar.
Maar voor ik het kon vragen peerde de Groene Sinterklazenman ‘m sneaky richting dessertbuffet.
Even een loopje.
Gezellig.

Het beste gesprek van de avond had ik met de vriendin van mijn neefje, aan het begin. Ze was ook helemaal aan het eind van de tafel gaan zitten. Ik kende ‘r nog niet zo goed, maar hier zaten we nu, met z’n tweetjes tegenover elkaar.
"Lang niet gezien", zei ik, om te openen.
"Hmm hmm", zei ze.
Echt spraakzaam was ze niet. We hadden nog niks te drinken.
Na een tijdje aftasten kwam ik erachter wat ze deed in het dagelijks leven. Ze doceerde op een MBO.
"Wat doceer je precies?" vroeg ik.
"Agressietherapie", zei ze.
Ik stopte met het bonken van mijn kop tegen het raam.
"Interessant", zei ik.
"Hmm hmm", zei mijn neefjes vriendin.
"Hoe kom je daar zo bij?" vroeg ik.
"Dat is een lang verhaal", zei ze.
"Ik ben gek op lange verhalen", zei ik.

En toen plantte die Jap dus die Grootbier neer. En een rode wijn voor mijn neefjes vriendin. Dat was nog eens een goeie samenloop van omstandigheden.
Ze vertelde over haar problematische jeugd. Haar alcoholische vader. En dat ze ‘eerlijk gezegd ergens ook wel’ een driftkop was.
Ik vroeg door naar d’r vader.
Op sympathieke wijze.
Dat vond ze leuk. Want dat deed nooit iemand. Iedereen vond haar vader altijd een lul. Zij ook, daar mochten geen misverstanden over bestaan, maar ze was blij dat iemand het eindelijk een keertje voor ‘m opnam.
"Ik neem ‘t niet voor ‘m op", zei ik.
"Toch wel", zei ze.

Kijk, dat is een goed gesprek.

Of althans een begin. Lang heeft het helaas niet mogen duren. We moesten. We moesten een loopje doen. Naar beneden. Naar de keuken. We schepten onze garnalen, we lieten ze wokken, we deden ons werk.
Daarna zat ik op andere plekken. En hadden de mensen het over chocoladeletters en andere courante actualiteiten, om maar eens een pleonasme te bezigen. Kortom, ik moest tien keer hetzelfde vertellen. Tien keer verhalen over de operatie aan mijn reet.

Soms ben ik bang dat mijn familie is verworden tot een soort nu.nl. Van alles op de hoogte willen zijn, maar oppervlakkig. En met een verdomd slechte smaak.

Tegelijkertijd weet ik dat het niet zo is. Anders zou ik niet zoveel van ze houden. Maar toch zeg ik: volgende keer weer die cocktailbar in de Jordaan.