Brak

Ik ben zo brak als een gootsteen. Het was een leuk weekend. Een weekend waarvoor ik wekelijks zou willen tekenen. En je hoort mij dan ook niet zeggen dat ik er spijt van heb, maar potverrrdomme, wat ben ik brak.

"Je ruikt naar spiritus", zei L., toen ik ‘r vanmorgen met de Volvo vanuit Tiel in Amsterdam kwam ophalen om een wandeling op de Veluwe te gaan maken.
"Uit mijn mond?" vroeg ik.
"Nee, niet direct uit je mond", zei ze, "meer uit je porien."

Dat kon kloppen. De avond ervoor was ik op het vrijwilligersfeest van Appelpop geweest. ‘M stevig geraakt. En toen we na sluitingstijd de tent uit werden gezet, was ik bij mijn beste vriend thuis nog gaan klaverjassen. En toen de overige kaarters om 4.00 am waren vertrokken, hadden we met zijn tweetjes nog een tijdje door geouwehoerd. Om 6.00 am fietste ik naar mijn ouderlijk huis en wankelde niet veel later de trap op richting de zolder.
Op dat moment bedacht ik dat ik nog wel zin had in een pils. Plus een sigaret niet te vergeten, en aangezien je bij mijn ouders niet mag roken, liep ik naar mijn op het pleintje geparkeerde Volvo, en trok er eentje open. Ik startte de motor, liet ‘m stationair draaien en zette de verwarming aan. 
Ik pakte mijn dagboek tevoorschijn en schreef: "Het leven is aangenaam".

Ik checkte in mijn achteruitkijkspiegel of er geen lichten aanfloepten bij omringende buren. Een andere vriend uit Tiel is namelijk ooit op die manier zijn rijbewijs kwijt geraakt. Die was in zijn auto gaan pitten. Wat erg ongebruikelijk is in Tiel. Dus toen hadden de buren de politie gebeld. Die kwam langs. Mijn vriend werd wakker gemaakt. En moest blazen. De uitslag heb ik jullie al verklapt.
Hij is inmiddels geemigreerd naar Curacao.

Anyway. Daar had ik het niet over. Ik had het over dat ik het leven aangenaam vond.
Van die pils heb ik uiteindelijk maar een halve slok genomen, en ‘m daarna in een putrooster leeggegoten. Aan die sigaret ben ik niet eens meer toegekomen.
Het was vreemd. Ik voelde me zo gelukkig, dat het opeens allemaal niet meer hoefde. Gewoon de gedachte dat het kon, dat er een plek bestond waar het allemaal mocht, waarvan ik bovendien zelf de sleutel had, was genoeg.
Ik zette de motor uit, verliet mijn auto en wankelde de trap weer op naar de zolder van mijn ouderlijk huis. Ik dacht aan de rokers op vliegvelden, die er vlak voor een lange vlucht 5 achter elkaar wegpaffen. Niet omdat ze dat lekker vinden, maar meer omdat ze weten dat, nou ja, je snapt wat ik bedoel.
Ik dacht aan mensen die van zichzelf alleen mogen drinken tijdens ‘bijzondere gelegenheden’. Aan mijn genant dronken collega’s tijdens bedrijfsuitjes.
Ik dacht aan de combinatie beperking en tijdelijk doorgeschoten mateloosheid.

Maar vooral dacht ik aan slapen. Dat zulks een goed idee zou wezen. Want nadenken maakt moe. Zeker als je gezopen hebt. En nog meer als je gelukkig bent.

"Uit m’n porien?" vroeg ik.
"Uit je porien", zei L., "maar dat is meestal zo, als je in Tiel bent geweest."

Dus die Veluwe-wandeling was bepaald geen slecht plan. Ik heb in het bos een mandarijntje gepeld. En na afloop een volkorenpannenkoek met appel en kaneel gegeten.
Nu ben ik weer gezond.

Maar nog altijd brak als schimmel. Had ik de hoeveelheid van gisteren over 2 dagen mogen verdelen, ik zou nergens last van hebben gehad. En een beter stukje hebben geschreven.

Maar ‘t was ‘t waard. Hell yeah.

