Gedichtendag

We hebben een nieuwe Dichter des Vaderlands! Zijn naam is Ramsey Nasr, en hij is vandaag behalve DideVa ook nog eens 35 jaar geworden.

Ramsey

Ik zeg: Gefeliciteerd! Twee keer!!

Het was vanavond allemaal te zien op Nederland 2 in een live-uitzending, gepresenteerd door een enigszins onbehouwen Joost Prinsen. Joost was uitmuntend in het diep voorover zitten met bijkans de schouders op tafel, maar tegelijkertijd zijn kop rechtop gericht. Voorwaar een merkwaardige pose. Alleszins voor iemand die geen zak van 30 kilo cement op zijn rug meetorst.
En dan vroeg Joost met zijn karakteristieke knarsende stemgeluid aan bijvoorbeeld scheidend DDV Driek van Wissen, nadat er wat filmpjes voorbij waren gekomen waarin laatstgenoemde figureerde in o.a. Lingo: "Jij hebt zeker een hoop verdiend met schnabbels in de afgelopen 4 jaar!?"
"Tsja, euh, dat viel me op", stotterde een tamelijk zenuwachtige Driek, "dat je met die… euh.. TV-programma’s dus meestal niets verdie.."
"Met schabbels verdien je zo vaak niets", onderbrak Joost met een venijnige grijns. En op dito toon.
De combinatie van die toon en het gezegde maakte Driek bepaald niet tot een geruster, laat staan een welbespraakter persoon. Integendeel.
Driek werd er alleen maar zenuwachtiger van.
Gevolg: een tamelijk knullig overkomend begin van een TV-programma, waarbij het vooroordeel dat dichters verwarde vage figuren zijn, die op zolderkamertjes rijmpjes in elkaar knutselen om het volk zogenaamd te verheffen, weer eens flink werd opgepoetst.

Ik vermoed dat er een hoop mensen zijn gaan zappen.

Ik zeg: zonde.

Want ook wil ik zeggen: welk een verademing toen private Ramsey Nasr in een vooraf opgenomen filmpje de slotstrofes uitsprak van het gedicht dat hij speciaal voor de verkiezing van het ambt had geschreven.
Joost Prinsen feliciteerde de dichter/acteur "van de ene acteur naar de andere" met diens weergaloze voordracht.
En terecht.
De zaal met aanwezig publiek was spontaan in applaus uitgebarsten na de vertoning van het filmpje.

Wat zal ik zeggen? Tsead was okay, had misschien wel de beste plannen, en bovendien een stevig campagne-team achter zich. Erik Menkveld had ook goeie plannen, en is bovendien een van de aardigste dichters die ik ken. Hagar Peeters’ gedicht kwam pas goed uit de verf toen ik het haar zelf hoorde voordragen, maar ik waardeer sowieso de risico’s enorm die ze tegenwoordig tegen de stroom in durft te nemen. Hulde. Joke van Leeuwen vind ik ook ontzettend sympathiek, zij het op een andere manier.
Maar Ramsey.
Poe! Wow!
Dat was toch echt een treetje verder. Een stapje hoger.

Een terechte nieuwe Dichter des Vaderlands.

Daarna gaf ie in het aansluitende Nova ook nog eens op locatie vanachter een handmicrofoon een weergaloos interview weg. Alsof ie nooit anders had gedaan. Het regende pakkende volzinnen. Max Westerman zou erbij verbleken.
Ramsey Nasr. Ongelooflijk mediageniek. En nog dichter bovendien.
Een beter betere ambassadeur voor de poezie kunnen wij ons niet wensen.

Goed. Dat gezegd hebbende. Morgen is het gedichtendag! En waar kun je die beter doorbrengen dan in de Parel van de Betuwe, het onhandig bloesemende Tiel!!!

Want aldaar staat de fine fleur van het afgelopen decennium slampoetry op de planken, te weten:
– Sander Koolwijk (Nederlands slam kampioen 2005)
– Pim te Bokkel (Buddingprijs-genomineerde in 2007 en gerespecteerd Festina-veteraan)
– Sander Meij (Meander-poezieprijswinnaar, en de beste presentator ooit van Festina)
– Martijn den Bakker (cultheld, nr 3 van het NK poetryslam 2007, meeste applaus v/d avond)

Et moi. In my former hometown. En daar ben ik altijd op mijn best. Plus 5 locale dichters. Altijd leuk. Komen dus:

Poster20bap

Advertisements

Sem

Het is half 1 en ik zit nu al 5 shaggies lang na te denken: waar zal ik mijn zondagavondstukje eens over gaan schrijven?
Het beroerde is dat het haast heeft, dat zondagavondstukje. Want ik wil vroeg naar bed. Dat is namelijk mijn goeie voornemen vanaf vandaag: om voortaan iets vroeger onder de wol te kruipen.

Waarom ik me zulks heb voorgenomen houden jullie even te goed. Want als ik daarover zou beginnen dan wordt het half 6 en ben ik nog verder van huis.

"Sem" flitst het nu door mijn hoofd, het Chinese kindje waarmee een van mijn beste vrienden, A., afgelopen vrijdag na veel adoptieperikelen op Schiphol zou arriveren.
Sem, een jongetje inderdaad. Vrij zeldzaam in het Chinese adoptiecircus.

We stonden met een man of 20 bij terminal 4 van de arrivals. Want daar zouden volgens de alom aanwezige flatscreens de passagiers van de zwaar vertraagde vlucht uit Bejing door de glazen schuifdeuren komen lopen.
Sommigen van ons hadden zeer hun best gedaan. Complete spandoeken waren er gemaakt, waarop foto’s van Sem waren geprint, waarboven de tekst "Welkom thuis". En blauwe ballonnen. Onnoemelijk veel blauwe ballonnen.

Het duurde maar en het duurde maar, het wachten. De jongsten onder ons, de kleintjes, hielden het niet meer uit. Na aanvankelijk allerlei dansjes te hebben heroefend, strak gechoreografeerd door de schoonzus van A., daalde na 2 uur het animo van de jongsten, die zich stuk voor stuk terugtrokken in hun buggies om een tukje te doen.

