Festivalgevoel

Pinkpop1

Aldus de kop in het Parool.

Ik dacht: Zo beschouwd is eigenlijk mijn hele leven al 1 groot festivalgevoel. Dus waarom zou ik nog helemaal afreizen naar Limburg?

Toch ga ik het weer doen.

Pinkpop

Latorr!

Advertisements

Niemand

Laat ik voorop stellen dat ik een luie donder ben. Serieus. Ik hou niet van werken, heb een hekel aan vroeg opstaan en verafschuw een nuchtere gesteldheid.

Op zich niet gek dus, dat ik mij 12 jaar geleden eens op het dichterspad waagde. In eerste instantie verliep dat bepaald niet verkeerd. Ik won poetryslam na poetryslam. Maar toen ik in 2004 eenmaal Nederlands kampioen was geworden, bleek ik vervolgens niet over de motivatie te beschikken om de doorstart naar het serieuzere dichterschap te maken. Om het vak professioneel te gaan beoefenen, bedoel ik.
Ten eerste was dat omdat je als dichter geen klote verdient, en ten tweede vanwege hetzelfde.

Maar wel beschouwd dus wederom uit luiheid. Ik had geen zin om mijn luxe-leventje op te geven. Ik stelde ondanks dat ik een kutbaan heb op kantoor, wel degelijk prijs op mijn schitterende woning met dakterras, de regelmatige etentjes in goeie restaurants alsmede de halfjaarlijkse vakanties in het buitenland.
Niet dat die dingen als dichter onmogelijk zijn, maar toch. Er zit een verschil tussen Bos en Lommer en Oud-West, tussen van Vlaardingen en de Doffer, tussen de Ardennen en de Alpen.
Geen groot verschil, maar als je er eenmaal aan gewend bent geraakt, ben je de pisang.
It’s hard to step back.
Als je eenmaal Rothschild hebt gedronken, is vanzelf de Albert Heijn-wijn die je in je studententijd nog zo geweldig vond, opeens niet meer te kachelen.

Maarten ‘t Hart heeft dat trouwens goed begrepen. Die drinkt al z’n hele leven bewust alleen maar heel erg slechte, extreem goedkope wijn.
Echt waar. Dat vertelde ie nog niet zo lang geleden in een interview. Als reden gaf ie op: "Ten eerste wil ik er niet verslaafd aan raken. En ten tweede kan ik mij als schrijver niets duurs permitteren. Laat staan dat ik het me kan veroorloven om aan iets duurs verslaafd te raken."
Slimme knakker, die Maarten. Goed bekeken. Zo hou je tenminste nog eens wat geld over voor een leuk jurkje.

Sorry, flauw. Want hij heeft wat mij betreft enorm gelijk, die Maarten. Had ik het interview eerder gelezen, ik was uberhaupt nooit gaan werken. Nooit veel gaan verdienen. Want bij nader inzien had ik het zo slecht nog niet voordat ik aan mijn huidige arbeidsovereenkomst begon. Okay, ik kreeg maandelijks slechts 1/3 op mijn bankrekening gestort van wat er thans binnenkomt, maar de vrijheid was enorm. En bovendien kon ik oprecht genieten van een pizza Hawai in een doordeweekse halve-prijs-pizzeria in een obscure beurt.
‘Wat een luxe’, vond ik toen, ‘een streling voor de tong, zo goed krijgen wij ‘m nooit in onze magnetron.’

Afgelopen dinsdag was ik bij de presentatie van de bloemlezing "Ik ben een bijl’, samengesteld door EJH.
Er waren een hoop jonge dichters. Eigenlijk alleen maar jonge dichters. Ik was bijna de oudste aanwezige.
‘Jonge dichters en schrijvers weten niet wat ze niet missen’, bedacht ik, terwijl ik buiten op het binnenplaatsje van het uitgeverij-complex een sigaret stond te roken. ‘En welke toekomstige omstandigheden ze, als ze verstandig zijn, beter kunnen vermijden.’

Ik vertelde bovenstaand verhaal in soortgelijke bewoordingen tegen een tamelijk jonge dichteres.
Ze haalde verveeld haar schouders op.
Daar kon ik me op zich wel iets bij voorstellen.

Veel later, aan het eind van de nacht, kwamen we in cafe de Pels T. een muzikant annex stuccadoor tegen. Dwz, eigenlijk maakt ie het liefst muziek, zijn muziek, maar daar valt niet van te leven, dus klust ie bij als bouwvakker om rond te komen.