Advertisements

Ulm

Het was vrijdagavond, twee weken geleden. Mijn zusje en ik zaten op onze kamer in het IBIS-hotel te Ulm (Zuid-Duitsland). We waren met onze ouders en mijn broertje en zijn vrouw op doorreis naar Zwitserland en dit stadje, ter grootte van pakweg Arnhem, was uitgekozen als tussenstop.
Ter plekke hadden we een prima stadswandeling gemaakt, een pils gedronken aan de Donau, en goed gegeten in een stampvol Italiaans restaurant. Daarna waren we met z’n zessen terug gelopen naar het hotel. Het was 22.00 en we moesten morgen weer vroeg op om de laatste 250 kilometer naar Fanas (CH) af te leggen.

"Wat ga jij zodadelijk doen?" vroeg ik aan mijn zusje, eenmaal aanbeland op onze gedeelde tweepersoons hotelkamer.
"Hier op de kamer nog 1 pilsje drinken en dan slapen", zei ze terwijl ze een blikje ontsloot, "hoezo?"
"Niks", zei ik. Ik plukte ook een pils uit mijn rugzak en trok ‘m open.
We staken allebei een sigaret op. We zaten immers op een hotelkamer waar je mocht roken. Dat had onze schoonzus goed geregeld.
We bliezen rookwolkjes voor ons uit. Mijn zusje zette de TV aan.
Er was een soort "So you think you can dance" gaande, maar dan in het Duits. Ik geloof dat het de finale was, maar veel verstand heb ik niet van dat programma, dus pin me er niet op vast.
Er was in ieder geval een hoop publiek in een megagrote zaal, en de kandidaten liepen de hele tijd met een even zo grote smile in de camera te gebaren dat mensen toch vooral moesten bellen om op hun te stemmen.
Het waren wel erg rare kandidaten trouwens, nu ik het er toch over heb. Zo was er een team van dansers met vreemde haren. De frontman van het team was een vent die van bovenop een biljartbalgladde kop had, maar die zijn blonde nek- en zij-haren tot meer dan een halve meter lang had laten groeien. Creepy, maar wel effectief. Het publiek vond ‘m geweldig.
Een andere opvallend team was een tango-dansend stel waarvan de Richard Clayderman-achtige meneer halverwege de act de roos uit het kapsel van zijn partner wist te happen, waarna ie met die roos tussen zijn tanden al tangoend, minutenlang zo psychopatisch mogelijk in de camera probeerde te grijnzen.
Mijn zusje en ik konden er goed om lachen.

Uiteindelijk won een homo. In een overigens erg mooie groene blouse. Een homo die het zogenaamd niet had verwacht. Met zijn handen voor zijn ogen huilde ie hoofdschuddend tranen met tuiten toen ie de uitslag hoorde. Compleet van de wereld. Om daarna uiteraard op slag totaal frisch und frohlich te zijn toen ie plotseling een toegift bleek te moeten geven.

"Ach ja", zei mijn zus, terwijl ze haar laatste slok naar binnen klokte, en de TV uitknipte.
"Jammer van die kale goser met die lange blonde haren", zei ik.
"En van die vent met die roos", zei mijn zus.
"Die vooral", zei ik.
"Ga jij ook zo slapen?" vroeg mijn zus.
Ik zweeg.
"Of blijf je nog een tijdje wakker?" vroeg ze.
"Misschien dat ik zo nog even de stad in ga", zei ik.
Mijn zusje knikte. "Zijn je blikjes op?" vroeg ze.
"Dat niet", zei ik, "ik heb er nog 4 in mijn rugzak."
"Maar die zijn voor noodgevallen", knikte mijn zus.
"Dat ook", zei ik.

We draaiden nog een shaggie. "Ga jij morgenochtend nog die toren beklimmen?" vroeg mijn zusje.
Dat was waar ook. Ulm heeft, althans volgens de plaatselijke tourist information, de hoogste (per trap) beklimbare kerktoren ter wereld. Het plan was om die de volgende ochtend met een groot deel van de familie te bestijgen. 143 meter:

Ulm

"Ik denk het wel", zei ik.
"Ik ook", zei mijn zus, "ik denk ook dat ik het ga doen. Ga je echt nog de stad in?"

