Here we go again

Ik heb zojuist mijn teennagels geknipt.

Hallo? zullen jullie denken, wat hebben wij daar mee te schaften? Het is heel leuk dat je blogt plukdenacht, maar we hoeven echt niet alles tot in detail van je te weten. Wij bedoelen: hoe kan het knippen van je teennnagels in godesnaam relevant zijn voor hetgeen je ons in dit stukje verder wil gaan vertellen?

Misschien is het dat ook niet. Wellicht had ik het onvermeld kunnen laten. Net zoals ik niet zou hoeven zeggen dat ik voor morgenochtend nette kleding heb klaargelegd, een paar sokken zonder gaten en mijn allerschoonste onderbroek.
Ik had mededelingsgewijs net zo goed kunnen volstaan met een enkele zin.

‘Precies’, denkt de jongere generatie onder jullie nu; ‘Plukdenacht heeft gewoon een date! Waarom zeg je dat niet meteen!’
Welnu jongelui, ik heb geen date.
Deze ouwe lul moet gewoon weer naar het ziekenhuis. (En ja, voor de oudere generatie: in het portret van de week is Nabokov vervangen door Dylan Thomas)

Ik haat ziekenhuizen. Ik haat de klinische gangen waarin het ruikt naar intelligente chemicalien, ik haat het TL-licht waarin eenieder automatisch oogt alsof hij reeds in het voorportaal des doods verkeert, en ik haat de witte zalen met witte bedden, waarnaast bossen bloemen, trossen balonnen en kleurige kleutertekeningen treurig troost staan te bieden aan hen die verveeld zappen langs de kanalen van hun betaalde prive-TV.

Ziekenhuizen zijn saai. Dat is mijn leven meestal ook, maar in een ziekenhuis mag je niet drinken op de koop toe. Laat staan roken.
Terwijl dat nergens op slaat. Ik bedoel, als je met een hartinfarct op de Intensive Care ligt, dan kan ik me bij een rookverbod nog iets voorstellen, maar als je een beetje ligt uit te zieken van een kijk-operatie aan je reet, waarom zou je dan geen sigaretje mogen opsteken? Geen pilsje mogen drinken? Het zou het verblijf zoveel aangenamer maken. Ik bedoel, nu we dan toch die hele zorg aan het privatiseren zijn, dan kunnen we me dunkt ook wel een beetje aan maatwerk gaan doen. Gat in de markt, lijkt mij. Een ziekenhuis dat voor de helft bestaat uit bruin cafe. Goed voor alle patienten die zich nu grotendeels kapot lopen te vervelen, maar vooral ook goed voor de omzet, die neveninkomsten. Kan die zorgverzekeringspremie eindelijk eens een keertje echt omlaag zoals ons altijd was beloofd, in plaats van elk jaar weer omhoog.

Zonder gekheid. Een paar jaar geleden lag L. een week in het ziekenhuis. In het OLVG. Ik ging elke dag op bezoek. Het was de goeie ouwe tijd, waarin er nog gewoon een rookkamer aanwezig was in het hospitaal.
In de rookkamer was het steevast een dolle boel. Patienten werden er inclusief bed en infuus naartoe geduwd door hun vrienden, en ter plekke was het bal. Flessen wijn werden ontkurkt, joints gingen rond, en op een dag was er zelfs een goser die een gitaar bij zich had.
Het was er op een gegeven ogenblik zo gezellig, dat voor de deur een wachtrij stond waar de gemiddelde discotheek nog een puntje aan kon zuigen.
En binnen werd ondertussen gelapt om een pot te maken, zodat er weer iemand naar de Avondwinkel kon om verse drank te halen.

Die tijd is niet meer. Zowel in het OLVG als in het Slotervaart, waar ik morgen naartoe moet, is er geen enkele rookplek. Laat staan een outlet voor drankjes. Ja, op de gang is een automaat waar je blikjes cola kunt scoren, of een Twix, of een zak paprikachips. En tijdens het bezoekuur kun je op de begane grond in het ‘Grand cafe’ een cappuchino of een sandwich met zalm halen. Maar dat is het dan ook.

Ik snap het wel. De tijdgeest laat geen uitzonderingen meer toe. Mensen kunnen heden ten dage geen complexe regelgeving meer aan. Alles moet eenduidig zijn. Voor de grootste debiel te begrijpen. Ziekenhuis = gezond. Simple as that. En dat principe verdraagt geen nicotine, geen alcohol. Dat snapt een kind.

Aan de andere kant: dat kind snapt helaas ook dat het gezond is om ontzettend veel cola te drinken, enorm veel paprika-chips en Twixen te eten, en voor de rest een beetje verveeld langs TV-kanalen te zappen.
Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat dit in de toekomst het gedragspatroon van kinderen zal worden.

Sorry, flauw.
Serieus, ik geloof in logica. In dingen die te begrijpen zijn. Die eerlijk vallen uit te leggen. En ook geloof ik in welzijn voor zoveel mogelijk mensen tegelijk. Vanuit die twee basisprincipes is er volgens mij een hoop te bewerkstelligen. Mits mensen open staan voor elkaar. In staat zijn om te geven en nemen.

Volgens mij vallen er geen zwart-wit-regels op te stellen over wanneer je iets moet verbieden, of juist iets kunt tolereren.
Natuurlijk, je kunt stellen: tolereren als niemand er last van hoeft te hebben, en verbieden op het moment dat mensen er onvermijdelijk hinder van moeten ondervinden.

Maar daar ga je dus al. Want hoe ver ga je met ‘hoeft’ en hoe ver met ‘onvermijdelijk’? Daar valt een hoop over te steggelen. In het verleden gebeurde dat ook. En daar was ik blij mee. Discussie. Debat. Ratio.

Die laatste drie woorden lijken niet meer te bestaan, of hooguit voor de vorm. De ratio, het debat, de discussie, ze lijken verengd tot: ‘verbieden op het moment dat mensen er hinder van ondervinden’. Hamer. Tik. Wet.

