Happy Q-day!

Niemand die dit leest. Althans niet binnen 24 uur. Want jullie zwalken, als het goed is, nu dronken rond door de stad, net als ik.

Enfin.

Voor degene in een schuilhoek achter glas
Voor degene met de dichtbeslagen ramen
Voor degene die dacht dat-ie alleen was
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Voor degene met ‘t dichtgeslagen boek
Voor degene met de snelvergeten namen
Voor degene die ‘t vruchteloze zoeken
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Maar als je echt geen zin hebt om naar buiten te gaan, dan ben ik niet de beroerdste en heb ik een primeur voor je: de 2009-editie van de beroemde jaarlijkse Koninginnedaggevelversiering van cafe de Blaffende Vis. Kun je daar tenminste over meepraten, als alles weer voorbij is:

Time_to_bite

Voor degene met de slapeloze nacht
Voor degene die ‘t geluk niet kan beamen
Voor degene die niets doet, die alleen maar wacht
Moet nu weten, we zijn allemaal samen

Voor degene met z’n mateloze trots
In z’n risicoloze hoge toren
Op z’n risicoloze hoge rots
Moet nu weten, zo zijn we niet geboren

Doe het nou maar gewoon. Stap morgen niet al te laat uit bed en geef je over.

Daar ben je import-Amsterdammer voor.

Beatrix_waterverfportret

Lang leve de Koningin! Hoera! Hoera! Hoera!

Advertisements

Een geweldige baan

Gisteren had ik een feestje van mijn ex-vrouw. Zij geeft die feestjes tegenwoordig meestal in de vorm van een dineetje bij haar thuis in American style, wat zoveel wil zeggen als: iedere gast neemt een (soort van) gerecht mee, en zij, de gastvrouw zorgt dan voor de soep vooraf en voor de drank.
Op zich een geinig concept, al loop je natuurlijk het risico dat alle 14 gasten wel eens op het idee zouden kunnen komen om, weetikveel, het ‘dessert’ te verzorgen, waardoor er die avond, ik noem maar iets, louter 14 taarten op de menukaart blijken te prijken.

L. en ik arriveerden door omstandigheden (L. moest overdag een schilderij exposeren in het Museum van de Moderne Kunst in Arnhem) nogal aan de late kant.
Alle gasten hadden hun soep al op, en bovendien waren er geen vrije stoelen meer aan de eettafel.
"Eigenlijk zijn en er uberhaupt geen stoelen meer", vertelde C., mijn ex-vrouw, "dus ik moet even iets improviseren."
"Ik kan wel op een kratje zitten", zei ik, "heb je een kratje?"
Ze had geen kratje.
Uiteindelijk werd besloten om de ‘loveseat’ (een brede stoel, waarin je alleen met twee personen kunt zitten als je het niet erg vindt om door de leuningen met je lijven tegen elkaar geperst te worden) uit de woonkamer aan tafel te schuiven.
"Kan jullie relatie dat wel aan?" vroeg iemand.
"Jawel hoor", zei ik overdreven monter, terwijl ik probeerde te peinzen hoe ik in hemelsnaam mijn arm kon loswringen uit onze siameze tweelinggestalte, teneinde een glas wijn beet te pakken.

Ten slotte lukte dat, althans ik wist met een hand een vork te bemachtigen. Ik heb er een asperge mee gegegeten. En een klein plakje zalm. Er was namelijk iemand die een schotel met asperges en plakjes zalm had meegebracht. Voor de rest bestond het aanbod uit tiramisu en een hele hoop chocolade-taarten.

Even later lukte het ook een wijnglas bij de lurven te grijpen. En dat had ik nodig, want hoewel ik 12 van de 14 gasten al vele jaren, zo niet decennia kende, zat ik dus uitgerekend naast een jongen die ik nog maar een keer eerder had gezien. Het enige wat ik nog van ‘m wist was dat ie Hubert heette (of in ieder geval een rare naam met een H), dat ie werkte bij een verzekeringsbedrijf, en dat ie homo was.
"Hoe is het op je werk?" opende ik de conversatie, "zitten jullie nog altijd in Hoofddorp?"
"Noordwijk", corrigeerde Hubrecht me.
"Verrek, nu je het zegt: dat is waar ook!", riep ik, "heerlijk aan het strand!"
"Nou, niet direct aan het strand", zei Hubrecht, "we zitten eigenlijk meer in het gedeelte waar.."
Dat ging lekker.
"Maar hoe is het eigenlijk op jouw werk?" vroeg Hubrecht, "zit je nog steeds bij de ABNAMRO op de Foppingadreef? Als gedetacheerde op de afdeling Marketing toch, als ICT-er?"