Ik ging.
Ik liep 4 verdiepingen trappen af, groette de portier, checkte in mijn broekzak of ik mijn key-card had om later opnieuw binnen te kunnen geraken, en zette toen mijn voet over de drempel van het hotel, naar buiten toe.
Het was stervenskoud en stikdonker. Fuck, dacht ik, waar begin ik aan.
Ik meerde aan bij een terrastafeltje in het gesloten cafe naast het hotel. Cafe Wintergarten. Alwaar twee diehards blikjes Lidl-pils zaten te zuipen. Ze rookten er stevig bij.
"Excusez moi", sprak ik ze aan, "Savez-vous une cafe, qu’est ouvert et pas tres loin, ou on peut fumer?"
"Where you from?" vroeg een van de diehards. Een goser in een witte blouse met, ik schrik niet snel, maar angstaanjagend veel borsthaar.
"The Netherlands", antwoordde ik, "but I don’t speak German."
"I’m from Greece! Thessaloniki. Not Athens! Greece! But I live in Germany for long time. Anyway, what do you speak?" vroeg de borsthaarman.
"French", zei ik, "I speak French."
"And English", concludeerde de Griek.
Verrek, dacht ik, dat is waar ook. Ik spreek ook Engels. Maar nu ik eenmaal deze weg was ingeslagen, zo vond ik met mijn inmiddels al aardig dronken kop, moest ik ‘m blijven volgen ook. De wegen van het brein der benevelden zijn soms ondoorgrondelijk.
"I’m sorry, I don’t speak English, I only speak French", zei ik.
"That’s a shame", zei de Griek, "but is no problem. My friend here.." – hij wees op de donkere oudere man die tegenover ‘m zat en die op ‘t punt stond met z’n terrasstoel en al om te lazeren – "my friend here, he speaks French, because he’s a nigger. And niggers speak French."
De Griek gaf z’n vriend onder tafel een trap tegen z’n schenen.
De neger keek verdwaasd op: "Scheisse! Wass? Ah oui, je parle francais", mompelde ie.
"Weet je een rookcafe?" vroeg de Griek aan de neger, "voor onze Hollandse vriend hier?"
"Waarom kan ie niet gewoon buiten roken?" vroeg de neger, waarna ie weer in slaap sukkelde.
"Omdat het buiten te koud is", zei ik.
"Trop froid? What does that mean? Hey nigger!" De Griek schopte z’n vriend weer tegen de schenen; "Wass meinst dieser Junge mit ‘trop froid?’"
"Zu kalt", mompelde de neger.
Waarna de Griek in een lachbui uitbarstte. "Verdammt nog mal", riep ie, "ik ben een Griek, mijn vriend hier is een nikker, en uitgerekend jij als Hollander vindt het te koud!?"

"Laat maar zitten", wilde ik zeggen, en maakte al weer aanstalten om verder te lopen, maar de Griek riep me terug.
"Hier aan het eind van de straat zit een keldercafe", zei ie, "een Irish Pub. Met een rookruimte zo groot als een voetbalstadion."
"Waar precies?" vroeg ik.
Hij legde het uit.
Ik bedankte hem.
"Dat is dan 20 euro", zei de Griek.
Toen ik daarop voor een moment vertwijfeld keek, barstte ie opnieuw in een lachbui uit.

Een grap. Uiteraard. Wist ik ook wel. Denk ik.
Anyway. De grappende Griek, die om de alliteratie compleet te maken, Christos heette, zwaaide me uit. "Doe ze in de Irish pub de groeten", riep ie, "die zwijnhonden!"

In de Irish pub bevond zich inderdaad op vloer -3 een gigantische rookruimte, en je werd er nog bediend op de koop toe.
Stervensdruk, maar gelukkig volop tafeltjes, en ik bemachtigde een stoeltje in een uithoek. Tikte een aantal Guiness weg. Schreef in mijn dagboek. Rookte ketting. Kortom het goede leven.

Toen werd ik op mijn schouder getikt.
Een kanonzatte goser.
"Volgens mij kom jij niet uit Ulm", zei ie.
"Hoe weet jij dat?" vroeg ik.
"Nou, bijvoorbeeld omdat je nu Frans praat", zei ie.
"Ik kan ook Engels", zei ik.
"Meen je dat? Wat geweldig!" zei de jongen, "ik heb ook een tijdje in Engeland gewoond, en ik kan hier met niemand in het Engels
praten, dus kom maar op met je Engels!"

