Blase

Eigenlijk treed ik tegenwoordig nog nauwelijks op. Gewoon. Geen zin meer. Alles al bereikt. Grote Zaal Paradiso, Echo-tent Lowlands, een week lang Poetry International inclusief gratis vol pension hotel voor 2 personen en een vette gage toe, daar wordt een mens gezapig van.
Ik wel.
Die problematiek speelt sinds ik het NK poetryslam won. En dat was al in 2004.

Natuurlijk, als die enthousiaste oude vrouw, Hanny v/d L., uit Oostvoorne weer eens belde, dan streek ik mijn hand over mijn hart en toog ik voor 2 consumptiebonnen en reiskosten af naar Den Briel, cafe de Kont van het Paard, waar Hanny al weetikniethoelang maandelijks een poeziemiddag organiseert voor astma-patienten.
En geloof me, dat deed ik niet voor mijn lol (ik bedoel, astma-patienten, kutzooi, daar mocht ik dus al niet roken voordat Klink met dat debiele totaalverbod op de proppen kwam). Ik deed het omdat ik het een lieve vrouw vond. En omdat ze iets organiseerde voor de astma-patienten.

Het was altijd een hele onderneming. Treinreis van Amsterdam CS naar Rotterdam CS, vervolgens de metro naar weetikveel, Spijkenisse of zoiets engs, dan opnieuw overstappen: drie kwartier in een bus zitten over de N honderzoveel, alwaar zich aan de einder de dichtsbijzijnde halte in de buurt van Den Briel bevond.
Maar vanaf daar was het dan nog maar een half uur lopen. Zei Hanny. "Gaat dat lukken?"
"No problemo", antwoordde ik dan.
Je bent weldoener of je bent ‘t niet.

Let op: ik wil met het voorgaande geenszins organisatoren, van welk goed doel dan ook, aanmoedigen mij aan te schrijven. Integendeel. Laat me met rust.

Vandaag schrok ik om 10.30 van de wekker.
Kut, dacht ik, ik ben te laat voor mijn werk. Totdat ik besefte dat het zondag was.
Kut, dacht ik toen, dan moet ik waarschijnlijk iets anders.
Dat laatste klopte.
Ene Joris had mij, heel snugger, al in maart uitgenodigd om te komen voordragen in de Centrale Bibliotheek van Rotterdam.
Als iemand mij in maart uitnodigt en het optreden is pas in september, dan zeg ik altijd ‘ja’.
In een half jaar kan immers een hoop gebeuren. Ergo, je hebt 6 maanden lang de tijd om een subtiele smoes te verzinnen die het rechtvaardigt de boel te cancellen.

Dat soort constructies spreken mij aan. Ik ben gek op dingen ver in de toekomst. Op uitstel. Op een eerlijke kans op afstel.
Maar deze had ik blijkbaar laten lopen. Deze was er doorheen geglipt. En als het eenmaal zover is gekomen, als iemand zoals Joris het voor elkaar heeft weten te boxen om heel sneaky, zonder bijvoorbeeld een herinneringsmailtje een maand van tevoren, mij tot in de week van executie, gestrikt weet te houden, dan ben ik niet de beroerdste. Dan ga ik niet op het allerlaatst afzeggen. Zelfs niet als het zoals vandaag schitterend weer is. Zelfs niet als ik honderdduizend dingen liever zou doen, dan tijdens de bloei van deze laatste mooie dag van het jaar (misschien), in de trein en metro te zitten, en tussen de bedompte muren van een uitgestorven gebouw te figureren.
Ik zou het wel willen: afzeggen ("Ja, sorry, maar ik heb sinds vanmorgen echt een flink aantal symptomen (*geluid even subtiel afmixen met het ochtendlijke keelgeschraap van de gevorderde roker*) van de Mexicaanse griep, heel vervelend voor jullie, maar het lijkt me toch het verstandigst voor iedereen als..", etc), maar ik kan het niet. Echt niet.

Op dagen zoals deze vervloek ik mijn onwrikbare geweten.
En stap op mijn fiets. Trap stevig door naar het CS. De kiosk op het perron is gesloten. Daar gaat mijn voornemen om niet te drinken. Mijn wens om met drie koffie de trein in te stappen. De trein die over 4 minuten vertrekt. Tijd om een rookpaal op te snorren is er dus ook al niet. Het wemelt van de politie. Illegaal een shagje opsteken is geen optie.
Geen koffie, niet roken. Met anderhalf uur nonstop OV voor de boeg.

Zodra het 12.20 is en we Haarlem binnen rijden besluit ik dat de 1 in de klok zit en het tijd is voor een pils. Die ik uit mijn rugzak pluk. Ik oefen wat gedichten. Dat is lang geleden.
Ik heb eigenlijk alleen maar gedichten geschreven over drank, bedenk ik. En een beetje over liefde. Of de samentrekking daarvan, feitelijk.

Om 13.20 ben ik op Rotterdam CS. De metro is dit weekend out of order. Zwartgelge bordjes all over the place. Wat niet ter zake doet, want ik heb nog geen OV-chipkaart dus was sowieso kansloos geweest. En lopen naar de OB op de Blaak is prettiger, want net zo snel, en bovendien mag je erbij roken.
Drinken niet trouwens. Niet in Rotterdam. In R’dam zijn ze het strengst op openbare blikjes bier van het hele land, daar word je zelfs voor gewaarschuwd door de plaatselijke zwervers.
Op de Coolsingel ligt kunstgras in de perkjes, zie ik. Modern. Je moet er wat voor over hebben om Manhattan aan de Maas te mogen heten.

Om 13.35, 5 voorgedraaide shaggies verder, die ik binnen notime tot stof heb laten vergaan, kom ik snelwandelend aan bij de Bibliotheek. Plan was om vlak voordat ik aanwezig moest zijn, om 14.00, nog snel een pils te drinken op het boventerras van cafe DicTee, op de eerste verdieping. Het is gesloten. Alle horeca in het gebouw is gesloten. Alle horeca in de directe omgeving trouwens eveneens.
Ik denk aan het korte gedicht uit de debuutbundel van Tom Zinger:
Been there, Done that
Rotterdam, kutstad.