Ik wil niet zielig doen. Want ik ben helemaal niet zielig. Het is waarschijnlijk maar voor 1 nachtje. Ik red me wel. Ik heb een zak salmiakknotsen ingeslagen (a la Cruyff, toen ie op z’n 50e na een hartinfarct plotseling moest stoppen met roken), een doosje zoethout-staafjes (in de vorm van sigaretten, gekocht bij de natuurwinkel(!)), zes pakjes Nutricia Chocomel (enige acceptabele subsituut voor alcohol), en ik heb vijf goeie boeken gekocht die ik allemaal heel graag wil lezen. Kortom, ik kom mijn tijd wel door.

Hoop ik. Het is nu 3 uur ‘s nachts. Ik drink nog een pils. Eigenlijk mag dat niet. Eigenlijk mag ik voor de operatie van morgen al sinds middernacht niets meer nuttigen, behalve thee zonder suiker of water.
Fuck them.
4 maanden geleden heb ik precies dezelfde operatie gehad, een spoedopname, en toen was het geen enkel probleem dat ik de nacht van tevoren stevig had gedronken. Zeiden ze.
Wel keek het chirurgenteam toen met een vies oog naar mijn lange teennagels.

Dus vanavond heb ik mijn teennagels geknipt.

Advertisements

De Onrendabelen

Afgelopen vrijdag was de documentaire ‘de onrendabelen’ te zien. De film is een initiatief van Marcel van Dam.
Nu niet meteen afhaken omdat je denkt: O my god, toch niet die vadsige sigaarrokende salonsocialist!? Jawel, die.

Geloof me, het is een goeie peer. Serieus. Persoonlijk heb ik Marcel van Dam hoog zitten. En dat is niet alleen vanwege zijn wekelijkse column in de Volkskrant van donderdag, waarin hij mijns inziens doorgaans op intelligente, toegankelijke wijze drogredeneringen van huidige beleidsmakers weet bloot te leggen. En het is ook niet enkel omdat hij zich geen flikker aantrekt van de tijdgeest, hoewel ik dat laatste een uitermate sympathieke eigenschap van ‘m vind. Mijn bewondering voor van Dam onstond al veel eerder, namelijk in mijn jeugd.

We schrijven de jaren 70 en 80 uit de vorige eeuw, wanneer ik opgroei in een arbeiderswijk van Tiel-West. Het zijn gelukkige jaren. Mijn vader is onderwijzer op een basisschool, later leraar op een Mavo, en mijn moeder is huisvrouw in een gezin van 5. We hebben het niet breed; mijn moeder fietst 5 kilometer om als ze de bloemkool aan de andere kant van de stad een dubbeltje goedkoper kan krijgen, maar klagen doen we geenszins. Waarom zouden we? We wonen dankzij het sociale huurbeleid in een royaal bemeten rijtjeshuis met voor alle kinderen een eigen kamer, plus een hobbyzolder voor mijn vader op de koop toe. Bovendien kunnen we het ons veroorloven om elke zomer met onze Renault 4 maar liefst zes weken te kamperen in Zuid-Frankrijk! We hebben het goed.

En als ik na 18 jaar in het ouderlijk huis te Tiel te hebben gewoond, wil gaan studeren in Amsterdam, is dat mogelijk. Mijn ouders hebben geen cent kunnen sparen, maar dat is geen probleem, want ze hoeven amper iets bij te leggen. De studie-financiering van de overheid is op honderd gulden na (3 uurtjes vakken vullen in de week, mijn studentenbaantje) voldoende om zowel collegegeld, kamerhuur als mijn levensonderhoud te dekken. En dat gedurende maar liefst 6 jaar lang!
Welk een weelde! Wat een welvaart!

‘Ja ja, heel mooi allemaal plukdenacht’, zullen jullie misschien denken, ‘fijn dat je zo’n gelukkige jeugd hebt gehad, maar wat heeft dit alles nu met Marcel van Dam te maken?’
Welnu: Marcel van Dam was destijds een rap van de tongriem gesneden politicus van de PvdA, die als de beste kon opkomen voor de belangen van ‘de gewone man’, en die op TV tijdens Den Haag Vandaag regelmatig Wiegel (met z’n gebrekkige dossierkennis) en Van Agt (gewoon dom) voor lul wist te zetten.
En het vernieuwende was destijds dat ie dat niet deed met het belerende vingertje a la partijbaas Joop den Uyl, maar juist met relativering en de nodige humor ("en zo komt Jan Splinter door de winter" – zegt jullie niks, zo buiten de context, maar geloof me was grappig destijds).

Hij was zelfs zo humoristisch en populair dat ie zijn eigen TV-programma kreeg: ‘de Achterkant van het gelijk’. Een programma waarin Marcel van Dam actuele gevoelige stellingen voorlegde aan het publiek, dat vervolgens over zo’n stelling mocht discussieren.
Niks bijzonders zul je zeggen, gewoon het format dat programma’s als stand.nl nog steeds hanteren.
Maar toch was er een verschil. Natuurlijk, het waren de 80-er jaren, de mensen waren toen nog een stuk beleefder en bescheidener dan tegenwoordig, maar toch vlogen ze elkaar ook toen al flink in de haren. Er ontstonden twee kampen, waarbij naarmate de discussie vorderde het ene ‘t steeds meer eens was met de stelling, en het andere er steeds meer op tegen.
Nog steeds niks bijzonders dus. Maar! En nu komt het, op het moment dat niemand meer naar elkaars argumenten leek te willen luisteren, kwam Marcel van Dam tussenbeide. Hij deponeerde dan opnieuw dezelfde stelling, maar nu iets genuanceerder aangezet, met een argument dat nog niet was aangevoerd.

Voorbeeldje:
Oorspronkelijke stelling: ‘Moet iedereen die chronisch z’n huur niet betaalt onmiddellijk op straat worden gezet?’
Nieuwe stelling: ‘moet iemand die al zes maanden recht heeft op een WW-uitkering, maar die deze vanwege bureaucratie nog steeds niet ontvangt, bij nalatige betaling van zijn huur onmiddellijk op straat worden gezet?’