En de vaders van de kleintjes deden een tukje tegen de glazen wand van arrivals-terminal 4. De moeders echter bleven multitasken: ze wiegden hun buggies zachtjes heen en weer, keken uit hun ooghoeken naar hun snurkende mannen, en vanuit de andere ooghoek hielden ze nauwlettend de glazen schuifdeuren in de gaten.
En ik tenslotte, ik vond mijzelve op een gegeven ogenblik terug met het complete arsenaal aan blauwe heliumballonnen in mijn klauwen.

Ik had vreselijk veel zin in een pils, om nog maar te zwijgen van sigaretten. Maar op Schiphol mag je niet roken. Waarlijk onmenselijk vind ik dat. Vooral als je een half uur met 100 ballonnen moet staan.

Maar toen kwam daar eindelijk de verlossende sms: "Na de bagage zijn we nu ook door de douane, we komen er binnen 3 minuten aan!"
Ik checkte voor de zekerheid nog eens de gegevens op de hangende flatscreens. ‘CZ0345 Bejing, arrival terminal 4; stond er onveranderd.
Ook de rest was inmiddels per sms geinformeerd en iedereen ontwaakte/werd wakker gemaakt uit zijn slaap. Haastig werden de kleintjes weer in positie gezet. Ik deelde de ballonnen uit. En hield mijn telefooncamera in de aanslag.

Maar er gebeurde gedurende een kwartier lang helemaal niets.

Totdat er iemand van onze twintigkoppige ontvangstcommitee op de schouder werd getikt.
Huh?
Het bleken mijn vriend A., zijn vrouw en zijn nieuwe gezinslid Sem. Met in hun kielzog mijn beste vriend I. en zijn vrouw B, die ook waren meegegaan naar China, om A. et al mentaal te ondersteunen.

"Wij zijn binnengekomen bij Terminal 3", verklaarde A.

Haastig draaide iedereen zich om. De ooms met filmcamera’s, die zich op de eerste rang bij de schuifdeuren van terminal 4 hadden gepositioneerd, wisten niet hoe gauw ze over de dranghekken moesten klauteren en over 100 meter vloer te sprinten, om toch nog wat legendarische beelden te kunnen vastleggen.
De kleintjes lieten van schrik hun ballonnen varen en renden luid gillend zwaaiend met hun armen op het nieuwe episch centrum van de gebeurtenissen af.

Veel tranen bij de mensen. Veel geluk. Heel mooi.

Ik liep naar mijn beste vriend I. toe. "Hoe was het, hoe was de reis?"
"13 uur niet kunnen roken", zei I., "heb jij bier bij je?"
"Natuurlijk heb ik bier bij me", zei ik.

"Wij gaan even naar buiten", riep I. tegen zijn vrouw B. terwijl ie naar mij wees, "even roken."
"Blijven jullie niet te lang weg?"
"Maak je geen zorgen", zei ik tegen B., "ik weet de dichtstbijzijnde zijdeur naar een uitgang. We zijn binnen 3 minuten weer terug."

Buiten dronken we binnen 3 minuten een halve liter weg en rookten we 2 Marlboro’s. I. gaf me een set speelkaarten bij wijze van cadeautje. Met prachtige afbeeldingen van Mao. Onze held toen we jong waren.
"Hoe was China?" vroeg ik.
"Het is verknald", zei I., "ik kreeg echt tranen in mijn ogen toen ik op het plein van de Hemelse Vrede stond, in de Verboden Stad, en dan niet van vreugde."
"Hoezo?" vroeg ik.
"Weet je Sven, er stond een bordje bij dat plein. Weet je wat daar op stond?"
"Nou?" vroeg ik.
"Je zal het niet geloven!"
"Voor de draad ermee", zei ik.
"This square is sponsored by American Express!"
"Nou ja!" zei ik.
"Precies", zei I.
"China is verknald", beaamde ik.

En toen dronken we nog een vlotte pils met een snelle sigaret, waarna we arrival-terminal 3 weer binnen stapten om ons te storten in het feestgedruis.

Sem

Schattig toch?

Sem

Het is half 1 en ik zit nu al 5 shaggies lang na te denken: waar zal ik mijn zondagavondstukje eens over gaan schrijven?
Het beroerde is dat het haast heeft, dat zondagavondstukje. Want ik wil vroeg naar bed. Dat is namelijk mijn goeie voornemen vanaf vandaag: om voortaan iets vroeger onder de wol te kruipen.

Waarom ik me zulks heb voorgenomen houden jullie even te goed. Want als ik daarover zou beginnen dan wordt het half 6 en ben ik nog verder van huis.

"Sem" flitst het nu door mijn hoofd, het Chinese kindje waarmee een van mijn beste vrienden, A., afgelopen vrijdag na veel adoptieperikelen op Schiphol zou arriveren.
Sem, een jongetje inderdaad. Vrij zeldzaam in het Chinese adoptiecircus.

We stonden met een man of 20 bij terminal 4 van de arrivals. Want daar zouden volgens de alom aanwezige flatscreens de passagiers van de zwaar vertraagde vlucht uit Bejing door de glazen schuifdeuren komen lopen.
Sommigen van ons hadden zeer hun best gedaan. Complete spandoeken waren er gemaakt, waarop foto’s van Sem waren geprint, waarboven de tekst "Welkom thuis". En blauwe ballonnen. Onnoemelijk veel blauwe ballonnen.

Het duurde maar en het duurde maar, het wachten. De jongsten onder ons, de kleintjes, hielden het niet meer uit. Na aanvankelijk allerlei dansjes te hebben heroefend, strak gechoreografeerd door de schoonzus van A., daalde na 2 uur het animo van de jongsten, die zich stuk voor stuk terugtrokken in hun buggies om een tukje te doen.

En de vaders van de kleintjes deden een tukje tegen de glazen wand van arrivals-terminal 4. De moeders echter bleven multitasken: ze wiegden hun buggies zachtjes heen en weer, keken uit hun ooghoeken naar hun snurkende mannen, en vanuit de andere ooghoek hielden ze nauwlettend de glazen schuifdeuren in de gaten.
En ik tenslotte, ik vond mijzelve op een gegeven ogenblik terug met het complete arsenaal aan blauwe heliumballonnen in mijn klauwen.

Ik had vreselijk veel zin in een pils, om nog maar te zwijgen van sigaretten. Maar op Schiphol mag je niet roken. Waarlijk onmenselijk vind ik dat. Vooral als je een half uur met 100 ballonnen moet staan.