Hardop uitgesproken rijmt het niet, merk ik, maar het klopt wel.

Ik rook buiten de bibliotheek een sigaret. Als ik weer naar binnen wil, word ik gefouilleerd door twee security-beambtes. Ik moet mijn rugzak open ritsen. Er liggen 3 halve liters in, een iPod, een reserve-pakje shag, twee pakjes Marlboro’s en een regenjack. Het regenjack godzijdank bovenop. De zon straalt bovenaan de hemel dat het een aard heeft. Ik mag door.

13.55, en ik moet pissen. De toiletten van de bibliotheek werken met geautomatiseerde toegangspoortjes. Kosten: 0,20 euro. Gelieve te betalen in munten van 20, 10 of 5 cent. Ik heb een biljet van 50 euro en een pinpas. Er is geen wisselautomaat, geen personeel. En zowel het uittredende als intredende plassende publiek kan ook weinig met mijn coupure. Zij hebben allemaal een muntje van 0,20 cent. Plaatselijke bevolking. Zij weten het. Zij zijn op de hoogte.
Ik loop naar buiten en probeer een steegje te vinden waar geen politie staat. Een onmogelijke opgave.

13.59. Weer gefouilleerd. Voor de vorm nu. Nog steeds niet gepist. Ik meld me aan bij de plaats waar het allemaal moet gaan gebeuren, de ‘Glazen Zaal’. Ik vraag naar Joris. Joris is er niet. Wel Hein, de presentator. Een keurige zestig-plusser in pak.

Hein heeft het druk. Alle twintig bezoekers zijn druk bezig zich bij Hein aan te melden voor het ‘Open podium’. Het Open Podium zal plaats vinden na de 3 genodigde dichters, en de muziek.

"Is er iets te drinken?" vraag ik aan Hein, als ik eindelijk zijn aandacht weet te vangen.
"Wie bent u?" vraagt Hein, "komt u voor het open podium"
"Ik ben Sven A.", zeg ik, "ik moet zodadelijk optreden."
"Ah! Een genodigde spreker! Welkom!", zegt Hein, "goed dat u er bent! Vind u het erg om als eerste te gaan? De rest van de genodigden is er namelijk nog niet. Ik neem aan dat ze nog komen, maar je weet het natuurlijk nooit."
"Prima", zeg ik, "hoe eerder hoe beter. Maar is er wat te drinken?"
"Jazeker", zei Hein, "daar op het buffet!"
Hij wijst me op een tafeltje waar 4 flessen op prijken. Een fles Spa Blauw van de Super de Boer, een fles Spa Rood van de Albert Heijn, en twee merkloze watertjes.
"Maar wel snel zijn", zegt Hein, "want voor je het weet is het op."
 
Voor ik door kan vragen is Hein alweer druk in de weer met de dertigste kandidaat die zich wil aanmelden voor het Open Podium, een goser die dia’s heeft gemaakt van zijn gedichten en daar een presentatie van wil gaan doen.
"Duurt die presentatie lang?" wil H
ein weten.
"Valt wel mee", zegt de goser, "ik heb ‘t thuis getimed en het is hooguit 22 minuten."
"O, dan moet het wel kunnen", zei Hein.

Fuck!

Je begrijpt dat ik ‘m meteen na mijn eigen voordracht weer ben gepeerd. Dat ik niet dat hele gebeuren heb uitgezeten. Ik bedoel, come on.
Of nou ja. Ik heb er drie gezien, waaronder bijvoorbeeld een Arubaanse vertelster, die 20 minuten lang de aandacht wist te laten verslappen door in eindeloze herhalingen te vervallen inzake het thema ‘pens’. En met ‘pens’ bedoelde ze niet een buitenproportionele buikomvang, maar het veelvoorkomende ingredient in Antilliaanse gerechten.
Geloof me als ik zeg dat vergeleken met die vertelster, het doorsnee kookboek leest als een prijswinnende detective.

En toch. Ergens had het wel iets moois. Het mooie was de charme van het enthousiasme.
Ergens voelde ik me wel thuis.
En ook weer terug bij af.
Wat op zich een goeie plek is.

Advertisements

Blaastest

Ik heb 1 keer in mijn leven een blaastest moeten doen. Dat was na een optreden in Zaandam. Een poetryslam. Die ik had gewonnen. Ik reed met de Volvo van Eline recht in een politie-fuik. De auto zat vol met stomdronken dichters en dichteressen, waaronder op de bijrijdersstoel naast me, Eline. Ze giechelde dat het een aard had. Op de achterbank was het nog erger. Daar werd ronduit gebulderd. Waarom, dat snapte ik niet precies. Maar dat heb je wel vaker wanneer je als enige nuchter bent in een ladderzat gezelschap. Dan lijk je opeens het gen te ontberen dat noodzakelijk is om het concept van onderlinge communicatie te vatten. Ik bedoel, iedereen leek elkaar te begrijpen, en ik, ik miste blijkbaar iets.

Anyway. Er werd op mijn raam geklopt door een vrouw in uniform.
"Sorry, kunnen jullie je een beetje koest houden", riep ik naar achteren, voordat ik me waagde aan een poging om het raampje open te draaien.
Olie op het vuur. Ze lachten alleen maar harder. Ik hoorde het klikken van bierbliklipjes. Ik rook de geur van een vers opgestoken joint.

Er werd opnieuw op het raam geklopt. Harder nu.
"Jezus! Maak die joint uit!" riep ik, "Christ!"
Het gebulder viel terug tot gegniffel.
"Ik meen het!" schreeuwde ik.
Stilte.
Ik draaide het raam open.

"Goedenavond", zei de agente, "mag ik uw rijbewijs zien?"
Ik overhandigde haar mijn rijbewijs. De agente bestudeerde het document langdurig.
"Knappe jongen zeker he, op die foto?" riep Elien vanuit haar bijrijdersstoel richting het opengedraaide raam.
Het gegniffel achterin begon langzaam weer een aanvang te nemen.
De agente klapte mijn rijbewijs dicht en zei tegen Eline: "Opmerkingen van uw kant zullen deze procedure bepaald niet sneller laten verlopen, mevrouw. En ik neem aan dat u net als iedereen ook gewoon het liefst zo snel mogelijk naar huis wil."
"Naar huis?" riep Eline, "ik? Naar huis? Nu al? Weet u wel hoe vroeg het nog is?"