T. heeft altijd een verhaal. Ook deze keer. Hij vertelde een verhaal over een woestijn, en dat niemand zich daar zonder hulp 200 kilometer in kon verplaatsen, want dan ging je onvermijdelijk dood.
"Welke woestijn is dat?" vroeg ik.
T. vertelde de naam van de woestijn.
Ik verstond ‘m niet, maar dat deed er ook niet toe.
"Hoezo kun je je daar niet 200 kilometer in verplaatsen?’ vroeg ik.
"Omdat je dan de pijp uit gaat."
"Waarom?" vroeg ik, "zit er ter plekke een overdosis aan spinnen, slangen, schorpioenen?"
T. haalde zijn schouders op, "Niet dat ik weet. Volgens mij heeft het meer te maken met de hitte."
"Die kan ik wel aan", zei ik.
"Dat denk je maar. Die gasten die daar leven weten wel beter, die zijn niet gek. Niemand heeft het ooit gehaald!"

Dat soort dingen moet je nooit tegen me zeggen. Zeker niet als ik dronken ben. Maar ook in nuchtere toestand kan ik ontzettend enthousiast raken van dat ene woordje: ‘Niemand’.

"Say no more", zei ik, "ik ga daarheen. Ik ga dat doen. Eindelijk een goed onderwerp om een roman over te schrijven."
T. lachte.
"Ik meen het", zei ik.
T. lachte nog harder.
"Ik meen het echt", zei ik, "serieus. Hoe moeilijk kan dat zijn? 200 kilometer!? Een goeie rugzak mee, genoeg water, Struikvoedsel uit blik, een grote zonneklep op je kop, tentje, desnoods een mini-airco op batterijen, maar vooral overdag pitten en ‘s nachts lopen. 4 dagen. Eitje."

T. begon iets ernstiger te kijken. "Sven", zei ie, "echt, zonder dollen, dat moet je niet gaan doen. Je gaat dood."
"Ik niet", zei ik.
"Jawel", zei T.
"Echt niet."
"Je weet niet half hoeveel mensen dat al geprobeerd hebben, en niemand.."
"Ik wel", zei ik, "ik ga dat redden."

We hebben er nog geruime tijd over doorgeouwehoerd. Hij probeerde het uit mijn hoofd te praten.
Ik beloofde uiteindelijk er ook in nuchtere toestand over na te denken.

Het is nu 2 dagen later. Nog steeds heb ik er ongelooflijk veel zin in.
Vandaag heb ik half wikipedia doorgelezen over dergelijke expedities. Het is de hachelijkheid zelve. Maar volgens mij moet het kunnen.

Want eigenlijk ben ik helemaal niet zo lui. Eigenlijk is doorzettingsvermogen mijn spreekwoordelijke middlename. Mont Ventoux, Galibier: been there, done that. Mocht er een tijdrit worden georganiseerd op de Alpe D’Huez voor kettingrokers in de klasse +70 sigaretten per dag, en alcoholverbruikers hors categorie, dan win ik met vlag en wimpel van de hele wereld. Daarvan ben ik overtuigd.

De schaatser Hans van Helden pleegde te trainen met een soort van parachute aan z’n nek, om extra weerstand op te bouwen, waarna ie zich op 40-jarige leeftijd kon meten met de besten op het WK. Ik heb me heel mijn volwassen leven al min of meer voorbereid op de uitdaging om iets soortgelijks, iets bijzonders te doen.

Die woestijntocht: Voor mij is het wellicht niet zo moeilijk.
Even zonder shag, even zonder drankjes, en alles is mogelijk.

Volgens mij zit er een goed boek in, die woestijntocht.
Voor de verkoop zal het helpen als ik onderweg de pijp uit ga, en dat dan bijvoorbeeld de onderweg geschreven dagboeken maanden (jaren/eeuwen) later onder het stuifzand worden teruggevonden, in de naaste omgeving van mijn karkas.
 
Dat is eigenlijk nog de belangrijkste vraag die uiteindelijk beantwoord zal worden: leefde ik voor het heden, of voor de eeuwigheid. Wil ik schrijver spelen, of wilde ik schrijver zijn.

Tot het zover is, vrees ik voor het eerste.

Back home

Op John Lennon-airport te Liverpool hangen enorme abeeldingen van, heel verrassend, John Lennon, met daaronder fragmenten uit zijn songteksten.

Ze komen allemaal voorbij: De ‘Imagine there’s no’s’ en de ‘Life is what happens to you, while you’re busy making other plans’.
En begrijp me niet verkeerd, ik ben gek op Lennon. Sterker nog, mijn beste vriend en ik, wij hadden het afgelopen weekend in Liverpool, naast het bijwonen van de IPO (International Pop Overthrow) om bandjes voor Appelpop te scouten, maar 1 missie: een John Lennon-aansteker kopen.
Twee jaar geleden hadden we dat immers ook gedaan, zo’n aansteker kopen, bij de VVV op het vliegveld. En als mijn beste vriend en ik ergens van houden dan is het wel herhaling.
Je bent niet voor niets al 35 jaar bij elkaar. Als vrienden dan, bedoel ik he. We zijn geen homo’s.

