Een nacht in het Slotervaart (slot)

Vervolg van gisteren

Om 23.00 uur kwam Wendy nog 1 keer langs. Om half 12 zou ze worden afgelost, vertelde ze. Door de nachtzuster.
"Misschien is het handig als ik nog even het katheter eruit haal", zei Wendy, "dan hoeft de nachtzuster dat niet te doen."
"Het watte?" vroeg ik.
"Het slangetje in uw penis", zei Wendy, "waarmee nu automatisch uw urine wordt afgevoerd. Als het goed is komt vanaf ongeveer dit moment het gevoel in uw onderlichaam weer terug, en kunt u weer plassen op eigen kracht."
"Okay", zei ik.

"Het kan even pijn doen", zei Wendy, terwijl ze de gordijnen dichttrok.
"…"
Ze sloeg de deken open en pakte me bij mijn lul.
Ik voelde niks.
"Nu even diep inademen", zei Wendy, "als u weer uitademt, trek ik ‘m eruit."
Ik bereidde me voor op het ergste.
Ik ademde in. Heel lang. En ten slotte weer uit.
Daar ging ze.
"Sorry hoor", zei Wendy, terwijl ze langzaam een halve kilometer plastic uit mijn voornaamste erogene zone tevoorschijn toverde, "sorry dat ik u zo’n pijn moet doen."
"Ik voel niks", zei ik.
Het was waar. Ik voelde niks.
"Nou, gelukkig maar", zei Wendy.

Of ik het eens was met dat laatste, betwijfelde ik. Vooral toen ik twee uur later nog steeds totaal geen gevoel had in de desbetreffende regio.
Kut, dacht ik. De ruggeprik is mislukt. Ze hebben per ongeluk de een of andere wervel of cruciale zenuw geraakt, en nu ben ik voor de rest van mijn leven impotent.

Wat ook niet hielp is dat de nachtzuster om de haverklap langs kwam, Stefanie, die om het kwartier mijn pisfles checkte.
"Heeft u nu nog steeds niet geplast meneer A.? Dat is zorgelijk. U zult toch echt moeten plassen, want anders knapt u blaas open en dat kan heel vervelende gevolgen hebben, met ernstige consequenties."
"Maar ik heb nog helemaal geen gevoel in mijn dinges!" zei ik tegen Stefanie, "hoe moet ik dan in godsnaam.."
"Veel drinken", zei Stefanie, "dan komt de aandrang vanzelf. Het is uiterst belangrijk dat het plasproces weer op gang komt."

Ik dronk nog maar eens een appelsap. Maar met elke appelsap die ik dronk geraakte ik banger dat mijn blaas open zou knappen.

In de bedden om me heen ging het al niet veel beter. Meneer de Vries plaste nog steeds zo ongeveer om het uur op de vloer, en in het bed naast ‘m lag een verschrompelde oude man met paarse onderbenen, die vreselijk te schaften had met constipatie. En dan niet zomaar constipatie, volgens mijn buurvrouw, maar een uiterst gevaarlijke vorm. Het was van groot belang dat ie zo snel mogelijk ontlasting verloor, anders zou ie volgens haar ‘binnenkort kassie wijlen wezen’.
En inderdaad werd door Stefanie om het uur een mobiele toiletpot de kamer ingereden, waarop de verschrompelde oude man dan werd neergezet, om drie kwartier lang louter scheten te produceren. Maar ontlasting, ho maar. Nog geen kippenkeutel.

En dan hadden ze het ook nog eens allemaal aan hun longen. Wat zich naast mij bij de Tour de France-man uitte in knoeperthard gesnurk en dito gerochel.
"Slapen doe je hier niet", vertelde mijn buurvrouw om half 3 ‘s nachts, "maar hoor je mij klagen? Ik dacht het niet. Ik zeg altijd maar zo: ‘niet klagen, maar dragen’."

De klok tikte verder. Dat doet ie altijd.
4.00 am. En ik was nog steeds impotent.
"Dit gaat niet goed", zei Stefanie, "als u nu niet heel snel gaat plassen, dan ga ik opnieuw een katheter inbrengen. Dit is mijn laatste waarschuwing, meneer A.!"

Je doet je best maar, dacht ik. Fuck. Ik was moe als de pokken. Het incontinentie-kleedje onder mijn kont droop van het bloed.
Fuck, fuck, fuck. En ik kon niet roken. Zal ik een pils nemen? dacht ik.

Maar toen, o wonder, voelde ik opeens een lichte tinteling. Ik grabbelde in mijn kruis. Ik had contact! Er was gevoel!
Ik keek schichtig om me heen. Ik ben zo’n type dat niet kan plassen met andere mensen om zich heen. Komt wel vaker voor bij mannen. Het pisbaktrauma. Zwaar onderschat fenomeen, maar daarover misschien een andere keer meer.

Terug naar Slotervaart. De buurman lag nog steeds te snurken. De buurvrouw lag op 1 oor, met haar gezicht van me af. Meneer de Vries was ook zowaar even rustig. De verschrompelde oude man zat op zijn mobiele pot scheten te laten, maar met z’n rug naar me toe. En de enige andere zaalgenoot, die ene die ik de hele dag nog niet had gezien, was volgens mij sowieso allang overleden.
Ik waagde het erop. Ik zette de pisfles aan mijn dinges. En probeerde aan watervallen te denken. Riviertjes. Stromende kranen.
Het werkte. De appelsap deed eindelijk mee aan de kringloop. Ik piste de fles bijkans tot de rand toe vol.
Toen ik klaar was zette ik de fles terug in het rekje dat aan mijn bed hing.
"Gefeliciteerd", zei mijn buurvrouw, terwijl ze zich omdraaide, "knap dat het je is gelukt."

Hell.

"Heel goed meneer A.", zei Stefanie 5 minuten later, terwijl ze de fles inspecteerde, "Geef toe: was dat nou zo moeilijk?"

Ik moet weg hier, dacht ik. Ik moet hier echt zo snel mogelijk weg.

Bon. Tot zover. Uit de reacties merk ik dat veel mensen zich afvragen wat er nou eigenlijk precies aan de hand was.
Welnu, de exacte term is een ‘peri anaal abces’. Ik heb er verder niet zo veel verstand van, maar het schijnt vrij tricky te zijn. Als zoiets openbarst en naar binnen slaat ben je veroordeeld tot een stoma, geloof ik. Hence de spoedopname en dergelijke.

Maar je gaat vanzelf alles relativeren als je een nachtje in een ziekenhuis ligt. Want er was 1 moment dat pas echt zielig was. Een moment waarop mijn hart serieus brak. En dat was bij het ontbijt. Om 8.00 am.
Stefanie was inmiddels afgelost door Manon. En Manon bracht op een karretje de ontbijtschotels langs. Voor mij was er niks, want ik had de dag vantevoren niet kunnen bestellen (moet voor 16.00 geloof ik), maar dat maakte niet uit. Ik had nog chocola.