Eline dacht dat ze grappig was. De mensen achterin dachten dat ook en lieten dat blijken.
O, fok, dacht ik, waarom nu? Niet dat ik ‘m kneep voor de autoriteiten. Maar ik had er gewoon geen zin in. Die hele toestand. Hier, nu, straks, whatever. Ik wilde dus gewoon wel naar huis.
Ik zat in mijn alcoholstopperiode moet je weten. De enige 3 maanden in mijn volwassen leven dat ik niet heb gedronken. Vreselijke tijd. Mijn haar was weer gaan glanzen, mijn ogen gaan sprankelen, mijn huid zo gaaf als baby, maar godsamme wat voelde ik me kut. Nergens zin in, behalve DVD’s kijken van de Bereboot en trekdrop vreten.

Serieus. Snoep en kinderseries, veel meer vreugde in mijn leven was er op dat moment niet. Ja, oorlogsfilms. Die heb ik toen ook allemaal gezien. En als ik zeg allemaal, dan bedoel ik allemaal. Vijf planken videotheekstock aan hardcore war-movies. Films met 100% legergroen en verder geen gezeik qua tweede verhaallijn.

Sorry, ik dwaal af.
"Wilt u hierin blazen?" vroeg de agente, ze overhandigde me een apparaat.
Ik keek waarschijnlijk een beetje verdwaasd. Ik zat met mijn kop bij een scene uit de een of andere Vietnam-film waarin de held werd aangehouden bij een controle-post, maar dankzij een onverwachte vol gas-manoevre wist te ontsnappen.
"Meneer?"
"Hey, ben je wakker?" riep Eline toen ik na een paar seconden nog steeds niet reageerde, "dat manwijf vraagt alleen maar of je haar eventjes wil pijpen!"
De grap, of wat daar voor door moest gaan, ontging mij, maar de achterbank lag plat/dubbel/in een deuk.

De agente deed alsof ze niks hoorde. "Het is heel simpel", instrueerde ze, "eerst diep inademen, en daarna zo lang mogelijk uitblazen. Met uw permissie houd ik uw rijbewijs zolang nog even in bezit van euh… de overheid."
"De watte?" vroeg ik.
"Blazen meneer, gewoon even blazen."

Ik blies.
De P van Prima. Uiteraard. Ik stond al bijna 3 maanden droog.
Ik kreeg mijn rijbewijs terug van de agente. "Een prettige avond nog", zei ze.
"U ook", zei ik, en trok op met piepende banden. Voegde met 160 km/u in op de snelweg richting Amsterdam. Zette de bups dichters, inclusief Eline, af bij een cafe (de Doffer), parkeerde de Volvo in de buurt van de woning van Eline, gooide de autosleutels door haar brievenbus en liep de resterende kilometer naar huis.

Onderweg kwam ik langs een avondwinkel. Ik twijfelde even. Sixpacks lonkten in de koelkast ter plekke. Ik negeerde ze, rekende een zak zwartwitballen af en een fles Hero Cassis. Iets verderop, bij de videotheek huurde ik voor de zoveelste keer Stalingrad en Hamburger Hill.

Waarom vertel ik dit allemaal? Ik weet het niet. Misschien om te zeggen dat ik zelfs in die tijd, die periode waarin ik al bijna drie maanden met alcohol was gestopt, en waarin het logisch zou zijn geweest, repressief als ik was, dat ik a la een net-gestopte roker die de verleidingen het liefst zo veel mogelijk beperkt ziet worden, te pleiten voor een algeheel drankverbod, het voorstel van minister Guusje ter Horst om een blaastest in te voeren voor voetgangers, een belachelijk idee zou hebben gevonden.

Een tamelijk leesonvriendelijke zin, die laatste. Maar goed, dergelijke syntax construeerde ik dus in die tijd. Mijn gedachten gingen sneller dan ik kon tikken of vertellen. Daarbij, ik begreep niemand en niemand begreep mij. Net als de politiek eigenlijk.
Ik werd er behoorlijk gestoord van. 

Gestoord genoeg om weer te gaan drinken. Gestoord genoeg om, en nou ga ik spreken met alcoholmonster Ramses Shaffy, te zeggen: Laat me.

Zonder dollen. We redden ons wel. Ook zonder politie. Ik wel. Heus.

Heindekort Fokkesukke

Man en Hobby

Zoals abonnees van de Volkskrant weten (en jullie vanaf nu dus ook) opent het bijbehorende magazine op zaterdag altijd met twee pagina’s vol ingezonden foto’s van lezers.
Deze foto’s hebben elke week een voorgeschreven thema. Het thema van afgelopen zaterdag was ‘Man en hobby’.

Mannen moeten een hobby hebben. Dat is algemeen bekend. Anders worden ze lastig, chagrijnig en gaan ze de hele tijd commentaar leveren op de inefficiente wijze waarop hun eega’s met hun bezigheden omspringen. En dat is voor niemand leuk.
Een hobby dus. Voor de man. En dan bij voorkeur niet: zuipen, gokken en achter de wijven aan zitten, maar iets onschuldigers. Iets waarmee ze niemand kwaad kunnen doen. Tuinieren bijvoorbeeld, of kokkerellen (vreselijk woord trouwens).

Ze stonden erin inderdaad, op die twee pagina’s van het Volkskrantmagazine. Een man die tuinierde (een grijze zestiger in tuinbroek die, een beetje appelig in de camera loensend, zijn tuinslang met verlengde sproeikop boven een struikje hield) en een man die kookte (een verrast kijkende besnorde kale vijftiger met een kookschort om, spatel in zijn poten, en zijn koekenpan onder een RVS-afzuigkap).