Ik weet niet hoe ze dat doen, die homo’s. Ik bedoel, hoe onthouden ze dat allemaal?
"Klopt", zei ik, "daar zit ik nog steeds."
Enigszins rusteloos probeerde ik nu ook mijn andere arm los te wringen, want het was hoog tijd om een shaggie te draaien. Als ik niet rook kan ik namelijk niet denken, maak ik mezelf graag wijs.
"En je hebt het daar nog altijd zo goed naar je zin?" vroeg Hubrecht.
"?" dacht ik, het naar m’n zin hebben? Op mijn werk? Ik haat werken. Tenzij het nut heeft.
Maar blijkbaar had ik ‘m de vorige keer iets geheel anders op de mouw gespeld.
"O ja, geweldig!" riep ik, "helemaal fantastisch!"
Ik zette de brand in het shaggie.
En dat was opnieuw ‘t begin van een monoloog waar Shakespeare nog een puntje aan kon zuigen.

Op het laatst geloofde ik het zelf.
Mijn God, dacht ik, wat heb ik toch eigenlijk een geweldige baan! Ik kreeg er waarempel zin van om naar kantoor af te taaien, vond het bijna jammer dat het morgen zondag was.

And let’s face it. Ik heb ook een fantastische baan. Maar niet zo goed als ik had bij mijn vorige opdrachtgever, mijn 60 maanden bij de AEX.
De 5 cowboy-jaren. Persoonlijk mede-verantwoording dragen voor de nachtelijke verwerking van de beurstransacties. Als er iets mis ging met de ‘eindedag-verwerking’, dan kon de volgende ochtend de beurs niet open. Zou er sprake zijn van miljoenen, zoniet honderden miljoenen aan economische schade.
Ik werkte officieel 9 to 5, maar moest altijd standby zijn. 24-7 telefonisch bereikbaar en anytime binnen een uur ter plekke kunnen wezen.
Best lastig als je een schaduw-leven leidt als poetryslamdichter die optreedt door het gehele land, en die bovendien wel een drankje lust.

En er ging heel vaak wat mis met de eindedag-verwerking. Niet zozeer in de gedeeltes die ikzelf had geprogrammeerd (o.a. het ingewikkeldste; het voor klanten honoreren van positionele strategieen (straddles, strangles, cross-margin, etc) met korting in hun aan te houden liquiditeiten, maar wel in de spaghetti-code van de stappen die mijn collega’s op hun toetsenborden hadden ingeklopt.
Ik werd altijd als eerste gebeld though, door Operations, de afdeling die de verwerking elke nacht vanuit Slotervaart monitorde.
"Met Sven".
"Ja, met Lesley", zei Lesley dan, "het is weer es zover."
En dan keek ik op mijn horloge en gokte aan de hand van het tijdstip: "Stap 14, de Margetoets, is er zeker uitgelopen?"
"Precies", zei Lesley dan.
"I’m on my way".

En daar ging ik dan. Verontschuldigde me bij de organisatie van een afgelegen jeugdcentrum dat ik pleite moest.
"Maar je staat in de finale!"
"Sorry, ik moet er vandoor. Voor mijn werk."
"Maar je kan 30 euro winnen!"
"Weet ik, maar ik moet echt gaan".
"Kunnen we je niet lijmen met wat extra consumptiebonnen?"
"Nee, helaas. Op welke tijden rijden die treinen hier ook alweer precies?"

En dan belde ik in de trein met de nachtportier van het Damrak, die dan routineus mijn computer alvast opstartte (hij kende inmiddels mijn wachtwoorden wel uit zijn hoofd), en ik liet ‘m alvast een aantal mogelijke oorzaken onderzoeken, terwijl ik in de rookcoupe nog een pils opentrok en een Marlboro opstak.
"En dan nu SQL-plus openen", zei ik dan bijvoorbeeld tegen de portier, "is dat gelukt? Ja? Okay, en dan nu intypen ‘select…", etc.