Maar goed, daar had ik het niet over. Ik had het over dat wij destijds konden kiezen uit vier soorten aanstekers, te weten: eentje van Paul, John, George, of Ringo.
En we kozen toen allebei voor John.

Vandaag waren we opnieuw op John-Lennon-airport. Er was een hoop veranderd in die twee jaar. Ten eerste verkochten ze er geen aanstekers meer. Mag niet. Voor uw eigen veiligheid. Met een bus haarlak erbij is het een vlammenwerper. Oftewel een bom. En een bom wil je niet hebben in je luchthaven.
Wow, dacht ik, dat wist ik niet, dat van die haarlak, en dat je daar een vlammenwerper van kunt maken. Best interessante kennis. Hoe werkt dat precies?
Geen goeie vraag.
De shampoo moesten we bij de douane ook inleveren. Plus alle andere vloeistoffen. En mijn nagelschaartje. Allemaal potentiele bommen.

Mijn beste vriend had een T-shirt aan met CCCP erop. Net als twee jaar geleden. Als onschuldige verwijzing naar het bandje waar wij ooit in speelden; Turn Left, dat als logo een soort van Russische vlag voerde.
Was ook niet handig.
Hij werd nog net niet anaal gevisiteerd, maar wel apart genomen en tot in z’n sokken gecontroleerd.

Nadat we eindelijk door de douane heen waren op John Lennon Airport, en we tax-free een grote pils zaten te drinken en op een groot scherm Newcastle zagen degraderen, vroegen we aan een schoonmaakster of ze ergens een rookruimte wist.
"No smoking sir, sorry, sir."
"Nowhere?"
"Absolutely nowhere, sir."
We bestelden een vers rondje, gaven de barman een vette fooi en vroegen het aan hem.
Of ie niet een ruimte wist. Ergens. At the airport. Somewhere. Anywhere.
Het bleek kansloos.

Ik keek naar de enorme foto’s van Lennon om me heen, in die grote departure-hal. En naar de teksten. En naar die sigaret in z’n mond ook vooral.

Ineens viel me een andere foto op. De enige die niet van Lennon was, maar van George. In z’n hippie-gewaad.
Ook daar stond een tekst onder. En dat was een regelrechte George Harrison-tekst.
Interview-fragment. Verzin het zware Liverpoolse accent er zelf maar even bij:

"I mean, like, yeah, we’re the Beatles, aren’t we?
We’re as rich as you could ever dream of
and famous as well.
But it’s not love, it’s not health, it’s not inside peace, is it?"

George. De filosoof.
Nee sorry, het is een open deur natuurlijk, maar daar gaat het me niet om. Het gaat me om de manier waarop ie het zegt.
Altijd vragende vorm. Bij alles.

Ik dacht aan Lennon. En of ie blij zou wezen met dit vliegveld dat naar ‘m was vernoemd.
De vraag stellen was ‘m beantwoorden.

Terwijl we ook Middlesbrough zagen degraderen en nog een paar pints bestelden, bespraken we de mogelijkheden om ons aanstondse vliegtuig te kapen en de zaken naar eigen hand te zetten.
We hadden een goed sapje op, we waren flink dronken, en er ergo helemaal klaar voor.

In gedachten dan. Uiteindelijk niet gedaan natuurlijk, want als je wordt gevat en in de cel terecht komt kun je nog langer niet roken.
"Mag je in de gevangenis niet roken dan?" vroeg iemand.
"Alleen in ouwe films", zei ik.
"Ja", beaamde een van onze ervaringsdeskundigen, "roken kun je serieus voor 72 uur vergeten als je in hechtenis wordt genomen."

We besloten unaniem dat het een belachelijke kutwereld was. Een kutwereld waarin je op panorama-daken, zo groot als een voetbalveld, in de openlucht(!) voor uw eigen veiligheid geen sigaret op mag steken. Een kutwereld die het tegelijkertijd vertikt om dan desnoods een schamele vierkante meter voor een rookcabine uit te sparen.

Een vieze vuile kutwereld met lak aan de inside peace van sommige mensen.

Whatever. Ik weet het niet meer. Maar als de wereld ooit weer terug verandert, koop ik op zeker, naast die van Lennon, ook een aansteker van George.