Geen hormoon meer in hun harses. Ongetwijfeld lieve mannen, daar niet van, maar het mooist waren toch de foto’s van de echte venten, met de echte mannenhobbies. Wat dacht je bijvoorbeeld van ‘metaaldraaien’ of ‘hakken en zagen’? Of, de allermooiste: ‘zand lossen’:

Zand_lossen

Als hobby! Dat lijkt mij persoonlijk nou zo geweldig, als ik dat leuk zou vinden. Dat je in het weekend wakker wordt, en denkt: ‘Yes! een vrije dag! Vandaag ga ik eens even lekker een flinke hoeveelheid zand lossen!’
Ik wou dat het mij gegeven was. Dat ik in staat zou zijn om van zoiets simpels te genieten als het laten vieren van de teugels aan een laadbak. Dat ik met mijn rooie zakdoek a la Rambo om het hoofd geknoopt, zou kicken op de lawine van beige mineralen die zich een weg baant richting mijn enkels. Woh man!

Maar helaas. Ik heb geen hobbies. Althans niet echt. Natuurlijk, ik schrijf wel eens een stukje, of een gedichtje. Ik organiseer het een en ander op cultureel gebied. Ik maak wel eens een wandeling, beklim afentoe een col met de fiets, raak soms nog een gitaar aan. Maar hobbies zou ik dat niet echt willen noemen. Het zijn geen passies. Geen alles opslokkende verslavingen.

Mijn vader wel. Mijn vader heeft een echte klassieke mannenhobby: postzegels verzamelen. Hij heeft er een aparte kamer voor in mijn ouderlijk huis. Met weetikveel, twintigduizend boekenkasten vol postzegelalbums. Bij elke afzonderlijke zegel zit een wit strookje papier waarop hij de waarde heeft geschreven, zoals die vermeld staat in de vermaarde Franse Yvert-catalogus. Elk jaar is er een nieuwe Yvert-catalogus. Dus elk jaar zijn er nieuwe strookjes. Een hoop werk.
En dan heb ik het nog niet eens over alle ruilbeurzen en veilingen die ie elke week afloopt om zijn verzameling uit te breiden. Daar is sinds een paar jaar internet nog eens bij gekomen. Er gaat geen dag voorbij of hij ontvangt fysieke post (via email besteld) uit de andere kant van de wereld. Eerstedagenveloppen uit Argentinie, ongestempelde zegels uit Tibet, you name it.
"Verzamelen zit nou eenmaal in de familie", zei mijn vader vroeger altijd, toen ik nog klein was, "Opa verzamelde ook al postzegels. En suikerzakjes. En sigarenbandjes. Wil jij ook niet iets verzamelen?"
"Geld", zei ik toen, 8 jaar oud, "ik wil zoveel mogelijk geld verzamelen."
"Munten!" riep mijn vader, "wat leuk! Ik neem je de eerstvolgende keer mee naar de ruilbeurs, en dan gaan we een begin maken met je verzameling."

Mijn muntenverzameling, die tien jaar later bestond uit geldstukken van zo’n beetje elk jaartal van elke munt van elke valuta die destijds in Europa courant was, heb ik in mijn studententijd, stukje bij beetje verbrast. Voornamelijk op interrail. Of gewoon bij het GWK op Amsterdam Centraal, als ik krap zat. Niet bij de balie, want daar wisselden ze geen munten, maar in de rij bij buitenlandse toeristen uit het land van de desbetreffende valuta, tegen belachelijk lage wisselkoersen. Als je dorst hebt, dan heb je dorst.

Ik ben er niet voor geboren, verzamelen. En voor hobbies trouwens ook niet, geloof ik.
Of het zou zuipen en gokken moeten wezen. Maak van dat gokken trouwens maar roken. Niet bepaald hoogstaand, ik weet het.
Toen ik in militaire dienst zat werd er aan het begin van de MV (militaire vorming) aan alle verse rekruten een waarschuwingsfilm vertoond. Over de gevaren van alcohol.
Lang duurde ie niet, hooguit 5 minuten, maar ik vond het een fascinerende film. Hij was voornamelijk in stripvorm, een tekenfilm, waarbij alcohol werd gevisualiseerd in de vorm van gemene monsters met duivelshoorntjes die je hersens stukje bij beetje opvraten, en voor de rest alleen maar lui liepen te lapzwansen. Ongeveer zoals in die reclame voor dat middel dat rokers moet helpen om te stoppen, die afgelopen jaarwisseling werd uitgezonden.
Ken je die? Maak niet uit, doet er ook niet toe, die tekenfilm tijdens de MV kende op een gegeven ogenblik een rare overgang. Van strip naar reeel. Van grappig naar serieus. De film eindigde met een beeld van een echte man (geen stripfiguur, integendeel, het was een rauw cowboy-achtig figuur met stoppelbaard, spijkerbroek en wit T-shirt), die in een schaarsverlichte ruimte op een houten stoel zat. Asbak en fles Jack Daniels naast ‘m, Marlboro-sigaret en glas whisky in zijn hand. Hij zat naar de grond te staren en te mijmeren. Roken, drinken, denken, en verder niets.
Einde waarschuwingsfilm.
Wow, dacht ik toen, wat een man. Dat wil ik. Zo’n man wil ik later worden.

Hoe die missie heeft uitgepakt, hoef ik jullie niet te vertellen. Vlag en wimpel.

Wat zal ik zeggen? Ik ben er blij mee. Het alternatief is geen lolletje. Neem de laatste foto uit de collage van ‘Man en hobby’. Ene Ben uit Almere. Hobby: simulatorvliegen:

Simulatorvliegen

I rest my case. No further questions.

Benchmark

Geachte minister Klink,

Ik schrijf u deze brief omdat ik u zojuist geinterviewd heb zien worden bij Pauw en Witteman, maar vooral omdat ik me zolangzamerhand toch een beetje zorgen begin te maken.

Begrijp me niet verkeerd, ik vind u altijd sympathiek overkomen. Met uw timide stem en dat vriendelijke fjord in uw haargrens boven dat schattige rimpelloze ronde koppie met dat retro jaren 50 Specsavers-montuur. Niks mis mee. Perfect minister-alike.

De reden waarom ik u schrijf is de volgende: ik hoorde u vanavond in de uitzending van Pauw en Witteman spreken over de toekomst van de zorg-sector. Over hoe u de door het kabinet opgelegde bezuiniging van 2,4 miljard euro op uw departement, handen en voeten wilde gaan geven.
U kwam eigenlijk maar met 1 oplossing: efficienter gaan werken.
Hmm.