En als ik dan 3 uur later vanuit pakweg Veendam, eindelijk op Amsterdam Centraal aankwam, wist ik inmiddels meestal al wel wat er precies aan de hand was en hoe het opgelost diende te worden.
Ik racede met mijn wildgeparkeerde fiets naar het gebouw tegenover Beursplein 5, waar boven de C&A de ICT-afdeling was gehuisvest, en waar de portier al klaar stond om me binnen te laten. Vloog de trappen op, nam plaats achter mijn PC, waar de portier al een cafe au lait had klaargezet, checkte en doublecheckte mijn bevindingen die ik door de portier had laten uitvoeren, en typte wanneer ze door mij correct waren bevonden, een aantal onverbiddelijke delete- en update-regels in, die wanneer er ook maar een typefoutje in zou zitten, rekeningcourant-mutaties konden plegen waarmee mensen voor miljoenen bena- of bevoordeeld zouden kunnen worden.

In de test-database uiteraard, een kopie van de werkelijke situatie.
Maar wanneer dat goed ging, dan durfde ik het daarna aan om hetzelfde script los te laten op de daadwerkelijke produktie-database.
Altijd een eng moment. Die daadwerkelijke ‘enter’. Als individu in staat zijn om met 1 druk op de knop de ganse Nederlandse economie te ontregelen.
Met je dronken harses.
Ik stak er voor de zekerheid altijd een sigaret bij op, vlak voordat ik het risico nam.
De portier deed dat ook, en keek gespannen over mijn schouder mee.

Het is altijd goed gegaan.
En dan belde ik met Lesley: "Start maar weer op, die hap."
"Godsamme, heb je ‘t ‘m weer gelapt?"
"Ik heb ‘t ‘m weer gelapt."
Daarna deelde ik een highfive met de portier, en verliet het gebouw, om koers te zetten naar huis. Fietsend door de nacht in de stilgevallen stad.
Als een cowboy.

Om me vervolgens de volgende dag op een daverend uitslapen te trakteren, pas om half 5 op kantoor te verschijnen teneinde de felicitaties in ontvangst te nemen, een cafe au lait te drinken, mijn prive-email te checken, en gevoeglijk wanneer iedere kantoorklerk ‘m om half 6 weer gepeerd was, mijn toevlucht te nemen tot een terras, alwaar ik mijzelve een flinke reeks zwaarverdiende Duvels permiteerde.
 
Kijk, dat was nou nog eens een geweldige baan.

Voor uw eigen veiligheid

Vandaag stond er een artikel in het Parool waarin opnieuw een verbod werd aangekondigd. Te weten het voornemen van de Amsterdamse gemeente om het ‘wild parkeren’ van je fiets in bepaalde zones strafbaar te gaan stellen. Bij die zones dacht de gemeente dan aan bijvoorbeeld stations en winkelgebieden.
De bedoeling was dat er ter plekke ondergrondse fietsenstallingen zouden komen, waar iedereen zijn rijwiel netjes zou kunnen stationeren.
De woorddoende wethouder lichtte in het krantenartikel toe dat zulks noodzakelijk was voor ‘onze eigen veiligheid.’

Dat laatste snapte ik niet helemaal. Ik bedoel, zijn er ooit mensen overleden door een wildgeparkeerde fiets? Of ernstig gewond geraakt? En hoe dan, in godsnaam?
Ik zou die statistieken, waarover de gemeente blijkbaar beschikt, wel eens willen inzien. Het lijkt me een geweldig fascinerend dossier, met al die verhalen van Darwin-award-kandidaten, die het voor elkaar krijgen om, weetikveel, met hun tepelpiercing aan de handrem van een wild geparkeerd rijwiel te blijven haken, waardoor hun borstkas werd opengereten en hun hart uit hun lichaam klopte, en op de stoeptegels kapotsloeg of zoiets. 
En dat de wethouder vervolgens heeft gedacht: Dat nooit weer!

Gelul natuurlijk.
Als de term ‘Voor uw eigen veiligheid’ wordt gebezigd, dan weet je dat je op je hoede moet zijn, dat er iets anders aan ten grondslag ligt. En dan meestal een iets minder altruistische reden dan de gezondheid van de bevolking.
Tenminste, dat hoop ik. Dat mensen dat inmiddels in de smiezen hebben gekregen, bedoel ik. Dat de verantwoording ‘het is voor uw eigen veiligheid’ tegenwoordig steeds schaamtelozer wordt misbruikt door diverse partijen. Commercieel danwel politiek.