Sorry. Ik ben dronken. En weet de dingen niet allemaal meer zo samenhangend vertellen.
Toch wil ik het volgende nog even heel graag vermelden. Want wat ik nu ga zeggen is geweldig goed nieuws voor iedereen die vreesde dat Nederland zijn positie als tolerante natie was verloren.
Plus omdat ik vermoed dat heel veel mensen hiernaar op zoek zijn.
Deze kennis willen vernemen.
Zeker willen weten dat het volgende geen fabeltje is:

Schiphol

Vandaag geknipt, jawel! Het wordt officieel dan wel totaal niet gecommuniceerd, en misschien is dat maar goed ook, want zo kan het tenminste blijven bestaan, maar ze zijn er!
Rookruimtes op Schiphol! Na de douane! Bij de boardinggates!

Zoals Churchill zei over democratie dat het de meest waardeloze regeringsvorm is, op alle andere die geprobeerd zijn na, zo ben ik enorm blij met Nederland.

We’re back!

Innerlijke migratie

Pluk is naar Engeland (Liverpool) en heeft mij, L., gevraagd om een gaststukje te schrijven.

Bij deze dus:

Innerlijke migratie

Hij had een meer dan gemiddeld slechte middag achter de rug, toen ze belde.
Zij, vriendin en zelfbenoemde impresario ineen.
“Heb je zin om je te laten opsluiten?” vroeg ze.
“Wat?”
“ Ja, in het cellencomplex van een oud politiebureau. Het gaat om een kunstproject
dat best wat publiciteit kan opleveren. En misschien haalt het je wel uit je impasse.”
Typisch Luca.
“Impasse?” zei hij, “ik zit enkel met die kloterige illustratie, voor een toneelstuk over Rilke, die engel uit de Duineser Elegieën in mijn maag. Het is bijna niet te doen, om bij zo’n onderwerp het juiste evenwicht tussen abstractie en figuratie te vinden. Het is een verschrikkelijke engel, letterlijk en figuurlijk…”
“Het helpt ook niet om elke dag achter je spelcomputer te zitten, en Fallout2 te spelen.”
“Nou, ja!”
“Er was een enorme run op, moet je weten”, vervolgde Luca. “Jij was toch zo gek op gevangenisfilms, ingemetselde nonnen en Tibetaanse monniken die jarenlang in een cel zitten? En hoe ze dan in staat zijn tot weetiknietwatvoor flauwekul allemaal; transdinges en…”
“Transmigratie. Weet je, ik ben vooral geïnteresseerd in hoe het kan. Hoe het mogelijk is, dat wat in de ene cultuur de ergste straf is, vrijheidsberoving, in de andere als een noodzakelijke voorwaarde voor de ultieme vrijheidsbeleving wordt gezien.”
“Whatever. Ik dacht dat je het meteen zou aangrijpen, om zoiets aan den lijve te kunnen ervaren, en ook nog te kunnen werken..”
“Word ik mijn eigen proefkonijn?”
“Ja, eentje dat de relatie tussen individuele expressie en solitaire opsluiting onderzoekt. Klinkt goed nietwaar? En daarna is er een tentoonstelling…”
“Sorry, wacht even, mijn telefoon..”

Hij keek naar het plotseling zwarte scherm van zijn telefoon en dacht aan haar gezicht dat zich nu ongetwijfeld plooide alsof het tot een krijgerskaste behoorde.
De sarcastisch gepunte bovenlip die, wanneer ze ervan overtuigd was dat iets goed voor je was, als een gierzwaluw recht richting je netvlies vloog.

Hij keek om zich heen. De vloer was bezaaid met verfrommelde schetsbladen Hij had die opdracht nooit moeten aannemen. Engelen waren tegenwoordig helemaal in, niet meer als Gods boodschappers, maar als een soort kosmische agenten die zich helemaal op de persoonlijke noden richtten en er daarna weer vandoor gingen. Daar moest hij die veeleisendere donkerdere engel van Rilke doorheen schilderen.
Begin er maar eens aan, somberde hij, ik zal de engel uit de engel moeten halen.

Zijn telefoon ging opnieuw.
“Je mag de muren beschilderen, een collage, een installatie maken… Alles mag“, zei ze.
Hoe toepasselijk als ik de cel in ga, dacht hij. Lijkt de kunstenaar niet op de crimineel in zijn pretenties, zijn incompetentie en zijn zelfmedelijden?
“Hee, ben je er nog? Misschien heb je toch een tik van die godsdienstige familie van je meegekregen en kun je daarom niet met engelen overweg.”
Luca had haar begripvolle stemmetje opgezet.
“Wat ik me van Jezus herinner is: Vader, vader waarom hebt ge me verlaten, dus weinig kans…”
“Doe het nu maar.”
“Ik ga even onder de douche”, zei hij.
Ze wist dat hij bedoelde: ik ga er serieus over denken.
Luca kon aandachtig naar zijn gezicht staren en zeggen: ‘ai‘.
‘Zeg dat wel‘, zei hij dan.
Meer was niet nodig.