Problematischer was het voor de verschrompelde oude man met de paarse onderbenen.
Hij kreeg zijn plateau voorgeschoteld, en trok de kap er vanaf. En barstte in tranen uit.
"Niet weer!" riep ie.
"Wat is er?" vroeg Manon.
"Ze hebben me weer het verkeerde gegeven!", huilde de man, "net als gisteren!"
"Wat dan?" vroeg Manon.
"Ik had een bruine cracker besteld", snikte de man, "en een plakje ontbijtkoek."
"En?" vroeg Manon.
"Hier liggen twee witte boterhammen met kaas. Dat werkt enorm stoppend! Dat mag ik *snik* niet eten! En ik *snik* moet eten om mijn stoelgang in werking te zetten! Dit is uhuu…erg, uhuuuu!!!"
Hij huilde nu met volle uithalen.

De rest van de zaal tikte ondertussen vrolijk op hun eitje. Zelfs de overleden man. Er was weinig sprake van solidariteit.
Behalve door Manon.
"Ik ga nu naar beneden, naar de kantine", zei Manon, terwijl ze een arm om de verschrompelde man heensloeg, "en haal een bruine cracker voor u. En een plakje ontbijtkoek."
"Huhuuuuuu, huhuuu, ik ben zooo moeoehoehoe!" huilde hij.
"Het komt goed", zei Manon, "ik ben zo terug."

En ze ging. En kwam terug. Met de cracker. En de ontbijtkoek. Zo lief. Misschien heeft ze het zelfs uit eigen zak betaald. Het zou me niet verbazen.

Anyway. Lang leve Wendy. Lang leve Manon. Helden zijn het. Heldinnen.
En vooral ook lang leve de man met de paarse onderbenen. De man die pas echt weet wat lijden is.

Met mij, ik ben thuis. Met mij gaat het inmiddels weer genant goed.

Advertisements

Een nacht in het Slotervaart (2)

Vervolg van gisteren

Dank voor jullie medeleven. Dat doet me goed. Serieus. Ik zal proberen niet te grossieren in cliffhangers, en het verhaal morgen afronden.

Zoals ik al zei, het ging heel snel allemaal.
Ik meldde me op de bovenste verdieping van het Slotervaart. Aldaar werd ik ontvangen door ene Wendy. Een jonge blonde verpleegster die er erg lief uitzag.
"U bent zeker meneer A.?" vroeg ze.
"Ik ben meneer A.", zei ik.
"We hebben het bed al klaar staan", zei Wendy, "het staat hiernaast op zaal 6. Zal ik u het even laten zien?"
"Prima", zei ik.

We liepen zaal 6 op. "Het is hier de afdeling voor longziekten", zei Wendy, "dat heeft verder niets met uw klachten te maken, maar er was voor de rest even geen plek."
"Geen probleem", zei ik.
Ik knikte vriendelijk naar mijn zaalgenoten, voor zover ze niet achter hun ronde cordon van plastic gordijn lagen verscholen.

Achter 1 van de gordijnen klonk een klaterend geluid.
"Ach nee he!", riep Wendy.
"Wat?" vroeg ik
"Meneer de Vries!!!" schreeuwde Wendy, "Meneer de Vries, hou daar onmiddellijk mee op!"
Een bescheiden beekje vocht stroomde richting het midden van de kamer.
"Sorry hoor", zei Wendy, "ik moet even iets oplossen", en ze rende naar het bed in de hoek van de kamer.
"Meneer de Vries, NIET OP DE VLOER! U moet op de WC plassen. OP. DE. WC. !!! Begrijpt u wat ik zeg?"
Wendy had zich inmiddels achter de gordijnen begeven. Voor het klateren hielp het weinig though. Het ging maar door.
"Meneer de Vries!!! GODSAMME!"

Naast me werd een gordijn opengetrokken. Het was mijn aanstondse buurvrouw voor de nacht.
"Is het weer eens zover?" vroeg ze aan me.
"Wat?" vroeg ik.
"Is meneer de Vries weer bezig?"
"Ik geloof het wel", zei ik.
"Tsja, dat hebben wij dan weer he?", zei mijn buurvrouw, "daar moeten wij dan mee op zaal legge. Die meneer de Vries die spoort niet. Die zouden ze eigenlijk op de afdeling spychiatrie motte leggen, maar ja, geen plek he. Daar kenne die meisies natuurlijk ook niets aan doen, want die doen hun best, maar wie lijdt er weer onder? Juist. Wij, de patienten. Nee, u kunt hier maar beter zo snel mogelijk weer pleite wezen hoor, maar waar komt u eigenlijk voor, zo’n jonge vent. Heb u ‘t ook aan uw longen?"
"Nee, ik heb het niet aan mijn longen", zei ik.
"Wat dan?"
"Iets anders", zei ik.
"Hij heb ‘t aan z’n reet", zei mijn andere buur, een zestigjarige dikke kerel die met zijn koptelefoon op de Tour de France zat te kijken op het beeldscherm aan zijn voeteneind.

Hoe weet hij dat? dacht ik.
"Uw kont?" vroeg mijn buurvrouw.
"Mijn kont", zei ik.
"Het is weer eens wat anders", zei mijn buurvrouw.
"Tsja", zei ik, terwijl Wendy aan de overkant van de zaal met een schrobber en dweil in de weer was om de urinesporen van Meneer de Vries weg te werken.

"Sorry voor het oponthoud", zei Wendy even later, "zal ik u dan nu even uitleggen hoe het bed werkt?"

Maar voor ze daaraan toekwam, rende een andere verpleegster zaal 6 binnen. "Is meneer A. al aanwezig?"
"Meneer A. staat hier recht voor je", zei Wendy.
"Mooi zo.", zei de binnengevallen verpleegster hijgend, "Als volgt: Meneer A. moet direct worden geopereerd. Dus ik heb hier al een blauw OK-hemdje bij me, dat moet hij zo snel mogelijk aantrekken. Heb je hem al gevraagd of ie nuchter is, en helemaal gezond?"
"Euh", zei Wendy, "bent u nuchter en helemaal gezond?"
"Ik heb sinds vanmiddag half 2 niet meer gegeten en gedronken", zei ik.
"Dat is mooi. Bent u voor de rest, op de recente klachten na, helemaal gezond?"
Ik twijfelde.
"Ik geloof het wel", zei ik.
"Weet u het zeker?"
"Ik geloof het wel", zei ik.