Voorbeelden legio, maar het treffendste vind ik dat van Schiphol. Eerst mocht je geen nagelschaartje meer meenemen in je handbagage, want dat viel nu onder de categorie wapens waarmee je een terroristische aanslag kon plegen. Vervolgens werd het meenemen van vloeistoffen verboden. Dus geen zelf meegenomen blikjes cola, of flesje spa, zelfs geen deodorant. Want er schijnen terroristen te zijn die bommen kunnen maken van vloeistoffen, en die zouden ze het vliegtuig kunnen binnensmokkelen in fake blikjes Fanta, of spuitbusjes Axe.
Maar! Daarna werd de maatregel ingevoerd dat je bij de taxfreeshops op Schiphol wel drank mag inslaan, zoveel als je wilt. Die wordt dan netjes verzegeld in een plastic zakje, maar het laat onverlet dat je dus tegenwoordig het vliegtuig kunt betreden met bijvoorbeeld een literfles Bacardi in je poten.
Ik zeg: scheur in het vliegtuig dat plastic zakje aan flarden, pak die Bacardi-fles bij de hals, sla ‘m kapot op de grond, en je hebt volgens mij toch een net iets gevaarlijker wapen in je hand dan een nagelschaartje.

Ergo: het gaat uiteraard helemaal niet om ‘uw eigen veiligheid’, het gaat in dit geval om de financiele belangen van de luchthaven Schiphol.

Geeft niet hoor, maar zeg dat dan!
Hetzelfde geldt voor de stad Amsterdam. Het gaat de gemeente natuurlijk helemaal niet om de levensbedreigendheid van wildgeparkeerde fietsen. Het gaat waarschijnlijk om het straatbeeld. Dat het er zo rommelig uitziet voor de toeristen bijvoorbeeld. Amsterdam wil graag metropool zijn, en zich meten met andere wereldsteden als New York en Londen, waar het trouwens ook wemelt van de verboden.
Daarbij vergeet de gemeente gemakshalve even dat die wildgeparkeerde fietsen het onderwerp vormen van een eindeloze reeks aan ansichten, die bij diezelfde toeristen gretig aftrek vinden.
Wildgeparkeerde fietsen horen bij het karakter van de stad. Net als de hoeren. En het van Gogh-Museum. En de coffeeshops. Etc, enz, en ik zeg: Houden zo.

Een ondergrondse fietsenstalling in winkelgebieden en bij stations, tsk. Ik zie het al voor me. Mensen die stallingen propageren gaan waarschijnlijk zelden met de fiets. Netjes ondergronds stallen kost minstens 5 minuten. Blind tegen een muur of brug aankwakken hooguit 10 seconden, inclusief een kettingslot door je frame en voorwiel heenraggen.
Als je, zoals ik vandaag, naar tien verschillende winkels moet, scheelt dat toch al snel bijna een uur.

In een metropool draait alles om snelheid. Ik hoop dat de wethouder dat beseft.
Nu kon ik nog even wat zon meepikken op mijn dakterras, want ik was gewoon binnen datzelfde uur wildparkeren al weer terug van alle tien winkels uit maar liefst drie verschillende stadsdelen.
En voor zover ik weet zijn daarbij geen slachtoffers gevallen.

Volksschrijver

Vanavond om 23.00 zette ik de TV aan voor Pauw en Witteman. De openingszin van de uitzending werd zoals altijd uitgesproken door Jeroen en die meldde: "Goedenavond, het is vandaag woensdag 22 april, de dag dat de schrijver/columnist Martin Bril is overleden."