Efficienter gaan werken, dat zouden we allemaal wel willen, dacht ik. En daarom roepen politici het natuurlijk ook zo vaak: "We moeten efficienter gaan werken". Want dat kost niets, en het levert toch iets op. In theorie dan. Want inmiddels weet iedereen dat er in de praktijk nooit iets van terecht komt.

In de zorg is al jaren, zoniet decennia, sprake van een zwaar tekort aan verplegend personeel. Wat op zijn beurt weer zorgt voor een negatieve spiraal. Handen en voeten tekort aan de bedden, waardoor de mensen die in de sector werken overbelast raken, zich langdurig ziek melden, waardoor de rest het nog drukker krijgt, waardoor er nog meer mensen overbelast raken, etc, enz.
‘Misschien moeten we er wat meer managers op zetten’, was het idee een tijdje terug, ‘om de mensen efficienter te laten werken.’
Gevolg: die managers kostten geld, dat drukte op de begroting, ergo nog minder financiele ruimte voor mensen aan het bed, kortom nog meer ellende.

‘Fuck’, dacht de politiek, ‘we krijgen signalen uit de samenleving dat het ondanks de managers nog steeds niet goed gaat in de zorg. Maar we weten niet waar dat precies aan ligt. Zo zonder informatie kunnen we natuurlijk ook geen goed beleid maken. Weet je wat? Laten we de managers instrueren om het zorgpersoneel voortaan exact te laten bijhouden wat ze nu allemaal van minuut tot minuut uitvoeren. Zodat we als politiek tenminste weten waarover we het hebben, en we er constructief over kunnen debatteren.’
Gevolg: Verplegend personeel dat veel van hun kostbare tijd bezig is om spreadsheets in te vullen, en/of om zich voor het ingevulde te verantwoorden tegenover het management. Ergo nog minder tijd over heeft om daadwerkelijke zorg te verlenen.

Voor het Onderwijs geldt overigens ook zoiets, maar dat terzijde. Daar gaat u niet over.

En dat is ook niet de reden waarom ik u schrijf. Ik schrijf u omdat ik u wil helpen. Ik wil u helpen te leren wat de term ‘benchmark’ betekent.
U gebruikte die term bij Pauw en Witteman in uw voorbeeld van een ziekenhuis in Maastricht. In dat ziekenhuis zijn ze volgens de statistieken het beste van heel Nederland om hartaanvallen te bestrijden. U noemde een mooi percentage van patienten dat niet opnieuw met hartsores te schaften kreeg na behandeling, ik meen 70%. En dat ziekenhuis was volgens u een benchmark. "Als zij het kunnen, dan moeten andere ziekenhuizen het ook kunnen."

En daar heeft u op zich misschien gelijk in. Maar het is tegelijkertijd een misplaatst gebruik van het woord ‘benchmark’. Weet u eigenlijk wel wat het is, een benchmark?
Behalve een sexy klinkende Engelse term die op het eerste gehoor goed scoort? Nou?

Mag ik het vertellen?
Okay dan: Een benchmark is een objectieve maat voor het gemiddelde in een sector. En die schitterende prestatie op cardiologie-gebied van dat ziekenhuis in Maastricht is volgens de definitie bepaald geen benchmark. Integendeel. Ze zijn de positieve uitzondering daarop. Kort door de bocht: mazzel. Ik wil niet zeggen dat ze niet goed bezig zijn, aldaar, maar geloof me als ik zeg dat er in praktisch ieder ziekenhuis wel tijdelijke scores zijn te vinden die tot juichen stemmen. Cijfers vertellen niet alles. Je kunt er wel iets mee, maar je moet er mee om weten te gaan.
Serieus: Statistieken zijn grillig. Zeker de tijdelijk hoogst scorenden. De langdurige gemiddelden daarentegen, zijn een stuk betrouwbaarder. Daarom worden die benchmark genoemd.
Capice?

Het onderwerpen van de complete zorgsector aan de ‘benchmarks’ van de hoogstscorenden op hun specifieke gebieden is net zoiets als van iedereen eisen dat ze komende week de lotto winnen.
Of, op de beurs, waar de term benchmark is uitgevonden (voorbeeld van een benchmark: de AEX-index), van ieder afzonderlijk aandeel eisen dat het dagindaguit bovenaan staat in het rijtje met grootste stijgers.
Kan niet.
Onmogelijk.

Daar beleid op baseren en menen er meer efficientie uit te kunnen opeisen, is niet alleen dom en naief, het is desastreus.

Lul.

Met vriendelijke groet,
plukdenacht

Mijn Appelpop 2009

"’Bilder sagen mehr als Worte’, schreef ik vorig jaar. En tsja, dat vind ik nog steeds.", schreef ik vorig jaar. En nog altijd ben ik niet van mening veranderd.

Anyway. Ter zake. Tussen de werkzaamheden door heb ik de volgende bandjes kunnen zien:

Vrijdag 11 september 22.30, Blossom (3e) podium: The Death Letters

Deathletters

Piepjong duo. 16-jarige drummer en 17-jarige zanger/gitarist. Afgelopen januari gescout op Noorderslag. En sindsdien zijn ze zelfs nog beter geworden, merkte ik. Met name de zang. Ik durf ze met recht ‘de Nederlandse White Stripes, maar dan met een betere drummer’ te noemen.

Voor de rest vrijdag geen fuck gezien. Geen tijd. Te druk met de geldstromen van de kassa’s.

Zaterdag was leuker. Tegen alle voorspellingen in schitterend weer. Ik ben begonnen met het kijken naar ons zeer diverse publiek:

Publiek_3

Jong. En wat ouder:

Publiek_1

Daarna:

Zaterdag 13 september 13.45, Music Mayday (2e) podium, Miss Montreal:

Missmontreal

Hitje ‘Just a flirt’ eventjes meegepikt, waarbij ze met een vette grijns the finger deed tijdens de slotzin "but you were just an asshole anyway":

Missmontreal_finger

Vervolgens:

Zaterdag 13 september 15.00, Blossom (3e) podium, Barbarella:

Barbarella_whos_your_leader

"Wow", zei de zanger van de band uit Nijmegen na afloop van het eerste nummer, dat met een gigantisch applaus werd beantwoord, "Ik wist niet dat Tiel zo geweldig was! Who is your leader?"