"Dan gaan we ervoor", zei de hijgende verpleegster, en ze trok de gordijnen rondom mijn bed in 1 ruk hermetisch dicht.
"Uitkleden", zei ze.
Ik kleedde me uit.
"Ook uw sieraden."
Ik deed mijn twee kettinkjes af.
"En uw armband."
Ik wurmde het dunne strookje linnen van mijn pols.
"Dit aantrekken."
Ik hees me in een blauw gewaad dat je van achteren moet dichtknopen.
"Dichtknopen lukt me niet", zei ik.
"Dat hoeft in uw geval ook niet", zei de hijgende verpleegster, "plaatsnemen op het bed alstublieft, dan kunnen we u direct naar de OK rijden."

"Mag ik niet eerst even mijn vriendin bellen?" vroeg ik.
"Hoezo?" vroeg de hijgende verpleegster.
"Nou", stamelde ik, "omdat.."
"Jawel, dat mag wel", zei Wendy.
Wendy was een schat.

Ik belde L.
Wendy nam de hijgende verpleegster gelukkig mee naar een acceptabele afstand, zodat ik nog enigszins prive kon bellen.
Ik vertelde L. dat ik nu onder het mes ging en vroeg haar of ze later vanavond nog wat dingen langs kon brengen.
L. vroeg wat voor dingen.
Ik noemde een aantal boektitels. Een pen. Een schrift. En o ja, voor de zekerheid, een halve liter.
"Bier?"
"Ssst, ja, b’r", fluisterde ik.
"Dat lijkt me niet zo verstandig, met die narcose."
"Ik ga ‘m niet opdrinken", zei ik, "het is meer ter geruststelling. Ik hoef alleen maar te weten dat ie er is. Anders kan ik niet slapen. Doe er maar twee trouwens. Voor de zekerheid."
"Maar.."
"Ik moet nu gaan", zei ik, "en voor als ik niet meer uit de narcose kom: ik hou van je."
"Wat is dat nou voor iets, breng me niet in paniek.."
"Ik hou van je."

"Klaar?" vroeg de hijgende verpleegster.
"Ik geloof ‘t wel", zei ik.
"Goed. Als volgt: nu op het bed gaan liggen."

En daar ging ik. Door Wendy en de hijgende verpleegster werd ik in vliegende vaart naar de lift toegereden. We daalden af naar de 4e, de verdieping van de OK’s, waar je alleen met een speciaal pasje naar binnen kan komen.
Het was net een televisieserie. Bij de uitgang van de lift stond een compleet team klaar. Ik telde 8 mensen. En ze hadden geloof ik allemaal een functie.
Terwijl ik door de gangen heen werd gerold stelden ze zich alle 8 binnen 20 seconden voor.
Het duizelde me.
"U weet wat er gaat gebeuren?" vroeg een wat oudere blonde vrouw met een mondkapje op.
"Ik heb geen flauw idee", zei ik.
"U krijgt zodadelijk een ruggeprik, en daarna word u geopereerd."
"Een ruggeprik?" vroeg ik.
"Ja, zodat u vanaf onderen verlamd bent, maar er voor de rest gewoon bij kunt blijven. Dat is nieuw bij dit soort ingrepen. Geloof me, dat is beter dan volledige narcose, want daar ben je na afloop behoorlijk misselijk van. Zeker als je rookt. En u rookt, toch?"

Hoe weten ze dat nou weer? dacht ik.

Ik knikte.
Ze maakte een notitie.
"Maar verder bent u volledig gezond?" vroeg de wat oudere blonde vrouw, "want dat is belangrijk bij een ruggeprik"
Twijfel maakte zich van mij meester. Ik had geen zin om de rest van mijn leven voor de helft verlamd te zijn.
Heel lafjes zei ik: "Op zich wel, maar ik heb gisteren vanwege de pijn het een en ander aan alcohol genuttigd. Kan dat kwaad?"
"Drinkt u vaker?" vroeg de vrouw.

Tsja. Wat zeg je dan. Ik zei voor de zekerheid toch maar eerlijk: "Ja".
De vrouw maakte een notitie. Daarna zei ze: "Nee, dat kan in dit geval geen kwaad.&
quot;
Kut.
Mis gegokt.
Bij dezen was mijn EPD dus volledig naar de kloten.

"Meneer rookt en drinkt stevig, maar is voor de rest gezond", zei de wat oudere blonde vrouw toen ze me overleverde aan de handen van de dienstdoende anesthesist.

Voor de ruggeprik.

En die was te gek. Als je wekenlang in pijn hebt doorgebracht, man, je weet niet wat je overkomt. De verlichting.
Ik voelde al het leven uit mijn onderlichaam vloeien. Het tintelde even en geraakte daarna gevoelloos. Hemels.

Een paar uur later, na de operatie en na te zijn bijgekomen in de ‘uitslaapruimte’ op de 6e, lag ik op 10A, zaal 6. Het bezoekuur was allang voorbij maar L. mocht van Wendy toch naar binnen.
"Wat zie jij er vrolijk uit", zei L. toen ze me zag.
"Ja", grijnsde ik, "ik voel me goed."
"Zonder drank?" vroeg L.
"Ja", zei ik.
"Zonder sigaretten?" vroeg L.
"Ja", zei ik.
"Hoe dan?"
"Ik ben verlamd", zei ik, "en dat is echt geweldig."

Voor een uurtje was het een gezellige boel. We praatten, L. overhandigde me de boeken waarom ik had gevraagd, trok appelsap uit de automaat op de gang voor me, om de nacht door te komen, en gaf me flink wat chocola om de behoefte tot roken te kunnen onderdrukken.

Maar Wendy kon het bezoekuur niet tot het oneindige oprekken. En meneer de Vries klaterde er intussen ook nog steeds op los.
Voor de zoveelste keer ging Wendy met de schrobkit in de weer.

Mijn buurman keek naar SBS shownieuws, mijn buurvrouw keek naar de zonsondergang bij de Hoogovens, die ze volgens zichzelf vanuit hier kon zien.

Ik gaf L. een kus. "Morgen ben ik weer thuis", zei ik.
"Heb je genoeg chocola?" vroeg L.
"Ik heb genoeg chocola", zei ik.

Daar ging ze.

Ik kreeg meteen ongelooflijk veel zin in een sigaret. Maar ik was verlamd. Er was no way. Ik wenste dat ik op mijn handen kon lopen. Iets wat ik mezelf in de toekomst zeker wil gaan aanleren. Maar afgelopen donderdag kon ik het dus nog niet. En maakte, laten we zeggen, een ongemakkelijke nacht mee.

Doch antropolisch ook een interessante. Waarvan akte. Morgen.

Een nacht in het Slotervaart

Donderdagmiddag om half 3 stapte ik in mijn Volvo. Echt zitten kon ik niet, maar zolang ik me met mijn linkervoet stevig kon afzetten tegen de wielkast, en me met mijn handen kon optrekken aan het stuur, met mijn rug strak tegen de stoelleuning geperst, was daadwerkelijk zitten ook niet echt nodig om toch te kunnen autorijden.
Remmen, gas geven en koppelen diende in deze situatie weliswaar allemaal met de rechtervoet te gebeuren, maar ik vermoedde dat zulks mogelijk moest zijn.