En dan ontstond er weer beweging in de discussie.

Let op: Het kon ook de andere kant opgaan. Als vervolgens bijna niemand vond dat mensen in dat geval onmiddellijk op straat moest worden gezet, dan zei Marcel van Dam:
Nieuwe stelling: ‘Stel dat iemand al zes maanden recht heeft op een WW-uitkering, maar die vanwege bureaucratie nog steeds niet ontvangt, maar wel 30.000 gulden op zijn rekening heeft staan, moet die bij nalatige betaling van zijn huur onmiddellijk op straat worden gezet?’

En zo ging dat dan nog een paar nuances verder.
Interessant nietwaar?

Misschien is dit niet het beste voorbeeld (ik heb maar even iets verzonnen), toch was het leuke aan het toenmalige politieke wonderkind Marcel van Dam dat ie steeds met argumenten wist te komen waar het publiek niet aan had gedacht.
Waardoor je aan het eind van het programma een vrij genuanceerd beeld had van hoe de mening van de Nederlandse bevolking over bepaalde problematiek in elkaar stak.

Een beeld waarvan ik me tenminste kan voorstellen dat je er als politicus mee uit de voeten kon. Het was in ieder geval weer eens wat anders dan "Rot op met je polletiek, in Den Haag zitten toch alleen maar zakkenvullers".

Ik geloof in nuance. Ik geloof dat gemeenschappelijke welvaart en het vermogen genuanceerd te denken van een natie, min of meer rechtevenredig met elkaar verbonden zijn. Daar ben ik heel ouderwets in.
Misschien wel te ouderwets.
Net als Marcel van Dam.

Want de tijden zijn veranderd.
Helaas.
Ik ben bang dat de boodschap van ‘de Onrendabelen’ niet over zal komen. Begrijp me niet verkeerd; het is een ongelooflijk schattige film, waarin 5 personages worden gevolgd die het niet makkelijk hebben gehad in hun leven. En nu moeten leven van een uitkering. En dat valt ze niet mee.
Maar dat is niet de boodschap die de documentaire naar eigen zeggen wil vertellen. De boodschap die met de film is beoogt is dat "we voor elke stuiver die we bezuinigen op de verzorgingstaat, het risico lopen een euro terug te moeten terugbetalen."

Wie heel erg goed en herhaaldelijk reflecterend naar de documentaire kijkt, snapt die boodschap misschien uiteindelijk. Die snapt dat we voor iedereen die we, al dan niet willens en wetens, uitsluiten in deze maatschappij (lees: geen adequate baan gunnen, maar ook geen normale WAO- of bijstands-uitkering), uiteindelijk een veel hogere prijs betalen in de vorm van een (psychiatrische) verplegingszorg danwel een gevangeniscel.

Maar ik vrees dat de gemiddelde kijker die boodschap volledig is ontgaan. Daarvoor is de docu te genuanceerd. Alle prachtige personages hebben wel iets waar de huidige tijdgeest genadeloos tegenover staat. Vooral als ze een uitkering trekken.
Zo is er een dikke vrouwelijke veertiger die om de haverklap hijgend op haar bank neerploft, omdat ze moet nadenken over de inrichting van haar flatje. Terwijl ze vertelt dat ze moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen, en dat ze nooit op vakantie kan, zien we op de achtergrond een flatscreen-TV staan.
Er is een vriendelijk lachende Limburger die zich verslikt in z’n mondharmonica die ie bij de Lidl heeft gekocht. Hij kan op zich best mooi fluiten, maar het apparaat weigert, en z’n longen zijn ook niet meer al te best. Hij vertelt dat ie ‘long-embolie’ heeft. Ademhalingsproblemen.
"Komt dat door het roken?" vraagt de interviewer.
"Nee", zegt de beste man, "dt komt doordat ik altijd in steenfabrieken heb gewerkt, met al dat stof en gruis."
Daarna zien we de Limburger een zware Javaanse Jongens rollen en er de hens in zetten.
Dodelijk voor de geloofwaardigheid.
En dan heb ik het nog niet over de rest van de personages, die te schaften hebben met een crimineel verleden en wemelen van de tattoos.

Ik zeg niet dat ik ze niet geloof, want dat doe ik wel. Ik vond het stuk voor stuk enorm sympathieke mensen die ik hun uitkering van harte gun, en waar ik heel graag belasting voor betaal. Dat meen ik. Want ik snap hun situatie en ik ben een medelevend mens.
Ik zeg alleen dat als je een doel wilt bereiken, de beeldvorming in deze docu te genuanceerd is. Mensen zijn dat niet meer gewend.

Een dag later was de documentaire ‘Bowling for Colombine’ weer eens op TV. Van de linkse olifant in de porseleinkast Michael Moore.
Zwaar over de top, vond en vind ik zijn benadering. Oneerlijk ook. Gemanipuleerd. Kortom een regelrechte aanrader.
Daarmee win je tenminste tegenwoordig een slag in de oorlog.

Want een oorlog is het wel. Laten we wel wezen. Tussen het Angelsaksische neo-liberalisme en de verzorgingsstaat naar Nederlands/Scandinavisch model.

We schrijven inmiddels de 21e eeuw. We zijn twee decennia van neo-liberalisme verder. Ik ben 40. Ik was de slimste van mijn middelbare school en heb de allermoeilijkste opleiding gedaan die je destijds in Nederland kon volgen: een doctoraal in de zwaarste studie, econometrie, aan de allerstrengste Universiteit van Nederland, met de hoogste eisen, de VU. En afgerond!
En ik moet zeggen, ik heb inmiddels geen slechte baan. Je hoort mij niet klagen. Maar ergens is het gek, dat ik anno 2009, mijzelve niet eens een ruimbemeten rijtjeshuis in Tiel-West kan veroorloven. Niet dat ik dat zou willen, maar toch. En zes weken naar Zuid-Frankrijk? Vergeet het maar.
Okay, ik ben een alleenverdiener, maar dat was mijn vader de basisschoolonderwijzer ook. En ik heb dan nog niet eens geldverslindende kinderen, laat staan dat ik ze hedentendage zou moeten laten gaan studeren.
Fuck.
Wat is er gebeurd?