Maar toen kwam daar eindelijk de verlossende sms: "Na de bagage zijn we nu ook door de douane, we komen er binnen 3 minuten aan!"
Ik checkte voor de zekerheid nog eens de gegevens op de hangende flatscreens. ‘CZ0345 Bejing, arrival terminal 4; stond er onveranderd.
Ook de rest was inmiddels per sms geinformeerd en iedereen ontwaakte/werd wakker gemaakt uit zijn slaap. Haastig werden de kleintjes weer in positie gezet. Ik deelde de ballonnen uit. En hield mijn telefooncamera in de aanslag.

Maar er gebeurde gedurende een kwartier lang helemaal niets.

Totdat er iemand van onze twintigkoppige ontvangstcommitee op de schouder werd getikt.
Huh?
Het bleken mijn vriend A., zijn vrouw en zijn nieuwe gezinslid Sem. Met in hun kielzog mijn beste vriend I. en zijn vrouw B, die ook waren meegegaan naar China, om A. et al mentaal te ondersteunen.

"Wij zijn binnengekomen bij Terminal 3", verklaarde A.

Haastig draaide iedereen zich om. De ooms met filmcamera’s, die zich op de eerste rang bij de schuifdeuren van terminal 4 hadden gepositioneerd, wisten niet hoe gauw ze over de dranghekken moesten klauteren en over 100 meter vloer te sprinten, om toch nog wat legendarische beelden te kunnen vastleggen.
De kleintjes lieten van schrik hun ballonnen varen en renden luid gillend zwaaiend met hun armen op het nieuwe episch centrum van de gebeurtenissen af.

Veel tranen bij de mensen. Veel geluk. Heel mooi.

Ik liep naar mijn beste vriend I. toe. "Hoe was het, hoe was de reis?"
"13 uur niet kunnen roken", zei I., "heb jij bier bij je?"
"Natuurlijk heb ik bier bij me", zei ik.

"Wij gaan even naar buiten", riep I. tegen zijn vrouw B. terwijl ie naar mij wees, "even roken."
"Blijven jullie niet te lang weg?"
"Maak je geen zorgen", zei ik tegen B., "ik weet de dichtstbijzijnde zijdeur naar een uitgang. We zijn binnen 3 minuten weer terug."

Buiten dronken we binnen 3 minuten een halve liter weg en rookten we 2 Marlboro’s. I. gaf me een set speelkaarten bij wijze van cadeautje. Met prachtige afbeeldingen van Mao. Onze held toen we jong waren.
"Hoe was China?" vroeg ik.
"Het is verknald", zei I., "ik kreeg echt tranen in mijn ogen toen ik op het plein van de Hemelse Vrede stond, in de Verboden Stad, en dan niet van vreugde."
"Hoezo?" vroeg ik.
"Weet je Sven, er stond een bordje bij dat plein. Weet je wat daar op stond?"
"Nou?" vroeg ik.
"Je zal het niet geloven!"
"Voor de draad ermee", zei ik.
"This square is sponsored by American Express!"
"Nou ja!" zei ik.
"Precies", zei I.
"China is verknald", beaamde ik.

En toen dronken we nog een vlotte pils met een snelle sigaret, waarna we arrival-terminal 3 weer binnen stapten om ons te storten in het feestgedruis.

Sem

Schattig toch?

1993

De afgelopen week moest ik vanwege uiteenlopende redenen verschrikkelijk veel tijd doorbrengen in treinen.
Op zich niks mis mee. Ik ben dol op treinen. Okay, het is jammer dat je er niet meer in mag roken, maar die schade haal ik in door extra veel te drinken. En! Te lezen. Het liefst in mijn oude dagboeken.

Voor de gelegenheid had ik vorige week met voorbedachte rade een aantal schriftjes uit mijn militaire diensttijd klaargelegd. Because nothing beats being a soldier in 1993. Serieus. Er was toen nog totaal geen sprake van oorlogsdreiging. Sterker, de muur was destijds sinds 2 jaar gevallen, en de politiek stuurde in hoog tempo aan op het afschaffen van de dienstplicht. Wij, de mannen van de Charlie-compagnie in Oirschot, representeerdenen de allerlaatste opgeroepen lichting.

En daarmee zouden we tegelijkertijd als proefpersonen fungeren voor het aanstonds te vormen beroepsleger, dat moest gaan bestaan uit zogeheten BBT-ers, "Beroeps Bepaalde Tijd". Die ‘bepaalde tijd’ voor de beroepsmensen bedroeg een intensieve training van 2 jaar, maar wij, de laatste der dienstplichtigen, zouden datzelfde traject moeten gaan doorlopen in 9 maanden. De politiek had namelijk haast. Voor de dienstplicht bestond geen maatschappelijk draagvlak meer, en er zaten verkiezingen aan te komen.

Wij, die laatste lichting, maakten ons niet te sappel. We maakten ons niet druk om het overvolle programma met bivaks op de Brabantse hei en de oefeningen in Vogelsang te Duitsland. Hoe meer actie, hoe beter, zo was ons ingedrilled. We kenden immers allemaal de verhalen van onze voorgangers, die op kazernes de beste maanden van hun leven hadden vergooid met in de ene hand het dertigste klapkutje koffie en met een beetje mazzel een troefboer of Nel in de andere.