En dat was het ook. Ik arriveerde netjes op tijd voor mijn afspraak van 15.00 in de polikliniek van het Slotervaartziekenhuis, afdeling chirurgie.

In de wachtkamer zaten 100 mensen. Het kunnen er ook 98 zijn geweest.
"Lopen jullie erg achter op schema?" vroeg ik aan de baliemedewerkster.
"Niet meer dan normaal", zei ze.
"Wat is normaal?" vroeg ik.
"Gewoon", zei ze.
"Weet u wanneer ik ongeveer aan de beurt zal zijn?"
Ze zette een vriendelijke glimlach op: "Nou, voorlopig niet, denk ik, zo te zien. Maar blijft u voor de zekerheid toch maar hier in de wachtruimte zitten."
"Ik kan niet zitten", zei ik.
De baliemedewerkster haalde haar schouders op, "dan blijft u toch gewoon staan?"

Fijn.
Ik liep naar buiten. Rookte een sigaret. En nog 1. Toen was de limiet van mijn recalcitrantie bereikt, en begaf ik me bang om mijn beurt te missen, als een schaap weer richting de wachtkamer.

90 minuten verstreken. Ik had gestaan in alle posities die een mens met pijn kan verzinnen. Uiteindelijk stond ik voornamelijk gebogen met mijn handen geklemd om een gammele stoelleuning, mezelf te vervloeken dat ik geen stok had meegenomen om mijn tanden op stuk te bijten. Of, nog makkelijker, niet gewoon het doosje met de Ibuprofen 400 mg-pijnstillers bij me had gestoken.

De wachtkamer was zolangzamerhand bijna leeg. Patienten die veel later waren binnen gekomen dan ik, waren reeds lang weer pleite.
De baliemedewerkster zat een tijdschrift te lezen en roerde in haar cup a soup.
Ik vroeg haar om opheldering.
"Sommigen van onze artsen werken sneller dan de anderen", zei ze, "misschien heeft u pech met de arts waarbij u bent ingedeeld."
"Maar wat denkt u", vroeg ik ‘r, "zou ik nu eindelijk binnenkort eens aan de beurt zijn?"
Ze keek op van haar tijdschrift: "ik durf het u niet te zeggen. Maar ik hoop voor u van wel, want om 17.00 gaan we dicht."

Dat klonk niet erg geruststellend. Het was 16.45.

Het bleek paniek om niks. Want om 16.55 verscheen vanuit de deur van een van de behandelkamers een hoofd boven een witte jas dat mijn naam riep.
Opgelucht liep ik naar binnen.

Over wat er daarbinnen gebeurde ga ik verder niet uitwijden. In ieder geval deed het pijn. En moet ik harder hebben gekrijst dan een live gecastreerd varken.

"We hebben een gevalletje spoedopname", hoorde ik de arts tegen de baliemedewerkster melden, terwijl mijn lichaam nog in aftershock spastisch liep samen te trekken op de behandeltafel.
Ook hoorde ik vanuit de verte een van de laatste overgebleven wachtenden in nuchter Amsterdams opmerken: "Nou, inderdaad, dat dacht ik al. Kolere wat een geluid!"

Vanaf daar ging het allemaal heel snel. Ik moest me weer aankleden, kreeg een map in mijn handen geduwd en moest me melden bij de afdeling 10A van het aanpalende reguliere ziekenhuis, waar op dit moment een bed voor me werd klaargemaakt en waarvanuit ik zo snel mogelijk zou worden geopereerd.
"Quoi?" zei ik, "ik dacht dat ik polikli.."
"U wordt per direct opgenomen", zei de arts, "u zult hier een tijdje moeten blijven. Het spijt me. Maar met dit soort dingen willen we geen risico’s nemen. Dus gaat u alstublieft snel naar boven om u te melden. Ze wachten op u."

Ik liep richting de uitgang.
"U kunt ook binnendoor", zei de baliemedewerkster, "dat is sneller".
"Ik ga liever buitenom", zei ik.
De baliemedewerkster rolde met haar ogen en nam haar laatste slok uit de beker cup a soup. "Whatever", zei ze.

Buiten rookte ik een sigaret en belde L.
"En?" vroeg L., "hoe is het gegaan? Goed?"
"Ik moet met spoed worden opgenomen", zei ik, "ik word zodadelijk geopereerd."
"Quoi?" zei L.
"Dat zei ik ook al", zei ik.

Wordt vervolgd.

Sorry, even tot zover. Ik kan nog steeds niet al te lang zitten. En heb dus ook niet de gelegenheid om serieus te editen en in te korten, en dat soort gelul.
Enfin. Morgen meer.

Gêne

Sinds ongeveer een weekje heb ik last van helse pijnen. Pijnen in een zone die ik hier niet nader ga noemen omdat ie nogal genant is. Maar het komt er op neer dat ik amper kan zitten, en ook nog eens moeite heb met lopen.
Lastig dus. Want andere dingen doe ik eigenlijk niet. Behalve slapen natuurlijk, maar daar heb ik over het algemeen niet al te gek veel tijd voor.

Enfin. Pijn. Hypochonder als ik ben dacht ik direct aan een ongeneeslijke vorm van kanker.
"Waarom ga je niet naar de huisarts?" vroeg L., toen ik voor de zoveelste keer het hele huis bij elkaar vloekte terwijl ik probeerde de trap naar het dakterras op te lopen om de planten water te geven.
"Omdat het toch kansloos is", zei ik, "en bovendien heb ik de vervelendste huisarts van Amsterdam."

Dat laatste is waar.
Mirjam E. is een vrouw van een jaar of 50 met een grijzend bloempotkapsel, een strenge bril en extreem zuinige lippen, die er lol in lijkt te scheppen om zo agressief mogelijk haar automatische telefoonbeantwoorder in te spreken.
Wanneer je ook belt, altijd krijg je op boze snerpende toon te horen: "Zoals u zou moeten weten is de praktijk op dit moment GESLOTEN. Afspraken maken is NIET MOGELIJK. U dient zich gewoon te melden op mijn SPREEKUUR. Wanneer dat precies is vertel ik lekker niet EINDE mededeling. Voor als u nog vragen heeft: een bericht inspreken op deze telefoonbeantwoorder is NIET MOGELIJK" *tuut-tuut-tuut-tuut*

Maar goed, toen ik afgelopen woensdagnacht voor de zoveelste nacht achtereen echt niet kon slapen van de pijn, besloot ik donderdagochtend toch maar op de gok in alle vroegte naar haar praktijk te gaan. Geen idee wanneer dat spreekuur zou wezen (het staat zelfs niet op het koperen naambordje van haar praktijk), maar ik herinnerde me uit een vaag ver verleden dat het extreem kort was en plaats vond op een onchristelijk vroeg tijdstip.