En wat is dat met die verpleegkundigen, en wat is dat met die politie-mensen die niet genoeg verdienen om rond te komen, zodat ze er een tweede baantje bij moeten nemen? En wat te denken van die uit de WAO geschopte 70%-afgekeurden die hun rug nog eens extra staan te vernachelen in opgelegde non-baantjes opdat ze niet worden gekort op hun uitkering?

Waar is ze gebleven? Die welvaart?

Wilders zegt: de moslims.
De cijfers zeggen: de allerrijksten.

Happy voting.

Wat is natuur nog in dit land

J.C. Bloem zei het al.

Amsterdam is de mooiste stad ter wereld, serieus. En de gezelligste. Ik ben dan ook zeer tevreden met mijn etage in de Wilhelminastraat (nabij het Vondelpark) die cafe’s herbergt op elke straathoek, en nog meer met mijn 42 vierkante meters tellende dakterras vanaf welke ik gans ‘s lands schattige micro-metropool kan overzien.
Van de Wester- tot aan de Rembrandt-toren, van het Rijksmuseum tot aan de verre rode lichtmasten bij Schiphol, het behoort allemaal tot mijn uitzicht.

Amsterdam. Ik kan om de hoek duizenden schilderijen gaan bekijken van de grootste kunstenaars die de wereld ooit heeft voortgebracht, ik kan kiezen tussen een tigtal Arthouse-cinema’s om de nieuwste hippe cultfilms te gaan zien, ik kan buitenshuis dineren met gerechten uit alle windstreken van de wereld.
En tegelijkertijd kan ik ook nog eens opteren om op mijn dakterras tussen mijn kersen- en appelboompjes poedelnaakt in mijn kinderopblaaszwembadje te gaan dobberen, of om mijn (maximaal 5 toegestane) legale weedplanten te oogsten.

Ik leef kortom vrij, blij en high, tenmidden van de dichtst geconcentreerde bevolking die ons toch al zo druk bemenste landje onderdak verschaft.
Wat wil je nog meer? zou je zeggen.

Welnu, DIT:

Huisje_front

Dit, dames en heren, lieve lezers, is een huis in Wolfheze (Veluwe). Ik kwam het tegen toen ik uit tijdelijke verveling gedurende mijn werk, op Funda.nl zat rond te surfen. Ik had bij ‘uitgebreid zoeken’ gekozen voor ‘Vrijstaande woning’ plus ‘Aan een bosrand’, inclusief een behapbare prijsstelling.
En dit rolde er uit. De satellietfoto beloofde een geweldige ligging:

Satelliet1

Mijn speekselklieren kregen spontaan te schaften met springvloed. Het kwijl sijpelde in vette stralen uit mijn mondhoeken; dit object moest ik hebben.

Dit was wat ik altijd al had gewild. Een huis in het bos, doch niet middenin het bos, maar aan de rand, zodat je ook in de zon kunt zitten (en een zwembad kunt aanleggen). En bovendien geen andere huizen in de buurt, zodat je diep in de nacht nog keihard elektrische gitaar kunt spelen zonder dat iemand er last van heeft.
Maar vooral een veranda. Dit huis had een veranda.

Veranda

Ik bedoel, dan ben je toch klaar? Dat je na je werk met een koud pilsje op je veranda kunt gaan zitten om te zien hoe de schemering invalt, terwijl ondertussen voor je neus de herten en wilde zwijnen een goed heenkomen zoeken voor de nacht?

En als het het dan bijvoorbeeld ook nog eens sneeuwt met kerstmis! En dat je dan paardjes hebt, of ezeltjes desnoods, om mee over de maagdelijk witte heide te sjokken, voorafgaand aan het diner van wildgebraad met cranberrysaus.
Hoe idyllisch is dat!

Eventueel met de hele familie, die natuurlijk in zijn geheel welkom, bij jou wil blijven logeren, wat prima mogelijk is, op de zolderverdieping van ruim 80 vierkante meter, en/of in de 2 logeerkamers op de begane grond.
En dat dan iedereen van je houdt! Omdat je zo geweldig bent! Omdat jij dit prachtige stekje op de kop hebt weten te tikken!

En, een belangrijke voorwaarde, dat dit alles te bereizen valt met slechts een uurtje autorijden (buiten de spits), danwel een uur en een lousy vijf minuten treinen (in de spits, want dat is ‘t) vanaf mijn werk in Amsterdam. Amsterdam waar we dan sowieso altijd nog de woning van L. in het centrum hebben. Voor als we eens een avondje en/of een nachtje in de stad willen blijven.

Ik zag het helemaal zitten. Ik belde direct de verkopende makelaar op om een afspraak voor bezichtiging te maken.
Helaas. Op korte termijn bleek dit niet mogelijk. Hij had het erg druk. Het snelste tijdstip waarop onze wederzijdse agenda’s overeenstemming konden bereiken was vrijdag 27 november.
"Dat maar doen dan?" vroeg zijn secretaresse.
"Graag", zei ik.

Maar eerlijk gezegd kreeg ik het niet voor elkaar om tot die tijd te wachten. Je bent verliefd, of je bent het niet.
Dus ben ik vandaag alvast met L. in de Volvo gestapt en zijn we zonder makelaarsafspraak naar Wolfheze afgereisd.
We waren er in 55 minuten.

Wolfheze.
"Wil je meteen naar het huis gaan kijken", vroeg ik, "of zullen we eerst even ergens koffie gaan drinken?"
"Koffie", zei L.
Ik had me goed voorbereid. "Restaurant Wolvenbosch", zei ik.
"Wolvenbosch?" vroeg L.
"De enige uitspanning in deze contreien", zei ik, "op een snackbar bij het station na."
"Hoe weet je dat?" vroeg L.
"Google", zei ik.