L. en ik, we waren net als alle andere Volkskrantlezers op de hoogte van zijn slokdarmkanker, maar schrokken desondanks.

Nog geen minuut later rinkelde de telefoon. Mijn moeder.
Ze zei iets. Ik was met mijn hoofd nog elders, te weten bij het verse nieuws, en verstond het niet.
"Sorry", zei ik "ik ben nog eventjes een beetje verward, want we horen namelijk net dat…"
"Ja, Martin Bril is overleden", zei mijn moeder, "Papa en ik komen ook net thuis, we hadden vanavond een etentje in de stad (zo noemt mijn moeder het centrum van Tiel – pdn), maar je kent je vader, die wil altijd op tijd terug zijn voor Pauw en Witteman, en wat denk je? We zetten de TV aan, krijg je in een keer te horen dat Martin Bril overleden is! Maar ik dacht het al hoor, want zaterdag schreef ie al niks in het Magazine, en gisteren en vandaag geen column, ik zei vanmorgen al tegen papa: volgens mij gaat het heel snel en is het binnenkort gebeurd, want hij kreeg ook gisteren nog plotseling de een of andere prijs…"

"De Bob Den Uyl-prijs", vulde ik aan.

"Watte? Ja, en hij kon ook al pas niet naar Bob Dylan zei een trompetspeler vanavond bij de Wereld Draait Door, die een nummer of zoiets van Martin Bril speelde, en Matthijs keek toen die trompettist dat zei nogal apart, alsof Matthijs meer wist, en Matthijs is een goeie vriend van Martin Bril, dus toen dacht ik al: het zou weleens gebeurd kunnen zijn, dus, maar toen moesten we naar de stad, want we hadden een etentje, maar we komen nu net thuis, en ik hoor het dus ook net, maar wat erg he?"

En zo is het.

Bril

Ik ga ‘m missen. En dan niet meteen de angst dat als je een onschuldig pilsje drinkt met je geliefde in cafe Toussaint op de Bosboom Toussaintstraat (waar ie om de hoek woonde en nogal eens kwam met z’n hond), je het risico loopt de volgende dag breeduitgemeten te figureren in een column van een landelijk dagblad, en ook niet per se de onvermijdelijke ‘tsja’s’ en ‘enfins’, maar vooral de dagelijkse vertrouwdheid van iemand in de krant die je, tsja, vertrouwt.
Enfin.

Martin Bril schreef ooit een keer in een column dat ie wenste dat er ergens in een cafe boterhammen met pindakaas of hagelslag (of allebei, als combi) in de ontbijtsectie op de menukaart zouden staan.
Ik had ‘m destijds willen mailen dat zulks in diverse uitspanningen op de van Baerlestraat al jaren het geval was. Niet gedaan though. Ik wilde ‘m het geluk niet ontnemen dat zelf te ontdekken.
Het was ongetwijfeld een geweldige column geworden. Met al die Japanners die op weg naar het Van Gogh-museum, breed grijnzend hun tanden zetten in een witte knipsnede met Becel, de Ruyter en Calve, en al die foto’s die ze daar dan van maken.

Dat van die foto’s zou Martin Bril achterwege hebben gelaten. Want te cliche. Ook de merknamen zou ie waarschijnlijk hebben geskipt. Want te gemakkelijk. Alsmede ‘breed grijnzend’, want te bombastisch. En te cliche. En te gemakkelijk. Hij zou praktisch alles hebben weggelaten.
En er desondanks een fantastische column over hebben geschreven.
Dat ga ik missen.

En mijn moeder ook. Wellicht vanwege geheel andere redenen dan mijn persoontje, maar goed. Missen gaan we hem.

 

Lucky Bastard

Een van L. en mijns favoriete sketches allertijden is die van Monty Python als de 4 Yorkshire-men. Zojuist ben ik even op youtube gaan surfen, en heb de volgende twee versies gevonden:

Engelstalige versie, maar helaas zonder John Cleese

Nederlands ondertitelde versie featuring Rowan Atkinson (Mr Bean)

Er bestaat zeker een nog betere versie (namelijk het origineel met John Cleese, waarin  veelvuldig de term ‘lucky bastard’ terugkeert), maar enfin; het is een sketch over oude pakdragende mannen die sigarenrokend praten over hoe goed ze het hebben, en hoe zwaar het leven vroeger wel niet was.

"Look at us now, how lucky we are, drinking Chardonnay out of cristal glasses" -Yorkshireman 1.
"Back then, we used to drink tea" – man 2.
"Out of a broken cup. Without milk" – man 3.
"Without sugar" – man 4.
"Without tea" – man 1.