Aangekomen bij de praktijk bleek de deur zowaar open te staan. Ik liep naar binnen en meldde me bij de assistente.
Ik moest mijn geboortedatum noemen. Nadat ik die had prijsgegeven trok de assistente een bedenkelijk gezicht: "Die datum komt niet in onze database voor. Laat ik het eens proberen met uw naam. Wat is uw naam?"
Ik spelde mijn naam.
"Heel vreemd", zei de assistente na een minuutje driftig typen en herhaaldelijk op ‘enter’ rammen, "ik kan u niet vinden. Weet u zeker dat u bij de praktijk van Mirjam E. bent ingeschreven?"
"Jazeker", zei ik.
"Dan bent u zeker heel lang niet bij ons langs geweest?" vroeg de assistente.
"Lang, lang, ach wat is lang?" zei ik.
"Een jaar?" zei de assistente
"Eerder een decennium", zei ik.
"Een watte?"
"Tien jaar", zei ik.
"Ja, dat schiet natuurlijk ook niet op he meneer! Dat had u me eerder moeten zeggen! Dan had ik direct in de historische gegevens kunnen kijken."
"Het kunnen er ook 9 zijn geweest", zei ik, "of 7, of 3, ik weet het niet meer precies."
Ze startte een ander programma op haar computer, zuchtte en zei: "Weet u wel hoeveel tijd me dit allemaal kost!"

Dat was ik vergeten. Dat behalve Mirjam E. zelf, ook haar assistente niet bepaald een van de allerpatientvriendelijkste personen op aarde representeerde.

Nadat de assistente me eindelijk had weten op te sporen in het systeem werd ik doorgestuurd naar de wachtkamer. Die reeds druk bevolkt was. Er zaten 9 vrouwen op de lederen banken. Eentje met baby. Ze kwebbelden er lustig op los. Over de Mexicaanse griep, en hoe je altijd maar beter het zekere voor het onzekere kon nemen. Ik ondertussen, verbeet mijn pijn en nam plaats op een wankel houten stoeltje, de enige vrije plek.
Ik voelde mezelf wit wegtrekken door de gemene steken in de genante zone en verging bijkans van het zelfmedelijden.

Dat enigszins afnam toen ik verderop de eerstvolgende binnenlopende patient door de assistente geweigerd hoorde worden. Omdat het spreekuur ‘vol’ zat. Hij moest morgen maar terugkomen. De klok stond op 8.05 am. Ik besefte dat ik nog mazzel had gehad.

Een uur verging. Een voor een werden de dames opgeroepen door de assistente en naar de dokter gebracht.
"Nou doei he?" zeiden ze tegen elkaar, als er eentje aan de beurt was, "het was gezellig! Misschien tot de volgende keer!"
En ik zat daar maar. Doorweekt van het zweet, krimpend van de pijn.
Ik voelde de vrouwen naar me kijken. En hoorde ze denken: ‘Mannen. Je hebt er niets aan. Ze kunnen ook nooit eens leuk meedoen aan het gesprek. En gewoon netjes op tijd komen? ho maar! Altijd hetzelfde liedje met die venten.’

En toen, om 9.30 was er eindelijk de verlossing. Althans, ik was de laatste in de wachtkamer en werd door de assistente naar de arts gebracht.
De deur van de behandelkamer ging open. Voor me stond een jonge, lange, slanke negerin. Ze stak een hand uit.
Die ik schudde. "Sven", zei ik, "maar jij bent volgens mij niet Mirjam E."
"Klopt", zei ze, "ik ben haar tijdelijke vervangster."

Ik wist niet of ik daar nu blij mee moest zijn. Iemand als Mirjam E. opzadelen met mijn huidige klachten, en de daaruit voortvloeiende meest waarschijnlijke behandeling was nog tot daaraantoe. Ik bedoel, die verdiende dat bijna. Maar zo’n mooie negerin?

"Vertel het eens", zei ze vriendelijk toen we waren gaan zitten.
"Het is eigenlijk nogal genant" begon ik. "maar ik heb zeg maar nogal pijn in mijn euh.." En deed daarna stotterend mijn verhaal.
"Tsja", zei ze, nadat ik was uitgepraat, "wat zullen we doen? Zal ik euh… eventjes kijken?"
"Ik weet het niet", zei ik.
"Maar misschien is dat toch het beste", zei de negerin, "dat ik eventjes kijk."
"Misschien wel", zei ik.

En daar stond ik dus even later. Voorover gebukt. Broek en onderbroek op mijn enkels. Die grote negerin achter me.
"Ik trek even een handschoen aan", zei ze.
"Natuurlijk", zei ik.
Ik hoorde had klappende geluid van strak latex om een pols.
"Ik ga je nu aanraken", zei ze.
Ze raakte me aan.
"En nu ga ik naar binnen", zei ze, "ben je er klaar voor?"
"Uhuh", stamelde ik niet al te overtuigend.
"Probeer te ontspannen", zei ze.

Ontspannen. Juist. Natuurlijk.
Ze wrikte.
"Volgens mij ben je niet zo ontspannen", zei de grote negerin.
"Dat zou zomaar kunnen", zei ik.
"Ik kom niet echt naar binnen", zei ze.
"Tsja", zei ik.
"Het gaat het makkelijkst als je net doet alsof je moet poepen", zei ze, "dan gaat het vanzelf. Dan kan ik zo naar binnen."

Ik deed het nog ook. Op het risico af de complete praktijkvloer onder te schijten volgde ik de instructie op, simuleerde een stoelgangpoging. En verdomd, daar ging het eerste vingerkootje naarbinnen. Lichtje erbij, en de inspectie kon een aanvang nemen.

Lang duurde die echter niet. Hij werd voortijdig afgebroken doordat er bij mij van alles samentrok. Plotseling raakte ik ongewild verzeild in een wurgpoging van haar vingertop.
"Ontspannen!" schreeuwde de negerin, "ontspannen!"
"Hoe dan!?" schreeuwde ik terug, ik verging van de pijn.
Zij waarschijnlijk ook.
Somehow wist ze haar vingertop er gelukkig toch weer uit te krijgen. En het lampje uiteindelijk ook.

"Poe", ze ze even later toen we weer aan haar bureau zaten, "ik ken veel gespannen types, maar jij bent het echt enorm."
"Vertel mij wat", zei ik.

"Waarom denk je dat ik zo veel rook en drink?" wilde ik erachteraan zeggen. Maar dat zei ik niet. Voor je het weet staat zoiets in je EPD en kun je het afsluiten van verzekeringen en dat soort dingen gevoeglijk ver
geten.