Zaterdag 13 september 16.30, Blossom (3e) podium, The Deaf:

Heideroosjes_spike

Van het optreden is helaas (nog) geen foto beschikbaar. Wel is the Deaf-frontman Spike (ook van Di-rect) later backstage vastgelegd met de bassist van de Heideroosjes.

Zaterdag 13 september 18.00, Blossom (3e) podium, DeWolff:

Dewolff_hamond

Vette Hammond-sound, na wahwah mijn lievelingsgeluid 

Dewolff_een_pils 

En een kuiken dat net uit het ei is, als zanger/gitarist. Zingen kan ie overigens niet zo goed, en dat doet ie dan ook gelukkig zo min mogelijk. Liever drinkt hij een pils en trapt ie z’n wahwah in. Zou mijn zoon mogen wezen.

Zaterdag 13 september 20.40, Hoofdpodium, Golden Earring:

Earring_barry

Met een drumsolo van Caesar Zuiderwijk. Normaal heb ik niks met drumsolo’s. Serieus. Al te opzichtig drummen vind ik over het algemeen meer iets voor hersenlozen die menen voor zichzelf te moeten opkomen. Maar van deze kreeg ik tranen in mijn ogen. Van ontroering, beleving en bewondering tegelijk:

Earring_caesar 

Maar het absolute hoogtepunt van de zaterdag was voor mij een optreden dat al net iets eerder die avond had plaats gevonden. Namelijk het volgende:

Zaterdag 13 september 17.25, Music Mayday (2e) podium, Heideroosjes:

Heideroosjes_2

Het Music Mayday (2e) podium is dit jaar misschien nog wel mooier qua uitstraling dan het hoofdpodium. Het 2e podium wordt niet meer ingeperkt door de grenzen van een tent, het is volledig open air, strak langs de Waal, en met de zon er op is het de idyllischte stage van Europa.

Soms komt alles samen. Het podium was schitterend, de zon brak door, de rivier deed z’n werk, het stond maximaal vol met publiek en old-school punkband de Heideroosjes gaf tijdens z’n 20-jarig jubileum het concert van z’n leven.

Heideroosjes_marco

Zanger Marco leek wel 18 ipv 40, en  sprong op en neer alsof ie op de maan stond in plaats van op aarde, de zwaartekracht kreeg geen voet aan de grond.

En in het publiek vond dat navolging. Er werd gesprongen en gepogoed dat het een aard had. Maar dat niet alleen. Appelpop is een van de weinige festivals dat onafhankelijk is. Niet onder een juk zit van externe commerciele partijen. Wij bepalen onze eigen regels. Ergo, bij ons mag er gecrowdsurfed worden. Dus.

Heideroosjes_crowdsurfen_2

Heideroosjes_crowdsurfen_3

Heideroosjes_crowdsurfen

Kortom, het was een prachtige editie. Met dank aan alle 500 vrijwilligers.

Ik ben blij dat jullie er waren. Vooral Daan, Martijn en Sander. Voor die laatsten: De leader of Wamel over halen om zijn/haar dorp om te dopen naar ‘Wafel’ wordt denk ik lastig, maar ik zal ‘afroomkeet’ in ieder geval nomineren voor de nieuwe van Dale.

Thanks boys! Hopelijk tot volgend jaar!

Heideroosjes_crowdsurfen_4_2

Foto’s: Raphael Drent en Martijn van Kuilenburg.

Appelpop! Blossom-stage!

Het is weer zover. Het allermooiste festival van Nederland, wat zeg ik, Europa, correctie, de wereld staat voor de deur: Appelpop

Vrijdag 11, en zaterdag 12 september in Tiel.

Gratis toegang.

Need I say more? Misschien wel. Misschien moet ik zeggen dat je er gratis de Golden Earring (die normaal gesproken nooit festivals doen) kunt zien. Of Kyteman’s hiphop orkest. En Kane, en Novastar, de Jeugd van Tegenwoordig, Alain Clark, etc, enz. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat om de bandjes die op het derde podium van Appelpop staan. Het podium voor de talenten die nog niet definitief zijn doorgebroken naar het massa-publiek. Want, en dan zeg ik het bescheiden, daar zijn we niet slecht in: het ultravroeg scouten van onbekend talent. Ik bedoel, wie had er niet bijvoorbeeld ooit een 15-jarige Krezip-leadzangeres Jacqueline willen aanschouwen? Of Roosbeef willen beleven, toen ze nog Franse nummers deed, met een smal koppie en een onzekere en tegelijkertijd dappere stem in plaats van die gespeelde quasi-verveelde? Precies! Dat zeg ik: het derde podium.

De line-up voor het derde podium van Appelpop dit jaar mag er wezen. Hou je niet van glad, niet van gelikt, niet van een doodgeprofessionaliserde studiomuzikantensound, dan moet je vooraan gaan staan bij de Blossom-stage. Sorry, zo heet het 3e podium tegenwoordig. Alles moet nu eenmaal een commerciele naam hebben in deze wereld. Niet mijn idee, maar een kwestie van marketing en dat soort dingen. Vreselijk. Marketing. Ik heb sowieso een hekel aan commercie. Behalve als je er geld mee kunt verdienen. Maar fuck, dat doen we dus ook al niet.

Enfin.

Kom!

Volledige line-up (zie  3*) voor derde podium-bands):

KANE
MILOW
GOLDEN EARRING
NOVASTAR
DE JEUGD VAN TEGENWOORDIG
ROWWEN HÈZE
VANVELZEN
ALAIN CLARK
KYTEMAN’S HIPHOP ORKEST
BABYLON CIRCUS
MARIKE JAGER
MISS MONTREAL
DRIVE LIKE MARIA
STEREO
HEIDEROOSJES
EPICA
THE DEATH LETTERS 3*)
DEWOLFF 3*)
KELLY’S HEELS 3*)
BRUISE 3*)
NEW SOUND SISTIM 3*)
THE RIGHTEOUS & THE BAD 3*)
THE DEAF 3*)
BARBARELLA 3*)
COOL ICE CRUSH KILLERS 3*)
UNLOCKED MEMORIES  3*)

Tot vrijdag 11, en zaterdag 12 september!