Maar vooral kenden we het verhaal van Sgt ****.
"De allergrootste vijand van een militair", had een van onze beroepssergeanten gedoceerd, "is verveling."
En hij kon het weten. Hij had gevochten in Libanon. Af en toe was dat even knokken, maar toch, ze hadden voornamelijk ‘geen kont’ te doen gehad. En dat doet gekke dingen met een mens. Hij vertelde de volgende anekdote:
"Wij hadden dus daar in Libanon een slang gekilled. Een Mamba, echt de dodelijkste slang op aarde. Bewaard natuurlijk, want dat is toch een troffee. Maar goed. Wij stonden een dag later dus voor de zoveelste keer die grensovergang te controleren. Komt er een Palestijns gezin aan in een wrak van een auto. Jullie kennen het wel, net als die Turken die op vakantie gaan: stoelen, bankstel en andere zakzooi op het dak gebonden, onmogelijk veel kindertuig op de achterbank van dat verhikel, en voorin zo’n vent met een rare muts, z’n vrouw met een lap over de kop en z’n schoonmoeder d’r nog ‘s tussenin, met alledrie een snor natuurlijk, en die wilden dus de grens over. In dat barrel.
Dus ik zeg tegen die collega die die Mamba had omgelegd: ‘Heb jij toevallig dat stomme slangenkadaver in de buurt liggen?’ en geef ‘m een knipoog.
Hij snapt meteen wat ik bedoel.
Dus hij even weg, en toen ie terugkwam, hij die auto zogenaamd doorzoeken en stiekem dat slangenlijk tussen die kinderen leggen!
Toen ie klaar was, ik natuurlijk tegen die Palestijnse vent zeggen: ‘volgens mij zit er een slang in je auto!’
Verstond ie niet, maar toen ik wees naar die Mamba, enorme paniek uiteraard. Heeft die vader als een gek iedereen die auto uitgejaagd.
En toen iedereen eruit was gerold hebben wij dat verhikel met zes man compleet doorzeefd. Dat was zo lekker, even schieten.
Die collega van mij die auto in, met die doorzeefde mamba weer naar buiten, en hij houdt ‘m trots in de lucht. Als een troffee.
Die Palestijnen meteen op hun knieen. En maar buigen: ‘Thank you sir, thank you!’ Ha, ha, schitterend! Maar goed. Wat wilde ik zeggen? O ja, verveling is de allergrootste vijand van een militair. Ik ben er achteraf niet trots op wat ik toen heb gedaan."

Flash forward naar 6 weken apres de anekdote van Sgt ****. We hadden eerlijk gezegd nog niet zoveel uitgevoerd. We waren nog niet op oefening geweest, laat staan dat we hadden geschoten. Eerlijk gezegd verveelden we ons de tyfus op de kazerne in Oirschot.
Zelf trakteerde ik me in die dagen na de eindappels voornamelijk op avondjes in gokhal Black Pearls te Eindhoven. Alwaar ik er traditioneel flink wat procenten van mijn maandelijkse ‘wedde’ van 900 gulden doorheen joeg op de fruitautomaten.

In de trein stuitte ik tijdens het lezen van een mijner dagboeken uit 1993 op het verslag van zondagavond 14 november. Komt het, integraal:

Ik heb vanavond al m’n overgebleven geld van deze maand vergokt. 160 gulden. KUT! Ce n’est pas bien! Ik voelde me klote! Ik had nog maar 35 cent aan dubbeltjes en stuivers. Het gaat niet goed met Sven! Terug op de kazerne in staat om iedereen te wurgen. M’n giromaatpasje heeft C (pdn: mijn toenmalige vriendin), dus ik moet nog de rest van de week zonder geld doorbrengen.
Maar goed. In oorlogsstaat de kamer op. Gelukkig had ik nog die 2 halve kratjes Bavaria in mijn prive-vak. En nog flink wat blikjes Heineken. En de Whisky voor noodgevallen. Dus ik moet het kunnen redden. Vooral als ik weinig eet, want dan voel ik ‘m extra snel (ik heb enkel nog maar 3 ontbijtbonnen, dus dat komt wel goed).
Maar goed. Ik dus verder zuipen op de kamer. De rest lag al te snurken in hun rekje. Op de kamer tegenover ons waren ze echter ook flink aan het zuipen (de Echo-groep; Bekkem en Stultjens et al), dus ik erheen. Wie weet kon ik nog gratis zuipen scoren.
Ze waren kanonzat. Net als ik. Dus toen hebben we de hele avond lopen kloten! Leuk! We gaven elkaar legercommando’s: "Op de plaats… Ust!" – met het accent van de Majoor. En "Presenteer…. Togus!" Lachen!
En iedereen die al lag te slapen uit z’n bed kieperen: "Ust!" Lachen.
En toen gingen we onder deuren van andere kamers die al lagen te pitten door pissen. Lachen!
Maar toen flikkerden die eikels van de Echo mijn bed op z’n kant! Hell! Maar, ik was een VENT! Ik liep naar de Echo-kamer en flikkerde het eerste de beste bed op z’n zij. Bleek van de verkeerde te zijn. Ik vroeg wie dan mijn bed om had gekieperd. Het was V/d Weerden ofzo (goser met rood haar en pukkelhuid).
V/d Weerden wilde z’n bed verdedigen. Hij was een kop groter en 30 kilo zwaarder dan ik. Wij douwen en worstelen enzo, en ik won! En flikkerde zijn bed om. Maar daarna struikelde ik, en knalde ik op m’n bek! V/d Weerden lachen, dus toen gaf ik ‘m een uppercut. Recht op z’n kin! Hij naar de vloer. Echt knock out! Heb ik z’n kast omgekieperd. Allemaal gerinkel! En grote plassen op de vloer. Z’n flessen Bacardi naar de kloten!
"Dat zal ie niet leuk vinden" lachten Bekkem et al.
Ik was een held! Met mij valt niet te spotten, en dat is de mannen volgens mij wel duidelijk. YEAH! Mijn avond was weer goed, en ik ging pitten.

Wat zal ik zeggen? Misschien net als Sgt **** : ik ben er achteraf niet trots op. Vooral omdat het achteraf niet de kast van v/d Weerden bleek te zijn, maar die van de goser die naast ‘m doodbraaf lag te pitten. Een schattige jongen die door al het geweld was heengeslapen. Hij moet nog dronkener zijn geweest dan wij. En bovendien, en dat wist ik toen echt nog niet, een uiterst vredelievende homo, die in de maanden daarna nog vele vernederingen door pelotongenoten voor z’n kiezen zou krijgen.

Noorderslag 2009

Zo. Het slopendste weekend van het jaar zit er weer op. Ik heb het over Noorderslag, het popfestival in de Groningse Oosterpoort, waar we elk jaar met een 20-koppige delegatie van Appelpoporganisatoren naar afreizen.

Gisteren, om een uurtje of 4, toen het festival op z’n laatste beentjes liep en onze delegatie in de gang tussen het foodplaza en de CBK-zaal, zittend op de verwarming, enigszins glazig voor zich uit starend, de laatste 67 pils van de overgebleven festivalmuntjes probeerde weg te slikken, vroeg J. aan mij of ik wel eens iets over deze avonden opschreef.
Wat een lange zin, trouwens. Komt doordat ik moe ben. Maar dat terzijde.