Ik kreeg een recept. Voor een zalfje. Dat me zou moeten helpen ontspannen in de desbetreffende zone. Maar alleen al het ophalen van dat zalfje was een enorm zenuwslopende aangelegenheid. Je staat in een volle apotheek een nogal beschamende bestelling te plaatsen, en krijgt vervolgens de hele rataplan opnieuw over je uitgestort.
"U bent hier nooit eerder geweest zie ik in onze database, dus ik moet u even een aantal intake-vragen afnemen."
Geloof me als ik zeg dat daar indiscrete vragen tussen zitten. Waarop je je antwoorden liever niet deelt met het aanwezige publiek.
"Ik moet dit toch even aan u vragen: heeft u in het verleden last gehad van rectale allergieen?"
Fuck.

I did it though. Dat publiekelijke intakegesprek. En nu heb ik dus sinds donderdag die zalf.
Hij werkt voor geen meter.

Het is allemaal een behoorlijke kutzooi. Gisteren was de begrafenis van Simon. Ik trok het bijna niet om daar naartoe te gaan. Al een hele week amper geslapen. En bovendien niet kunnen lopen. Of zitten. Hell.
Toch gegaan. Vantevoren weetikniethoeveel aspirines geslikt, en een flinke dosis als reserve in mijn rugzak. Plus wat drank.

L. en ik, we liepen (strompelden – moi) zaterdagochtend naar de tramhalte op de Overtoom, onderweg kochten we bloemen in het stalletje bij het Staringplein (Cherry-brandy-rozen – Simon hield ontzettend van rozen, brandy leek me ook wel goed, en zijn weblog heet kersvers, dus voila), we hadden mazzel, de 1 kwam vrij snel, we haalden een onverwacht gunstige aansluiting van Lelylaan naar Station Sloterdijk, en aldaar ontmoetten we in de regen een wat oudere vrouw in het zwart die we aanspraken, en die zojuist bleek te hebben uitzocht hoe te reizen vanaf daar naar begraafplaats Sint Barbara.
"Gaan jullie ook naar Simon" vroeg ze.
"Ja", zeiden wij.
"Mooie bloemen", zei ze.

Ook de rest van alle passagiers in bus 48 ging naar Simon.
We kwamen om 11.15 aan in de kapel waar Simon lag opgebaard. We legden links de bloemen op de stapel die er al lag, stopten onze cadeautjes in de kist (hij was jarig),  en liepen het rondje uit, tot we weer achterin de kerk stonden. Daar bleven we wachten tot het 12 uur zou worden en de kist ter aarde zou worden besteld.
Tenminste dat was de bedoeling.
Maar het was druk in de kerk. En het werd drukker. En drukker. Ergo warmer. Ergo ontzettend benauwd. En ik had pijn in de zone, niet normaal. Ik werd min of meer onwel en vluchtte naar buiten. Aldaar kwam ik allerlei bekenden tegen.
Die loop je niet zomaar voorbij. Die begroet je. En je praat ermee.

Maar ik trok het niet. Ik moest halverwege een gesprek met Lucienne K. capituleren. Ik voelde dat ik anders van mijn stokje zou gaan. Ik excuseerde mezelf, en peerde ‘m van het bevolkte terrein. "Sorry, weinig geslapen", zei ik tegen iedereen die het wilde horen. En als ze me vroegen waarom, dan zei ik dat ik een blessure had opgelopen met voetbal, aan mijn knie, en dat ik daar last van had, ik had geen zin in het vertellen van genante verhalen (sorry Martijn, voor mijn leugens).

Buiten, een heel eind verderop in het gras, vleidde ik mezelf neder. Eventjes op een oor. Eventjes verlossing. Op de achtergrond werd Jules Deelder geinterviewd door AT5. Ik was als de dood dat die gekken van de TV met hun camera’s me zouden zien en naar me toe zouden komen om te vragen of ik soms geveld was door een *blink blink* joint.

De begrafenis zelf heb ik daarna overigens wel bijgewoond. In de achterste gelederen. In alle ruimte. Vlak voor Hans Verhagen, die als allerlaatste was komen opdagen. L. en ik, we liepen op met G. en M. Vertrouwde mensen. Prettige mensen. Waar je zonder je ongemakkelijk te voelen, niet de hele tijd iets tegen hoeft te zeggen.
G. had van de organisatie een bosje bloempluksels in haar hand gedrukt gekregen. Het was het laatste restant uit de bloemenzee die eerder die ochtend op de stapel in de kapel was gelegd.
Oorspronkelijk hadden ze zelf een prachtig boeket gekocht. Maar dat was allang meegegeven aan de voorste gelederen.
G. vertikte het echter om het bosje onkruid onderweg stiekem te dumpen. Dat vond ik mooi.

Na de plechtigheid was het de bedoeling van het dagprogramma om naar Ruigoord te gaan, alwaar een vreugdevuur zou worden ontstoken om de hemel te verkondigen dat Simon in aantocht was.
Ik had het gevoel dat mijn lichaam het niet zou kunnen bewerkstelligen. Ik was op. Total loss. Ik kon niet meer. De pijn, weer de pijn.
Ik wilde naar bed. Slapen. En als dat niet zou gaan, zachtjes lijden, met de nadruk op zachtjes.

Maar het verliep gelukkig anders. Toch Ruigoord. We konden meerijden met de Volvo 740 van EJH. Weliswaar in de kattenbak/bagageruimte, mais soit. Het kon. Bovendien was het voor mij een zegen: Reizen in een achterbak betekende dat ik half kon liggen. Ergo niet hoefde te zitten, lopen of staan. Ideaal. Recupureren.

Toen ik ter plekke aan de suggestie van Bernard gevolg gaf, en de eerste pilsen uit mijn rugzak viste, opentrok en uitdeelde,  maar vooral zelf opdronk, wist ik dat het met deze dag ook wel weer goed zou komen.

Met 7 dichters in een auto. Over zowel de heen- als de terugreis valt een mooi stukje te schrijven. Daar kom ik vanavond niet meer aan toe. Sorry E./B.W./L.H./F.S, etc. Want jullie hebben gelijk. Daar ontstond een bijzonder iets. Een ongrijpbaar iets.
Of zoals E. het zei: "Hey Svenno, hier, ons in deze Volvo, daar zou je nou eens over moeten schrijven."

Misschien morgen. Of daarna. Maar voor nu:

Gegroet! Sven, liefhebber van jullie all.

Gegroet Simon Vinkenoog

Ik zat afgelopen nacht in bed een krant te lezen. Ergens aan het voeteneind stond een TV aan met het geluid uit. Het late journaal. De kat had meer interesse voor het bewegend beeld dan ik.
Beelden van de oorlogen in de wereld. Ik kende ze al. Had ze reeds gezien om 8 uur, alsmede in de decennia daarvoor. Ik las verder in mijn krant. De Tour-statistieken.
Totdat ik door mijn wimpers heen opeens iets moet hebben opgemerkt. Mijn hartslag vertikte 3 maal. De reden: op het TV-scherm was een foto van Simon Vinkenoog verschenen. In paniek grabbelde ik naar de afstandsbediening, om het geluid aan te zetten.