"Without even a cup" – man 2, "we had to drink out of a rolled up newspaper."
En zo gaat het nog een tijdje door, waarbij de vier mannen elkaar verbaal steeds absurder proberen af te troeven in hun beschrijvingen van de abominabelste omstandigheden die je je kan voorstellen.
"You had to live in a hole in de ground!? You lucky bastard! We used to live in a lake, and every morning we had to clean te lake, eat pebbles for breakfast, and we had to work for 12 hours, for 6 pence a day" – man 1.
"Luxury" – man 2, "We had to get up half an hour before we went to sleep, we had to pay to work for 28 hours, and after that we were all sliced in two by the sword of my father."
"You lucky bastard!" man 3.

Etc.

Ik heb een zwak voor oude mannen. Met hun aanstelleritus, hun overdrijvingen. Wellicht omdat ik zelf hard op weg ben 40 te worden, maar dat terzijde.

Gisteravond had ik een feestje. Van Chiel, een jongen die 30 werd. Hij vierde het in een achterzaaltje van een cafe in de Jordaan en had een DJ ingehuurd.
Het goede nieuws was dat je mocht roken in dat achterzaaltje.
Het slechte nieuws was dat zo’n beetje alle gasten onder de 30 waren.
Daar kwam bij dat ik totaal niet durf te kan dansen, en dan zit je op zo’n feestje toch al snel een beetje voor Janlul op een klapstoeltje aan de zijkant ongezonde hoeveelheden wanhoopsvocht naar binnen te gieten, in de hoop dat je het uiteindelijk toch zal durven: dansen.

Eenieder die zich in deze situatie herkent weet: niet doen. Wat er ook gebeurt: niet dansen. Misschien dat je een voorzichtige poging kunt wagen mits er post-psychotraumatische hulpverlening ter plekke is, maar in alle andere gevallen: laat het!
Als je dronken gaat dansen en je kan het niet, en je bent ook nog eens een van de oudsten van het gezelschap, dan zal iedereen je aanmoedigen, je toejuichen, maar niemand zal je in je verdere leven ooit nog serieus nemen.
Ik zou willen dat het anders was, maar zo liggen de feiten nu eenmaal, en ik ken ze. Ik ben geen debiel.

Maar goed. Ik zat dus op dat feestje, op een klapstoeltje aan de zijkant ongekende hoeveelheden pils naarbinnen te gieten, me de tering te roken, en dacht: Hoe nu?

Ik nam een rare beslissing. Ik besloot te verkassen naar het NIET-rookgedeelte; ergo het achterzaaltje te verlaten en me te begeven naar de praktisch verlaten toog in het eigenlijke cafe.

Aldaar voelde ik me direct een stuk jonger. Achter de bar stond een kiftend echtpaar van boven de 50. De uitbaters van het etablissement. Man: felrood Hawai-shirt over stevige pens, baco in zijn worstepoten; vrouw: 1 meter 20 tellend onderdeurtje dat grof vloekend de zojuist opgehaalde lege glazen van ‘dat jonge tuig uit het achterzaaltje’ stond om te spoelen.
Voor de rest aan de bar: twee oude mannetjes. Stamgasten.

"Ach ja, de jeugd he", zei man 1.
"Vertel mij wat, het enige wat ze doen is discodansen" – man 2.
"En daarom mogen wij niet meer roken."
"En zij wel. Het is toch van de zotte, wat vind jij daar nu van, Henk?"
Henk, de uitbater, bereidde zichzelf nog een baco en zei: "Het is mooi weer, het regent niet. Buiten kunnen we ook prima roken."
"Ga je nu alweer een rookpauze nemen!? En ik dan!? Heb je wel gezien hoeveel glazen er nog gespoeld moeten worden!?" reageerde zijn vrouw giftig.
"Glazen genoeg", zei Henk, "dat spoelen komt morgen wel, wees blij dat we eindelijk weer eens wat omzet hebben."
"Ja ja, meneer heeft praatjes zat, maar wie kan er morgen weer…"
Haar geklaag uit het toch al niet zo grote lichaam verstomde onder de toonbank, waar ze zocht naar een verse verpakking Brillo-schuursponsjes, waarmee ze van zinnens was de uitspanning in ‘t voren, voor zover mogelijk, alvast zo proper mogelijk te prepareren voor de volgende dag, die er onvermijdelijk altijd weer aankomt.