De spiegel hield hem vast in zijn wasem.
Hij tekende er met zijn vingertop een oog in, bij wijze van kijkgat.
Het begon onmiddellijk bibberig condens te huilen. Oog om oog huilde het.
Zijn voorhoofd werd opnieuw vochtig bij de gedachte aan zijn recentste schetsbladen.
Alles is beter dan dit, dacht hij, alles beter dan dit.

11 augustus. Luca, zoals beloofd een bewijs van mijn voortgang:
Foto 1: Een gezicht dat zich spiegelt in een metalen toiletpot. Vanuit wormperspectief.

Het is alsof ik de vierde dimensie van een kubus ben binnengestapt. Een roes van rechtlijnigheid  Een reductionistische orgie van beton  Allemaal uit de muren groeiende rechthoeken, die mijn tafel, stoel en bed moeten voorstellen.
Het toilet is een kolossale, metallic bloemkelk die van mesthopen gewaagt.
Het is het enige hier, dat verdiept in de eigen reflecties, volledig uit zijn bol lijkt te gaan
Deze ruimte zou ideaal zijn voor tijdreizigers in opleiding.
Tijdreizigers mogen alleen slapen, eten, mediteren en uitscheiden.
Dat uitscheiden betekent in mijn geval ook: met bloed, zweet en tranen, schilderen.
En ik ga trainen. Mijn vogelkooiborst moet in het borstkuras van een gladiator veranderd worden
.

12 augustus. Dito:
Foto 2: Een bekrast betonnen bed.

Rilke’s grafschrift ‘Want iedere engel zal schrikbarend zijn’ in mijn bed gekrast. Echt te gek, die zerk.

14 augustus. Luca, ik ben weer opgeleefd:
Foto 3: Close-up van het kijkgat.

De pupil, de spil van het heelal: ”Ich lerne sehen.”

17 augustus. I think I’ve got something going here.
Foto 4: Een paar Nikes op een vierkant Met daarboven wat kopspijkertjes in de muur.

Mijn Nikes zagen er zo deerniswekkend uit in dit voortdurende neon, dat ik ze wilde offeren aan de bliksemgodin Nike zelf.
De veters kronkelden als donkere wormen die via de gaten in de zolen naar boven kwamen.
Op het tafeltje stonden ze temidden van een enorme sprong.
Wat hoger heb ik een verbind-de puntjespuzzel gehamerd.

19 augustus. Hei Luca!
Foto, watishet, 5? Een Tl-buis.

Deze ijszon probeert de tijd te misleiden, door mijn schaduw zoek te maken.
Dat zal niet lukken.. Ik heb hem vastgenageld met kopspijkertjes. Alsof het de vorm van de vlucht van de ongrijpbare Nike was. Neon kan niet verbinden. Alleen ontbinden.

Het licht bezorgt me nu zo’n pijn in mijn hoofd dat mijn gedachten zich erbuiten bevinden. Het kijkt in het diepst van mijn ogen.
Mijn brein versteent tot een betonnen landingsbaan, voor in hun vleugels klappende, roofzuchtige engelen.

25 augustus Luca, echt, maak je geen zorgen. Enkel een fikse migraineaanval.
Foto 6: Een neergestorte roofvogel, bezaait met vonken.

Ik heb de vogel aan zijn vleugels uit de engel gesleurd. Door al mijn schetsen samen met wat rioolblaadjes,bij wijze van veertjes,te versnipperen. En daarop te masturberen.
(Het potentiele gevaar van het huidige zaad, subtiel verwerkend, in mijn zelfgemaakte secondenlijm). Om vervolgen alles tot papier-maché te mengen en in vleugelvorm op de vloer uit te spreiden.
Het ziet er, in het echt, behoorlijk smerig uit. Een soort materieschilderij, maar dan op de vloer.
Eerst wilde ik het "Genus Loci" de geest van de plaats noemen. Tot ik jou in gedachten "Genus Loco" hoorde zeggen.
Daarom noem ik het:

‘De gecrashte tijdreiziger’.

Datum geen idee. Doet er ook niet toe. Luca, leef je uit.
Foto 7: Een witte flitsvlek.
(Visuddhi ..5de eeuw:) Het leven van een levend wezen duurt slechts de tijd van een gedachte.