Restaurant Wolvenbosch bleek ‘n prima Koffie Verkeerd te schenken. Dus dat was alvast een plusje.
"Maar die eigenares is wat stijfjes", zei L, "en opdringerig, met of je er geen appeldinges bij wil en dergelijke."
"Ja hallo", zei ik, "we zitten op de Veluwe, hier zijn ze allemaal zo. Kwestie van wennen."

Na de koffie reden we naar de Johannahoeveweg. Die op een gegeven ogenblik ophield. Althans waar het asfalt betrof. De af te leggen route zette zich voort over een drassig paardenspoor. Het had zojuist stevig geregend. En een Volvo 440 is anders dan de getalsaanduiding misschien doet vermoeden, bepaald geen 4-wheel-drive. Ik diende er flink het gas op te houden, wilde ik er geen al te sneue middag van maken inclusief een hoop ANWB-ellende.
Wat ik op zich een goed teken vond. Ik voelde me op en top cowboy. Ik dacht: This road, oftewel de weg naar mijn toekomstige ranch, is van zichzelf al for diehards only. No need for signs met "Geen toegang", en/of "Overtreders zullen worden neergeschoten", plus "Overlevenden zullen opnieuw worden neergeknald."
(In het Amerikaans klinkt dat trouwens beter, kernachtiger, maar dat terzijde.)
(In het Nederlands klinkt het vooral creepy, nu ik erover nadenk. Dus wellicht effectiever, maar dat nog terzijdener.)

Anyway.
L. en ik staan dus voor het toegangshek van het huisje:

Toegangspoort

Het terrein rond het huis blijkt omheind met schrikdraad. Vond ik op zich nog prima. Ik bedoel, je kan niet veiligheidsbewust genoeg zijn. Voor je het weet bijt er op je bloedeigen erf een everzwijn in je poten, en wie wil dat nou. Maar toch. Het haalde wel iets weg van de idylle.
Enfin.
Wij met een omtrekkende beweging de omgeving van het huis verkennen. En ik moet toegeven: die was schitterend:

De heide-velden aan de oostzijde van het huis zijn ontegenzeggelijk een lust voor het oog:

S4021711

En aan zowel de noord- als zuid-zijde loop je zo het oneindige Veluwebos in:

S4021712

"Leuke vennetje ook", zei L., "zo op 1 minuut lopen van je woning. Werkelijk een ongelooflijk pitoresque omgeving voor

ALS JE DOOF BENT!!!"

Ze had gelijk. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Natuurlijk had ik eerdergenoemde satelliet-foto op mijn werk reeds uitgezoomd naar een breder perspectief, en uiteraard had ik heus wel gezien dat:

Satelliet2

de A50 op 1 kilometer afstand lag. En dat de spoorverbinding Utrecht-Arnhem, waar elk uur 12 treinen heen en weer sjezen, zich op nog geen 200 meter bevond.

Maar ik had met mijn optimistische aard niet verwacht dat het zo’n herrie zou geven.
Djiezus.
Het was echt niet te harden. Niet te doen.
Serieus. Het enige waar ik de hele tijd aan moest denken was het nummer ‘Bagagedrager’ van Spinvis, die goser uit Nieuwegein, die na zijn eerste regel uit zijn eerste couplet van zijn eerste nummer van zijn allereerste CD, zichzelf nooit meer heeft weten te overtreffen.
"De snelweg suist…"

Maak daar maar ‘raast’ van by the way.

Begrijp me niet verkeerd, ik vind Spinvis een stuk interessanter dan de meeste CD’s die ik te horen krijg, maar toch, ik wist genoeg. Ik dacht: dit gaat ‘m niet worden. Op deze plek ga ik geen roman kunnen schrijven, laat staan een leuk leventje opbouwen.

Teleurgesteld dronk ik even later mijn 2 toegestane pilsjes (als je auto rijdt) leeg bij kasteel Doorweth, dat vlakbij Wolfheze ligt. Daarna aten L. en ik een pannenkoek in restaurant Den Strooper te Schaarsbergen, dat niet te ver van Doorweth ligt. Ik perzik met appel deze keer. Weer eens wat anders.
Daarna terug naar Amsterdam.

Amsterdam. Zoals Maggie MacNeal ooit zong tijdens het Eurovisie-songefestival: "De stad waar alles kan."
She was right. She was so right.
Om over J.C. nog maar te zwijgen.

Maar de neiging hun ongelijk te bewijzen blijft knagen. Zo nu en dan.

Wolf_luchtgitaar

24 uur in een dag

Het was vrijdagavond. Ik zat met de dichters Boris de J. en Frank S. in de trein richting Delft. We moesten optreden tijdens het ‘Dichter bij de Bar’-festival.
Festival-veteraan Peter M v/d L. had ons vantevoren via Facebook aanbevolen een fles water mee te nemen, want "dat is de enige manier om enigszins levend de eindstreep te halen."

Het is waar. ‘Dichter bij de Bar’ is een leuk, ontzettend gezellig, maar tevens loodzwaar evenement voor de deelnemers, waarbij je in elk cafe waar je optreedt (en dat zijn er een hoop), ongevraagd een verse pils krijgt voorgeschoteld. Zonder fles water ‘op de man’, om in militaire dienst-termen te spreken, ga je gegarandeerd gevloerd.
 
"Fles water bij je?" vroeg ik derhalve aan Frank tijdens het begin van de treinreis. Ik zwaaide ondertussen demonstratief vrolijk heen en weer met mijn eigen exemplaar Spa blauw.
Frank fronste zijn wenkbrauwen, negeerde mijn vraag.
Ik wist verder ook even niet wat ik moest zeggen. Ik ben niet zo goed in gesprekken in de trein. Als ik niet kan roken.
We zwegen met z’n drieen.
We zaten pas bij Sloterdijk.
We moesten nog een heel eind.