Dus toen zei ik maar iets in het Engels.
"Wat een raar accent heb jij", zei de jongen.
"Hoezo?" vroeg ik, "waar klinkt het dan naar?"
"Ik weet het niet", zei de jongen, "het klinkt.."
"Nou?" zei ik.
"Raar", zei de jongen.
"Hoe dan?" vroeg ik.
"Het klinkt, hoe zal ik het zeggen?", zei de jongen, "Engels"
"Ik kom uit Nederland", zei ik.
"Nu je het zegt, Het is inderdaad geen echt Engels, maar net iets anders. Schots… Of Welsh. Maar toch Engels. Hoe klink ik?"
"Duits", zei ik.
"Heel Duits?"
"Behoorlijk", zei ik.
"Ik heet Simon", zei de jongen, "heb jij kinderen?"
"Uiteraard", zei ik, enigszins verbaasd door de vreemde overgang in de conversatie.
Tijdens vreemde overgangen in converaties ben ik overigens altijd heel flexibel. Dan vind ik precies wat die ander vindt, en heb ik exact hetzelfde leven. Want dat is in voorkomende situaties doorgaans het gemakkelijkst praten.
"Hoe heten ze?" vroeg Simon.
Ik somde de namen op van de kinderen van mijn beste vriend.
"Wat.. een… schitterende… namen…", zei Simon. In het Engels. Hij begon te huilen.
"Waarom huil je?" vroeg ik.
"Ik heb net een dochtertje gekregen", zei Simon.
"Hoe heet ze?" vroeg ik.
Hij noemde haar naam.
"Wat.. een… schitterende.. naam!", zei ik.

Ik meende het. Ik bedoelde het goed. Serieus. Okay, ik speelde een beetje Christos, de grappende Griek. Maar ik meende het wellevend en oprecht, van de ene dronken persoon naar de ander. Want ik vond het echt een mooie naam, voor zijn dochtertje.
Maar de BOB van Simons gezelschap dacht daar anders over.
"Hey jij daar, wannebee schrijvertje", riep de BOB, "jij loopt toch niet mijn beste vriend te kloten!?"
"Geenszins", riep ik, "geenszins!"

Godzijdank ging op dat moment het jongere broertje van Simon over z’n nek aan het tafeltje naast ons. Simon erheen om het praktisch ontzielde lichaam van z’n bloedverwacht de 4 trappen op te tillen richting de frisse lucht. En de BOB erachteraan om Simon te begeleiden toen laatstgenoemde daar na slechts vier treden te hebben beklommen, met broertje en al van de trap naar beneden lazerde.

Ik wenkte de serveerster. Voor nog een Guiness.
Ulm. Ik voelde me er helemaal thuis. Het was mijn favoriete stad zoals ik die ooit kende. De stad waarvan ik hou.

Het was net Tiel.

Belangrijke mededeling!

Lees het onderstaande zorgvuldig:

AANKONDIGING

MAANDAG 19 OKTOBER,  Aanvang 21.00

FESTINA LENTE POEZIESLAG

Cafe_festina_lente

JURY: ERIK JAN HARMENS, RICK DE LEEUW, SVEN ARIAANS

Ejh_2 Rick_de_leeuw_2 Sa   

PRESENTATIE: SANDER MEIJ, LIVE INTERNET VERSLAG: MARTIJN DEN BAKKER

Sander_en_martijn

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

Wie goed heeft gelezen valt een aantal dingen op. Inderdaad. De Festina Poezieslag is in dit nieuwe seizoen verplaatst van de 3e dinsdag van de maand naar de 3e MAANDAG van de maand.

Daarnaast hebben we twee nieuwe juryleden. Ten eerste is dat oude bekende Erik Jan Harmens. Maar ook hebben we Rick de Leeuw bereid gevonden. Simon Vinkenoog is uiteraard onvervangbaar, maar met deze 2 grote nieuwe namen hopen we het gemis zo veel mogelijk goed te maken.

Komen dus! Tot maandag!

CH 2009

Dit was mijn mooiste dag van de afgelopen vakantie:

Het was woensdag 7 oktober. De voorspelling van Zwitserland 1 beloofde een uitzonderlijk mooie weerssituatie. En die voorspelling klopte. Een strakblauwe lucht, een stralende zonne, en 27 graden in de Zwitserse Alpen.
Voor het programma hadden mijn moeder, broertje en schoonzus (die met zijn drieen dagelijks de tochten uitstippelden vanachter stapels detailkaarten en Pied a Terre-boekjes) een op papier tamelijk makkelijke wandeling voorgesteld. Een rooie route (net iets moeilijker dan blauw, maar zeker geen zwarte), waarvoor je weliswaar trittsicher moest zijn, maar niet per se swindelfrei. We zouden een comfortabel rondje lopen met een maximaal hoogteverschil van 600 meter, dat zich afspeelde net boven de boomgrens van 1800.
Appeltje eitje kortom, waarbij zich bovendien volgens de boekjes aan begin/eind van de tocht een berghotel bevond, met een schitterend terras waarop we na afloop een lekkere pils konden drinken.