Henk liep naarbuiten om te gaan roken.
De twee oude mannetjes sloegen een sigaretje over, en gingen door op de ingeslagen discussie.
"Ach ja, dat discodansen", zei man 1.
"Ik ben net even wezen kijken", zei man 2.
"En?", vroeg man 1.
"Ze dansen tegenwoordig verticaal."
"Verticaal?"
"Ja, ze blijven met hun voeten op de grond staan, ze bewegen alleen nog maar hun lichaam."
"Geen stapjes meer?"
"Stapjes zijn er niet meer bij."
"Dat was vroeger wel anders", zei man 1., "je moest es weten hoeveel stapjes ik ken."
"Daar heb je nu helemaal niets meer aan", zei man 2, "met stapjes ken je het tegenwoordig wel vergeten bij de mokkels."
"Verticaal zei je?"
"Verticaal. Dat is om ruimte uit te sparen. Allemaal commercie, dat zeg ik je. Is allemaal over nagedacht. As mensen bewege op hun plek, dan ken je met kleinere ruimte toe, snappie? Minder mense per vierkante meters."
"Daar zit iets in."
"Dat zeg ik toch?"
"Maar aan je stappies heb je dus niks meer?"
"Nee, met je stappies ken je het schudden."
"Bij de mokkels?"
"Bij de mokkels."
"Godsamme."

Even later stonden ze op de dansvloer. De oude mannen. Verticaal te bewegen. Ze deden het voorwaar niet slecht. Ze werden aangemoedigd.

Ik bestelde nog een pils bij de barvrouw.
Ze zuchtte.
"Zware dag?" vroeg ik.
"Breek me de bek niet open", zei ze, en begon haar levensverhaal.

"You lucky bastard", dacht ik.

Twenty years ago today

Gisteren verkeerde ik in een compleet uitverkocht Paradiso. "Wat?" zullen jullie zeggen, "Paradiso uitverkocht op een woensdagavond? Dat moet wel een heel goeie band zijn geweest."

Mais non. Paradiso was uitverkocht vanwege het 20-jarig jubileum van een boek. Een boek.
Wat dat betreft had Gerrit Komrij het mis toen hij een paar weken geleden bij Pauw en Witteman verkondigde dat de literatuur op sterven na dood is.

Gisteren was het twenty years ago today dat ‘Gimmick’ van Joost Zwagerman aan de wereld werd gepresenteerd. En dat werd gisteren gevierd met een hele rits van hotte hip & happening -acts uit het culturele circuit.
Ik noem uit het begin van het door Matthijs van Nieuwkerk gepresenteerde programma een Herman Brusselmans (die opkwam en begon met: "ik heb zoeven in de kleedkamer Georgina Verbaan gebeft"). Ik noem uit het midden van de playlist een Kluun, Bart Chabot, Ronald Giphart en de band Moke. Ik noem als afsluitende gast van het literaire deel van het programma een Georgina Verbaan (die aan het begin van haar lezing met Vlaams accent debiteerde: "Ik ben weliswaar net gebeft, maar dat is wel eens beter gebeurd").

En ik noem een Erik-Jan Harmens. Zelf twitterde hij er na afloop van zijn optreden, met een knipoog naar de onlangs gearresteerde (oa Beatles)producer Phil Spector, het volgende over:
Just got back from packed Paradiso. Read my poems for 100 people. The other 1400 were cementing wall of sound. But all congrats to jz.

Toch, hij stond er maar mooi!
En dat, dames en heren, ligt wieweet ook voor jullie in het verschiet. Mits jullie je, net als EJH about ten years ago today, aanmelden voor ‘s lands belangrijkste poetryslam:

AANKONDIGING

DINSDAG 21 APRIL,  Aanvang 21.00

FESTINA LENTE POEZIESLAG

Festina_lente_2

JURY: SIMON VINKENOOG, SVEN ARIAANS, PIM TE BOKKEL

Jury_2

PRESENTATIE: SANDER MEIJ

LAST MINUTE AANMELDINGEN NOG VAN HARTE WELKOM!!!

KLIK OP HET MAILFORMULIER RECHTSBOVEN OM JE NOG AAN TE MELDEN

ADRES: CAFE FESTINA LENTE, LOOIERSGRACHT 40, AMSTERDAM

PS: L’s Portret van de week is deze keer van de onlans overleden Fritzi (zie afbeelding rechtsboven), mijn favoriete Nederlandse dichteres allertijden. Geen slamster. Integendeel. Maar ze zou Festina met vlag en wimpel winnen. Kortom komen dus, jullie nachtbrakende, mensenschuwe, gespleten persoonlijkheidsters met bovenmatig talent. We want you.