Een paar minuten later deed Frank gelukkig een greep in de tas tussen zijn puntschoenen, en haalde een halve literblik Albert Heijn-pils tevoorschijn. Hij las voor van de opdruk: "Bereid met kristalhelder water."
"…"
"Kijk", zei Frank, "dat vind ik nou geruststellend, geen gewoon water, maar kristal-helder water."
Ik haalde ook een pils uit mijn rugzak. Eentje van Euroshopper. Bij mij stond er op: ‘Bereid met natuurlijke ingredienten.’
Eindelijk een gespreksonderwerp.

Nadat we de man twee halve liters verder waren, kwamen we overeen dat ‘kristalhelder water’ toch net een streepje voor had op ‘natuurlijke ingredienten’.
Voor we het wisten gloorde station Delft aan de horizon.

Frisse lucht. Eindelijk roken.
Daarna eten in cafe de Klomp, waar we werden verenigd met de overige 20 dichters die deze avond in koppeltjes langs de uitspanningen in de Delftse binnenstad zouden trekken.

Ik was bij Boris ingedeeld. En de aan ons toegewezen gids heette Jean-Luc. Jean-Luc was een vrolijke begin-twintiger met een Pete Doherty-hoedje op, die een tijdje in China had gestudeerd, en nu iets deed met ‘technische bedrijfskunde’. Hij vond dichters wel ‘cool’, zei ie. Wat ‘m vooral cool leek aan dichter-zijn, vertelde Jean-Luc, was dat je ‘dan zo gemakkelijk wijven kon versieren.’
En ik moet zeggen, hij nam zijn gids-taak wat dat laatste betreft uiterst serieus. Bij elke kroeg waar Boris en ik moesten optreden stelde ie ons vlak voordat we bij de voordeur waren aanbeland, op de hoogte van de demografische gegevens, maatschappelijke achtergrond, en vooral uiterlijke kwaliteiten van het vrouwvolk dat we ter plekke konden verwachten.
Het was een lieverd, die Jean-Luc, en tot en met het laatste cafe had ie nog steeds niet door dat het Boris en mij niet per se om ‘t neuken ging, met die optredens enzo.

De optredens zelf gingen niet slecht. Ik deed voornamelijk mijn old-school-slam-gedichten. Rythm & Rhyme; de boel een beetje imponeren met het vloeiend uit je kop doen van semi-autobiografische takke-takke-tik-verhalen, vertragingen en versnellingen, oogcontact maken met het publiek, en doen alsof je met hart & ziel bezig bent.
Lang leve de ouwe trouwe routine.
Een hoop enthousiaste complimenten gehad. Veel handen geschud van mensen die ik totaal niet kende. En op een gegeven ogenblik zelfs gefilmd door Jean-Luc met z’n telefoon. "Wow", zei Jean-Luc, "jij bent echt goed!"

Ik was er met mijn kop niet bij though. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Ik had de volgende ochtend vroeg een begrafenis. En daaraan voorafgaand, nog vroeger dus, een kerkdienst. In Arnhem, ook nog eens. Mijn wekker zou die nacht afgaan om 6.00 a.m.
Ik zou kortom later die nacht nog een pak aan moeten trekken. En ergens een smetteloos en gestreken overhemd uit mijn laden moeten proberen op te duikelen. Plus een onbesmeurde stropdas, en die dan met mijn ongetwijfeld nog zatte harses proberen te strikken, onder druk van het halen van een der eerste treinen richting het Oosten.
En schoenen niet te vergeten. Mijn familie, of in ieder geval die van mijn vaders kant (en aan juist die zijde betrof ‘t het sterfgeval), is enorm op schoenen. Gepoetste schoenen welteverstaan.
Fuck.

Tijd om verstandig te zijn. In een tamelijk vroege nachttrein terug, dronk ik met Boris nog een pils. Frank had al een treintje eerder genomen, was zelfs niet meer naar de afterparty in cafe de **** gekomen. Misschien nog wel een intelligentere manier om de avond te overleven zonder fles water.
Ik keek naar mijn eigen fles water. Die onaangeroerd in mijn rugzak lag.
Ik was goed naar de kloten. Maar voelde me desondanks behoorlijk bij de pinken. Ik had de verleiding van de ongelooflijke gezelligheid in cafe de ****, nota bene het enige cafe in Delft waar je mag roken (vandaar de uitsterring – ik wil ze niet in problemen brengen), op tijd weten te weerstaan, hoe moeilijk dat ook was geweest.
Want de afterparty is altijd het leukste. Dan heb je na een avond van harde arbeid eindelijk contact met al die andere 20 dichters die je al veel te lang niet hebt gezien, kun je eindelijk ervaringen uitwisselen, en bijpraten in het algemeen. Ik vind dat laatste dus echt geweldig, sorry, daar ben ik een wijf in. Maar goed, de ****: Roken, Drinken, Oprecht Communiceren, oftwel: Paradise.

En ik, ik had het paradijs verlaten. Om op tijd te zijn voor een kerkdienst van een uitvaart.
Ik was verstandig bezig, probeerde ik mezelf wijs te maken, hoe tegenstrijdig dat ook klonk.

Anyway, Boris en ik dronken onze slotpils in de trein. Mijn gestel was geradbraakt, maar mijn benevelde hersens protesteerden, ik wilde eigenlijk terug, ik had het gevoel dat de avond nog maar net begonnen was. Dat het nog veel te vroeg was. Dat heb ik wel vaker als ik dronken ben. Maar naast ons zat een meisje in een glitterblauwe lakjas, met knalgele pumps aan. Het was kortom ontegenzeggelijk toch echt een nachttrein.
Ik geloof dat Boris daaromtrent ook nog een aantal verstandige dingen heeft opgemerkt.

Rond een uur of half 4 zal ik thuis zijn gekomen. Ik weet het niet meer precies.
In ieder geval heb ik de wekker weten te zetten. Op 6.00 am. Per ongeluk heb ik daarbij ook de tijd een uur vooruit gezet. Waardoor ik in de praktijk dus al om 5.00 am werd opgeschrikt door het alarm.
Zonder dat ik het in eerste instantie doorhad.