"Nee", zei ik tegen J.
"Niet!?" vroeg J.
"Nou ja, niet over hoe wij ons hier gedragen", antwoordde ik, "hooguit iets over de bandjes die ik gezien heb."
"Maar dus niet over ons."
"Niet over ons."
"Maar als je dat wel zou doen, wat zou je dan opschrijven?"

Op dat moment waren drie volwassen mannen uit onze delegatie in het gangpad lege plastic bierbekertjes op de kop aan het zetten.
Zodra er een argeloze voorbijganger dreigde een bekertje omver te lopen riepen ze overdreven dramatisch: "KIJK UIT!"
Waarna ze erg moesten lachen.
Ik moet toegeven dat ik het op dat moment persoonlijk ook ontzettend grappig vond. Humor met een grote H.

Ik wees naar de bekertjes. "Zoiets misschien", zei ik tegen J., "waarschijnlijk zou ik dan zoiets opschrijven."
J. knikte begrijpend.
We waren allebei zo lam als de kachel.

Het leven kan vreselijk mooi zijn als je kneiterzat bent.

Noorderslag 2009. Gijsbert Kramer zal er morgenochtend een enorm enthousiast stukje in de Volkskrant over schrijven. Over hoe gevarieerd het aanbod was, en hoe hoog de kwaliteit, en over hoe je oren en ogen te kort kwam terwijl je van zaal naar zaal rende.

Ik kan me daar niet volledig bij aansluiten. Sterker nog, ik zou een ontzettend bijtende recensie kunnen schrijven over de afgelopen editie. Een stukje waarin ik de gladheid zou willen kraken van vele acts, de droomloze professionaliteit, de belegen routine waarmee zelfs relatief nieuwe bandjes hun repertoire afdraaiden. Want dat gebeurde aan de lopende band. In de meeste van de 10 zalen waartussen je heen en weer kon rennen, werd je binnen 3 minuten wegverveeld.
Als je de zaal uberhaupt al binnenkwam, want het was weer drukker dan alle jaren tevoren, omdat de organisatie veel te veel kaartjes verkoopt.

Vroeger was Noorderslag een marktplaats waar organisatoren de nieuwe talenten voor het komende jaar konden spotten. Een gebeuren bovendien, zonder media-aandacht. Een kaartje kostte toen een tientje. In guldens. En bij elke act kwam je moeiteloos vooraan bij het podium te staan.
Anno 2009 is Noorderslag verworden tot een festival dat live wordt uitgezonden op 3 FM en qua TV op Nederland 3. Als het even tegenzit worden bij de editie van 2010 Matthijs van Nieuwkerk en Leo Blokhuis opgetrommeld. Resultaat op dit moment: overvolle zalen met een publiek van gezapige dertigers die "iets cultureels willen doen", en kaartjes die bij de officiele kassa in de voorverkoop bijna 40 euro doen. En op het internet zelfs meer dan 100.

Ik mis tegenwoordig op Noorderslag het hardcore festivalpubliek. De bellenblazende tienermeisjes. De jongens met 2 verschillende schoenen aan en een lok tot in hun navel.

Toch ga ik het niet doen. Een cynisch artikel schrijven over Noorderslag bedoel ik. Daarvoor was er toch nog te veel moois. Zoals de aanstekelijke energie van het piepjonge duo "The death letters". ‘Dead letters’ had ik trouwens een betere naam gevonden, want mysterieuzer en diepzinniger, maar het fanatisme van de drummer en de zanger/gitarist (die 2 verschillende schoenen aan had) mocht er wezen. De twee jochies straalden de hemeltergende onmacht uit die onaangekomen brieven zouden uitschreeuwen, mochten brieven kunnen praten.

Niet veel later deed Lucky Fonz III op het hoofdpodium iets geheel anders: het net doen alsof hij de zaken volledig onder controle had. Het spannende was dat hier geenszins sprake van bleek. Dapper van de organisatie om een singer/songwriter te laten openen in de Grote Zaal, en nog dapperder dat Lucky hiermee had ingestemd, want potverdorie, het leek in eerste instantie compleet mis te gaan.
Hoewel Lucky Fonz inmiddels via DWDD enige landelijke bekendheid heeft verworven, was de zaal bij aanvang nog angstaanjagend schaars gevuld. Lucky speelde twee nummers in z’n uppie, een nieuw nummer op piano, en een oud hitje op gitaar, maar het bleef genant rustig qua publieksaantallen. Toen trommelde hij de zangeres van het voormalige ‘Betty serveert’ op uit de coulissen. En ze deden een duet.
Een mager applaus.
Betty afgeserveerd.
Vervolgens werd een compleet strijkersquintet toegevoegd op de planken.
Maar omdat de liedjes zo verstild waren, overstemde het geluid uit de andere 9 zalen, de subtiele muziek op het hoofdpodium.
En Lucky, hij bleef maar schuchtere grapjes maken en glimlachen. Heel knap. Niemand liep weg. Sterker nog, er kwam langzamerhand steeds meer publiek bij. En toen ie bijna aan het eind van zijn set begon aan "Draw me a river" waren ze in de andere zalen net eventjes toe aan een stagewisseling, dus was er geen sprake meer van bijgeluiden. Met als gevolg de allermooiste 3 muzikale minuten die ik gisteravond heb mogen beleven. Hemels.

En zo kan ik nog wel een paar uurtjes doorschrijven.
Ga ik niet doen.
Want wat hebben jullie eraan als ik zeg dat ik Marike Jager met band een stuk minder vind dan Marike Jager solo, of dat Roosbeef (3 jaar geleden al op Appelpop!) eindelijk door het grote publiek is ontdekt (Terecht. Ze rookt trouwens pijp. Maar dat weet niemand), waardoor mensen geld gingen bieden aan security-personeel om de ‘Factor e.-tent’ in te mogen.
Of dat ik ga roepen dat ik de Dijk kut vind, want dat vindt iedereen als het goed is, ware het niet dat de meeste mensen ze om onbegrijpelijke redenen geweldig vinden.