"Die maar doen?" vroegen ze bij het ontbijt.
"Doen!" juichten mijn zusje en ik.

We reden met onze auto’s naar de boomgrens. Parkeerden, trokken onze bergschoenen aan, gespten onze rugzakjes om, en zetten er stevig de pas in richting het berghotel dat zich 75 meter hoger bevond op 1900 meter, het officiele begin van de tocht.

Mijn schoonzus was als eerste bij het uitgestorven hotel. Ik kwam er vlak achteraan. "Is ie open?" vroeg ik buiten adem.
"Ik weet het niet", zei ze, "maar ik zie wel een speeltuin bij het hotel, met een katrolbaan, waar je volgens mij gratis vanaf kunt. Want er is verder niemand."
Ze had gelijk. Een paar minuten later roetsjden mijn broertje, zusje en ik vrolijk heen en weer. En toen mijn vader boven was gingen we nog een keer. Voor de foto’s.
Kinderen waren we, en soms voelt dat prettig.

Voor we de daadwerkelijke tocht richting 2400-zoveel meter aanvaardden, inventariseerde ik het hotel op z’n openingstijden. Het bleek dicht van maandag t/m vrijdag. Kut, dacht ik, daar gaat mijn pils na afloop. Daar gaat mijn pils op het terras in de stralende zonne.
Maar mijn broertje hield de moed erin. "Ze hebben ook een trampoline", zei ie, en wees richting een enorm blauw toestelgevaarte, "dus ik weet wel wat ik na afloop ga doen."
Verrek, dacht ik, dat is natuurlijk ook een optie.

Anyway. Op pad.

Het begin van de tocht was aangenaam. Een paadje dat voerde langs wat bergmeertjes op een hoogvlakte. Ik had een thermoskannetje koffie mee, een stroopwafel, aardbeienmelk, een Bounty-imitatie van de Lidl, ik voelde me goed. Ik neuriede de melodie van ‘Op Fietse’, van Skik;
Wie doet mijn wat, wie doet mij wat, wie doet mij wat vandaag-eh
Ik heb de banden vol met wind, dus ik heb ja niks te klagen

Een mountainbiker reed ons vlak voor de eerste serieuze bergtop voorbij. Mijn broertje rende er met zijn grote rugzak achteraan. En haalde ‘m bijna nog in. Geintje. Altijd leuk. Het was dat de mountainbiker even extra aanzette. Mannen blijven mannen.

Bovenop aten we onze zelfgesmeerde boterhammen. We waren ontzettend sound of music.
Goed uitzicht ook. Zulks in combinatie met het schitterende weder, oftewel perfecte foto-omstandigheden, deed mijn vader verzuchten dat ie dit een van de mooiste tochten van de afgelopen 11 jaar vond.

Na de lunch, en na de eerste bergtop, veranderde het landschap, of eigenlijk de route moet ik zeggen, in vlot tempo. Plotseling liepen we over een grad, een bergkam. Met aan weerszijden ravijnen. Bovendien stak er een verraderlijk windje op en werd het te volgen pad vager en vager.

Toen we bij ‘de Offertafel’, een uit de kluiten gewassen platte stenen paddestoel, waren aanbeland, namen we een pauze.
Er werden wat grappige foto’s genomen van diverse personen uit ons gezelschap die net deden of ze aan de Goden werden geofferd.
Maar mijn zusje vond het ondertussen allang niet grappig meer. Ze keek angstig naar de eerstvolgende passage die we na de Offertafel moesten nemen. Een huiveringwekkende smalle bocht langs een praktisch loodrechte rotswand.
"Ik weet niet of ik daar wel overheen durf", zei ze, en stak een shaggie op.

"Ik ga wel eerst", zei ik, en stak voor de zekerheid ook een shaggie op.
Toen onze shaggies aan as waren gerookt, vertrokken we.
Om een lang verhaal kort te maken: Halverwege de passage werd ik bevangen door hoogtevrees.
Fuck, dacht ik, dit is waanzin. Waarom doe ik dit? Maar ik zette door.
Mijn zusje volgde. Zonder problemen.