Strawberryfields forever

Vanavond was de burgermeester van het Brabantse Someren te gast bij Knevel en van de Brink, om te vertellen over de wantoestanden in het asperge-steek-gebeuren die plaats hadden gevonden in zijn gemeente.
Ene mevrouw J., een asperge-boerin, had een hele meute Roemenen gecharterd met de belofte ze 13 euro per uur te gaan betalen. Maar bij aankomst moesten die Roemenen allerlei contracten ondertekenen, die opgesteld waren in het Nederlands, waardoor ze keine Ahnung hadden waar ze zich aan commiteerden, waarna hun paspoorten waren ingenomen, ze gehuisvest werden in kleine kamertjes zonder ramen en ze absurd lange werkdagen moesten maken op het veld, voor slechts een schamele 5 euro per uur, die pas later, op een onbestemd tijdstip, zouden worden uitbetaald. Bovendien mochten ze het boerderijterrein niet verlaten en moesten ze al hun levensmiddelen verplicht betrekken uit de ‘kampwinkel’, waar een flesje shampoo 13 euro kostte.

De burgermeester nam het woord ‘moderne slavernij’ in de mond. En terecht. Het ‘goede nieuws’ was echter dat Mevrouw J. inmiddels door de arbeidsinspectie in de kraag was gevat en een torenhoge boete had gekregen.
Evil en Knevil knikten tevreden. De boef was gegrepen, door met het volgende onderwerp, een discussie over aids-healings.

Ja, wacht even, dacht ik: Het slechte nieuws is dat die Roemenen nu waarschijnlijk kunnen fluiten naar hun centen.
Want dat gaat die boerin natuurlijk zeggen. Dat ze door die torenhoge boete geen geld meer heeft om die Roemenen uit te betalen. Ze zal de armoe zelve spelen, want daar zijn boeren meester in. Voor niemand is het makkelijker om cash te verduisteren dan voor diegenen die beschikken over eindeloze grond.

Best beroerd. De Nederlandse staat is blij met het geincasseerde boetebedrag, de media zijn gerustgesteld, de boerin haalt haar schouders op, en dat was het dan.
 
Mooi is dat. Boek je een ticket Boekarest-Eindhoven Airport, heb je het in een mengelmoesje van gebrekkig Duits en Engels voor elkaar gekregen om van je laatste geld een strippenkaart te scoren voor de busreis naar Someren, werk je je ter plekke de longen uit je lijf, kun je vervolgens niks te bikken krijgen omdat je geen centen hebt voor de kampwinkel, dus knaag je 5 weken lang stiekem een x-aantal rauwe asperges naarbinnen, drink je water uit de WC, met als beloning dat je nog berooider huiswaarts keert dan je al was. Met lede ogen zie je aan dat iedereen rijker is geworden, behalve jij, terwijl jij de enige partij bent die daadwerkelijk arbeid heeft verricht.

Lachen man, zo’n Westerse democratie.

Ik vermoed: Nog een paar van die geintjes, en het Oostblok is weer terug. Met communisme en al. En terecht.

Het kan ook anders though. Je moet het spelletje een beetje kennen. Kapitalisme kun je leren. Laten ze dat eens in die inburgeringscursus integreren: een handleiding ‘Omgaan met uitbuiters voor dummies’.

Als voorzetje zal ik nu kort verslag doen van mijn tijd als kindarbeider.

Ik was 14, het was vroeg in de zomer, en ik wilde per se de dubbel-LP ‘White Album’ van the Beatles kopen, om mijn verzameling te completeren. Helaas ontbraken mij daartoe de financiele middelen, somma 30 Nederlandse Guldens.
"Ik heb een goed rapport", zei ik tegen mijn Oma’s en Opa, en overhandigde ze het roze papiertje dat wemelde van de 8-en en 9’s, plus een enkele 10.
Ze gaven me een rijksdaalder.
Dat schoot niet op.
En bij mijn ouders ving ik nog minder. "Dit is niks bijzonders", zeiden ze, "jij hebt altijd een goed rapport."
Er zat kortom niks anders op dan op zoek te gaan naar werk.
"Je moet aardbeien gaan plukken", zei mijn beste vriend, "ze zeggen dat dat goed betaalt. En ze schijnen iedereen aan te nemen, dus zelfs jou."
"Aardbeien plukken?", vroeg ik, "waar?"
"Weetikveel, ergens bij een boer ofzo", zei mijn beste vriend, "denk ik."

"Say no more", zei ik, en stapte op de fiets. Ik reed de complete Betuwe door op zoek naar een boerderij met aardbeienbomen.
Na 3 dagen vruchteloos te hebben rondgetourd, en ik uiteindelijk wanhopig lukraak bij een boerderij aanbelde, werd me verteld dat aarbeien niet aan bomen groeien, maar aan plantjes op de grond.

Nog diezelfde avond werd ik aangenomen door een boer uit Est. De volgende ochtend diende ik om 6.00 am te verschijnen. Ik zou 2,50 per kistje geplukte aarbeien gaan verdienen.