Maar eigenlijk was het geluid overbodig. Op het moment dat ik die foto zag wist ik al meten hoe laat het zou wezen.
Dat meen je niet! was het eerste wat ik dacht, hoe kan dat nou!?

Ik zal hier niet alle cliche’s herhalen die jullie de afgelopen dag voorbij hebben zien komen op internet, en die jullie morgen in de necrologieen van de diverse dagbladen zullen lezen. Over hoe vitaal hij nog was voor een 80-jarige, over zijn onnavolgbare energie en dat ie de persoonlijking was van de ideale podiumdichter.

Ze zijn wel waar though.
"Simon Vinkenoog wint overtuigend NK poetryslam" kopte nog niet zo lang geleden een toonaangevende poeziesite. De bedenker van die headline maakte daarmee een geintje, aangezien Simon Vinkenoog helemaal niet meedeed aan dat NK.
Maar Simon had het NK wel mogen openen. Als eregast. En hij had dat dusdanig weergaloos gedaan, dat alle echte kandidaten vervolgens niet meer onder zijn schaduw vandaan wisten te komen.

Ik zou vanavond graag een iets persoonlijker verhaal vertellen over Simon Vinkenoog. Maar dat lukt me op dit moment niet. Ik ben echt geschrokken. Had dit totaal niet verwacht.

Ik bedoel, zijn rechteronderbeen was net geamputeerd. Dat was een heftig iets. Daarvan was ie net aan het revalideren, hier om de hoek, aan de Overtoom.
Het plan was ergens deze week bij ‘m langs te gaan. Met een bloemetje. Een half flesje Jameson. Dat soort dingen. Gezellig even wat sigaretjes roken in de tuin van het revalidatiecentrum, met een borreltje erbij.

Fuck.

Ik zag ‘m best vaak, Simon. In ieder geval elke maand tijdens de Festina Lente poezieslag, waar we samen al sinds 10 jaar de vaste juryleden zijn.
Vantevoren altijd eten, samen met Edith en L., en daarna een stuk of 10 dichters beoordelen.

Ik ga dat missen. Ik ga dat ontzettend missen. Maar er zijn nog mooiere herinneringen.
Ga ik nu verder niet over uitwijden.

Waar ik jullie nu eigenlijk alleen maar op wil wijzen is de website die Simon sinds een flink aantal jaren heeft bijgehouden. Zijn persoonlijke weblog.
Als je dat leest, dan weet je wie Simon was.

Ik heb er een tijdje geleden, toen ie 80 werd, een gedicht uit gefabriceerd, dat weblog. En dan met name de slotregels daarvan.
Simon eindigde zijn persoonlijke weblogstukjes namelijk altijd vormvast, volgens een stringente code die er als volgt uit zag: ‘Gegroet, [eventuele tussenregel] Simon Vinkenoog’, en daarna een ‘[persoonlijke kwalificatie/samenvatting van wie/wat/hoe hij zich voelde die dag]’.

Zo luidt de slotzin van het allerlaatste stukje dat heeft hij geschreven op 7 juli 2009:
Gegroet, zonnebroeders en zonnezusters. Simon Vinkenoog, Welgemoed.

Met name die laatste samenvatting, in 1 woord, intrigeerde me altijd. Enfin, van al die enkelvoudige slotkwalificaties (zoals ‘welgemoed’) heb ik destijds een uitgebreide lijst opgesteld, en er iets van proberen te maken, zodat het lijkt op zo’n geweldig opsommings performance gedicht, zoals Simon Vinkenoog ze bij tijd en wijlen ogenschijnlijk moeiteloos uit zijn mouw wist te schudden.

Inmiddels weet ik hoe moeilijk zoiets is.

Maar goed. Onderstaande is dus voornamelijk tekst (cursief) van Simon. Ik heb het in een soort van volgorde gezet. Met wat welgemeende stukjes kinderpoezie tussendoor van mezelf.

Het resultaat is na te lezen onder een van mijn favoriete foto’s van Simon. Die van de man en zijn schrijfmachine, in zijn lievelingsomgeving.

Simon

GEGROET SIMON VINKENOOG

Gegroet Simon Vinkenoog,
Poet, performer, educator
initiator, navigator
Nimmerverzadigde
– mij groet het altemale –
Simon Vinkenoog, schatbewaarder.

Vinken vliegen, vinken vlogen
soms te laag en soms te hoog maar
altijd zie je aan hun ogen
dat ze heel graag vliegen mogen

Gegroet Simon Vinkenoog
baliekluiver
zandverstuiver
parelduiker
flierefluiter

militant, vertrouwensman
lanterfant
in Amsterdam

Gegroet Flashbacker, benenstrekker
mederwerker
Meester Prikkebeen.
meerderheid van 1.
inderminneschikker
vogelverschrikker
Omnivoor, oog en oor
Rebel with a cause

Vinken vliegen, vinken zingen
meestal liedjes zonder zinnen
maar zo soms, zo gaan die dingen
hoor je vinken zinnen zingen

Gegroet Simon Vinkenoog
Astroide, vogelvrij,
True believer
Onderzeebootkapitein

Pontifex, lachebek
Springbalsemien
oude vriend
geen pseudoniem
transparante evergreen

Connaisseur d’Art
in het bezit van een VAR.
handenschudder & knuffelaar

Metgezel, pantoffelheld
vriend van
www.loesje.nl
Lettervreter
qualified investigator
Expectatief
As happy as can be

Gegroet Simon Vinkenoog
toekomstverwachter
Moraalridder van oranje sinds 1981

Simon Vinkenoog, dichterdokter.
Simon Vinkenoog, de Uitverkochtste.

Doelgroepsleider met S-5
surfend op de eeuwigheid
Wegbereider,
schrijver, blijver
Simon, bozegeestenverdrijver
Simon, diamantenslijper

Vinken vliegen, vinken zingen
om hun pootjes doen ze ringen
op die ringen staan van binnen
stuk voor stuk geheime dingen
Vluchtgegevens naar Gibraltar
ook al doen ze niet hun balts daar
als een vink een vrouwtje wint
komt haar naam ook in die ring
Dat geheim mag niemand weten
eigenlijk alleen profeten
Hou het voor je, of vergeet het
maar ik dacht, ik zeg het even:
1 vink, zes keer voor het altaar
heeft thans in z’n ring Ringnalda

Gegroet Simon Vinkenoog
Psychonaut, plichtsgetrouw
Simon, die van Edith houdt.

Simon de gelukkige
High, happy & never in a hurry.

Gegroet, Simon Vinkenoog
Enig zoon
Schoonzoon
Change the world!
Create your own!

Gegroet, Simon Vinkenoog
Simon Vinkenoog, gegroet!