Maar toen kwam er nog een engere passage. Jezus, dacht ik. Of eigenlijk dacht ik dat niet. Eigenlijk begon ik dus gewoon te gillen. Terwijl ik halverwege die tweede enge passage was. Muurvast zat ik. Zowel psychisch als lichamelijk. Ik durfde geen kant meer op. Zowel de heenweg als de terugweg als mijn huidige positie waren me even akelig. Plotseling wist ik zeker dat ik op deze berg zou sterven. Dat ik in dit ravijn zou sneven. Ik zag de beelden helemaal voor me. Hoe ik tergend langzaam mijn grip zou verliezen en grabbelend naar houvast de afgrond in zou storten.
"Kut!" gilde ik, "ik vind dit niet leuk! Help! Help! Ik kan wel janken van angst! HELP!!!"
Mijn schoonzus nam mijn rugzak over, ging tussen mij en de rand van het ravijn in staan als menselijke buffer. Zij is dan ook een heldin. Mijn broertje probeerde me van bovenaf gerust te stellen, me rustig te laten ademen. Mijn moeder deed dat vanaf beneden.
"Rustig Sven! Rustig!" riepen ze, "rustig ademen."
Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als je hyperventileert, maar uiteindelijk lukte het me.
Rustig ademen. De paniek bedwingen.

Maar ik ben dus wel teruggegaan. Samen met mijn zusje. Langs de eerste al eerder genomen enge passage, begeleid door mijn broertje.
Daar namen we afscheid.
"Jullie komen vanaf hier wel weer terug?" vroeg ie.
"Geen probleem", zeiden mijn zusje en ik.

Binnen 30 seconden was mijn broertje uit ons zicht. In notime had ie opnieuw de twee angstaanjagende kapen gerond, om zich weer bij onze ouders en zijn vrouw te voegen. Ze moesten dan ook nog een heel eind.

Mijn zusje en ik, wij liepen rustigaan weer naar beneden. Eenmaal veilig terug op de hoogvlakte, nam ik foto’s van de 2 rotspuntjes in de verte waar ik benarde situaties had beleefd. Zo op afstand zagen ze er eigenlijk heel lief uit. Maar dat is het verraderlijke van bergen. Soms bedwing je moeiteloos rotswanden die er vanaf beneden uitzien als een onneembare vesting. Maar net zo vaak is een vanuit de verte schijnbaar makkelijk te overbruggen bultje, in werkelijkheid een dodelijk flatgebouw van 10 verdiepingen hoog.

Ik voelde me goed. Veilig terug op de groene Alpenweiden. Ik was blij dat ik alles had overleefd.
"Alleen kut dat het berghotel dicht is", zei ik tegen mijn zusje, "want ik heb verdomd veel zin in een pils."
"En anders ik wel", zei mijn zusje.

Na een uurtje lopen kwamen we aan bij het berghotel. Ik wilde me al richting trampoline begeven toen mijn zusje zei: "volgens mij staan er daar buiten bij de ingang van het hotel koelkasten."
"Koelkasten?" zei ik.
"Misschien staat er wel iets van drank in", zei mijn zusje.
Ik versnelde mijn pas.
Ik versnelde mijn pas nog meer.
Ik rende bijna, potverdomme!
En ze had potverdomme gelijk!
Dit stond er op het terras van het uitgestorven hotel:

Dicht

En ik durfde het bijna niet te proberen. Ik dacht aan de Willem Ruis-show. Jaren 70, mijn jeugd. Met al die prijzen (wasmachine, magnetron, radiocassettespeler, etc) in die glazen vitrines met een deur ervoor. En hoe erg het dan was als je dan een deur opentrok die op slot zat. Want dan was je alles kwijt. Had je niets.
Zo voelde ik me toen ik aan die deu
r van die koelkast trok op het terras van het berghotel.
Maar ik deed het toch. En!

tadaah!

Koelkast_2 

O man, ik was zo gelukkig. Ik plukte twee Calanda (Zwitserse Heineken, 58 cl, geniale maat) uit de schappen en wapperde er triomfantelijk mee naar mijn zusje.