Op anderhalf uur slaap ben ik naar Arnhem afgereisd. In een net pak. Met goeie schoenen. In een keurig strak overhemd. Waarover ik een klodder appelstroop had gemorst in de haast mijn drankkegel weg te ontbijten, maar die vlek viel precies op het oppervlak waar ik mijn stropdas overheen kon drapperen, dus die heeft niemand gezien.
Behalve toen het later die dag eventjes hard woei op de begraafplaats. Maar toen had iedereen inmiddels toch al vieze schoenen.

Daarna condoleance-sessie in de Hunting Lodge, het restaurant naast het kerkhof bij Kasteel Rozendaal. Goeie ambiance. Mooi uitzicht, exquise hapjes en prachtige wijntjes. Zoals mijn Oom het zou hebben gewild, zeiden de mensen.
Wat dat betreft was mijn Oom een goeie peer. Geen beknibbeling op de persoonlijke verzorging van de inwendige mens. Hij schijnt, zo maakte ik uit de kerkdienst op, sowieso wel een voorvechter te zijn geweest in de strenge splinterbeweging van het geloof dat een gedeelte van de familie-tak aanhangt. Hij was door de kerk jarenlang op een zijspoor gezet, maar toen ie na 21 jaar in de marge opereren eenmaal werd gepromoveerd tot voorganger is ie o.a. opgekomen voor de homo-rechten. Maar vooral had ie de nadruk gelegd op de vreugde die je aan geloof kunt ontlenen, in plaats van de straffen die het je in het vooruitschiet biedt.
En geloof me, dat is in die Nieuw-Apostolische kerk allemaal behoorlijk revolu
tionair.

Ik was ‘m er in retrospect dankbaar voor. En dan doe ik ‘m tekort als ik zeg dat het alleen maar zou zijn vanwege die goeie hapjes en wijntjes tijdens zijn uitvaart.
Hij moet veel hebben betekend voor een naamgenoot van mij, Sven, de vriend van mijn neefje, die een hoop moest huilen. De ondubbelzinnige acceptatie van mijn naamgenoot als schoonzoon moet een regelrechte heldendaad zijn geweest.

Het was een mooie dag. En dat ik bovendien een andere neef sprak, een beeldend kunstenaar met watervrees, die in het dagelijks leven patrijspoorten bouwt voor de scheepvaart, en die ik al 11 jaar niet had gezien, was de kers op de taart. Fantastische goser.

Wat zal ik zeggen? Zoals wel vaker bleek het echte leven de ware poezie.

Een nieuw gedicht

Een paar weken geleden schreef ik in een stukje dat ik het eigenlijk wel zo’n beetje had gehad, met mijn podiumpoezie-optredens. Ik zat nu ruim 12 jaar in het vak, wat belachelijk lang is voor een poetryslammer, dus het was mooi geweest. Ik bedoel, ik kon terugzien op een prachtige carriere, maar het hoogtepunt daarvan lag alweer 5 jaar achter me. Bovendien had ik al jaren geen nieuw werk meer geschreven, enkele gelegenheidsgedichten uitgezonderd.
Mijn plotselinge pensioen zou waarschijnlijk geruisloos verlopen, bedacht ik, zoals dat van een beroemde voetballer die aan het eind van zijn loopbaan nog een paar jaartjes in Azie heeft gespeeld, maar voor het grote publiek al veel eerder uit beeld was verdwenen.

De setting van mijn laatste optreden had me doen denken aan het charmante, maar toch ergens ook best wel sneue buurthuis waarin ik mijn podiumdebuut had gemaakt. Dus de cirkel was rond; het werd echt tijd om te kappen.
Nadat ik de knoop had doorgehakt, maakte opluchting zich van mij meester.

Nog geen dag na mijn besluit rinkelde, overigens geheel toevallig, mijn telefoon aan de lopende band.
En voor ik het wist had ik 4 nieuwe optredens in mijn agenda staan. En niet de minsten.
I know, ik heb geen ruggengraat.

Die avond lag ik in bed te peinzen: Sven, wat heb je jezelf vandaag aangedaan? Is dat nu wel verstandig?
Nee, natuurlijk was dat niet verstandig. En vooral is het heel erg ongezond.

Hoezo ongezond? zullen jullie misschien denken, wat is er nou zo ongezond aan om op een podium een gedichtje voor te dragen?

Ik kan je vertellen: alles. In mijn persoonlijke geval wel tenminste. Misschien komt dat doordat ik het allemaal veel te serieus neem, dat optreden. Ik benader het bijkans als topsport. Hoewel die laatste term wellicht niet helemaal gelukkig gekozen is, daar ik vooral bezig ben met zaken als: "Welke hoeveelheid drank achter de kiezen is optimaal voor mijn performance?"
Zonder dollen: Drink ik te weinig, dan kom ik op het podium over als een dooie lul, drink ik te veel dan loop ik het risico onderweg mijn tekst kwijt te raken.
En als ik niks drink, dan ben ik uberhaupt te zenuwachtig, en raak ik sowieso mijn tekst kwijt.

Mijn wetenschappelijke oplossing voor dit dilemma, en belangrijker, het daaruit voortvloeiende trainingsschema: zorgen dat je thuis avond aan avond eindeloos het gedicht oefent onder kanonzatte omstandigheden.
Succes gegarandeerd. En ik kan het weten. Ik heb er weetikniethoeveel slams mee gewonnen.
Of om met Ramses Shaffy te spreken: "Ik heb het altijd zo gedaan."
Maar gezond is het niet.

Desalniettemin: Trainen is het parool. Trainen, trainen en nog eens trainen. En je voorbereiden op alle mogelijke omstandigheden.
Ik realiseer me dat ik wellicht overkom als die twee mannelijke schoonzwemmers uit dat oude reclamespotje voor Krasloten, die trainen voor de Olympische Spelen van Bejing, en het hebben over: "je moet rekening houden met alles: hoe is het water, wat doet het chloor? Je weet het niet! Misschien pleuren ze er wel satesaus in, die bamibakkers, haha!"