Tour 2009

Ik ben van nature iemand die van rasklimmers houdt. En van aanvallers. En van wielrenners die in armoede zijn opgegroeid. Toch heb ik helemaal niks met Contador.
Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen.

Iets dubieuzer wordt het echter, als ik opgaaf van reden moet doen. De reden dat ik niks heb met Contador is voor iemand als ik, die zichzelf graag ziet als een nobel, volstrekt politiek correcte persoonlijkheid, namelijk nogal, hoe zal ik het formuleren, genant.

Let op: de volgende paar alinea’s die ik ga opschrijven zouden rechtstreeks kunnen zijn geplukt uit de comments van obscure sites waarop, ik noem maar wat, de uitslag van een willekeurige poetryslam door gemankeerde dichters aan een evaluatie wordt onderworpen.

Maar desalniettemin zal ik het hoge woord over Contador eruit gooien: Z’n kop bevalt me niet. Ik zag het een paar jaar geleden al meteen aan die grote gluiperige wezenloze hondenogen: een achterbakse hypocriete huichelaar.

Nou weet ik ook wel dat die laatste kwalificaties tegelijkertijd noodzakelijke ingredienten, of beter gezegd, een ideale mix vormen om succesvol te kunnen zijn in de topsport, wielrennen in het bijzonder, en het bedrijfsleven in het algemeen, maar toch.

Die berekende demarrage van vanmiddag, die schijnheilige verklaring achteraf, ik hou er niet van.
Niet dat Armstrong zo’n lieverdje is, integendeel, maar toch is Lance tussen de regels door in z’n persverklaringen net iets eerlijker, iets meer een vent, dan die ongelooflijke laffe rat van een Alberto Contador.

Poe. Best lekker. Om dat zo eens te kunnen neertikken. Nu snap ik ook meteen die gemankeerde dichters een stuk beter. Maar laat ik niet afdwalen.
Ik had het over de Tour van 2009. In een ver verleden was er ook zo’n Tour. Zo’n Tour die eigenlijk ging tussen 2 ploeggenoten. Een patron op z’n retour, Bernard Hinault, en de nieuwe ster aan het firmament, Greg Lemond. Op Alpe D’Huez gingen ze hand in hand als etappewinnaars over de finish.
Iets schijnheiligers heb ik nadien nooit meer gezien.

Rot_hinault_lemond

Ik was erbij. Als klein jochie stond ik 3 bochten onder de finish. Ik zag de roofdierblikken in hun ogen toen ze voorbij trappelden. Ik zag ze loeren naar elkaar, ik zag de wens om de ander te zien sterven.

Ik hou van een ander soort renners. Ik hou van domme renners. Naieve renners. Tom Boonen die bijna niet mee mocht doen met de Tour omdat de sukkel in z’n vrije tijd een lijntje coke had gesnoven. Tom Boonen die op het allerlaatste moment toch mocht starten, en vervolgens in zo’n beetje elke etappe bij een valpartij was betrokken. Geweldig. En dat ie dan wanneer die Tourtelevisie pesterig met de moter naast ‘m komt rijden juist op het moment dat ie het zwaar heeft in bijvoorbeeld de bergen, zoals vandaag, denkt: "Godverdomme, stelletje eikels", maar dat ie dan om terug te pesten vrolijk in de camera grijnst, en op een 7%-helling even langs het peloton naar voren spurt, wat ie eigenlijk helemaal niet kan op zo’n berg, maar wat ie enkel doet om van die kutcamera in de achterste gelederen verlost te zijn.
Dat vind ik mooi. Dat soort mannen zijn mijn helden.

Net als een tijdje geleden Rasmussen. Complete neuroot. Gaatjes boren in z’n frame zodat de fiets minder woog. Rasmussen at per dag zo ongeveer 1 wortel. Daar deed ie het mee. En toch nooit een hongerklop. Hij had zijn lichaam namelijk aangeleerd om in het dagelijks leven voldoende energie te peuren uit een grasspriet. Dus voor een touretappe, waarin een normaal mens meer dan 10.000 Kcal zou verbranden, volstond voor hem een wortel.
Hij was de enige renner die de topjes van zijn duim en wijsvinger elkaar kon laten raken, wanneer hij z’n enkel omvatte (ja, proberen jullie dat maar eens, thuis).
Ik bedoel, dat is de ware rasklimmer. En hij kwam er een eind mee. Gele trui. Tourzege voor het oprapen. Maar nee, meneer bleek z’n diverse verblijfplaatsen tijdens het voorseizoen niet correct te hebben doorgegeven aan de dopingcontroleurs, dus werd vlak voor Parijs uit de koers genomen.
Dom. Naief. En tragisch. En natuurlijk zal hij doping hebben gebruikt. Maar wie niet.
Voor mij blijft het een held.

Contador, zelf toen ook in de verdachtenhoek, was tijdens die dagen overigens haantje de voorste om Rasmussen extra zwart te maken. En won dankzij de uitsluiting van Rasmussen vervolgens zelf z’n eerste Tour de France.
Misschien dat ik daarom zo’n hekel aan ‘m heb.

Een van mijn favoriete wielrenners allertijden is de Pool Jaskula. Niemand had ooit van ‘m gehoord. En toen was ie daar ineens, ik weet niet eens meer wanneer. Maar het begrip "aan het elastiek" zitten is met zijn verschijning uitgevonden. Jaskula kon totaal niet fietsen, zat maar wat te harken, zoals Smeets & Nelissen of Dijkstra & Ducrot het zouden zeggen, maar hij had een enorm sterke mentaliteit.
Hij vertikte het gewoon om te lossen. En dus kwam ie elke bergetappe bij de eerste drie binnen. Het sloeg nergens op. En tijdrijden kon ie ook al voor geen meter, maar dankzij z’n schreeuwende ploegleider harkte ie zichzelf in de afsluitende individuele race tegen de klok helemaal naar de kloten, steeg twintigmaal boven zichzelf uit en wist z’n 3e plek in het eindklassement te handhaven.

Ik heb nooit zelfs ook maar een kort interview met Jaskula gezien. Want na elke etappe kon ie van kortademigheid geen woord meer uitbrengen en ging ie altijd meteen pleite. Waarschijnlijk om ergens een goed plekje te vinden om te kotsen van oververmoeidheid.
Dat moest Tom Boonen trouwens ook, dit jaar, nadat ie Parijs Roubaix had gewonnen.

Kotsen. Daar hou ik van. Dat zijn de mannen.

Contador heb ik nog nooit zien kotsen. Armstrong trouwens ook niet. Maar om met Zoetemelk te spreken: "Parijs is nog ver".
Dus wie weet.

Om het op z’n Armstrongs te formuleren: Tot die tijd weet ik eerlijk gezegd, behalve dat ik het Contador absoluut niet gun, niet zo goed voor wie van de twee ik moet zijn.