We nestelden ons op het verlaten terras. "Wat kost dat eigenlijk hier?" vroeg mijn zusje, "zo’n Calanda?"
"Goeie vraag", zei ik, "had ik nog niet aan gedacht."
Ik liep terug naar de koelkast. Er hing een prijslijst. Een 0,58L Calanda kostte 4 CHF, omgerekend 2 euro 70. Het verschuldigde bedrag diende men te deponeren in de portemonnaie in de koelkast ernaast, stond er op de prijslijst.
Ik keek in de koelkast ernaast, bij de wijn en de jus d’orange. En verdomd! Daar lag een portemonnaie!

Geld

Ik pakte 8 CHF uit mijn broekzak om die in het beursje te stoppen. Ik opende de rechterkoelkast, pakte het rode geval, en opende het.
Je wil niet weten hoeveel erin zat.
Toch wel? Goed dan: Meer dan 300 CHF! Meer dan 200 euro!
Ik kreeg tranen in mijn ogen van zoveel goedheid. Zoveel vertrouwen. En besloot ter plekke om een stevige fooi te geven, en grabbelde nog wat extra vreemde valuta uit het bovenvakje van mijn rugzak.

Kabelbaantje naar Saas Alp: 21 CHF. Weekje Chalet voor 6 personen in Fanas: 800 CHF. Mijn zusje en ik, volop koude Calanda’s en 27 graden celsius onder een strakblauwe lucht boven een godverlaten terras op 1900 meter hoogte in de Zwitserse Alpen: Priceless.

Terras

Zwitserland 2009

Let op: ik heb een goeie vakantie gehad, laat daar geen misverstanden over bestaan. Mooie tochten door de Zwitserse Alpen gelopen met mijn familie. Prima gehuisvest in een chalet met schitterend uitzicht. Goeie gesprekken gevoerd met mijn zusje in het rookhok (yes! we mochten een rookhok!). En naar omstandigheden voortreffelijk gegeten.
Komt er nog een ‘maar’? hoor ik jullie denken. Ja, die komt.

Achteraf snap ik niet zo goed hoe het heeft kunnen geschieden, maar het gebeurde. Ruzie. Ruzie in het chalet. Althans, dat vond ik. Ik vond dat we ruzie hadden. Ik geloof dat mijn familieleden daar anders over dachten, of wilden denken, want die kunnen slecht tegen conflicten.
Ze reageerden in ieder geval behoorlijk beheerst, weldenkend en sussend op mijn plotselinge uitbarsting, of zeg maar gerust de catharsis die ik afgelopen donderdagavond uit praktisch het niets beleed.

Het ging helemaal nergens over. We speelden ‘s avonds na het eten gezellig een spelletje ‘Sequence’. Misschien kennen jullie het wel, het heeft de prijs ‘Spel van het Jaar’ gewonnen, en is al maanden overal uitverkocht. Vrienden van mijn moeder hadden het desondanks op de kop weten te tikken, en mijn moeder cadeau gedaan voor haar verjaardag. "Leuk voor in Zwitserland", hadden ze erbij gezegd.

Zo gesuggereerd, zo gedaan.
Ter plekke begreep niemand de handleiding met de spelregels precies. Maar wat gaf ‘t. We accepteerden na uitgebreid overleg unaniem een van onze interpretaties van de ‘bonushoekvakjes’, en daar gingen we.
Kaarten trekken en aan de hand daarvan strategisch fiches proberen neer te leggen op het speelbord, net zolang tot een of andere mazzelpik een winnende ‘sequence’ zou weten te voltooien voor zijn/haar team.
Prima bezigheidstherapie. Wijntje/pilsje/kopje thee erbij, het verder nergens over hoeven hebben, iedereen gelukkig.
Zou je denken.

Ik vormde een team met mijn moeder. Mijn moeder heeft een hekel aan spelletjes. Ook kan ze slecht tegen wijntjes. In die zin dat ze er verdomde slaperig van wordt. Ze zat de hele tijd te knikkebollen.
Ik probeerde haar afentoe een beetje op weg te helpen. Deed suggesties. Wees haar op diagonalen waar ze wellicht iets mee kon. Of misschien had ze een ‘one eyed Jack’ in haar handen, waarmee ze het recht zou hebben een dreigende sequence van een tegenstander te ontwrichten?
Ik probeerde niets anders dan haar een beetje wakker te houden. Want dat leek me het gezelligst voor iedereen.
Maar waarschijnlijk deed ik dat net iets te veel uit eigen belang. En/of te fanatiek.
Op een gegeven ogenblik stond mijn broertje op van tafel en zei: "Nou vind ik het niet leuk meer, Sven!"
"Huh?" zei ik.
"Zoals jij mama behandelt!" riep mijn broertje.
"Huh?" schrok mijn moeder wakker.
"Je bent gewoon veel te fanatiek, Sven!" riep mijn broertje.