Ik zette de wekker op 4.00. Est was minstens een uur fietsen vanuit Tiel, en ik wilde op mijn eerste werkdag niet te laat komen.
Om 5.00 kwam ik aan. De boer was er al. Net als een tractor met aanhanger waarop allemaal lege kistjes stonden. In elk kistje zaten 8 groene bakjes.
"Pak een kistje", zei de boer.
Ik pakte een kistje. Direct 4 splinters in evenzoveel vingers.
De boer nam me aan de hand en leidde me naar een ‘tuil’. "Dit is jouw tuil", zei ie, "het is niet moeilijk, gewoon alle aardbeien plukken uit de tuil, en in de bakjes doen. Niks overslaan, behalve als ze nog te groen zijn. Als je kistje vol is, inleveren bij de trekker, en dan krijg je een plukbon van 2 gulden."
"Was het niet 2,50?", vroeg ik.
"Dat was gisteren", zei de boer, "vandaag is het 2 gulden. Morgen is het waarschijnlijk 1,50, dus wees maar blij. En de bakjes goed vol doen. Als ze niet vol genoeg zijn, krijg je geen plukbon en moet je met een leeg kistje overnieuw beginnen."
"Wat is vol?", vroeg ik.
"Gewoon, vol", zei de boer.

Ik ging op de knieen en begon het begin van mijn tuil af te werken. Na een half uur had ik nog maar 2 van de 8 groene bakjes vol en was slechts 10 meter opgeschoten. Het waren verdomd kleine aardbeien, en het was lastig om te beslissen of een aarbei rood genoeg was of toch nog te groen.
Mijn collega’s uit de tuilen naast me schoten een stuk sneller op, die waren al 100 meter verder.
Hoe doen ze dat? vroeg ik me af.
Ik kwam het te weten tijdens de eerste schaft/koffiepauze om 8.00 am.
"Je moet alleen de overrijpe rode pakken", tipte een meisje. Ze was zo dik als Rita Corita, doch hooguit 16 jaar oud. Ik vond ‘r wel leuk. Dat vond ik van alle meisjes, maar als er eentje iets tegen me zei, was dat toch behoorlijk speciaal.
"Alleen de grote?" vroeg ik.
"Ja, dan is je kistje sneller vol."
"Maar de boer zei dat je juist alle.."
"Ach, dat controleren ze toch niet", zei Rita.

Nog voor het einde van de tweede schaft/koffiepauze van 10.00 am was Rita ontslagen. Net als veel van mijn andere collega’s. En ze kregen hun vergaarde plukbonnen niet uitbetaald, wegens overtreding van de regelementen.
"Neem een voorbeeld aan Sven", zei de boer tijdens de tweede schaft, "die is de enige die zijn tuil netjes heeft afgewerkt. En dat terwijl ie pas 12 is!"
"Veertien", zei ik.
"Je ziet eruit als 10", zei de boer, "dus je bent 12. Je hoeft mij niks wijs te maken."

Ik vond het wel best. Tip 1: word vriendjes met de baas.
Op de eerste dag verdiende ik in het totaal slechts 8 gulden. Oftewel 3 euro en nog wat centjes. Voor 8 uur werken.
Maar belangrijker was: ik werd op mijn tweede dag niet meer gecontroleerd. En pas als je op dat level bent gekomen, kun je je gaan toeleggen op serieuze fraude.

Let op; Tip 2, en meteen de laatste en belangrijkste van vanavond: Fraude moet je slim aanpakken. Niet zoals mijn buurjongen deed: de alom aanwezige steentjes onderin de bakjes stoppen, en daarbovenop een laagje aardbeien drapperen. De man bij de trekker voelt meteen dat het kistje zwaarder is dan normaal.
Het gaat erom de ideale mix te construeren als onderlaag. De perfecte combinatie van aarde en verend stro. Of gewoon een pakket aan geplette aardbeienplantjes uit de tuil naast je. Wegen, daar gaat ‘t om. Pluk een van de bakjes vol met normale (groene onderop) aa
rdbeien, en stem de rest daarop af qua gewicht. En incasseer je plukbonnen.

Binnen notime verdiende ik een tientje per uur. Een kapitaal. Met bovendien altijd een netjes afgewerkte tuil in mijn kielzog. En de complimenten van de boer.
"Je bent echt een van de grootste talenten die ik ooit heb gehad", zei ie, toen ik na twee weken al mijn plukbonnen kwam cashen, "ik zou het fijn vinden als je volgend jaar weer komt helpen."

"No problem", zei ik.
Als oplichters onder elkaar.

Elvis

Bon. Zo is het dus om veertig te zijn. That is: zomaar plotseling in slaap donderen.