Pasen

Ik mag zeggen dat ik een bijzonder prettig lang Paasweekend achter de rug heb. Schitterend weer en alles, niet hoeven werken, wat wil een mens nog meer?

Dus eigenlijk mocht ik zelfs zeggen: een vrolijke Pasen. Dat is ook de officiele begroeting geloof ik, tijdens zo’n weekend.
En ik begrijp ook best wat er zo vrolijk is aan Pasen. Van Witte donderdag en Goede Vrijdag snap ik dat iets minder. Ik bedoel, Jezus wordt verraden (na het laatste avondmaal op Witte donderdag), vervolgens gemarteld en ten slotte gekruisigd (op Goede vrijdag).
Maar goed, ik had het over Pasen. Op de zondagochtend van Pasen schijnt er dus een aantal vrouwen naar het verse graf van Jezus te zijn afgetaaid, met de bedoeling zijn lichaam te verzorgen. De vogel bleek echter gevlogen. Ergo uit de dood opgestaan, concludeerde men.
Vreugde alom. Engeltjes erbij, kortom een vrolijke boel.

Dat tegelijkertijd algemeen wordt verkondigd dat die wederopstanding dus plaatsvond na drie dagen snap ik dan weer niet helemaal, want Paaszondag is toch echt slechts 2 dagen na Goede vrijdag, maar dat kan een rekenfoutje zijn van de Bijbel. Of misschien de reden waarom wij hier in Nederland voor de zekerheid toch ook maar Tweede Paasdag vieren.
Als enige land ter wereld overigens. Heeft wellicht te maken met ons poldermodel of zoiets. Je weet het niet.

Doet het er heden ten dage nog iets toe? Jazeker, want daardoor hadden wij vandaag een extra vrije dag. Die bovendien erg goed is voor de economie, want iedereen gaat naar de meubelboulevard, danwel een tuincentrum, of met dit mooie weer toch minstens naar de horeca. Precies de sectoren die het nogal zwaar schijnen te hebben in de huidige kredietcrisis.

En zo is het bruggetje geslagen. Pasen is het feest van de wederopstanding.
Ikzelf heb het afgelopen weekend geschreven over lijden:

Steven Rooks Classic

Het meisje van de Cauberg

L. heeft een kort Paasverhaal geschreven. Dat jullie hieronder kunnen lezen:

Wederopstanding

Vandaag lukt het me al langer om alleen maar te staan.

Zoals de zon boven de muren van Jericho stond. Met dezelfde brandende blik houd

ik de muur van ezels en doeken in bedwang. De paletmessen die mijn vormen marsepeinroze op het doek kwakken en wit als duivenstront er weer af krabben.

Nadat ze eerst de puddingbroodjes van mijn ribben hebben geheven. Het Turkse brood van mijn buik met hun stalen snijtanden verscheurd. Het machtige heupwerk met scalpels losgesneden. Paletmessen- in al hun bezeten schitteringen heb ik ze gezien.

En toch sta ik hier. Wanneer ik me uitkleed glijdt deze tijd als een slangenhuid van me af. Hier kan ik rusten in de rasters van Rubens en Titiaan. Mijn incarnaatrode haar traag als lava over mijn schouders tot op de doeken tegenover me laten stromen.

Als het me teveel wordt, kijk ik voorbij de glazen potten met maagsap, naar de tekenpop op de vensterbank. Het is de gedaante die de toekomstige heeft aangenomen.

Haar gezichtsloze kale hoofd is een replica van dat op mijn kaptafel.

Buiten sneeuwt het Iepenbloesems. Kleine beige hosties die ik allemaal wil eten.

Wie nu op straat loopt wordt verlicht. Het licht is zo fel, dat het me tot op het bot penetreert. Röntgenstralen die mijn beenderen lichtgevend maken.

Lenzen van de lente drijven op de grachten. In een woeste beweging trek ik mijn  pruik,Titiaantje, af.

Mijn naakte schedel is het ultieme paasei.

Met Pinksteren zal ik een levende tekenpop zijn geworden. Kaal en houterig zal ik aan de familiedis zitten; de laatste incarnatie van de hongerheldin.