Crisis

Als je me zou vragen wat nou het opmerkelijkste was dat ik in mijn vakantie heb meegemaakt, dan zou ik 3 dingen kunnen antwoorden.

Het eerste zou zijn: het akkefietje met de Oma. Dat verliep als volgt: ik had voor mezelf een heerlijk rustig plekje bemachtigd aan het mooiste riviertje van Europa, La Roanne. Ik zou dat riviertje kunnen beschrijven, but why bother, dit is haar:

S4021566 

In honderden meters omtrek geen kip te bekennen, wat op zich niet zo gek was, want om bij de oever van het riviertje te kunnen komen moet je vanaf de openbare weg door de Gorge een pittige afdaling langs de rotsen aanvaarden.
Hoedanook, ik zat er, met een rugzak vol pilsjes, een pakje sigaretten, een handdoek en twee goede boeken. Meer heeft een mens niet nodig op een dag. Ja, een aansteker inderdaad, slimmerik, maar die had ik dus ook. Enfin. Ik zit daar in mijn blote lul, kan mij het schelen, er is toch niemand, heb zojuist een duik genomen in het kristalheldere water en wil net mijn eerste pilsje opentrekken, een Marlboro opsteken en mijn boek openslaan op de pagina waar ik gebleven was, als ik in de verte kinderstemmen hoor.
Kut! denk ik, en ik schiet mijn broek aan en ga vervolgens voort met mijn voorgenomen plan.
Niks aan het handje.

Maar dan komen de kinderstemmen dichterbij. En nog dichterbij. En uiteindelijk geraken ze zelfs in mijn blikveld, met in hun kielzog een spierwitte klomp vlees van een kubieke meter.
Ik zucht even vanwege de verstoring van mijn idyllische uitzicht, maar maak me verder niet te sappel. Ik neem een slokje pils, een trekje van mijn Marlboro en lees voort in ‘Roem’ van Daniel Kehlmann. Goed boek trouwens. Aanrader.
Anyway. Nog altijd niks aan het handje.

Totdat de kinderen, 4 zijn het er, precies voor mijn voeten stil houden. Op nog geen 1 meter afstand van mijn persoon. Ze kijken me niet aan.
"Zullen we hier een dam gaan bouwen?" stelt een jochie van 8 voor.
"Ja, vet!" gillen de andere 3 koters.
Nou ja! denk ik, wat is dat voor iets debiels! In honderden meters omtrek geen mens te zien, een miljoen andere plekken voorhanden, en dan uitgerekend hier, voor mijn neus, een dammetje gaan stapelen? Zien ze niet dat ik rustig wil lezen?

Waarschijnlijk zien ze het wel, en is dat juist het probleem, bedenk ik, als ik ze een tijdje gadesla en ze terloops uit hun ooghoeken zie spieken of ik wel kijk.
Dan arriveert de vleeshomp. Een vrouw van een jaar of 60. Ze knikt me vriendelijk toe. "Ach ja, les enfants!" zegt ze tegen me met vertederde blik op haar kleinkinderen.
Ik kijk boos terug. "Nu u het daar toch over heeft, kunnen die enfants misschien niet ergens anders een dammetje gaan bouwen?"
De Oma’s ogen schieten vuur. Haar blik is dusdanig vernietigend dat ik er van schrik.
Ze beantwoord mijn vraag niet, laat staan dat ze haar kleinkinderen maant iets verderop te gaan klooien met stenen. Integendeel. Ze draait zich om, voegt zich in the chaingang van kinderen en begint voortvarend mee te stapelen, waarbij ze het niet kan laten de grootste exemplaren in het water vlak voor mijn tenen te laten stuiteren, waardoor zowel ik als mijn boek stevig worden ondergespetterd.
"Dit is absurd", roep ik, "dit is toch niet normaal. Kunt u niet ergens anders.."
Het helpt niet.
Ze negeren me straal. Alsof ik lucht ben.

Ik besluit de verstandigste te zijn en te verkassen.
Net als ik me een bocht 50 meter verderop en uit het zicht, geinstalleerd heb, hoor ik de kinderstemmen weer dichterbij komen. De Oma voorop. "Kom op jongens", zegt ze, "we gaan iets verderop nog een dammetje bouwen."
"Maar wij willen onze oude dam afmaken!" roepen ze.
"Niks daarvan", zegt de Oma, "meekomen!"
En voor ik het weet staan ze weer voor mijn neus, en starten op commando van de Oma het hele proces van voorafaan.

Dit keer probeer ik het anders aan te pakken. Ik besluit te blijven zitten. En te doen alsof ik er geen last van heb. Ik bedoel, anders kan ik wel bezig blijven.
Maar de Oma is een taaie. Zelfs als de kinderen na een uur beginnen te klagen dat ze honger hebben, en dorst, beveelt ze de kinderen door te bouwen.
Totdat op een gegeven ogenblik een jongetje begint te huilen omdat hij door de zon levend wordt verbrand. Vuurrood is ie.
De Oma observeert z’n rug. "Okay", zegt ze, "jij mag terug. Vraag maar even een T-shirt aan mama. Weet je de weg?"
Het jongetje schudt zijn hoofd.
"Gewoon die kant op de rivier volgen", wijst zijn Oma, "dan kom je uiteindelijk vanzelf weer bij papa en mama."
Het jongetje maakt zich haastig uit de voeten.
"Maar daarna moet je weer komen helpen!" roept de Oma hem na, "en neem dan ook meteen je zusjes mee!"

Waarom? vraag ik me af, wat heeft die vrouw voor verschrikkelijks meegemaakt in haar leven, dat ze over zoveel haat beschikt? Over zoveel wraakuithoudingsvermogen? En waarom jegens mij? Omdat ik iets over haar kleinkinderen heb gezegd? Of is het omdat ik een man ben? Je mag het niet uitsluiten. Of wellicht omdat ik drink? Rook? Lees?
Serieus, ik kon er met mijn kop niet bij.
En nog steeds niet.