Of dat ik diep in mijn hart eigenlijk ‘Steen’ nog de beste act vond van Noorderslag 2009. Spinal en Steen. Een Ciske de Rat lookalike van zo op het eerste oog pakweg 16 (Steen) en z’n oudere broer met een varkenskop en kille ogen (Spinal). Bloedfanatieke Nederhop. En goed verstaanbaar bovendien, wat zeldzaam is bij Hiphop. Perfect geluid, je hoort elk woord. Op de tafel van twee achteroverleunende DJ’s een treetje Grolsch waar driftig wordt uit geplukt door de jonge rappertjes tijdens hun 30 minuten durende optreden. Fuck Spa Blauw, of zoiets.
Ongelooflijk puberaal allemaal. Maar zo komt het raar genoeg niet over. Het komt door de manier waarop ze op het podium staan eerder over als eerlijk.
Net als de teksten. Die zijn hard. Niet voor tere zieltjes. Af en toe behoorlijk wannabe, en afgekeken. Maar tegelijkertijd best wel creatief met de rijm. Neem de volgende drietrapsraket (rhymes zijn in hiphop meestal een drietrapsraket, met het stringente ritme dat hetzelfde schema volgt als dat van de blues en de rock ‘n roll) uit het nummer ‘Jouw vriendin is mijn sexslavin’:

Ik laat haar zien wie de baas is
terwijl ze m’n aars likt
Voor ze het weet wordt ze mishandeld bij kaarslicht

Let op: ik vel er inhoudelijk geen waardeoordeel over. Ik heb het nu even over de vorm. En dan zeg ik: knap gedaan.
En daarbij, toch even over de inhoud, als iemand ambieert controversieel bezig te wezen, en het vervolgens voor elkaar weet te boksen om ‘aars likt’ te laten rijmen op ‘kaarslicht’, dan zeg ik: het zouden mijn woorden niet wezen, maar er is hier absoluut sprake van talent.

Ze hadden er meer, Spinal en Steen. Veel meer. Spannend. Maar het grote publiek liep geshockeerd weg. Om te gaan luisteren naar bandjes die precies hetzelfde zeiden, maar dan abstracter verwoord. Of rappers die onverstaanbaar waren doordat ze overstemd werden door saxafoons. Saxafoons vindt sowieso iedereen go
ed. Iets wat ik nog altijd een mysterie vindt. Anyway.

Dat was Noorderslag 2009. Veryupt en gekapitaliseerd. Vercommercialiseerd, verbraafd en gestolen.
Maar nog steeds fantastisch.
Volgend jaar weer.

Festina Festina

We schreven dinsdag 14 juli 1998. Ik had nog niks op mijn palmares. Behalve een aantal korte voordrachten tijdens het open podium van buurthuis Chasse en een optreden in cafe Miller aan de Binnenbantammerstraat (Nieuwmarkt-buurt), waar ik na eindeloos leuren met gedichten en diverse smeekbedes bij organisator Jermak de Wit, een bescheiden proeve van mijn bekwaamheid had mogen afleggen, was ik nog zo bleu als de pokken wat betreft het declameren van mijn poezie.

Toch was het in die Binnenbantammerstraat geweest dat er een meisje op me afliep, ene Lucienne Kohler, die vertelde dat ze me geweldig vond.
Als meisjes vertellen dat ze me geweldig vinden ben ik een en al oor.

Lucienne zei tegen me dat ik eens moest komen voordragen in cafe Festina Lente. Zij zou daar op 14 juli 1998 een poezie-wedstrijd organiseren waar maar liefst 150 keiharde Nederlandse guldens vielen te verdienen. De jury zou bestaan uit haarzelve en Simon Vinkenoog.
"Ken je Simon?" vroeg Lucienne.
"Niet persoonlijk", zei ik.
"Dat geeft niks" zei Lucienne, "ik weet zeker dat hij je ook geweldig gaat vinden."

Dus ik naar Festina Lente (Latijn voor ‘Haast u langzaam’) toe, op 14 juli 1998. Ik betaalde mijn inschrijvingsgeld aan de bar; 5 gulden. Dat vond ik wel mooi, dat met dat inschrijvingsgeld. Heel cowboyesk. Want serieus, het leek ter plekke alsof de hele stad was uitgelopen om weetikveel, de beste pokeraars aan het werk te zien. Mijn God wat was het druk qua publiek.
(Tegenwoordig is het helaas gratis om deel te nemen.)

Ik monsterde tenmidden van de drukte stiekem mijn tegenstanders, die stuk voor stuk voorafgaand aan de wedstrijd aan een kort vraaggesprek werden onderworpen door de presentatrice; een jong blond meisje dat normaliter serveerster was in Festina. Een meisje dat ik altijd Danielle heb genoemd, maar die later een geheel andere naam bleek te hebben. Welke precies, dat heb ik verdrongen omdat ie nogal knullig was, haar eigenlijke naam. Nog knulliger dan Danielle, dus dan kan je wel nagaan.

"Wat wil je dat ik over je ga zeggen zodadelijk op het podium?", vroeg ze.
Haar tongval verried een Brabantse afkomst, en ze was keimooi.
Van de zenuwen wist ik er geen woord uit te brengen in dat voorgesprek.
"Je hoeft niet nerveus te zijn" stelde Danielle me gerust, "er komen alleen maar leuke mensen hier, dus maak je geen zorgen. Wie is je favoriete dichter?"
Ik nam een slok van mijn Duvel, een haal van mijn Gitane, en stamelde iets van: "weetikveel, Bukowski ofzo."
"Ah!" riep Danielle verheugd, "dat is zeker een Rus? Heel mooi altijd, die Russische literat.."
"Dan nog eerder een Pool", zei ik, "maar hij woont in Los Angeles."
"Dat klinkt heel goed", zei Danielle.

14 juli 1998. Het werd een van de mooiste avonden uit mijn leven. Ik moest als allereerste van de kandidaten. Ik stapte de planken op en improviseerde een gelegenheidsgedichtje ter ere van de Nationale Feestdag van Franrijk, maar eigenlijk vooral ter ere van mijn persoonlijke debuut bij Festina, en het feit dat ik het spits af moest bijten:

Quatorze juillet is een prachtige dag
Hoi Festina Lente, de kop is eraf

Klankrijm, mits je het adequaat voordraagt. Maar bovenal vond ik het zelf destijds een erg goeie grap.

Toch bleef het publiek angstaanjagend stil. Het keek me aandachtig aan, en wachtte vol spanning op het vervolg.
Fuck, dacht ik, dit gaat helemaal verkeerd. Waarom lachen ze niet? Snappen ze de grap niet? Hebben ze geen geschiedenis gehad op school? Wat is dit voor een kutpubliek!?