Lachen inderdaad, maar je maakt aparte dingen mee. Voor het optreden dat ik afgelopen vrijdag moest doen, had de organisator, een hartstikke aardige goser overigens (anders had ik ook geen ‘ja’ gezegd), grote plannen. Hij liet me in de voorbereidingen weten me te willen laten begeleiden door het Tielse Mannenkoor. 65 man groot. En als dat niet zou lukken, misschien een afvaardiging van 10 man daarvan. En als dat niet zou lukken, een doedelzakspeler. Want hij was zelf gek op doedelzakmuziek.

"Pieter", had ik over de telefoon gezegd, "dat is niet nodig, ik red me ook wel in m’n eentje op dat podium."
"Dat weet ik", zei Pieter, "maar jij verdient als nachtburgermeester van Tiel een spectaculaire begeleiding."
"Nachtburgermeester?"
"Ja, ik wil je weer aankondigen als nachtburgermeester, vind je dat okay?"
"Geen probleem", zei ik.
"Trek je dan ook weer dat pak aan?"
"Mijn rokkostuum?" vroeg ik.
"Wat je vorig jaar aan had", zei Pieter, "je trouwpak."
"Uiteraard", zei ik.

Dus daar ging ik afgelopen vrijdag. Naar een optreden. Het eerste sinds ik had besloten ermee te stoppen. Ik had er zelfs een nieuw gedicht voor geschreven. Nieuw werk. Een gedicht waarin ik gebruik wilde gaan maken van publieksparticipatie. Er zaten zinnen in die het publiek mee moest scanderen.
Moeilijker en enger kun je het jezelf niet maken.
Wat ben ik toch een ontzettend stomme lul, zat ik mezelf te vervloeken, op weg naar Tiel.

Om 19.00 kwam ik aan bij het jongerencentrum Twentietoe dat voor de gelegenheid was omgebouwd tot jazznachtclub. Personeel in stijlvolle outfit, een goede wijnkaart en luxueuze hapjes. Een 4-persoonstafeltje met uitzicht op het podium, waar later o.a. een jazzband, mijzelve en Giovanca zouden optreden, was te reserveren voor 100 euro (excl consumpties). De zaal was stijf uitverkocht aan de succesvolsten uit het Tielse bedrijfsleven. 
Het was er rokerig. Niet door sigaretten of sigaren, want dat mag niet meer sinds het rookverbod, maar dankzij een eindeloze batterij rookmachines. Het was er net zo mistig als in Schotland. Ineens snapte ik iets van het doedelzak-idee.

Ik werd backstage begroet door mijn beste vriend, die net als vorig jaar over de artiestenopvang ging.
"Heb je al gegeten?" vroeg ie.
"Jazeker", loog ik.
Ik weet hoe ie is. Verantwoordelijk enzo. En dat je altijd iets moet eten, want dat is verstandig. Ik had geen zin om hem of mezelf extra nerveus te maken. En al helemaal geen zin in discussies.

Als ik moet optreden krijg ik geen hap door mijn keel, maar dat hoeft niemand te weten.
Serieus. Geen hap. Behalve vloeibaar. Of in sigarettenvorm. Ik ben echt de perfecte doelgroep voor volkorensigaretten.
"Wil je iets drinken dan?" vroeg ie, "een cola, of een Spa Blauw?"
"Mag je hier roken?" vroeg ik.
"Dat moeten we nog even overleggen met de andere artiesten, als ze straks komen", zei mijn beste vriend.
"Doe dan maar een Spa Blauw", zei ik.

Mijn optreden zou pas zijn om 21.45. Als entre-act tussen de jazz-band en Giovanca. Het grootste gedeelte van de overbruggingstijd heb ik buiten doorgebracht. Oefenen. Eindeloos oefenen. Met een sigaret in mijn ene hand, en afwisselend een Spa Blauw en dan weer een voorzichtige pils in mijn andere.

Toen ik om 21.45 het podium opstapte besefte ik dat ik net iets te weinig gedronken had. Het publiek kwam net terug van een pauze. Zat er eigenlijk nog half in, en was tamelijk rumoerig. Mijn zenuwen gingen als giganten tekeer. Ik vreesde oprecht voor een spontane totale blackout. Ik dacht: fuck off met dat debiele idee van mezelf om een nieuw gedicht te doen. Dat kutgedicht dat ik speciaal hiervoor geschreven heb en waar ik al de hele week elke avond uren op heb lopen oefenen. Doe het niet. Kansloos. What were you thinking?

Ik besloot iets voor te dragen wat, voor in ieder geval mezelf, niet mis kon gaan.
Why not? Een laffe evergreen, maar wel eentje met iets dwingends, een gedicht met een alternerend ritme waarmee je doorgaans iedereen vanzelf stil krijgt. De Vulkaan. I mean, ik stond er ook niet voor mijn eigen lol. Safety first. Waarmee ik het redden van mijn eigen gezicht bedoel.
Maar verdomd, het werkte! Ik kreeg ze er inderdaad mee stil.
En om een lang verhaal kort te maken: toen deed ik ‘m daarna dus toch.
De nieuwe.
Een drie minuten durende rechttoe rechtaan rap over de kredietcrisis.
En hij lukte! Hij lukte in al zijn facetten. Ik wist ‘m over m’n lippen te krijgen zonder al te veel haperingen, het publiek participeerde al voordat ik ‘t er om hoefde te vragen. Het scandeerde het refrein moeiteloos mee, het was geweldig!

Ik kreeg toen ik het podium afliep een kus van mijn beste vri
end die als stagemanager achter de coulissen stond, ik schudde diverse handen die stuk voor stuk enthousiaste gezichten representeerden, trok daarna backstage een pils open en dacht: waarom ook eigenlijk? Waarom zou ik stoppen?
Na de pils begaf ik me onder het publiek en werd bedolven onder complimenten. Ik dacht: Wat is er mooier dan dit?

Mijn lichaam wilde spreken, maar had z’n tong verloren.
Het sprak de volgende dag.

Maar wat geeft het, ik heb ik er weer lol in.

Update: ik sta in de krant!