Maar er zijn meer dingen waar ik met mijn kop niet bij kon, afgelopen vakantie.
Zoals bijvoorbeeld dat L. en ik op een broccante een staande schemerlamp hebben gekocht van 2 meter. En dat terwijl onze auto op de heenreis al tot de nok toe vol zat. I mean, what were we thinking!? Dat we dat ding ooit mee terug naar Nederland zouden kunnen vervoeren?
Het is wel gelukt trouwens. Hij is echt gaaf. Met halverwege de poot een rond tafelbladje. Waar ik bijvoorbeeld mijn Gitanes-asbak op kan zetten, die ik ook op de broccante heb gekocht.
Een schemerlamp en een Gitanes-asbak. Meer heeft een mens ‘s nachts niet nodig.

Maar het alleropmerkelijkste was iets anders. Let op, ik ben geen viespeuk. Geen smeerkees. Echt niet. Maar de poetsdrift die de doorsnee Nederlander op vakantie aan de dag legt vind ik dus serieus absurd.
Het is net alsof ze enkel op vakantie zijn om zoveel mogelijk te kunnen schoonmaken.
"Wat zullen we dit jaar eens doen van de zomer, Jan?"
"Laten we gaan kamperen, Els, dat geeft lekker veel rotzooi."
"O Jan, wat een geweldig idee! Wacht, ik maak vast even een lijstje van welke allesreinigers ik allemaal mee wil nemen."
"Dat lijkt me heel verstandig Els, rij ik zo direct even naar de Makro, want daar zijn de grootverpakkingen dweilen en schuursponsjes in de aanbieding."
"O Jan, ik kan niet wachten! Moet je je voorstellen, de hele dag niks anders doen dan de tent uitbezemen, het campingmeubilair in het sop zetten, de afwas doen van het ontbijt, eventjes de douchehanddoeken in laten weken in de Biotex, en dan is het al bijna weer tijd voor de lunch, zodat we daarna precies hetzelfde nog 2 keer kunnen doen, en dan natuurlijk ook nog het grondzeil dweilen en het tentdoek schrobben, om vervolgens bijtijds doodop in onze slaapzakken te kruipen!"
"We zullen ons geen moment vervelen, Els."
"Nu ik er over nadenk Jan, hebben we eigenlijk wel tijd om boodschappen te doen, als we aan het kamperen zijn?"
"Ik denk het niet Els, ik denk dat we het beste maar genoeg aardappelen en Douwe Egberts-koffie mee kunnen nemen naar Frankrijk. Bovendien kan je dat daar niet eens kopen, want die Fransosen eten alleen maar knoflook en slakken."
"Slakken?"
"Slakken, Els."
"Getverderrie, wat een smeerkezen."
"Dat zijn het Els, ze hebben niet eens normale WC’s, maar gewoon een gat in de grond."
"Ha ha, nu maak je een gebbetje Jan!"
"Nee, ik ben serieus Els, dus bereid je er maar
op voor."
"Een gat in de grond, dat trek ik niet Jan."
"Dan nemen we toch een chemisch toilet. Koop ik van het weekend wel eventjes bij de Gamma. Wel zo verstandig ook nu, met die Mexicaanse Griep, je eigen toilet."
"Wat een goed idee Jan! Nog meer schoonmaken!"
"Ja, daar kun je een flink tijdje mee zoet zijn, Els, wij komen de tijd wel door."
"Ik ben zo opgelucht Jan, ik zag eerst echt enorm op tegen de vakantie."
"Ik ook Els, ik ook. Maar kamperen is het ei van Columbus."
"O lieverd, je bent ook zo slim! Ik word er helemaal… jeweetwel. Wat denk je? Zullen we naar boven.."
"Schat, ik ben moe. En bovendien moet ik nu eerst naar de Makro, want het is koopavond, en voor je het weet is die aanbieding van schuursponsjes uitverkocht. Ik kan het me niet voorstellen, want iedereen zal dit jaar wel weer gewoon naar Torremolinos vliegen, net als elk jaar, en in zo’n hotel heb je geen schuursponsjes nodig, maar je weet het natuurlijk nooit."

En dat was heel verstandig van Jan. Dat ie bijtijds schuursponsjes heeft ingeslagen.
Want godskolere, wat wemelde het dit jaar in Frankrijk van de ex-Kanarische eilanden-types. Ze zeggen dat het de crisis is. Dat mensen bezuinigen op vliegen. En ik geloof het van harte.
Nooit zag ik mensen harder poetsen dan dit jaar. Onze buurman maakte voordat ie aan de terugreis naar Nederland begon, maar liefst zes keer zijn autoruiten schoon met een chemische substantie. Niet een keer, niet twee keer, maar 6! En elke keer grondig. Telkens weer opnieuw plaatsnemen op zijn berijdersstoel, de ruitenwissers aanzetten, en vervolgens met een microscopische blik checken of er toch nog niet ergens een restje van een dood vliegje op de voor- of achterruit bivakkeerde, en dan weer met die plantenspuit aan de gang. Is ie ruim een half uur mee bezig geweest.

Op de enerlaatste dag van onze vakantie, de laatste Nederlandsers hadden onze camping inmiddels verlaten, liepen L. en ik door Die. Het dorpje waar we 3 weken waren verbleven. Ik zag in de historische straatjes van stenen muren met beige gescheurd stucwerk, verroeste elektriciteitsdraden die nog ouderwets buitenom waren geleid, afgebladderde blauwe luiken, een auto geparkeerd staan. Het was een oude bedrijfs-Citroen DS. Een Snoek Bestel. Groen, of misschien oorspronkelijk geel, het was moeilijk te zeggen, zo verweerd was ie van de buitenkant.
Binnenin lag de bagage. Rommelig opgefrommeld tentdoek. Een opgeblazen zwemband. Een gasstel en wat geblakerde pannen. Een aantal smoezelige dekens. En een beschimmeld dubbelgevouwen tweepersoonsmatras.
Het was een van de hoogtepunten van mijn vakantie. Op de valreep toch nog eventjes net als vroeger. Frankrijk.