Klassieke fout, zou ik nog diezelfde avond leren. Onderschat nooit je publiek.
Het publiek was gedurende de hele avond muisstil, ontzettend aandachtig. Het hing aan je lippen en wenste geen woord te missen.

Het was wonderlijk, want het publiek bij Festina bestond bepaald niet uit bejaarden, zoals tijdens de poezie-avonden in buurthuis Chasse. Integendeel. Deze mensen in Festina leken allemaal te zijn weggelopen uit voorpagina’s van hippe Glossies. Maar waar dat laatste gewoonlijk geen positieve correlatie met de verstandelijke vermogens oplevert, deed het dat in Festina Lente wel.
Ze bleken vreselijk onderlegd. Na afloop van de eerste ronde werd ik aan de bar ondervraagd over wat ik van Leopold vond, of EE Cummings.
"Ja, ontzettend goed natuurlijk!", zei ik. Ik had geen flauw idee.

But for the record: ik won wel, die avond.
En ben vervolgens als een gek poezie gaan lezen. Alles.
Opdat ik goed beslagen ten ijs zou komen in de Grande Finale tussen de maandwinnaars, het jaar daarop. De Grande Finale waarin ik middels mijn overwinning van 14 juli een rechtmatige plek had verworven.

Het was ondertussen 1999 geworden en ik was er bijna 12 maanden fulltime mee bezig geweest. Elke vrije seconde had ik besteed aan het lezen van gedichten, tot en met in de lift naar de zevende verdieping op mijn werk bij Robeco aan toe.

-//-

Bon. Even tussendoor. Eigenlijk had ik dit enthousiasmerend bedoelde stukje (het beste, zeg maar het catchy-achtige gedeelte moest eigenlijk nog komen) vanavond af willen maken. Vooral omdat het een belangrijke mededeling cq oproep moet gaan representeren, die bovendien haast heeft. Maar helaas, dat gaat vannacht niet meer lukken. Ik ben te moe. Morgen meer.

Voor de mensen die niet kunnen wachten: Wat ik morgen ga zeggen/als boodschap ga brengen is dat jullie je moeten gaan opgeven om op te komen treden in Festina Lente. Want het gaat op dit moment kut qua aanmeldingen voor de maandelijkse poezieslag aldaar. Het gaat sowieso slecht met de poetryslam in Nederland.
Zowel kwalitatief als kwantitatief.

Ik wil daar verandering in gaan brengen. In Festina, waar het aandachtigste publiek van Nederland zit, en waar vele hedendaagse beroemde dichters hun eerste stapjes op het podium hebben gezet, dreigt de poezieslag het loodje te gaan leggen.

En dat zou enorm zonde zijn. Want het grandioze publiek is er nog steeds. In grote getale. Elke derde dinsdag van de maand zit het nog altijd stampvol. Het enige waar het aan ontbreekt is voldoende dichters.

Doe me een lol. Geef je op. En doe het via mij. Klik op het mailformulier van plukdenacht.web-log.nl. Dan zorg ik dat het goed komt.

Schaatsen

De wekker stond vanmorgen ongehoord vroeg afgesteld, zeker voor een zondag. De reden was een initiatief van mijn tante; die had een schaatstocht uitgestippeld voor ‘de hele familie’. Een rondje van 22 kilometer: Ransdorp, Holysloot, Uitdam, Monnickendam, en dan via Broek in Waterland weer terug naar Ransdorp.
Mijn tante beloofde in haar uitnodiging per mail  ‘een prachtige tocht, met vele pitoresque vergezichten en dito schattige dorpjes’. Ze had er een plaatje bij gedaan om ons over de streep te trekken:

Nh4

Maar toch. 22 kilometer leek mij erg ver. Zeker voor de hele familie. Ik bedoel, mijn moeder bijvoorbeeld kan zich enkel voortbewegen op kunstschaatsen, en is bovendien al 62. Tel daar bij op dat ongeveer de helft van de jongere generatie uberhaupt nog nooit op natuurijs heeft gestaan. Dan kon je reeds op je Noren aanvoelen dat het animo binnen de familie niet al te groot zou wezen om die uitnodiging van mijn tante te replyen met een enthousiast "Yes we can!".

Onze familie is namelijk, op mijn tante na, niet bijster optimistisch van aard. Al doen sommigen graag alsof. Ik noem mijn vader, ik noem mijn broertje en ik noem mijzelf. En qua aangetrouwden: de man van mijn tante en de vrouw van mijn broertje.

Dus krek met die zes mensen gingen wij vanmorgen van start.
Ik had voor mezelf maar liefst vier paar schaatsen in de achterbak liggen. De Easy Gliders die ik ruim een week geleden bij Perry Sport had gekocht, maar die daags erna in Wilnis niet goed op mijn schoenen bleken aan te sluiten, de 30 jaar oude hoge Noren waarop ik gisteren in Ankeveen mijn enkels kapot had gezwikt en een oerwoud aan bollende blaren had opgelopen, de lage Noren van mijn moeder, die twee maten te klein waren, en mijn ouwe trouwe Friese doorlopers waarop ik in mijn jeugd reeds vele toertochten van ruim boven de dertig kilometer had gereden.

De keuze was snel gemaakt. De Friese doorlopers dus. Maar terwijl ik die probeerde onder te binden, knapten de linten. Op zich geen probleem, want mijn lieve moedertje had reservelinten meegegeven, maar die kreeg ik met mijn koude poten niet door de akelig kleine gaatjes van de voorriempjes gewurmd.
Toen de Noren maat 42 van gisteren. Na vijf meter sprongen de yesterday-blasters echter bloedend open, dus switchde ik naar de lage Noren van mijn moeder. Maat 38. Ik kwam er niet helemaal in, hoe ik ook wrikte en wrong. Zelfs zonder sokken bleef ik met mijn hak een halve centimeter van de bodem verwijderd. Maar omdat ze tenminste niet knelden op de plek waar de oude blaren zaten (hooguit eronder), besloot ik op deze schaatsen de tocht van 22 kilometer te gaan aanvaarden.