Zulks gebeurde mij vanavond, vlak nadat mijn ouders de deur uit waren, en ik samen met L. een van onze lievelingsseries, ‘Medium’, zat te kijken.
Ik had nog net gezien hoe Joe iets ingewikkelds zat te doen met rakettechnologie of whatever het is dat ie does for work, maar het moet toen zijn geweest dat mijn oogleden elkaar voor een korte romance hebben begroet.

Om half 3 ‘s nachts, zoeven dus, werd ik wakker.
"Huh, watte!?" vroeg ik aan L., terwijl ik ontwaakte vanuit het niets, "hoe laat is het?"
"Half 3", zei L.
"Overdag of ‘s nachts?" vroeg ik.
Het was pikdonker buiten.
"Wat denk je zelf?" zei L.
Ik moest even rekenen.

Toen ik ‘t feit had behapstukt vroeg ik: "En wat voor dag is het eigenlijk?"
"Zondag. Of nou ja, eigenlijk al maandag."
"Fuck!", zei ik, "dan moet ik nog een stukje schrijven!"

"Doe normaal", zei L., "waarom zou je niet lekker blijven slapen?"
En daar had ze gelijk in.

Toch ben ik er nog even uitgekropen om achter de laptop te gaan zitten.
"Wat is er eigenlijk gebeurd vandaag?" vroeg ik aan L.
"Je hebt vandaag je 40e verjaardag gevierd met je ouders, je zusje en je broertje", vertelde ze.
"Verrek", zei ik, "dat is waar ook! Hebben ze het leuk gehad?"
""Och, jawel", zei L.
"Niet?" vroeg ik.
"Nou ja, op het laatst heb je ze er een beetje uit ge-Elvist."
"Hoezo?" vroeg ik.
"Je was enorm dronken, en toen ging je Elvis opzetten. Op je pickup."

Ineens kwam het weer boven. Vanmiddag had ik mijn ouders over de vloer. En mijn zusje, mijn broertje en diens eega. Vantevoren, van twaalf tot drie, was ik stevig in de weer geweest om mijn huis op orde te krijgen. Je kent het wel: aan de gang met schuursponsjes in de WC en met keukenrollen op het aangekoekte fornuis. Plus de complete inhoud van de glazenkast afwassen. En het bestek. En dan maar meteen alles eigenlijk.

Ik had het gezelschap ontvangen met een appel-abrikozen-taartje van de kwaliteitsbakker om de hoek.
Ik was goed bezig.
De balkondeur had ik op een kiertje gezet. Geklemd met behulp van een whiskey-fles-houder en een tuinspade (ik heb geen haakje), opdat we continu van frisse lucht zouden worden voorzien.
En vanwege die permanente aanvoer van frisse lucht mocht ik best roken, had ik voor mezelf besloten.
Het was mijn eigen huis godbetert.

Toen ik echter de eerste opstak, zag ik enige wenkbrauwen fronsen.
Mijn zusje, ook een rookster, stelde diplomatiek voor om even ‘mijn dakterras te gaan bekijken.’

Heel sociaal.
‘Dan maar drinken’, moet ik hebben gedacht. En dat heb ik gedaan.
En niet te zuinig ook. Godsamme.

Enfin. Om een lang verhaal kort te maken: Mijn vader had op een gegeven ogenblik bekend dat ie Elvis had na gedaan op een recent feestje.
"Say no more!" moet ik hebben gezegd.
En kijk, daar had ik de schijf al op de draaitafel liggen.
Karaktiristieke krakerige geluiden moeten de ruimte hebben gevuld.
Misschien ben ik zelfs gaan dansen, dat heb ik L. niet durven vragen.

"We moeten zo maar eens gaan", zeiden mijn ouders. Het was half 9.
"Wij ook", zei mijn broertje.
En daar gingen ze.
Nog voordat ze de lach-versie van "Are you lonesome tonight" hadden gehoord.
Dat laatste vond ik jammer.

Maar dat ben ik. Ik vind altijd dat feestjes te vroeg zijn afgelopen. Zelfs als ik weet dat mijn ouders normaal al vertrekken om 19.00. En op een zondag meestal nog eerder. En daarbij: het was niet eens een feestje. Het was een verjaardag.

Anyway, daarna ben ik in slaap gevallen. Om half 3 werd ik wakker. En zette de pickup weer aan. En draaide alsnog de lachversie.

Dat engelenkoortje in Las Vegas op de achtergrond, dat maar loepzuiver door blijft zingen, in haar rol blijft. En tegelijkertijd Elvis op z’n best. De endlosung van de hypocrisie. Of zoiets, en het maakt verder ook niet uit, want het was een mooie dag. Dat laatste staat voorop.
Het was een mooie dag.