WTF? dacht ik. Maar dat zei ik niet. Integendeel. Voor ik het wist schoot ik in een rare verdediging. Ik zei: "Sorry. Sorry dat ik zo fanatiek ben. Excuses. Maar ik dacht dat jullie dat leuk vonden. Dat het er een beetje bij hoorde, bij dit spel. Dat jullie het geinig vonden als ik zo fana…, ik bedoel, ik speel ook maar een rol!"

Het verkeerde woord.
"Een rol?" zei mijn vader.
"Ja, een rol", zei ik.
"Bedoel je dat je hier bij ons niet jezelf kunt zijn?"
"Ja, dat bedoel ik", zei ik.

Opnieuw fout. 8 argwanende ogen wendden hun blik op mij.
Anyway, toen ging ik dus los. De catharsis.
Ik haalde er van alles bij. Herhalen zal ik de exacte bewoordingen hier niet, maar het kwam er op neer dat ik debiteerde dat ik het allemaal een grote hypocriete klotezooi vond.

Misschien was het ook niet handig dat ik afgelopen week net aan het lezen was in ‘Het boek Estee’ van Alex Boogers, dat trouwens voor de eerste helft een behoorlijk slecht geschreven kutboek is, maar dat zich in de tweede helft weergaloos revancheert met puntgave puberale gedachtengangen zoals je ze overigens op die leeftijd nooit zou kunnen verwoorden, maar zoiets zal juist wel de bedoeling zijn geweest, of iets dergelijks, weetikveel, ik voelde me in ieder geval afgelopen week weer helemaal 18, en dat maakte me dus bepaald niet de  diplomaat die ik normaal gesproken ben in dit soort situaties.

"Misschien moet je even gaan roken in het rookhok", zeiden mijn familieleden.
Zoals gezegd, ze waren ontzettend beheerst, weldenkend en sussend. En ze hadden gelijk, want ik had al uren niet meer gerookt.

Maar ik dacht: dikke lul! Donder op met je ‘ga maar even roken’. Ik voelde me als John Rambo in ‘First Blood’; geflikt en genaaid, buiten mijn schuld om, en belangrijker: ik ben niet begonnen! Maar als je het wilt, kun je het krijgen ook!
Serieus, ik was al op weg naar het rookhok, maar keerde om. Spande mijn biceps aan en spuide opnieuw mijn gal.

Over hoe belachelijk het was dat we elke dag zo vroeg op moesten staan, op vakantie nota bene, en hoe kut het was dat iedereen al om 22.00 naar bed ging, er niemand gezellig wakker bleef, terwijl ik dan vervolgens nog tot half 4 de vaat van de hele middag en avond stond af te wassen, de ontbijttafel ging voordekken, en dat soort gelul, omdat ik nou eenmaal een ander ritme heb. En hoe zielig dat voor mij was.

"Ander ritme? Zielig?", zei mijn vader, "volgens mij ben je gewoon een alcoholist."
"Dat klopt!" zei ik strijdvaardig, "wil je weten hoeveel ik drink? Wil je dat ik het eerlijk zeg?"
"Graag", zei mijn vader.
Daarna zette ik pijnlijk exact uiteen hoeveel ik dagelijks naar binnen werk.
Mijn moeder kromp in elkaar.
"Sommige dingen wil je liever niet weten", zei ze.
Mijn vader viel stil. Hij keek verslagen.
Mijn broertje en zijn vriendin zeiden dat ze gingen slapen.
Mijn zusje stelde aan mij voor om toch maar even te gaan roken.

Hell. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Ik had spijt van mijn Rambo-actie. Ik tapte een glas water uit de kraan en vroeg aan mijn ouders of ze nog meer dingen wilden weten. Of ze vragen hadden. Of ze er met me over wilden praten.
Dat laatste deden we.

Gerust kunnen stellen heb ik ze niet. Wel hebben we de volgende dagen weer aardig tegen elkaar gedaan. Alsof er niets aan de hand was.

Volgend jaar weer.

PS: Morgen een stukje over de mooie dingen van Zwitserland.