De eerste drie kilometers gingen fluitend. We hadden wind mee, het ijs was diepzwart, glad als een spiegel en zonder scheuren. Ik reed gelijk op met mijn tante, die toch vele trainingen op de Jaap Eedenbaan achter de rug heeft.
"Goed ijs!" zei ik tegen ‘r.
"Ja he?", zei ze, "Jammer dat er niet meer mensen mee zijn gegaan!"
"Ze hadden het makkelijk gekund!" beaamde ik, "een eitje, deze tocht! En een mooi uitzicht! Moet je zien, daar ligt Uitdam al!"
"Zei ik toch!" zei mijn tante, terwijl ze om haar techniek te demonstreren nog dieper ging zitten dan ze al zat en en slagen maakte van bijkans 100 meter lang.

Door flink door te krabbelen hield ik haar relatief makkelijk bij, maar toen kwam er een bocht. En was het gevoeglijk gedaan met ons windvoordeel.
Het was alsof ik tegen een muur op schaatste.
Woesj, weg was mijn tante, ze lag binnen een nano-seconde een hectometer voor. Ik keek achterom, mijn broertje was net als ik als een gek aan het spartelen.
Ik voelde in gezwind tempo een nieuwe blaar opkomen. En nog een. En nog een. Als paddestoelen uit de grond schoten ze.
Ow my god, peinsde ik, dit is nog maar zijwind. Wat als we straks de wind tegen krijgen?

Ik moest even gaan zitten, even mijn hielen ontlasten. Ik liet me het riet inglijden, wrikte mijn schaatsen uit, en rookte met mijn kont in de sneeuw een sigaret.
Ik nam de schade aan mijn voeten op. Het zag er niet best uit. En ik moest nog 18 kilometer. Ik rookte nog maar eens een sigaret. Toen ging mijn mobiele telefoon. Het was mijn tante.
Ze zaten bij een koek en zoopie en waren ongerust.
"Ik kom er zo aan", zei ik, "is Sander (mijn broertje-pdn) er al?"
"Ja, die is er al lang!"
Kut, dacht ik, ik ben de slechtste schaatser.

En dat wil je niet zijn. De slechtste schaatser. Dus ik zette mijn tanden op elkaar, wrikte me weer in de maat 38 en zwikte gedurende ruim twee kilometer mijn persoonlijke fundering naar de gallemiezen.
En eindelijk, daar arriveerde ik. Bij de mijlpaal; de kwart van de route.
"Gaat het?" vroegen de andere vijf familieleden met koek en zoopie dingen in hun klauwen.
"Prima", zei ik, "schitterende tocht!"
"Niet te zwaar?"
"Ben je gek?", zei ik, "ik heb veel foto’s gemaakt, dus dat kostte wat tijd. Ik ben gewoon enorm aan het genieten."

Enfin.

Uiteindelijk val je door de mand natuurlijk. Mij gebeurde het bij de kluunplaatsen. Ik verdroeg het gewoon niet meer om netjes over de kluunmat te lopen waarbij het leer je continu in de enkels snijdt, terwijl je datzelfde traject ook gewoon kruipend op je knieen over het asfalt kan afleggen.
"Weet je zeker dat het nog gaat, Sven?"
"Appeltje eitje", murmelde ik, "ik wil die schaatsen graag scherp houden, en ze niet mollen op zo’n mat. Ze zijn niet van mezelf maar van mijn moeder, weet je."
De overige vijf, ze knikten meewarig; als jij wilt dat we dat geloven, dan geloven we dat Sven.

Even later hadden we wind tegen. Het ging niet meer.
"Gaat het nog?’ vroeg mijn tante.
"Best", zei ik.
"Morgen moet ik schaatsen met een vriendin, Adri,", zei mijn tante, "en die is veel beter dan ik. Daar zie ik zoooo tegenop. Ik vind het juist lekker om te schaatsen met mensen die het niet zo goed kunnen."

Juist. Dat verklaarde een hoop. Alles eigenlijk.

Ik gleed in een scheur en ging door m’n hoeven.
Woesj. Weg was mijn tante.
En ik, ik krabbelde weer op, kraste en knarste nog enigszins voort. Maar echt, het ging niet meer. Ik was klinisch dood. Onbewust scanden mijn ogen de omgeving op een wak om eervol in te sterven. Gelijk de minder talentvolle wielrenners, die tijdens de Marmotte de omgeving neigen af te speuren naar dodelijke ravijnen om zich in te storten.

Maar net op tijd was daar de finish. De parkeerplek waar de verlossende auto stond. De steiger waar ik de kwelgeesten definitief van mijn voeten mocht pellen.
Mijn tandvlees was op, weggebeten, ik was reeds begonnen aan mijn gehemelte, maar daar stond dan toch echt een stelletje malloten te zwaaien en te schreeuwen dat het nog maar 20 meter was (meer hadden het er ook niet moeten zijn).
Dat stelletje malloten was mijn familie. En ik geloofde ze, en krabbelde met de laastste mijner krachten richting oever.
Het is vastgelegd:

Nh3 

Later die middag zaten we bij mijn tante thuis Leffe’s te hijsen.
Nadat ik gebroken de kant op was gekropen en naar de auto was gestrompeld, bleek de rest nog een stukje te zijn gaan schaatsen op de Gouwzee. Zeg maar het Ijselmeer tussen Monnickendam en Marken.
Overal hadden borden gestaan: "het ijs op de Gouwzee is onbetrouwbaar."

Toch gingen ze. Dus toen is mijn schoonzus door het ijs gezakt. Tot aan ha
ar oksels. Vreselijk link, want binnen notime ben je onderkoeld en kan je je spieren niet meer bewegen, en verzuip je.
Mijn tante had geen seconde geaarzeld. Ze had een snoekduik genomen, buikschuivend over het ijs, haar gewicht verdelend. Ze had vervolgens haar helpende handen uitgestoken om mijn schoonzusje te redden.
En dat is haar gelukt.

Kan je daar niet eens een gedicht over schrijven? vroeg ze, toen we aan de borrel zaten.
Ik nam een slok van mijn Leffe.
Ik zei: "Misschien."

En toch. En toch moet ik toegeven dat ik zo enorm blij ben dat mijn tante dit soort dingen organiseert. Want wees eerlijk. De volgende foto’s die ik (ja, ik! – wij zijn een familie van grote ego’s) daadwerkelijk heb kunnen maken, komen maar eens in de twaalf jaar voor:

De_eenzame_schaatser_op_de_gouwzee Wat_zou_marsman_hiervan_zeggen_met_

Lang leve mijn tante!